Klaagliederen
1-3 Stad en land in diepe smart 4-6 De stad, vroeger vol feest en vreugde 7-8 Bezinning 9-11 De huidige toestand als klacht tot God 12-14 De HEERE heeft het gedaan, om de zonde 15-17 De mensen van Jeruzalem 18-19 Bezinning 20-22 Gebed
Stad en land in diepe smart

1Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
2Zij weent onophoudelijk in de nacht, /beth/
en haar tranen [stromen] over haar wangen.
Zij heeft geen trooster
onder al haar minnaars.
Al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld;
ze zijn haar tot vijanden geworden.
3Juda is in ballingschap gegaan vanwege de ellende /gimel/
en vanwege de vele slavenarbeid.
Zíj woont onder de heidenvolken,
zij vindt geen rust;
al haar vervolgers halen haar in
tussen de nauwe doorgangen.

We zien in vers 11Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
een kenmerk van Klaagliederen en dat is het contrast tussen het schitterende verleden en het troosteloze heden. De stad wordt beschreven in de verandering die is opgetreden. Ze is veranderd wat betreft het aantal inwoners (vers 1a1Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
)
en in economisch (vers 1b1Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
)
en sociaal (vers 1c1Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
)
opzicht.

1. Vers 1a1Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
.
De eens dichtbevolkte stad, waarin tijdens de grote feesten ook nog eens veel pelgrims waren, is nu “eenzaam”. Ze is door strijd en deportatie van het merendeel van haar inwoners beroofd.

2. Vers 1b1Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
.
Eens was de stad groot onder de heidenvolken. Dat was ze vanwege de God Die zij had en door koningen die Hij heeft gegeven. Dat was vooral zo in de tijd van David en Salomo (vgl. Ps 48:33Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
)
. Nu is ze zonder bescherming en hulp, ze heeft geen man meer, maar is een kwetsbare weduwe. Ze ervaart het zo, dat God van haar is weggenomen.

3. Vers 1c1Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
.
Vroeger was ze een vorstin, groot in aanzien in haar omgeving. Zij die over anderen heeft geheerst, is nu een slavin van de koning van Babel.

In de nacht wordt smart het sterkst gevoeld en geuit (vers 22Zij weent onophoudelijk in de nacht, /beth/
en haar tranen [stromen] over haar wangen.
Zij heeft geen trooster
onder al haar minnaars.
Al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld;
ze zijn haar tot vijanden geworden.
)
. Er is in de nacht, die dient om te slapen en tot rust te komen, geen moment van rust. Het is ook nacht in haar hele bestaan. Onophoudelijk wordt het verdriet gevoeld en stromen de tranen. Haar wangen zijn er permanent vol van. Het is niet zo, dat zij zichzelf in slaap huilt. Een forse huilbui kan opluchten. Dat is hier niet het geval.

Tranen die gewoonlijk snel drogen, krijgen daarvoor niet de kans, want ze blijven stromen, waardoor ze als het ware vastgekleefd op de wangen blijven zitten. Er is ook niemand die ze droogt. Ze huilt niet alleen vanwege haar lijden, maar meer nog omdat ze is verraden door haar “minnaars” en “vrienden” (vgl. Jr 4:30c30U, verwoeste, wat gaat u nu doen?
Al zou u zich kleden in karmozijn,
al zou u zich tooien met een gouden sieraad,
al zou u uw ogen opmaken met oogschaduw,
tevergeefs zou u zich mooi maken.
Uw minnaars verwerpen u,
staan u naar het leven.
)
.

