Klaagliederen
Inleiding 1-9 Jeruzalem verwoest – de Heere heeft het gedaan 10-12 Reactie van enkele overlevenden 13-17 Jeremia beklaagt Jeruzalem 18-19 Oproep om de HEERE aan te roepen 20-22 De HEERE wordt aangeroepen
Inleiding

Hier begint het tweede lied, dat ook begint met het woord “hoe” (vgl. Kl 1:11Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
)
. Ook hier geldt wat we in het eerste lied hebben: tweeëntwintig verzen van elk drie regels, waarbij het eerste vers begint met de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet en elk volgend vers met de volgende letter ervan. Opnieuw horen we de grote smart van Jeremia die elke letter nodig heeft om aan zijn smart uiting te kunnen geven.

In de eerste klaagzang (Klaagliederen 1) gaat het meer over verlatenheid, eenzaamheid en schande als gevolg van de verwoesting van Jeruzalem. In de klaagzang in dit hoofdstuk zien we meer de toestand van de verwoesting met als hoofdzaak de verwoesting van de tempel. Ook zien we hier nadrukkelijk dat de verwoesting het gevolg is van de toorn van God.

1. De verzen 1-91Hoe heeft de Heere in Zijn toorn /aleph/
de dochter van Sion in wolken gehuld.
Hij heeft vanuit de hemel ter aarde geworpen
de luister van Israël;
en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht
op de dag van Zijn toorn.
2De Heere heeft verslonden, Hij heeft niet gespaard, /beth/
alle woningen van Jakob;
Hij heeft in Zijn verbolgenheid
de vestingen van de dochter van Juda met de grond gelijkgemaakt.
Hij heeft [ze] met de grond in aanraking doen komen,
Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
3In brandende toorn heeft Hij /gimel/
heel de hoorn van Israël stukgebroken.
Hij heeft Zijn rechterhand naar achteren toe getrokken
in het zicht van de vijand.
Hij is tegen Jakob ontbrand als een vlammend vuur,
[dat] naar alle kanten verteert.
4Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, /daleth/
Zijn rechterhand in de aanslag
als een tegenstander; Hij doodde
alle voor het oog begerenswaardige dingen.
In de tent van de dochter van Sion
heeft Hij Zijn grimmigheid als een vuur uitgestort.
5De Heere is als een vijand geworden. /he/
Hij heeft Israël verslonden,
al haar paleizen heeft Hij verslonden,
haar vestingen te gronde gericht:
Hij vermeerderde bij de dochter van Juda
geklag en geklaag.
6Hij heeft als [in] een tuin Zijn hut met geweld omvergehaald, /waw/
Hij heeft Zijn plaats van samenkomst te gronde gericht;
De HEERE heeft in Sion laten vergeten
feestdag en sabbat.
Hij heeft in Zijn grimmige toorn verworpen
koning en priester.
7De Heere heeft Zijn altaar verstoten, /zain/
tenietgedaan Zijn heiligdom.
Hij heeft in de hand van de vijand uitgeleverd
de muren van haar paleizen.
Zij hebben in het huis van de HEERE [hun] stem laten klinken
als op een feestdag.
8De HEERE heeft besloten om /cheth/
de muur van de dochter van Sion te gronde te richten;
Hij heeft het meetlint uitgespannen,
Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van de verslinding.
Hij heeft de vestingwal en de muur rouw doen bedrijven,
samen zijn zij ingestort.
9Haar poorten zijn ter aarde gezonken, /teth/
haar grendels heeft Hij vernield en gebroken.
haar koning en haar vorsten bevinden zich onder de heidenvolken.
[Het onderwijs in] de wet ontbreekt.
Ook hebben haar profeten geen
visioen van de HEERE ontvangen.
beschrijven de verwoesting van Jeruzalem waarbij die wordt toegeschreven aan de Heere, Adonai.
2. In vers 1010Zij zitten zwijgend op de grond, /jod/
de oudsten van de dochter van Sion.
Zij hebben stof op hun hoofd geworpen,
zich met rouwgewaden omgord.
Zij laten hun hoofd ter aarde hangen,
de jonge vrouwen van Jeruzalem.
zien we hoe enkele overlevenden eraan toe zijn en
3. in de verzen 11-1211Mijn ogen zijn verteerd door tranen, /kaph/
mijn binnenste is vol onrust.
Mijn ingewanden zijn ter aarde uitgestort,
vanwege de breuk van de dochter van mijn volk,
om het bezwijken van kind en zuigeling
op de pleinen van de stad.
12Tegen hun moeders zeggen zij: /lamed/
Waar is er koren en wijn?
terwijl zij bezwijken als dodelijk gewonden
op de pleinen van de stad,
terwijl hun leven wegvloeit
op de schoot van hun moeders.
horen we de persoonlijke nood van Jeremia.
4. In de verzen 13-1713Wat zal ik u voorhouden, /mem/
waarmee u vergelijken, dochter van Jeruzalem?
Waaraan zal ik u gelijkstellen,
zodat ik u zal troosten, maagd, dochter van Sion?
Want groot als de zee is uw breuk!
Wie kan u genezen?
14Uw profeten hebben voor u gezien /nun/
valse [visioenen] en dwaasheid;
uw ongerechtigheid hebben zij niet bekendgemaakt
om uw gevangenschap om te keren,
maar zij hebben lasten voor u gezien
van valsheid en misleidingen.
15Alle voorbijgangers hebben over u /samech/
de handen ineengeslagen.
Zij sisten [van afschuw] en schudden hun hoofd
over de dochter van Jeruzalem:
Is dit de stad waarvan men zei:
Volmaakt van schoonheid,
een vreugde voor heel de aarde?
16Zij hebben over u hun mond opengesperd, /pe/
al uw vijanden.
Zij sisten [van afschuw] en knarsetandden,
zij zeiden: Wij hebben [haar] verslonden!
Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,
wij hebben [hem] gevonden en hebben [hem] gezien!
17De HEERE heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen, /ain/
Hij heeft Zijn woord vervuld,
dat Hij in de dagen van weleer geboden had.
Hij heeft afgebroken, en niet gespaard,
en Hij heeft de vijand over u verblijd;
Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders opgeheven.
wordt Jeruzalem beklaagd; Jeremia zoekt naar een troostgrond, maar vindt die niet.
5. De verzen 18-1918Hun hart schreeuwde het uit tot de Heere: /tsade/
Muur van de dochter van Sion,
laat tranen als een beek naar beneden stromen,
dag en nacht!
Gun uzelf geen rust,
laat uw oogappel niet stilstaan!
19Sta op, weeklaag in de nacht, /koph/
vanaf de eerste [nacht]wake!
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen,
die van honger versmachten
op de hoek[en] van alle straten.
bevatten een oproep om de Heere, Adonai, aan te roepen en
6. in de verzen 20-2220Zie, HEERE, en aanschouw /resj/
aan wie U zo gedaan hebt!
 Moeten vrouwen hun [eigen] vrucht eten,
kleine kinderen die zij op handen droegen?
Moeten [dan] in het heiligdom van de Heere gedood worden
priester en profeet?
21Zij liggen ter aarde [op] de straten, /sjin/
jong en oud.
Mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen
zijn door het zwaard gevallen.
U hebt [hen] gedood op de dag van Uw toorn,
U hebt [hen] afgeslacht, en niet gespaard.
22U hebt bijeengeroepen, als op een feestdag, /taw/
verschrikkingen voor mij van rondom!
En niemand is op de dag van de toorn van de HEERE
ontkomen of ontvlucht!
Wie ik op handen heb gedragen en heb grootgebracht,
heeft mijn vijand omgebracht!
horen we hoe de HEERE, Jahweh, wordt aangeroepen.


