Klaagliederen
Inleiding 1 Roep tot de HEERE om te gedenken 2-18 Beschrijving van de ellende 19-22 Smeekbede om herstel
Inleiding

Ook dit hoofdstuk heeft tweeëntwintig verzen, maar er is geen alfabetische volgorde. Het is een soort aanhangsel en sluit de kring. Het is verbonden met Klaagliederen 1 en gaat, net als daar, over de toestand na de verwoesting. Het hoofdstuk begint met een gebed in vers 11Denk, HEERE, aan wat er met ons gebeurd is,
aanschouw en zie onze smaad!
, dan volgt een gebed met daarin een lange klacht in de verzen 2-182Ons erfelijk bezit is vervallen aan vreemden,
onze huizen aan buitenlanders.
3Wij zijn wezen zonder vader,
onze moeders zijn als weduwen.
4Ons water drinken wij voor geld;
ons hout komt [tot ons] voor een prijs.
5Wij worden op onze nek gezeten;
wij zijn [dood]moe, [maar] rust gunt men ons niet!
6Egypte hebben wij de hand gegeven,
en Assyrië, om [met] brood verzadigd te worden.
7Onze vaderen hebben gezondigd; zij zijn er niet [meer],
en wíj dragen hun ongerechtigheden.
8Knechten heersen over ons;
er is niemand die [ons] aan hun hand ontrukt!
9Met levensgevaar moeten wij ons brood halen
vanwege het zwaard van de woestijn.
10Onze huid gloeit als een oven
vanwege het woeden van de honger!
11In Sion hebben zij vrouwen verkracht,
in de steden van Juda jonge vrouwen.
12Vorsten zijn door hun hand opgehangen,
de oudsten werd geen eer bewezen.
13Jongemannen torsen de molensteen,
jongens struikelen onder de houtlast.
14De oudsten ontbreken bij de poort,
jongemannen [staken] hun snarenspel.
15De vreugde van ons hart is opgehouden,
onze reidans is in rouw veranderd.
16Gevallen is de kroon van ons hoofd!
Wee toch ons, dat wij [zo] gezondigd hebben!
17Hierom is ons hart ziek,
om deze dingen zijn onze ogen verduisterd:
18vanwege de berg Sion, die een woestenij is,
waar vossen op lopen.
, om te besluiten met een gebed in de verzen 19-2219U, HEERE, zetelt voor eeuwig!
Uw troon is van generatie op generatie!
20Waarom zou U ons voor altijd vergeten,
zou U ons [zo] lange tijd verlaten?
21HEERE, bekeer ons tot U, dan zullen wij bekeerd zijn!
Vernieuw onze dagen als vanouds.
22Want zou U ons geheel en al verwerpen?
Zou U zozeer op ons vertoornd zijn?
. De beste vrucht van de klacht die iemand heeft, is het gebed.


Roep tot de HEERE om te gedenken

1Denk, HEERE, aan wat er met ons gebeurd is,
aanschouw en zie onze smaad!

De profeet is ook hier de stem van Jeruzalem, dat wil zeggen het gelovig overblijfsel (vers 11Denk, HEERE, aan wat er met ons gebeurd is,
aanschouw en zie onze smaad!
)
. Hij smeekt de HEERE te denken aan wat er met hen, Zijn volk, is gebeurd, en naar hen om te zien in hun smaad. Het houdt het verzoek in om Zijn volk te hulp te komen. Het bevat ook de hoop dat Hij dat ook zal doen als Hij werkelijk het leed aanschouwt en ziet (vgl. Ex 2:24-2524Toen hoorde God hun gekerm, en God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.25En God zag naar de Israëlieten om en ontfermde Zich over hen.; 3:7-87De HEERE zei: Ik heb duidelijk de onderdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, gezien en heb hun geschreeuw [om hulp] vanwege hun slavendrijvers gehoord. Voorzeker, Ik ken hun leed.8Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.).

In de volgende verzen volgt een opsomming van de ellende waarin de stad zich bevindt. Jeremia geeft deze opsomming om de HEERE ertoe te bewegen handelend op te treden ten gunste van Zijn volk.