Het verdriet wordt verzwaard, omdat er geen trooster is (vgl. Pr 4:11Opnieuw zag ik al de onderdrukking die er onder de zon plaatsvindt. En zie, de tranen van de onderdrukten; zij hadden echter geen trooster. Aan de kant van hun onderdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen trooster.). Dat ze zonder trooster is, dat wil zeggen zonder God als haar Trooster (vers 1616Vanwege deze dingen ween ik, /ain/
mijn oog, mijn oog laat water neerstromen,
omdat de Trooster Die mijn ziel verkwikt
ver van mij is.
Mijn zonen zijn ontzet,
want de vijand had de overhand.
)
, loopt als een rode draad – misschien beter: klinkt met de regelmaat van het slaan van een doodsklok – door dit hoofdstuk heen (verzen 9,16,17,219Haar onreinheid kleeft aan haar zomen; /teth/
zij heeft niet gedacht aan haar einde.
Wonderbaarlijk diep is zij gezonken,
zij heeft geen trooster.
Zie, HEERE, mijn ellende,
want de vijand maakt zich groot.
16Vanwege deze dingen ween ik, /ain/
mijn oog, mijn oog laat water neerstromen,
omdat de Trooster Die mijn ziel verkwikt
ver van mij is.
Mijn zonen zijn ontzet,
want de vijand had de overhand.
17Sion spreidt haar handen uit, /pe/
[maar] zij heeft geen trooster.
Wat Jakob betreft heeft de HEERE geboden:
Zijn omstanders zullen zijn tegenstanders zijn.
Jeruzalem is geworden
als een afgezonderde [vrouw] onder hen.21Zij horen hoe ik zucht, /sjin/
[maar] ik heb geen trooster.
Al mijn vijanden horen mijn onheil, zij zijn vrolijk,
omdat U [dat] hebt gedaan.
U hebt de dag gebracht die U aangekondigd hebt,
maar zij zullen zijn net als ik.
)
.

Het gaat er niet zozeer om dat er een of andere verraderlijke handeling door de bondgenoten van Juda is gepleegd, maar meer dat het volk beschaamd is in zijn vertrouwen op die bondgenoten. Ze zouden voor hun veiligheid op de HEERE hebben moeten vertrouwen. Dat hebben ze echter niet gedaan, want ze hebben hun hulp bij de volken om hen heen gezocht (Hs 8:9-10a9want zíj gingen naar Assyrië:
een wilde ezel houdt zich afgezonderd,
maar Efraïm zoekt hulp bij minnaars.10Ook al zoeken zij hulp bij heidenvolken,
[toch] zal Ik hen nu bijeenbrengen.
Zij kunnen weinig beginnen
vanwege de last van de koning van de vorsten.
; 1Kn 15:16-2016En er was oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.17Want Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda, en bouwde Rama uit, om niemand [meer] toe te laten [het land] uit te gaan en naar Asa, de koning van Juda, te gaan.18Toen nam Asa al het zilver en goud dat overgebleven was in de schatkamers van het huis van de HEERE en van de schatten van het huis van de koning, en stelde het zijn dienaren ter hand. Koning Asa stuurde hen naar Benhadad, zoon van Tabrimmon, zoon van Hezion, koning van Syrië, die in Damascus woonde, om te zeggen:19Er is een verbond tussen mij en u, tussen mijn vader en uw vader. Zie, ik stuur u een geschenk: zilver en goud. Ga, verbreek uw verbond met Baësa, de koning van Israël, zodat hij van mij wegtrekt.20Benhadad luisterde naar koning Asa, en stuurde de bevelhebbers van de legers die hij had op de steden van Israël af, en hij versloeg Ijon, Dan, Abel Beth-Maächa en heel Kinneroth, met heel het land van Naftali.)
.

De profeten hebben er steeds voor gewaarschuwd dat zulke verbonden tot afval voeren (Hs 5:1313Toen Efraïm zijn ziekte zag
en Juda zijn gezwel,
ging Efraïm naar Assyrië
en stuurde hij boden naar koning Jareb.
Maar die zal u niet kunnen genezen,
en van u het gezwel niet wegnemen.
; 8:8,118Verslonden is Israël!
Zij zijn nu onder de heidenvolken
als een pot waaraan niemand waarde hecht,11Ja, Efraïm heeft de altaren talrijk gemaakt om te zondigen,
het heeft [die] altaren om te zondigen!
; 14:33Neem [deze] woorden met u mee,
bekeer u tot de HEERE.
Zeg tegen Hem:
Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan.
Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.
)
. Maar zowel de leiders van het noordelijke tienstammenrijk als die van het zuidelijke tweestammenrijk wilden niet luisteren. Jeruzalem moest leren dat zulke vrienden een breekbare rietstaf zijn (Ez 29:6-76En al de inwoners van Egypte zullen weten
dat Ik de HEERE ben,
omdat zij voor het huis van Israël
een rietstaf geweest zijn.
7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u,
maar u scheurde heel hun schouder open.
Toen zij op u steunden, brak u,
maar u liet alle heupen op zichzelf staan.
)
. Dat is een les die ook wij allemaal vaker in ons leven moeten leren.