Jeruzalem verwoest – de Heere heeft het gedaan

1Hoe heeft de Heere in Zijn toorn /aleph/
de dochter van Sion in wolken gehuld.
Hij heeft vanuit de hemel ter aarde geworpen
de luister van Israël;
en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht
op de dag van Zijn toorn.
2De Heere heeft verslonden, Hij heeft niet gespaard, /beth/
alle woningen van Jakob;
Hij heeft in Zijn verbolgenheid
de vestingen van de dochter van Juda met de grond gelijkgemaakt.
Hij heeft [ze] met de grond in aanraking doen komen,
Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
3In brandende toorn heeft Hij /gimel/
heel de hoorn van Israël stukgebroken.
Hij heeft Zijn rechterhand naar achteren toe getrokken
in het zicht van de vijand.
Hij is tegen Jakob ontbrand als een vlammend vuur,
[dat] naar alle kanten verteert.
4Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, /daleth/
Zijn rechterhand in de aanslag
als een tegenstander; Hij doodde
alle voor het oog begerenswaardige dingen.
In de tent van de dochter van Sion
heeft Hij Zijn grimmigheid als een vuur uitgestort.
5De Heere is als een vijand geworden. /he/
Hij heeft Israël verslonden,
al haar paleizen heeft Hij verslonden,
haar vestingen te gronde gericht:
Hij vermeerderde bij de dochter van Juda
geklag en geklaag.
6Hij heeft als [in] een tuin Zijn hut met geweld omvergehaald, /waw/
Hij heeft Zijn plaats van samenkomst te gronde gericht;
De HEERE heeft in Sion laten vergeten
feestdag en sabbat.
Hij heeft in Zijn grimmige toorn verworpen
koning en priester.
7De Heere heeft Zijn altaar verstoten, /zain/
tenietgedaan Zijn heiligdom.
Hij heeft in de hand van de vijand uitgeleverd
de muren van haar paleizen.
Zij hebben in het huis van de HEERE [hun] stem laten klinken
als op een feestdag.
8De HEERE heeft besloten om /cheth/
de muur van de dochter van Sion te gronde te richten;
Hij heeft het meetlint uitgespannen,
Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van de verslinding.
Hij heeft de vestingwal en de muur rouw doen bedrijven,
samen zijn zij ingestort.
9Haar poorten zijn ter aarde gezonken, /teth/
haar grendels heeft Hij vernield en gebroken.
haar koning en haar vorsten bevinden zich onder de heidenvolken.
[Het onderwijs in] de wet ontbreekt.
Ook hebben haar profeten geen
visioen van de HEERE ontvangen.

Direct al aan het begin zegt Jeremia dat niet de vijand, maar de Heere, Adonai, in Zijn toorn Jeruzalem in het donker van rouw en smart heeft gehuld (vers 11Hoe heeft de Heere in Zijn toorn /aleph/
de dochter van Sion in wolken gehuld.
Hij heeft vanuit de hemel ter aarde geworpen
de luister van Israël;
en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht
op de dag van Zijn toorn.
)
. De wolken, de rouw en smart, omhullen Jeruzalem, de stad ligt erin ondergedompeld. In deze duisternis is geen lichtstraal van Gods aanwezigheid te zien. Er is geen gebed dat kan doordringen tot de Heere.

“De luister van Israël”, dat is de eigen woonplaats van de HEERE, de tempel, heeft Hij door de hand van de vijanden “vanuit de hemel ter aarde geworpen” en met de grond gelijk gemaakt. Sion is van de hoogste luister naar de diepste schande gegaan (vgl. Mt 11:2323En u, Kapernaüm, zult u soms tot [de] hemel verhoogd worden? Tot [de] hades zult u worden neergestoten! Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, het zou tot op heden zijn gebleven.). Hoewel de vijanden door Hem zijn gebruikt voor de uitvoering van Zijn toorn, schrijft Jeremia toch alles aan de Heere toe. Hij heeft het gedaan.

“De voetbank van Zijn voeten”, de plaats van Zijn rust, is de ark van Zijn verbond (1Kr 28:22Toen stond koning David op en zei: Luister naar mij, mijn broeders, en mijn volk! Het leefde in mijn hart om een huis van rust voor de ark van het verbond van de HEERE te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God. Ik heb [alles] voorbereid voor de bouw.). Hij heeft die niet willen en kunnen houden, omdat het volk Hem Zijn rust heeft ontnomen door hun zonden. Hij heeft er niet aan gedacht om die voor Zijn volk te beschermen en te bewaren. Hij heeft de tempel moeten verlaten en daarom heeft deze met de voorwerpen erin geen betekenis meer. Op de dag dat Hij Zijn toorn heeft moeten uitoefenen, heeft Hij alles in de hand van de vijanden gegeven om het te vernielen of weg te voeren.

De Heere heeft Zijn eigen woning niet gespaard. Hij, Adonai, heeft ook de woningen van Zijn volk niet gespaard, maar ze allemaal in puin gelegd (vers 22De Heere heeft verslonden, Hij heeft niet gespaard, /beth/
alle woningen van Jakob;
Hij heeft in Zijn verbolgenheid
de vestingen van de dochter van Juda met de grond gelijkgemaakt.
Hij heeft [ze] met de grond in aanraking doen komen,
Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
)
. Hij heeft ze verslonden alsof Hij een groot monster is. Het wijst op de volledigheid van de verwoesting.

Zijn verbolgenheid over hun zonden is groot. Daarom heeft Hij alle vestingen, alle versterkte steden van Juda, waarop zij hebben vertrouwd als een bescherming tegen de vijand, van de aardbodem weggevaagd. De beschrijving is helder. De Heere heeft met de steden gehandeld.

Hij heeft ze “met de grond in aanraking doen komen”, dat wil zeggen met de grond gelijkgemaakt. Daardoor heeft Hij het koninkrijk en de leiding ervan ontheiligd, dat wil zeggen hun de bijzondere plaats ontnomen die zij voor Hem hadden. Juda is zijn zelfstandigheid kwijt. Zedekia is naar Babel gevoerd en zijn zonen en de vorsten zijn gedood.

“Heel de hoorn van Israël” heeft Hij in Zijn brandende toorn stukgebroken (vers 33In brandende toorn heeft Hij /gimel/
heel de hoorn van Israël stukgebroken.
Hij heeft Zijn rechterhand naar achteren toe getrokken
in het zicht van de vijand.
Hij is tegen Jakob ontbrand als een vlammend vuur,
[dat] naar alle kanten verteert.
)
. De hoorn is een beeld van kracht (1Sm 2:11Toen bad Hanna en zei:
Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE,
mijn hoorn is opgeheven in de HEERE;
mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden,
want ik verheug mij in Uw heil.
; Jr 48:2525De hoorn van Moab is afgehakt
en zijn arm is gebroken,
spreekt de HEERE.
)
. Israël is sterk geweest door de HEERE. Van hun kracht is echter niets over, omdat zij hun sterke God hebben verlaten. Ze staan krachteloos te midden van de ellende en de puinhopen.

Als de HEERE handelde, was dat tegen Zijn volk gericht. Maar ook als Hij niet handelde, was dat tegen Zijn volk gericht. “Zijn rechterhand”, die hen beschermde en die voor hen streed en hen verloste (Ex 15:1212U strekte Uw rechterhand uit,
en de aarde verzwolg hen.
; Ps 18:3636Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
; 20:77Nu weet ik dat de HEERE Zijn gezalfde verlost!
Hij zal hem verhoren uit Zijn heilige hemel,
met machtige daden van heil door Zijn rechterhand.
 
; 108:77opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en verhoor ons.
)
, heeft Hij van hen weggetrokken (Ps 74:1111Waarom trekt U Uw hand terug, Uw [sterke] rechterhand?
[Trek haar] uit het midden van Uw boezem. Maak er een eind aan!
)
. Israël heeft het zonder Zijn hulp moeten doen. De vijand heeft dat gezien en zijn kans gegrepen.

De vijand heeft vrij baan gekregen omdat de HEERE tegen Jakob in toorn is ontbrand. Zijn toorn is “als een vlammend vuur, [dat] naar alle kanten verteert”. Niets blijft gespaard. Elke hoek van het land wordt bezocht en valt ten prooi aan Zijn oordelend vuur.