Beschrijving van de ellende

2Ons erfelijk bezit is vervallen aan vreemden,
onze huizen aan buitenlanders.
3Wij zijn wezen zonder vader,
onze moeders zijn als weduwen.
4Ons water drinken wij voor geld;
ons hout komt [tot ons] voor een prijs.
5Wij worden op onze nek gezeten;
wij zijn [dood]moe, [maar] rust gunt men ons niet!
6Egypte hebben wij de hand gegeven,
en Assyrië, om [met] brood verzadigd te worden.
7Onze vaderen hebben gezondigd; zij zijn er niet [meer],
en wíj dragen hun ongerechtigheden.
8Knechten heersen over ons;
er is niemand die [ons] aan hun hand ontrukt!
9Met levensgevaar moeten wij ons brood halen
vanwege het zwaard van de woestijn.
10Onze huid gloeit als een oven
vanwege het woeden van de honger!
11In Sion hebben zij vrouwen verkracht,
in de steden van Juda jonge vrouwen.
12Vorsten zijn door hun hand opgehangen,
de oudsten werd geen eer bewezen.
13Jongemannen torsen de molensteen,
jongens struikelen onder de houtlast.
14De oudsten ontbreken bij de poort,
jongemannen [staken] hun snarenspel.
15De vreugde van ons hart is opgehouden,
onze reidans is in rouw veranderd.
16Gevallen is de kroon van ons hoofd!
Wee toch ons, dat wij [zo] gezondigd hebben!
17Hierom is ons hart ziek,
om deze dingen zijn onze ogen verduisterd:
18vanwege de berg Sion, die een woestenij is,
waar vossen op lopen.

Het land dat hun is toebedeeld door het lot (Jz 18:1010Toen wierp Jozua het lot voor hen in Silo, voor het aangezicht van de HEERE. En Jozua verdeelde daar voor de Israëlieten het land, volgens hun indelingen.) en dat zij vele eeuwen hebben bezeten, is nu in vreemde handen (vers 22Ons erfelijk bezit is vervallen aan vreemden,
onze huizen aan buitenlanders.
)
. Hun huizen, waar ze altijd hebben gewoond, zijn nu het bezit van buitenlanders. De vrome Israëliet zou zijn land nooit aan een volksgenoot geven (1Kn 21:1-31Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!; vgl. Js 5:88Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
)
, laat staan aan een vreemde. Nu zijn ze vreemden in hun eigen land. Dit is onverdraaglijk. Het gemis van hun “erfelijk bezit” is groot en diep pijnlijk.

Het overblijfsel bestaat uit wezen en weduwen (vers 33Wij zijn wezen zonder vader,
onze moeders zijn als weduwen.
)
. De wet neemt hen speciaal in bescherming. Maar al voor de val van Jeruzalem wordt daar niet naar gehandeld en na de val is dat nog erger. Elke aardse steun is weggenomen. De mannen zijn gedood of weggevoerd. Ook in burgerlijke zin zijn ze wees en weduwe, want hun koning is er niet meer. Zelfs in godsdienstige zin is het waar, want door hun zonden voelen ze zich door de HEERE verlaten.

Als Mozes het land beschrijft waar de HEERE Zijn volk brengt als ze er vlak voor staan, spreekt Hij over “een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte” (Dt 8:77Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;). Maar dat water, waarover ze zo vrije en ruime beschikking hebben gehad, is niet meer van hen. Ze moeten het nu kopen (vers 44Ons water drinken wij voor geld;
ons hout komt [tot ons] voor een prijs.
)
. Het hout om voedsel te bereiden is ook niet meer vrij te krijgen, ze moeten het kopen. Waterputten en wouden zijn in handen van de vijand. Het spreekt alles van verlies van vrijheid. Ze zijn in slavernij (vgl. Ex 5:6-76Daarom gaf de farao op diezelfde dag het bevel aan de slavendrijvers onder het volk en de voormannen ervan:7U mag voortaan geen stro meer aan het volk verstrekken om de bakstenen te maken, zoals voorheen. Laten zij zelf [maar] stro gaan verzamelen.).