Het moeilijkste voor klagende mensen is om bij iemand troost te vinden die werkelijk iets van de smart begrijpt en die helpt dragen. De vroegere minnaars van Jeruzalem, met wie ze overspelig omging en met wie ze verbonden sloot, kunnen die troost in elk geval niet geven. Maar ook haar vroegere vrienden geven geen troost; zij behandelen haar integendeel als een vijand. Ze heeft liefde en vriendschap gezocht bij anderen dan bij de HEERE. Zulke liefde en vriendschap stellen altijd teleur.

Van Jeruzalem wendt Jeremia zich nu tot Juda (vers 33Juda is in ballingschap gegaan vanwege de ellende /gimel/
en vanwege de vele slavenarbeid.
Zíj woont onder de heidenvolken,
zij vindt geen rust;
al haar vervolgers halen haar in
tussen de nauwe doorgangen.
)
. De bevolking van Juda is niet meer in het land. Ze is in ballingschap gevoerd, waar ze in ellende en harde slavenarbeid is. Ze woont buiten het land, onder de heidenvolken. Ze is een ontheemde, weg van de plaats van rust en daardoor onrustig. De ware rust, die van het vrederijk, is ver weg. Vijanden beheersen de plaats van rust. Zedekia en een aantal soldaten hebben wel geprobeerd om aan de ballingschap te ontkomen door te vluchten, maar ze zijn ingehaald door de vijand (Jr 39:4-54En het gebeurde zodra Zedekia, de koning van Juda, en al de strijdbare mannen hen zagen, dat zij op de vlucht sloegen en 's nachts uit de stad vertrokken, in de richting van de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren. [Zelf] vertrok hij in de richting van de Vlakte.5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Zij namen hem [gevangen] en brachten hem naar Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.).


De stad, vroeger vol feest en vreugde

4De wegen van Sion treuren, /daleth/
ze zijn zonder feestgangers.
Al haar poorten zijn verwoest;
haar priesters zuchten.
Haar jonge vrouwen zijn bedroefd,
en zijzelf – bitter is het haar.
5Haar tegenstanders zijn aan het hoofd [komen te staan], /he/
haar vijanden zijn gerust.
Want de HEERE heeft haar bedroefd
om haar talrijke overtredingen.
Haar kleine kinderen zijn [in] gevangenschap
gegaan, vóór de tegenstander uit.
6Uit de dochter van Sion trok /waw/
al haar pracht weg.
Haar vorsten zijn als herten geworden
[die] geen weide vinden:
krachteloos gingen zij
vóór de vervolger uit.

In deze verzen kijkt de profeet terug naar vroegere, betere dagen. Tegen die achtergrond komt de huidige ellende des te schrijnender uit. De wegen van Sion, dat zijn de wegen die naar Sion voeren, waren vroeger vol van “feestgangers” (vers 44De wegen van Sion treuren, /daleth/
ze zijn zonder feestgangers.
Al haar poorten zijn verwoest;
haar priesters zuchten.
Haar jonge vrouwen zijn bedroefd,
en zijzelf – bitter is het haar.
)
. Nu liggen ze er verlaten bij, want niemand gaat meer op naar Sion en kan dat ook niet, want het volk is in ballingschap.

Om de verlatenheid te benadrukken worden de wegen als personen voorgesteld die vanwege de verlatenheid “treuren”. Driemaal per jaar bedekten de feestgangers de wegen met gezang als ze naar Jeruzalem optrokken voor de feesten van de HEERE. Maar nu treuren deze wegen, omdat er niemand meer voor het feest opgaat naar Jeruzalem. Er zijn geen mensen meer.

De poorten van de stad liggen in puin, en als de poorten in puin liggen, ligt ook de stad in puin. Het is een open stad, iedereen die wil, kan er zo binnenlopen. De poorten zijn de plaatsen waar recht werd gesproken (Ru 4:11Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.). Maar er is geen recht meer. In de poorten vond ook het maatschappelijk verkeer plaats en werd markt gehouden. Het was de ontmoetingsplaats tussen de pelgrim en de stad (Ps 122:22Onze voeten staan
binnen uw poorten, Jeruzalem!
)
. Dat is allemaal voorbij.