Hij is de tegenstander van Zijn volk geworden (vers 44Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, /daleth/
Zijn rechterhand in de aanslag
als een tegenstander; Hij doodde
alle voor het oog begerenswaardige dingen.
In de tent van de dochter van Sion
heeft Hij Zijn grimmigheid als een vuur uitgestort.
)
. Hij heeft als een vijand van Zijn volk gehandeld. In vers 33In brandende toorn heeft Hij /gimel/
heel de hoorn van Israël stukgebroken.
Hij heeft Zijn rechterhand naar achteren toe getrokken
in het zicht van de vijand.
Hij is tegen Jakob ontbrand als een vlammend vuur,
[dat] naar alle kanten verteert.
heeft Hij Zijn rechterhand van Zijn volk weggetrokken. Hier komt Zijn rechterhand weer tevoorschijn, maar nu met “Zijn boog … in de aanslag” om Zijn volk als “een tegenstander” te benaderen en te straffen. Hij heeft de boog gespannen en allen gedood die er begerenswaardig uitzagen, dat zijn de strijdbare jongemannen.

In de verborgenheid van de tent, een plaats van geborgenheid en gemeenschap (Ps 27:5b5Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
)
, waarmee Jeruzalem en in het bijzonder de tempel worden bedoeld, woedt nu het vuur van Zijn grimmigheid.

De Heere, Adonai, is voor Zijn volk “als een vijand geworden”, want Hij heeft hen in de hand van de koning van Babel gegeven, waardoor deze vijand Zijn vertegenwoordiger is (vers 55De Heere is als een vijand geworden. /he/
Hij heeft Israël verslonden,
al haar paleizen heeft Hij verslonden,
haar vestingen te gronde gericht:
Hij vermeerderde bij de dochter van Juda
geklag en geklaag.
)
. Als Zijn volk Hem gehoorzaam zou dienen, zou Hij de vijand van de vijanden van Zijn volk zijn (Ex 23:2222Maar als u aandachtig naar Zijn stem luistert en alles doet wat Ik spreken zal, zal Ik de vijand van uw vijanden zijn en de tegenstander van hen die u in het nauw brengen.). Maar nu is Hij, de Heere Zelf, de vijand van Zijn volk (vgl. Js 63:1010Zíj daarentegen zijn ongehoorzaam geworden
en hebben Zijn Heilige Geest bedroefd.
Daarom is Hij voor hen veranderd in een vijand,
Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
)
. Hij heeft het gedaan, Zijn hand heeft dit onheil over hen gebracht. Dat moeten wij ook goed beseffen in wat er over ons komt of tegen ons gezegd wordt. Hoe vijandig of vleselijk iets ook is wat op ons afkomt, wij moeten het uit Zijn hand aannemen.

Weer wordt het woord “verslonden” gebruikt (vgl. vers 22De Heere heeft verslonden, Hij heeft niet gespaard, /beth/
alle woningen van Jakob;
Hij heeft in Zijn verbolgenheid
de vestingen van de dochter van Juda met de grond gelijkgemaakt.
Hij heeft [ze] met de grond in aanraking doen komen,
Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
)
. Israël en al haar paleizen zijn door Hem verslonden. Al haar sterke vestingen zijn “te gronde gericht” ofwel met de grond gelijkgemaakt. Het veroorzaakt een toenemend weeklagen bij Zijn volk, de dochter Juda.

Hij heeft Zijn tempel als een tijdelijke hut, “Zijn hut”, neergehaald, alsof het een tijdelijk onderkomen was dat boeren op het land bouwen en weer afbreken als ze op het land uitgewerkt zijn. Van de tempel blijft niets over, want Hij heeft die “met geweld omvergehaald” (vers 66Hij heeft als [in] een tuin Zijn hut met geweld omvergehaald, /waw/
Hij heeft Zijn plaats van samenkomst te gronde gericht;
De HEERE heeft in Sion laten vergeten
feestdag en sabbat.
Hij heeft in Zijn grimmige toorn verworpen
koning en priester.
)
, waarin ook Zijn verbolgenheid tot uiting komt. Hij heeft het grondig gedaan. De “tuin” is Zijn land. Zijn volk heeft daarin aan de afgoden geofferd. Waarom zou Hij dan Zijn tempel nog handhaven? Daarom heeft Hij het voorrecht om Hem te aanbidden van hen weggenomen.

“Zijn plaats van samenkomst”, de plaats waar het volk samenkwam bij en met Hem, de tempel, is verdwenen. Hij heeft die plaats Zelf te gronde gericht. Hij werd daartoe verplicht vanwege het gedrag van Zijn volk. Hetzelfde zien we vandaag, waar plaatsen van samenkomst verdwijnen omdat hoogmoed ‘Zijn plaats’ heeft gemaakt tot een plaats waar mensen de dienst uitmaken. Als Hem niet meer alle gezag in Zijn plaats van samenkomst wordt gegeven, kan Hij daar niet meer in het midden zijn (vgl. Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

Alles wat het volk aan de HEERE, Jahweh, verbond in een feestelijke samenkomst, is voorbij. Het volk heeft het vergeten, omdat er niets meer is wat eraan herinnert. De oorzaak daarvan ligt bij de HEERE. Hij heeft met de tempel ook “feestdag en sabbat” weggenomen. Hij heeft het onmogelijk gemaakt om Hem ter gelegenheid van de feesten in de tempel te ontmoeten. Dat geldt in dubbel opzicht: Hij is uit de tempel weggegaan en Hij heeft die verwoest.

Met de tempel zijn ook “koning en priester” verworpen. Het huis van David is in gevangenschap evenals de priester. Er is een nauwe verbinding tussen het Davidische koningschap en het Levitische priesterschap. David en zijn zoon Salomo zijn ten nauwste betrokken geweest bij de tempel, het werkterrein van de priester. Als de tempel weg is en er voor de priester geen plaats meer is, is er ook voor het koningschap geen plaats meer. Het hele openbare godsdienstige leven heeft geen reden van bestaan meer. Deze situatie zal bestaan tot de ware Koning-Priester, de Heer Jezus, als Priester op Zijn troon zal zitten en zal heersen (Zc 6:1313Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.
)
.

In Zijn majesteit heeft de Heere, Adonai, “Zijn altaar verstoten” en “tenietgedaan Zijn heiligdom” (vers 77De Heere heeft Zijn altaar verstoten, /zain/
tenietgedaan Zijn heiligdom.
Hij heeft in de hand van de vijand uitgeleverd
de muren van haar paleizen.
Zij hebben in het huis van de HEERE [hun] stem laten klinken
als op een feestdag.
)
. Hij kon die niet langer handhaven omdat zij maar bleven zondigen. Daarmee gaven ze te kennen geen waarde te hechten aan het altaar als symbool van verzoening en aan Zijn heiligdom als symbool van Zijn tegenwoordigheid.

Ook de muren van de paleizen van de vorsten heeft Hij in de hand van de vijand gegeven. Wat menselijkerwijs bescherming zou moeten bieden, wordt voor de vijanden een eenvoudig te nemen hindernis omdat de Heere hen helpt.

Daar hebben de vijanden zelf geen oog voor. Zij bevinden zich in de tempel in plaats van Zijn volk. Daar zijn ze niet om de HEERE te danken, maar om in hoogmoedige vreugde over de overwinning in dat huis hun brallende stem te laten klinken. Het is hún feestdag. Het is geen vreugde voor de HEERE en geen feestdag die aan Hem is gewijd.

De HEERE heeft niet in een opwelling gehandeld. Hij heeft weloverwogen, na rijp beraad, een besluit genomen. Vanwege hun onherstelbaar zondige gedrag heeft Hij moeten besluiten Jeruzalem te verwoesten (vers 88De HEERE heeft besloten om /cheth/
de muur van de dochter van Sion te gronde te richten;
Hij heeft het meetlint uitgespannen,
Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van de verslinding.
Hij heeft de vestingwal en de muur rouw doen bedrijven,
samen zijn zij ingestort.
)
. De muur is neergehaald. De vijand kan er zo binnenlopen.

Dat Zijn besluit weloverwogen is, blijkt ook uit “het meetlint” dat “uitgespannen” is. Zoiets gebeurt ook zorgvuldig. Zijn hand bewerkte deze “verslinding” en bepaalde als met een meetlint de precisie ervan (vgl. 2Kn 21:1313Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria uitstrekken en het paslood van het huis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals men een schotel schoonveegt: men veegt hem schoon en keert hem ondersteboven.; Js 34:1111Kauw en nachtuil zullen het in bezit nemen,
ransuil en raaf zullen daar wonen.
Hij zal er het meetlint van de woestheid over uitspannen
en het paslood van de leegte.
)
. Meestal wordt een meetlint gebruikt om opbouwende werkzaamheden te verrichten (Jb 38:55Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers [wel].
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
; Zc 1:1616Daarom, zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Jeruzalem teruggekeerd met barmhartigheid;
Mijn huis zal erin herbouwd worden,
spreekt de HEERE van de legermachten,
en het meetlint zal over Jeruzalem uitgespannen worden.
)
, maar hier wordt het gebruikt om een verwoestend werk te verrichten.