Behalve verlies van bezit, van vaders en mannen, van voedsel en vrijheid, is er ook verlies van rust (vers 55Wij worden op onze nek gezeten;
wij zijn [dood]moe, [maar] rust gunt men ons niet!
)
. Ze worden op de nek gezeten, dat wil zeggen dat ze rusteloos worden vervolgd en opgejaagd. Het is als de toestand van slavernij in Egypte toen ze ook steeds harder moesten werken.

In plaats van zich tot de HEERE te wenden hebben ze van Egypte (Js 31:11Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
; Ez 16:26,2826U bedreef hoererij met de Egyptenaren, uw zwaargeschapen buren. U maakte uw hoererijen talrijk, zodat u Mij tot toorn verwekte.28Daarna bedreef u hoererij met de Assyriërs, omdat u onverzadigbaar was. U bleef hoererij met hen bedrijven, en nog raakte u niet verzadigd.)
en Assyrië (Hs 5:1313Toen Efraïm zijn ziekte zag
en Juda zijn gezwel,
ging Efraïm naar Assyrië
en stuurde hij boden naar koning Jareb.
Maar die zal u niet kunnen genezen,
en van u het gezwel niet wegnemen.
)
hun hulp verwacht (vers 66Egypte hebben wij de hand gegeven,
en Assyrië, om [met] brood verzadigd te worden.
)
. De hand geven wil zeggen mee instemmen en ook plechtig beloven (vgl. 2Kn 10:1515Hij ging vandaar verder en trof Jonadab aan, de zoon van Rechab, [die] hem tegemoet[kwam]. Hij groette hem en zei tegen hem: Is uw hart oprecht, zoals mijn hart [dat] ten opzichte van uw hart is? En Jonadab zei: [Dat] is het, ja, [dat] is het. [En Jehu] zei: Geef uw hand. Hij stak zijn hand uit en liet hem bij zich op de wagen klimmen.; 1Kr 29:2424Alle bevelhebbers en helden en ook alle zonen van koning David gaven de hand, [als teken] dat zij onder koning Salomo [trouw] zouden zijn.; 2Kr 30:88Wees nu niet halsstarrig zoals uw vaderen. Geef de HEERE de hand en kom naar Zijn heiligdom, dat Hij voor eeuwig geheiligd heeft, en dien de HEERE, uw God. Dan zal Zijn brandende toorn zich van u afkeren.).

De toestand is zeker het gevolg van wat de voorvaderen hebben gedaan (vers 77Onze vaderen hebben gezondigd; zij zijn er niet [meer],
en wíj dragen hun ongerechtigheden.
; Ex 20:55U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,; Nm 14:1818De HEERE is geduldig en rijk aan goedertierenheid, Hij vergeeft de ongerechtigheid en de overtreding, Hij houdt [de schuldige] zeker niet voor onschuldig en vergeldt de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, tot in het derde en het vierde [geslacht].)
. Maar zie ook vers 1616Gevallen is de kroon van ons hoofd!
Wee toch ons, dat wij [zo] gezondigd hebben!
, want zonder dat vers zou dit vers een onvolledige waarheid zijn. Ook wij moeten ons bewust zijn dat wij gezondigd hebben. Zoals de toestand nu is, dragen wij de gevolgen van vroeger, maar wij hebben ook onze bijdrage geleverd. Beide verzen samen geven ons de oorzaak van de huidige toestand.

Knechten van de koning van Babel heersen over hen en ze hebben niemand die hen helpt om zich aan de greep van de vijand te ontrukken (vers 88Knechten heersen over ons;
er is niemand die [ons] aan hun hand ontrukt!
)
. Israël, dat bedoeld is om een “koninkrijk van priesters” (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.) te zijn, is een Kanaän geworden, een “dienaar van dienaren” (Gn 9:2525Hij zei:
Vervloekt is Kanaän!
Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!
)
.

Ze hebben tijdens de belegering met gevaar voor hun leven geprobeerd buiten de stad voedsel te halen (vers 99Met levensgevaar moeten wij ons brood halen
vanwege het zwaard van de woestijn.
)
. De honger woedt en trekt zijn sporen over hun lichaam, dat door heftige koorts geteisterd wordt (vers 1010Onze huid gloeit als een oven
vanwege het woeden van de honger!
)
. Hun huid is de huid van een stervende.