De verwoesting betreft hier vooral de vestingwerken, muren en voorwallen, die hier weer worden voorgesteld als levende personen die treuren over wat hun is overkomen. Alle bescherming die rust en zekerheid moest bieden, is ingestort met als gevolg dat ze met elkaar rouw bedrijven.

De poorten en grendels zijn vernield (vers 99Haar poorten zijn ter aarde gezonken, /teth/
haar grendels heeft Hij vernield en gebroken.
haar koning en haar vorsten bevinden zich onder de heidenvolken.
[Het onderwijs in] de wet ontbreekt.
Ook hebben haar profeten geen
visioen van de HEERE ontvangen.
)
. Als Nehemia hoort van de neergehaalde muren en de vernielde poorten en grendels, brengt hem dat tot verootmoediging, gebed en handelen (Nehemia 1-3). Zij die de stad moesten beschermen en besturen, “haar koning en haar vorsten” – mogelijk worden hier Jojachin en zijn staf bedoeld –, zijn weggevoerd en bevinden zich onder de heidenvolken.

Niemand spreekt meer over de wet. De wet heeft afgedaan en de valse profeten zijn uitgepraat. Naar de wil van God werd niet gevraagd. Er werd niet aan de priesters gevraagd om de wet uit te leggen; evenmin werden de profeten benaderd om te horen wat de HEERE hun had laten zien. Het had ook allemaal geen zin, want God zweeg. Alles wat namens God aan het volk leiding gaf, is verdwenen. Hij heeft het vanwege hun ontrouw van hen weg moeten nemen (vgl. 1Sm 28:66En Saul raadpleegde de HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet; niet door dromen, niet door de urim, [en] ook niet door de profeten.). Er was geen boodschap van troost en ondersteuning voor hen.


Reactie van enkele overlevenden

10Zij zitten zwijgend op de grond, /jod/
de oudsten van de dochter van Sion.
Zij hebben stof op hun hoofd geworpen,
zich met rouwgewaden omgord.
Zij laten hun hoofd ter aarde hangen,
de jonge vrouwen van Jeruzalem.
11Mijn ogen zijn verteerd door tranen, /kaph/
mijn binnenste is vol onrust.
Mijn ingewanden zijn ter aarde uitgestort,
vanwege de breuk van de dochter van mijn volk,
om het bezwijken van kind en zuigeling
op de pleinen van de stad.
12Tegen hun moeders zeggen zij: /lamed/
Waar is er koren en wijn?
terwijl zij bezwijken als dodelijk gewonden
op de pleinen van de stad,
terwijl hun leven wegvloeit
op de schoot van hun moeders.

De verzen 10-1210Zij zitten zwijgend op de grond, /jod/
de oudsten van de dochter van Sion.
Zij hebben stof op hun hoofd geworpen,
zich met rouwgewaden omgord.
Zij laten hun hoofd ter aarde hangen,
de jonge vrouwen van Jeruzalem.
11Mijn ogen zijn verteerd door tranen, /kaph/
mijn binnenste is vol onrust.
Mijn ingewanden zijn ter aarde uitgestort,
vanwege de breuk van de dochter van mijn volk,
om het bezwijken van kind en zuigeling
op de pleinen van de stad.
12Tegen hun moeders zeggen zij: /lamed/
Waar is er koren en wijn?
terwijl zij bezwijken als dodelijk gewonden
op de pleinen van de stad,
terwijl hun leven wegvloeit
op de schoot van hun moeders.
vertellen niet meer over de gebeurtenissen, maar over de toestand die daardoor is ontstaan. Die toestand zien we vooral in de reacties van overlevenden, van de oudsten tot de jongste van het volk. De oudsten hebben niets meer te zeggen, ze hebben geen wijze raad (vers 1010Zij zitten zwijgend op de grond, /jod/
de oudsten van de dochter van Sion.
Zij hebben stof op hun hoofd geworpen,
zich met rouwgewaden omgord.
Zij laten hun hoofd ter aarde hangen,
de jonge vrouwen van Jeruzalem.
)
. Machteloos en radeloos zitten ze zwijgend terneer. Hun eerbiedwaardigheid hebben ze verloren. De natuurlijke beschutting, de muren, is neergehaald. Ook de geestelijke beschutting, de oudsten, is als het ware neergehaald.

Zoals de muur en de vestingwal rouw bedrijven (vers 88De HEERE heeft besloten om /cheth/
de muur van de dochter van Sion te gronde te richten;
Hij heeft het meetlint uitgespannen,
Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van de verslinding.
Hij heeft de vestingwal en de muur rouw doen bedrijven,
samen zijn zij ingestort.
)
, doen de oudsten dat ook. Ze vertonen tekenen van rouw, alsof er iemand gestorven is. In hun uiterlijk laten ze zien hoezeer ze rouwen over de situatie waarin de stad verkeert (vgl. Jb 2:12-1312Toen zij hun ogen van veraf opsloegen, herkenden zij hem niet. Zij begonnen luid te huilen; daarbij scheurde ieder zijn bovenkleed en ze strooiden stof naar de hemel over hun hoofden.13Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten. Niemand sprak een woord tot hem, want zij zagen dat het leed zeer hevig was.; Jr 4:88Omgord u daarom met een rouwgewaad,
bedrijf rouw en weeklaag,
want de brandende toorn van de HEERE
keert zich niet van ons af.
)
.

De jonge vrouwen, zij die voor nageslacht zouden kunnen zorgen, hebben alle hoop op de toekomst verloren. Wat ze aan nageslacht ter wereld hebben gebracht, hebben ze in hun grenzeloze egoïsme om ten koste van alles te overleven, opgegeten. Nu kunnen ze niet anders dan naar de grond staren.

In vers 1111Mijn ogen zijn verteerd door tranen, /kaph/
mijn binnenste is vol onrust.
Mijn ingewanden zijn ter aarde uitgestort,
vanwege de breuk van de dochter van mijn volk,
om het bezwijken van kind en zuigeling
op de pleinen van de stad.
spreekt de profeet over zijn intense verdriet en neemt zo deel aan de weeklacht. Hij kan niet anders dan onophoudelijk huilen (vers 1111Mijn ogen zijn verteerd door tranen, /kaph/
mijn binnenste is vol onrust.
Mijn ingewanden zijn ter aarde uitgestort,
vanwege de breuk van de dochter van mijn volk,
om het bezwijken van kind en zuigeling
op de pleinen van de stad.
)
. Hij kan daardoor zijn ogen niet meer gebruiken. Hij ziet niets meer. Van binnen is hij vol onrust. Zijn binnenste komt naar buiten, alsof hij moet braken, zo overstelpt is hij door wat de stad is overkomen. Hij is er helemaal kapot van.

Hij ziet de hartverscheurende taferelen die de honger in de stad veroorzaken voor zich. Hij neemt waar hoe “kind en zuigeling” in onmacht neerzinken op de pleinen van de stad, terwijl er niemand is om hen te helpen. In elke oorlog of conflict is het meest trieste schouwspel het leed van kinderen.

Er is geen aangrijpender beeld dan dat van moeders die hun kinderen zien sterven van gebrek, terwijl er niets is wat zij kunnen geven. Jeremia hoort de kinderen klagen en om voedsel roepen tot hun moeders (vers 1212Tegen hun moeders zeggen zij: /lamed/
Waar is er koren en wijn?
terwijl zij bezwijken als dodelijk gewonden
op de pleinen van de stad,
terwijl hun leven wegvloeit
op de schoot van hun moeders.
)
. Koren verwijst naar noodzakelijke levensbehoeften en wijn naar meer luxe, niet direct noodzakelijke levensmiddelen. Het is een vreselijk beeld, waar we dit kinderen tot hun moeders horen zeggen. De kinderen sterven langzaam weg.

Moeders die nog enige zorg voor hun kinderen hebben, hebben ze op hun schoot genomen en voelen zich wanhopig omdat ze hun kinderen niet kunnen geven wat die nodig hebben. Baby’s sterven in de armen van hun moeders. De schoot, de plaats van leven en geborgenheid, is geen veilige plaats meer en biedt geen bescherming meer tegen leed.


Jeremia beklaagt Jeruzalem

13Wat zal ik u voorhouden, /mem/
waarmee u vergelijken, dochter van Jeruzalem?
Waaraan zal ik u gelijkstellen,
zodat ik u zal troosten, maagd, dochter van Sion?
Want groot als de zee is uw breuk!
Wie kan u genezen?
14Uw profeten hebben voor u gezien /nun/
valse [visioenen] en dwaasheid;
uw ongerechtigheid hebben zij niet bekendgemaakt
om uw gevangenschap om te keren,
maar zij hebben lasten voor u gezien
van valsheid en misleidingen.
15Alle voorbijgangers hebben over u /samech/
de handen ineengeslagen.
Zij sisten [van afschuw] en schudden hun hoofd
over de dochter van Jeruzalem:
Is dit de stad waarvan men zei:
Volmaakt van schoonheid,
een vreugde voor heel de aarde?
16Zij hebben over u hun mond opengesperd, /pe/
al uw vijanden.
Zij sisten [van afschuw] en knarsetandden,
zij zeiden: Wij hebben [haar] verslonden!
Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,
wij hebben [hem] gevonden en hebben [hem] gezien!
17De HEERE heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen, /ain/
Hij heeft Zijn woord vervuld,
dat Hij in de dagen van weleer geboden had.
Hij heeft afgebroken, en niet gespaard,
en Hij heeft de vijand over u verblijd;
Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders opgeheven.

In vers 1313Wat zal ik u voorhouden, /mem/
waarmee u vergelijken, dochter van Jeruzalem?
Waaraan zal ik u gelijkstellen,
zodat ik u zal troosten, maagd, dochter van Sion?
Want groot als de zee is uw breuk!
Wie kan u genezen?
spreekt de profeet tot de stad. Hij wil wel woorden van troost spreken en vraagt zich af wat hij moet zeggen als boodschap van de HEERE. Maar hij kan moeilijk woorden van troost vinden.

Hij kan ook niet wijzen op een soortgelijk lijden. In het lijden kan soms het besef helpen dat ook anderen in dergelijk lijden zijn (vgl. 1Pt 5:8-98Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, [de] duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden.9Weerstaat hem, standvastig in het geloof, daar u weet dat hetzelfde lijden aan uw broederschap in <de> wereld zich voltrekt.). Maar het lijden dat Jeruzalem treft, is zonder weerga. Het kent geen voorbeeld. Ook in die zin is er geen troost te bieden. De kwetsbare weerloosheid wordt door de dubbele aanduiding “maagd, dochter Sion” nog versterkt.

De rampspoed is zo enorm groot, ja, zo onmetelijk als de zee. Is er wel iemand die hier kan helpen? Jeremia wacht zich ervoor oppervlakkige troostwoorden te spreken die een ijdele hoop op verbetering zouden kunnen betekenen. Alle valse profeten hebben dit lijden steeds ontkend en de breuk met de HEERE vanwege hun zonden op het lichtst genezen door over vrede te spreken, terwijl er geen vrede is (Jr 6:1414Zij genezen de breuk van Mijn volk
op het lichtst, door te zeggen:
Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.
; 8:1111Zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk
op het lichtst door te zeggen: Vrede, vrede!
Maar er is geen vrede!
)
. Waar zijn ze nu? Jeremia heeft dit lijden juist aangekondigd (Jr 30:1212Want zo zegt de HEERE:
Ongeneeslijk is uw breuk,
pijnlijk uw wond.
)
en lijdt nu mee, nu zijn woorden zijn uitgekomen.

De valse profeten worden hier veelzeggend “uw profeten” genoemd. Het zijn profeten zoals het volk ze graag had, profeten die hun naar de mond praatten. Zij hebben het volk voor de gek gehouden met hun valse visioenen en het dwaasheid verkondigd (vers 1414Uw profeten hebben voor u gezien /nun/
valse [visioenen] en dwaasheid;
uw ongerechtigheid hebben zij niet bekendgemaakt
om uw gevangenschap om te keren,
maar zij hebben lasten voor u gezien
van valsheid en misleidingen.
; Jr 23:18-2218Want wie heeft in de raad van de HEERE gestaan, en Zijn woord gezien en gehoord,
wie heeft op Zijn woord acht geslagen en [ernaar] geluisterd?
19Zie, een storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,
een wervelende storm:
op het hoofd van de goddelozen stort hij neer.
20De toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,
tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft
de gedachten van Zijn hart.
In later tijd
zult u dat duidelijk begrijpen.
21Ik heb die profeten niet gezonden,
toch zijn zij zelf gaan lopen.
Ik heb niet tot hen gesproken,
toch zijn zij zelf gaan profeteren.
22Hadden zij in Mijn raad gestaan,
dan hadden zij Mijn volk Mijn woorden doen horen,
en hadden zij hen doen terugkeren van hun slechte weg
en van hun slechte daden.
; Ez 13:10-1610Daarom, ja, omdat zij Mijn volk misleid hebben door te zeggen: Vrede, hoewel er geen vrede is, bouwt de [een] een wankele muur, en zie, [dan] bepleisteren [anderen] die met kalk.11Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een [alles] wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten.12Zie, als de muur omvalt, zal [dan] tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt?13Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een [alles] wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een [vernietigend] einde.14Zo zal Ik de muur omverhalen die u met kalk bepleisterd hebt en Ik zal hem op de aarde neer doen storten, zodat zijn fundament blootgelegd wordt. Zo zal [de stad] vallen, en u zult in het midden ervan omkomen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.15Zo zal Ik Mijn grimmigheid ten uitvoer brengen tegen die muur en tegen hen die hem met kalk bepleisterden. Ik zal tegen u zeggen: Die muur is er niet [meer] en zij die hem bepleisterden, zijn er niet [meer],16[te weten] de profeten van Israël die over Jeruzalem profeteren en er een visioen van vrede voor zien, hoewel er geen vrede is, spreekt de Heere HEERE.)
. Het woord voor dwaasheid is letterlijk ‘kalk’, ‘vernis’. Ze hebben de zonden bedekt onder een mooi lijkend laagje vernis (Ez 22:2828Zijn profeten bepleisteren hen met witkalk. Zij zien valse [visioenen] en voorspellen hun leugens door te zeggen: Zo zegt de Heere HEERE. En de HEERE heeft niet gesproken!). Ze wilden de mensen geen schuldgevoel aanpraten. Het zijn zachte heelmeesters die stinkende wonden hebben veroorzaakt. Niet alleen roepen ze het volk niet terug van hun verkeerde weg, maar ze verleiden en stimuleren het volk er zelfs toe om verkeerde wegen te gaan.

Over de ongerechtigheid van het volk hebben ze met geen woord gerept. Een echte profeet spreekt wel over de ongerechtigheid. Valse profeten spreken wat het volk graag hoort en slepen zo het volk mee naar de ondergang. Zo is het gegaan met de valse profeten die tot Jeruzalem hebben gesproken.

Ze hebben niet de waarheid gesproken, maar woorden die uit de duisternis komen. De lasten die zij hebben gezien, komen niet van de HEERE, maar van de demonen. Het is valsheid en misleiding geweest. Dat blijkt nu wel, nu Jeruzalem ten onder is gegaan. Deze valse profeten hebben het volk op een weg gebracht die hierop is uitgelopen. De schok van de Babylonische gevangenschap is nodig om de macht en invloed van de populaire profeten te breken en hen te ontmaskeren als valse profeten.