De vrouwen in Sion en in de steden van Juda zijn door de soldaten bruut verkracht (vers 1111In Sion hebben zij vrouwen verkracht,
in de steden van Juda jonge vrouwen.
)
. De leiders zijn een gruwelijke dood gestorven (vers 1212Vorsten zijn door hun hand opgehangen,
de oudsten werd geen eer bewezen.
)
. De oudsten, die met eerbied zouden moeten worden benaderd, zijn zonder enig respect behandeld, dat wil zeggen wreed en met minachting.

De jongemannen moeten hun krachten geven in dienst van de vijand (vers 1313Jongemannen torsen de molensteen,
jongens struikelen onder de houtlast.
)
. Ze moeten als dieren aan de molensteen draaien om graan te malen voor de vijand (vgl. Ri 16:2121Toen grepen de Filistijnen hem en staken hem de ogen uit. En zij voerden hem af naar Gaza en bonden hem met twee bronzen kettingen. En hij maalde [meel] in de gevangenis.). Jongens krijgen een last hout te dragen die zo zwaar is dat ze eronder bezweken. Het kan zijn dat hiermee het draaien aan de houten stang van de bovenste molensteen wordt bedoeld. Zij die eens de hoop van Juda zijn geweest, zijn slaven geworden.

De poort, de plaats van rechtspraak, is leeg. Er is geen rechtspraak meer door de ouden (vers 1414De oudsten ontbreken bij de poort,
jongemannen [staken] hun snarenspel.
)
. Bij jongemannen, die gekenmerkt worden door vreugde, is de vreugde totaal afwezig. Wijsheid, gerechtigheid en vreugde die een welvarende gemeenschap kenmerken, zijn verdwenen.

Vreugde en uitgelatenheid die hier eens werden beleefd, zijn er niet meer, omdat het hart geen vreugde meer kent (vers 1515De vreugde van ons hart is opgehouden,
onze reidans is in rouw veranderd.
)
. In plaats van uitingen van vreugde te laten horen is men in rouw gedompeld. Een van de gevolgen van het begaan van een zonde is dat de vreugde weg is. David heeft dat ervaren na zijn zonde met Bathseba. Belijdenis brengt die vreugde terug (Ps 51:9-10,149Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn,
was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.
10Doe mij vreugde en blijdschap horen;
laat de beenderen zich verheugen [die] U verbrijzeld hebt.
14Geef mij de vreugde over Uw heil terug,
ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid.
)
.

Dat de kroon van haar hoofd is gevallen wil zeggen dat Jeruzalem de eervolle positie en de waardigheid die ze eerst had, is kwijtgeraakt (vers 1616Gevallen is de kroon van ons hoofd!
Wee toch ons, dat wij [zo] gezondigd hebben!
)
. Dat komt door hun eigen zonden die ze nu belijden. Ze spreken het “wee” over zichzelf uit met een uitroep dat ze wel heel zwaar hebben gezondigd.

De oorzaak van alle smart en ellende en hun ogen zo vol tranen dat ze niet meer uit hun ogen kunnen kijken, is de verwoesting van Sion (verzen 17-1817Hierom is ons hart ziek,
om deze dingen zijn onze ogen verduisterd:
18vanwege de berg Sion, die een woestenij is,
waar vossen op lopen.
)
. Wie kijkt naar wat eens zo prachtig en waardevol was en nu in puin ligt, heeft grote pijn in het hart. Zo is het voor God ook met betrekking tot de schepping. Als er vossen lopen, wil dat zeggen dat de stad ontvolkt is (vgl. Ne 4:33En Tobia, de Ammoniet, [stond] naast hem en zei: Ook al bouwen ze, als er [slechts] een vos op klimt, maakt hij een bres in hun stenen muur.).


Smeekbede om herstel

19U, HEERE, zetelt voor eeuwig!
Uw troon is van generatie op generatie!
20Waarom zou U ons voor altijd vergeten,
zou U ons [zo] lange tijd verlaten?
21HEERE, bekeer ons tot U, dan zullen wij bekeerd zijn!
Vernieuw onze dagen als vanouds.
22Want zou U ons geheel en al verwerpen?
Zou U zozeer op ons vertoornd zijn?