Aan de rampen van het lijden wordt nog het leedvermaak toegevoegd van “alle voorbijgangers” die getuige zijn van het leed van Jeruzalem (vers 1515Alle voorbijgangers hebben over u /samech/
de handen ineengeslagen.
Zij sisten [van afschuw] en schudden hun hoofd
over de dochter van Jeruzalem:
Is dit de stad waarvan men zei:
Volmaakt van schoonheid,
een vreugde voor heel de aarde?
)
. De verschillende gebaren – de handen ineenslaan, sissen, het hoofd schudden – wijzen op ontzetting, terwijl ook het aspect van verachting erin aanwezig is. Omliggende landen, die de ellende zien waarin Jeruzalem is, verheugen zich en klappen van blijdschap in de handen. Ook zijn ze verbaasd dat het zo met die schitterende stad (Ps 48:33Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
)
is gegaan.

De vijanden hebben zich ook over de val van Jeruzalem verheugd (vers 1616Zij hebben over u hun mond opengesperd, /pe/
al uw vijanden.
Zij sisten [van afschuw] en knarsetandden,
zij zeiden: Wij hebben [haar] verslonden!
Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,
wij hebben [hem] gevonden en hebben [hem] gezien!
)
. Ze zetten een grote mond op over wat er met Jeruzalem is gebeurd. Hun opengesperde mond is als die van verscheurende monsters. Zo hebben ze met Jeruzalem gehandeld. Daarmee is aan een lang gekoesterde haat genoegdoening gegeven. Ze sissen om daardoor aan hun afschuw voor de stad uiting te geven. Het knarsen van hun tanden is een uiting van grote haat en woede (Ps 37:1212De goddeloze bedenkt [snode] plannen tegen de rechtvaardige,/zain/
hij knarsetandt over hem.
; Hd 7:5454Toen zij nu dit hoorden, barstten zij uit in woede en knarsten de tanden tegen hem.)
.

Ze hebben Jeruzalem al zo lang willen verwoesten en dat is nu eindelijk gelukt. In deze woorden klinkt hun inspanning door die zij zich hebben getroost en hoe voldaan ze nu zijn, nu de stad eindelijk gevallen is. Deze overmoed en het zelfbewustzijn van de vijand maken het Jeruzalem moeilijk haar lot te verwerken.

In de verzen 15-1615Alle voorbijgangers hebben over u /samech/
de handen ineengeslagen.
Zij sisten [van afschuw] en schudden hun hoofd
over de dochter van Jeruzalem:
Is dit de stad waarvan men zei:
Volmaakt van schoonheid,
een vreugde voor heel de aarde?
16Zij hebben over u hun mond opengesperd, /pe/
al uw vijanden.
Zij sisten [van afschuw] en knarsetandden,
zij zeiden: Wij hebben [haar] verslonden!
Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,
wij hebben [hem] gevonden en hebben [hem] gezien!
zien we ook weer een beeld dat we op de Heer Jezus kunnen toepassen. We zien erin wat mensen hebben gedaan toen ze Hem zagen in Zijn ellende aan het kruis (Ps 22:7,137Maar ik ben een worm en geen man,
een smaad van mensen en veracht door het volk.
13Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
; 35:2121Zij sperren hun mond wijd open tegen mij;
zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien!
)
.

Terwijl de vijanden in het vorige vers zich beroemen op wat zij hebben gedaan, spreekt de dichter hier erover Wie het werkelijk heeft gedaan (vers 1717De HEERE heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen, /ain/
Hij heeft Zijn woord vervuld,
dat Hij in de dagen van weleer geboden had.
Hij heeft afgebroken, en niet gespaard,
en Hij heeft de vijand over u verblijd;
Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders opgeheven.
)
. Het ‘wij’ van het vorige vers wordt hier ‘Hij’. Toch mag uit de gebeurtenissen niet de conclusie worden getrokken dat de HEERE het allemaal ook niet kan helpen, dat Hij onmachtig zou zijn geweest om dit te voorkomen. Nee, de verschrikkingen zijn Gods weloverwogen werk. Hij heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen. Hij vervult Zijn woord dat Hij door Jeremia en andere profeten heeft gesproken op grond van wat Hij in de wet heeft gezegd (Lv 26:14-4614Maar als u niet naar Mij luistert en al deze geboden niet doet,15als u Mijn verordeningen verwerpt en als uw ziel van Mijn bepalingen walgt, zodat u geen enkele van Mijn geboden doet door Mijn verbond te verbreken,16dan zal Ik Zelf dit met u doen: Ik zal verschrikking over u brengen, tering en koorts, die [uw] ogen doen bezwijken en [uw] leven doen wegkwijnen. U zult uw zaad voor niets zaaien, want uw vijanden zullen het opeten.17Ik zal Mijn aangezicht tegen u keren, zodat u door uw vijanden verslagen wordt. Zij die u haten, zullen over u heersen. U zult op de vlucht slaan, terwijl niemand u achtervolgt.18Als u dan ondanks [dit alles nog] niet naar Mij luistert, dan zal Ik u vanwege uw zonden zeven [keer] erger straffen.19Ik zal de trots op uw [eigen] kracht breken. Ik zal uw hemel als ijzer maken en uw aarde als brons.20Uw kracht zal voor niets verbruikt worden, uw land geeft zijn opbrengst niet en de bomen op het land geven hun vruchten niet.21Als u dan tegen Mij blijft ingaan en niet naar Mij wilt luisteren, dan zal Ik u overeenkomstig uw zonden zeven [keer] harder slaan.22Ik zal de dieren van het veld op u afsturen en die zullen u van kinderen beroven, uw vee uitroeien en u [in aantal zó] verminderen, dat uw wegen er verlaten bij liggen.23En als u zich hierdoor nog] niet laat bestraffen en tegen Mij blijft ingaan,24dan zal Ik Zelf ook tegen u ingaan en zal Ik Zelf u vanwege uw zonden ook zeven [keer] harder slaan.25Dan breng Ik [het] zwaard over u, dat de wraak van het verbond voltrekt. Wanneer u zich dan in uw steden verzamelt, zal ik de pest in uw midden sturen. U zult in de hand van de vijand overgegeven worden.26Wanneer Ik het u aan brood laat ontbreken, dan zullen tien vrouwen uw brood in één oven bakken en zij zullen uw brood in afgewogen [hoeveelheden] moeten teruggeven. U zult eten, maar niet verzadigd worden.27Als u dan hierom [nog] niet naar Mij luistert en u tegen Mij blijft ingaan,28dan zal Ik met grimmigheid tegen u ingaan en zal Ik Zelf u vanwege uw zonden ook zeven [keer] erger straffen.29U zult dan het vlees van uw [eigen] zonen eten, en het vlees van uw [eigen] dochters zult u eten.30Ik zal uw [offer]hoogten wegvagen en uw wierookaltaren uitroeien. Ik zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw stinkgoden werpen en Mijn ziel zal van u walgen.31Ik zal van uw steden een puinhoop maken en uw heiligdommen verwoesten. Ik wil de aangename geur [van] uw [offers] niet ruiken.32Ik Zelf zal het land verwoesten, zodat uw vijanden die daarin zijn gaan wonen, zich erover zullen ontzetten.33Ik zal u dan onder de heidenvolken verstrooien en Ik zal achter u een zwaard trekken. Uw land zal een woestenij worden en uw steden een puinhoop.34Dan zal het land behagen scheppen in zijn sabbats[jaren], alle dagen dat het verwoest ligt en u in het land van uw vijanden bent. Dan zal het land rusten en zal het behagen scheppen in zijn sabbats[jaren].35Alle dagen dat het verwoest ligt, zal het rusten, omdat het niet rustte gedurende uw sabbatten, toen u het bewoonde.36En wie van u overgebleven zijn, zal Ik in de landen van hun vijanden angst inboezemen, zodat het geritsel van een opdwarrelend blaadje hen [al] opjagen zal. Zij zullen op de vlucht slaan alsof ze voor een zwaard op de vlucht slaan, en neervallen, terwijl niemand [hen] opjaagt.37Zij zullen over elkaar struikelen alsof ze zich voor een zwaard [uit de voeten maken], terwijl niemand [hen] opjaagt. U zult geen stand kunnen houden tegen uw vijanden,38maar u zult omkomen onder de heidenvolken en het land van uw vijanden zal u verslinden.39En wie van u overgebleven zijn, zullen vanwege hun ongerechtigheid wegkwijnen in de landen van uw vijanden. Ja, ook vanwege de ongerechtigheden van hun vaderen zullen zij met hen wegkwijnen.40Wanneer zij hun ongerechtigheid zullen belijden, mét de ongerechtigheid van hun vaderen, hun trouwbreuk, die zij tegen Mij gepleegd hebben, en ook dat zij tegen Mij zijn ingegaan,41– zodat Ik ook Zelf tegen hen inging en hen in het land van hun vijanden bracht – of [wanneer] dan hun onbesneden hart vernederd wordt en zij behagen scheppen in de straf voor hun ongerechtigheid,42dan zal Ik denken aan Mijn verbond met Jakob. En ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik denken, en Ik zal denken aan het land.43Terwijl het land door hen verlaten is en behagen schept in zijn sabbats[jaren] – het ligt er immers omwille van hen verlaten bij – hebben zijzelf behagen in de straf voor hun ongerechtigheid, omdat, ja, omdat zij Mijn bepalingen verwierpen en hun ziel van Mijn verordeningen walgde.44Maar bovendien: wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, dan zal Ik hen niet verwerpen en niet van hen walgen door hen te vernietigen [en] Mijn verbond met hen te verbreken, want Ik ben de HEERE, hun God.45Ik zal ter wille van hen denken aan het verbond met de voorouders, die Ik voor de ogen van de heidenvolken uit het land Egypte geleid heb om hun tot een God te zijn. Ik ben de HEERE.46Dit zijn de verordeningen, de bepalingen en de wetten die de HEERE gegeven heeft, [over de verhouding] tussen Hem en de Israëlieten, op de berg Sinaï, door de dienst van Mozes.; Dt 28:15-68). De HEERE heeft hen in vroeger dagen vaak gewaarschuwd, maar ze hebben niet willen luisteren.

Achter de vrolijkheid van de vijand ligt de toorn van de HEERE Die is opgetreden zonder te sparen. Hij heeft de hoorn van de vijanden opgeheven, wat wil zeggen dat Hij hun de kracht heeft gegeven (vgl. 1Sm 2:11Toen bad Hanna en zei:
Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE,
mijn hoorn is opgeheven in de HEERE;
mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden,
want ik verheug mij in Uw heil.
)
om tegen Zijn stad te strijden en die te overwinnen.

Wij moeten ons ook niet blindstaren op wat mensen ons aandoen, maar beseffen dat de Heer alles in de hand heeft. Hij staat achter alles en beheerst alles. Bij Hem is daarom ook alleen hulp in de tegenspoed als die ons treft en Hij alleen kan uitkomst geven. Bij Hem zijn uitkomsten uit alle nood, zelfs tegen de dood (Ps 68:1111Uw kudde woonde daar;
U maakte [Uw eigendom] door Uw goedheid gereed
voor de ellendige, o God.
)
.

In vers 1616Zij hebben over u hun mond opengesperd, /pe/
al uw vijanden.
Zij sisten [van afschuw] en knarsetandden,
zij zeiden: Wij hebben [haar] verslonden!
Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,
wij hebben [hem] gevonden en hebben [hem] gezien!
en vers 1717De HEERE heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen, /ain/
Hij heeft Zijn woord vervuld,
dat Hij in de dagen van weleer geboden had.
Hij heeft afgebroken, en niet gespaard,
en Hij heeft de vijand over u verblijd;
Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders opgeheven.
zijn de letters van volgorde verwisseld. In het Hebreeuwse alfabet komt eerst ain en dan pe. Het lijkt erop dat dit gebeurt omdat in vers 1616Zij hebben over u hun mond opengesperd, /pe/
al uw vijanden.
Zij sisten [van afschuw] en knarsetandden,
zij zeiden: Wij hebben [haar] verslonden!
Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,
wij hebben [hem] gevonden en hebben [hem] gezien!
eerst de vijand aan het woord is, waarna we in vers 1717De HEERE heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen, /ain/
Hij heeft Zijn woord vervuld,
dat Hij in de dagen van weleer geboden had.
Hij heeft afgebroken, en niet gespaard,
en Hij heeft de vijand over u verblijd;
Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders opgeheven.
op de HEERE worden gewezen. Hij is de werkelijke oorzaak van de ellende, niet de vijand.


Oproep om de HEERE aan te roepen

18Hun hart schreeuwde het uit tot de Heere: /tsade/
Muur van de dochter van Sion,
laat tranen als een beek naar beneden stromen,
dag en nacht!
Gun uzelf geen rust,
laat uw oogappel niet stilstaan!
19Sta op, weeklaag in de nacht, /koph/
vanaf de eerste [nacht]wake!
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen,
die van honger versmachten
op de hoek[en] van alle straten.

Het antwoord van Jeremia over de situatie die hij heeft gezien en beschreven, komt in vers 1818Hun hart schreeuwde het uit tot de Heere: /tsade/
Muur van de dochter van Sion,
laat tranen als een beek naar beneden stromen,
dag en nacht!
Gun uzelf geen rust,
laat uw oogappel niet stilstaan!
. Hoewel de verwoesting van de Heere, Adonai, is gekomen en die verwoesting volgens Zijn voornemen heeft plaatsgevonden, is er geen enkele andere hoop op verlichting dan van diezelfde Heere. Daarom schreeuwt het hart van het overblijfsel het uit tot de Heere, Adonai. Jeremia geeft uiting aan dit roepen en richt zich tot de “muur van de dochter Sion”, waarmee alle bewoners binnen de muur worden bedoeld. Ze moet onophoudelijk, dag en nacht, tranen laten stromen. Ze mag zichzelf geen rust gunnen. Uit haar oogappel moeten tranen blijven stromen.

Het is een aansporing om te bidden in de ellende die hun is overkomen. Bidden is het enige wat in een dergelijke situatie nog mogelijk is. Het is de HEERE bewegen om toch aan hen te gedenken en hen uit hun ellende te redden. Ze moeten dat onophoudelijk doen, zodat ze bewijzen dat ze de uitredding alleen van Hem verwachten (vgl. Lk 18:1-81Hij nu sprak ook een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden,2en zei: Er was in een stad een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag.3Nu was er in die stad een weduwe die naar hem toe kwam en zei: Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij.4En hij wilde een tijdlang niet. Daarna echter zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie, zal ik,5omdat deze weduwe mij lastig valt, haar recht verschaffen, opdat zij mij niet uiteindelijk in het gezicht komt slaan.6De Heer nu zei: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.7Zal God dan Zijn uitverkorenen geenszins recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen lang wachten?8Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Als evenwel de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op de aarde?). Ze moeten het ook doen in het volle besef van hun zonden, terwijl ze het berouw daarover voortdurend, dag en nacht, tonen.

Als de nacht in het leven komt, kan er gesmeekt worden tot de Heere, Adonai, (vers 1919Sta op, weeklaag in de nacht, /koph/
vanaf de eerste [nacht]wake!
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen,
die van honger versmachten
op de hoek[en] van alle straten.
)
. Er moet, zodra het besef van een invallende duisternis er is, gesmeekt worden voor de kinderen, voor de jongeren. Ze moeten hun hart uitstorten als water voor Zijn aangezicht (Ps 62:99Vertrouw op Hem te allen tijde, volk;
stort uw hart uit voor Zijn aangezicht.
God is voor ons een toevlucht. /Sela/
)
, dat betekent geheel en al, zonder reserve. De handen moeten worden opgeheven in vurig gebed. Hart en handen gaan samen en in deze volgorde: eerst het hart, dan de handen. De inzet van het gebed zijn de kleine kinderen, de kleuters.

Een hele generatie staat op het punt om te komen. We moeten onze handen meer tot God opheffen voor het leven van onze kinderen, voor onze jeugd. Dan kan de Heer nog een nieuw begin maken, voordat Hij komt.


De HEERE wordt aangeroepen

20Zie, HEERE, en aanschouw /resj/
aan wie U zo gedaan hebt!
 Moeten vrouwen hun [eigen] vrucht eten,
kleine kinderen die zij op handen droegen?
Moeten [dan] in het heiligdom van de Heere gedood worden
priester en profeet?
21Zij liggen ter aarde [op] de straten, /sjin/
jong en oud.
Mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen
zijn door het zwaard gevallen.
U hebt [hen] gedood op de dag van Uw toorn,
U hebt [hen] afgeslacht, en niet gespaard.
22U hebt bijeengeroepen, als op een feestdag, /taw/
verschrikkingen voor mij van rondom!
En niemand is op de dag van de toorn van de HEERE
ontkomen of ontvlucht!
Wie ik op handen heb gedragen en heb grootgebracht,
heeft mijn vijand omgebracht!