Het boek eindigt met een gebed (verzen 19-2219U, HEERE, zetelt voor eeuwig!
Uw troon is van generatie op generatie!
20Waarom zou U ons voor altijd vergeten,
zou U ons [zo] lange tijd verlaten?
21HEERE, bekeer ons tot U, dan zullen wij bekeerd zijn!
Vernieuw onze dagen als vanouds.
22Want zou U ons geheel en al verwerpen?
Zou U zozeer op ons vertoornd zijn?
)
. We horen de HEERE niet spreken in dit boek, maar we horen de Godvrezende spreken tot de HEERE in een gebed van hoop. De HEERE zal Zijn tempel weer opbouwen. Hoewel het geloof weet en vertrouwt dat het zal gebeuren en dat de HEERE het zal doen, smeekt het toch dat het zal gebeuren.

Het geloof van het overblijfsel richt het oog van de puinhopen af en kijkt naar boven. Het overblijfsel weet het: de “HEERE zetelt voor eeuwig” (vers 1919U, HEERE, zetelt voor eeuwig!
Uw troon is van generatie op generatie!
)
, Zijn troon is niet verwoest, maar is onaantastbaar en onwankelbaar. Wij zien in de troon de Heer Jezus. Hij blijft tot in eeuwigheid (Ps 45:77Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd;
de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid.
; 102:1313Maar U, HEERE, U blijft voor eeuwig,
de gedachtenis aan U van generatie op generatie.
)
. Alles mag veranderen, Hij niet. Wereldrijken wisselen elkaar af. Alleen Gods macht blijft bestaan en is verheven boven die van alle aardse heersers. Hij blijft over alles de volledige controle houden. Het overblijfsel gelooft dit vast en daarom blijven ze hopen dat Hij Zijn macht eenmaal ten goede voor hen tot hun bevrijding zal tonen.

Het overblijfsel klampt zich vast aan de beloften van de HEERE (vers 2020Waarom zou U ons voor altijd vergeten,
zou U ons [zo] lange tijd verlaten?
)
. Ze spreken het als een vraag uit dat de HEERE hen toch niet voor altijd zal vergeten, ook al moet Hij hen voor zo lange tijd vanwege hun zonden verlaten.

Het geloof ziet in dat ware bekering alleen mogelijk is als die van de HEERE komt (Jr 31:18c,33-3418Ik heb zeker gehoord
dat Efraïm zichzelf beklaagt:
U hebt mij gestraft, ik ben gestraft
als een ongetemd kalf.
Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn,
want U bent de HEERE, mijn God.
33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.
; Ez 36:25-2725Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.26Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.27Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en [dat] u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.)
. Er is hier in dubbel opzicht van bekering sprake: letterlijk, lichamelijk, terug naar het land, maar ook geestelijk, terug naar de HEERE. Dat kan en zal gebeuren op grond van het werk van Christus op het kruis. Als Hij terugkomt, zal het plaatsvinden. Dan is er een totale vernieuwing, uiterlijk en innerlijk.

Met vers 2222Want zou U ons geheel en al verwerpen?
Zou U zozeer op ons vertoornd zijn?
eindigt het gebed en tevens het boek. Hieruit spreekt geen vertwijfeling, maar hoop. Het is de overtuiging dat de HEERE Zijn volk niet loslaat, dat Hij Zijn verkiezing niet tenietdoet. In deze roep naar de HEERE ligt het vaste vertrouwen dat Hij Zijn volk naar Zijn beloften weer gedenkt.

Hij verwerpt hen niet geheel en al. Er blijft een rest over. Zijn toorn duurt ook niet eeuwig, want als er berouw en bekering zijn, houdt Zijn toorn op. Het overblijfsel zal dat op indrukwekkende wijze ervaren. Als ze tot berouw en bekering zijn gekomen, zullen ze zingen: “Want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (Ps 136:1-61Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Loof de Heere der heren,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.4Die grote wonderen doet, Hij alleen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
5Die de hemel met inzicht maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
6Die de aarde boven het water uitspande,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
.