De verzen 18-1918Hun hart schreeuwde het uit tot de Heere: /tsade/
Muur van de dochter van Sion,
laat tranen als een beek naar beneden stromen,
dag en nacht!
Gun uzelf geen rust,
laat uw oogappel niet stilstaan!
19Sta op, weeklaag in de nacht, /koph/
vanaf de eerste [nacht]wake!
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen,
die van honger versmachten
op de hoek[en] van alle straten.
zijn een oproep tot gebed. In de verzen 20-2220Zie, HEERE, en aanschouw /resj/
aan wie U zo gedaan hebt!
 Moeten vrouwen hun [eigen] vrucht eten,
kleine kinderen die zij op handen droegen?
Moeten [dan] in het heiligdom van de Heere gedood worden
priester en profeet?
21Zij liggen ter aarde [op] de straten, /sjin/
jong en oud.
Mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen
zijn door het zwaard gevallen.
U hebt [hen] gedood op de dag van Uw toorn,
U hebt [hen] afgeslacht, en niet gespaard.
22U hebt bijeengeroepen, als op een feestdag, /taw/
verschrikkingen voor mij van rondom!
En niemand is op de dag van de toorn van de HEERE
ontkomen of ontvlucht!
Wie ik op handen heb gedragen en heb grootgebracht,
heeft mijn vijand omgebracht!
wordt daaraan gehoor gegeven. Deze verzen zijn een gebed. Het volk zegt hier weer “zie, HEERE” (vers 2020Zie, HEERE, en aanschouw /resj/
aan wie U zo gedaan hebt!
 Moeten vrouwen hun [eigen] vrucht eten,
kleine kinderen die zij op handen droegen?
Moeten [dan] in het heiligdom van de Heere gedood worden
priester en profeet?
; Kl 1:9,11,209Haar onreinheid kleeft aan haar zomen; /teth/
zij heeft niet gedacht aan haar einde.
Wonderbaarlijk diep is zij gezonken,
zij heeft geen trooster.
Zie, HEERE, mijn ellende,
want de vijand maakt zich groot.
11Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!20Zie, HEERE, hoe het mij bang te moede is; /resj/
mijn ingewanden zijn vol onrust,
mijn hart keert zich om in mijn binnenste,
want ik ben zeer ongehoorzaam geweest;
buiten heeft het zwaard [mij] van kinderen beroofd,
binnenshuis is [het] als de dood.
)
. Jeremia herinnert de HEERE eraan dat Hij deze ellende over het volk van Zijn verkiezing heeft gebracht. Is dat nu niet meer zo, is het volk niet meer het volk van Zijn verkiezing? Zal er geen uitkomst komen?

De ellende is al zover gekomen dat vrouwen uit wanhoop hun eigen kinderen hebben gegeten (Dt 28:5353U zult de vrucht van uw schoot eten, het vlees van uw zonen en van uw dochters, die de HEERE, uw God, u gegeven zal hebben, tijdens de belegering en in de nood waarin uw vijanden u doen verkeren.; vgl. 2Kn 6:24-3124Het gebeurde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn hele leger verzamelde, optrok en Samaria belegerde.25En er ontstond een grote hongersnood in Samaria, want zie, zij belegerden [de stad], totdat een ezelskop voor tachtig zilverstukken werd [verkocht] en het vierde deel van een kab duivenmest voor vijf zilverstukken.26En het gebeurde, toen de koning van Israël op de muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep: Help [mij], mijn heer koning.27Hij zei: De HEERE helpt u niet, waarmee zou ik u dan helpen? [Met iets] van de dorsvloer of van de perskuip?28De koning zei verder tegen haar: Wat hebt u? Ze zei: Deze vrouw heeft tegen mij gezegd: Geef uw zoon, dan eten wij hem vandaag op. Dan zullen wij morgen mijn zoon eten.29Toen hebben wij mijn zoon gekookt en opgegeten, maar toen ik de volgende dag tegen haar zei: Geef uw zoon, dan zullen wij hém opeten, heeft zij haar zoon verborgen.30En het gebeurde, toen de koning de woorden van deze vrouw hoorde, dat hij zijn kleren scheurde. Omdat hij over de muur voorbijkwam, zag het volk dat hij, zie, daaronder een rouwgewaad op zijn [blote] lichaam droeg.31En hij zei: God mag zó en nog veel erger met mij doen, als het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, vandaag op hem zal blijven!). Ook het heiligdom van Hem Die toch alle gezag heeft, de Heere, Adonai, is op vreselijke wijze ontheiligd. Daar liggen de lijken van priester en profeet die daar zijn gedood door vreemdelingen. Moet hieraan geen einde komen?

Er wordt in onze tijd veel geklaagd over zoveel wat er mis is. Voor zover dat terecht is, moeten we dat niet doen tegenover elkaar, maar daarover spreken met de Heer. Wat we niet tegen Hem kunnen zeggen, moeten we ook niet tegen elkaar zeggen.

We kunnen de Heer wijzen op het leed dat de Zijnen ondergaan, waaronder zij gebukt gaan. We mogen Hem herinneren aan de waarde van Zijn volk voor Hem. Kan Hij toelaten dat de kinderen ten prooi vallen aan de wanhoop van de ouders? Kan Hij toelaten dat de dienst van priester en profeet volkomen verdwijnt? We kunnen Hem smeken dat te voorkomen of daarin verandering aan te brengen.

Jeremia wijst de HEERE op de straten van de stad (vers 2121Zij liggen ter aarde [op] de straten, /sjin/
jong en oud.
Mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen
zijn door het zwaard gevallen.
U hebt [hen] gedood op de dag van Uw toorn,
U hebt [hen] afgeslacht, en niet gespaard.
)
. Wie door de stad loopt, huivert bij de aanblik van wat de vijand heeft aangericht. De vijand heeft jong en oud gedood. Ze liggen op straat. Zij die de kracht en toekomst van het volk zijn, zijn door het zwaard gevallen. Leeftijd en geslacht maakten voor de vijand niets uit. Zonder ergens op te letten hebben zij met hun zwaard in grote woestheid dood en verderf gezaaid.

Toch ziet Jeremia ook hier dat ze niet de prooi van de vijandelijke machten om hen heen zijn, maar van de toorn van de HEERE. Hij heeft hen afgeslacht en niet langer kunnen sparen omdat ze zozeer hebben volhard in hun zonden.

Hij spreekt het uit tot de HEERE dat Hij de vijanden bijeengeroepen heeft, als het ware om feest te vieren ten koste van de stad (vers 2222U hebt bijeengeroepen, als op een feestdag, /taw/
verschrikkingen voor mij van rondom!
En niemand is op de dag van de toorn van de HEERE
ontkomen of ontvlucht!
Wie ik op handen heb gedragen en heb grootgebracht,
heeft mijn vijand omgebracht!
)
. We zien hier weer die verwisseling van feest en verschrikking, of nog erger, die verbinding tussen feest en verschrikking. Wat een feestdag voor de vijand is, is voor de vrome een dag van verschrikkingen waardoor hij geheel omgeven is. Er is voor niemand ontkoming aan de verschrikkingen.

De ‘ik’ die hier spreekt, is Jeremia. Hij vertolkt hier de stem en gevoelens van de stad, het overblijfsel. Die hij op handen heeft gedragen en heeft grootgebracht, zijn de kinderen van Sion, de inwoners van de stad. Het zijn die kinderen die zijn omgebracht door de vijand.

Het belangrijke les van dit hoofdstuk is dat de stad al haar ellende voor de HEERE uitspreekt. Als wij redenen hebben om te klagen, over onszelf, onze familie, de gemeente, dan mogen we met onze klachten naar Hem gaan. We mogen Hem de gelegenheid geven daarmee te doen wat Hem welgevallig is, tot verheerlijking van Zijn Naam.


Lees verder