De priesters die in de afgodendienst zijn voorgegaan, zien het resultaat van hun valse bezigheden en zuchten. De enkele trouwe priesters kunnen niet meer in de tempel terecht, want die is verwoest. De enkele jonge vrouwen die er nog zijn, die op de grote feesten voor zang en reidans zorgden (Ps 68:2626De zangers gingen voorop, de snarenspelers daarachter,
in het midden de trommelende meisjes.
; Jr 31:1313Dan zullen jonge vrouwen zich verblijden in een reidans,
ook de jongemannen en de ouderen met elkaar.
Ik zal hun rouw veranderen in vreugde,
Ik zal hen troosten, Ik zal hen blij maken na hun verdriet.
)
, die zich het leven ook zo heel anders hadden voorgesteld, zijn bedroefd. Voor haarzelf, dat is de stad, de samenleving daarin, is alles bitter.

Sion is overgegeven in de hand van haar tegenstanders die nu boven haar staan (vers 55Haar tegenstanders zijn aan het hoofd [komen te staan], /he/
haar vijanden zijn gerust.
Want de HEERE heeft haar bedroefd
om haar talrijke overtredingen.
Haar kleine kinderen zijn [in] gevangenschap
gegaan, vóór de tegenstander uit.
; vgl. Dt 28:13,44b-4513De HEERE zal u tot een hoofd maken en niet tot een staart, en u zult uitsluitend omhoog gaan en niet omlaag, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de HEERE, uw God, waarvan ik u heden gebied [dat u ze] in acht neemt en houdt,44Hij zal aan u uitlenen, maar u zult niet aan hem uitlenen. Hij zal tot een hoofd zijn en u zult tot een staart zijn.45Al deze vervloekingen zullen over u komen, u achtervolgen en u treffen, totdat u weggevaagd wordt, omdat u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam geweest bent, door Zijn geboden en Zijn verordeningen, die Hij u geboden heeft, in acht te nemen.)
. Die hebben nu eindelijk hun zin en rust (vgl. Jb 12:66De tenten van de verwoesters hebben rust;
wie God tergen, zijn volkomen veilig
door wat God met Zijn hand toebedeelt.
)
. De doorn in hun oog, Jeruzalem, is te gronde gericht. Het is pijnlijk om te worden vernederd. Het is extra pijnlijk om te constateren dat de vijand daar voldoening in vindt.

Maar Wie het werkelijk heeft gedaan, is de HEERE. Hij heeft deze droefheid over haar moeten brengen en wel “om haar talrijke overtredingen”. Hier wordt voor het eerst de aanleiding van de ellende genoemd. Het is de eerste uitspraak – van de dichter en nog niet van Jeruzalem zelf – over de overtredingen van de stad en dat de HEERE daarom het oordeel heeft moeten uitvoeren. Er volgen nog meer van dergelijke uitspraken (verzen 8,14,18,20,228Zwaar heeft Jeruzalem gezondigd; /cheth/
daarom is zij tot een afgezonderde [vrouw] geworden.
Allen die haar eerden, verachten haar,
want zij hebben haar naaktheid gezien.
Ja, zij, zij zucht
en zij heeft zich naar achteren toe omgekeerd.14Het juk van mijn overtredingen is aangebonden, /nun/
door Zijn hand zijn zij samengevlochten;
zij zijn op mijn nek geklommen.
Hij heeft mijn kracht doen struikelen.
De Heere heeft mij in [hun] handen gegeven;
ik kan niet opstaan.18Rechtvaardig is Hij, de HEERE, /tsade/
want ik ben Zijn bevel ongehoorzaam geweest.
Luister toch, alle volken,
en zie mijn leed:
mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen
zijn in gevangenschap gegaan.
20Zie, HEERE, hoe het mij bang te moede is; /resj/
mijn ingewanden zijn vol onrust,
mijn hart keert zich om in mijn binnenste,
want ik ben zeer ongehoorzaam geweest;
buiten heeft het zwaard [mij] van kinderen beroofd,
binnenshuis is [het] als de dood.
22Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, /taw/
en doe met hen
zoals U met mij gedaan hebt
vanwege al mijn overtredingen.
Want talrijk zijn mijn zuchten,
en mijn hart is afgemat.
)
. Het volk moet tot die belijdenis komen en de aanleiding van het oordeel bij zichzelf zoeken.

Direct na deze geloofsuiting ziet de dichter weer de heersende nood en wordt daar opnieuw door aangegrepen. Hij beschrijft tot het eind van vers 66Uit de dochter van Sion trok /waw/
al haar pracht weg.
Haar vorsten zijn als herten geworden
[die] geen weide vinden:
krachteloos gingen zij
vóór de vervolger uit.
wat Jeruzalem kwijt is. Het eerste zijn de kleine kinderen, de kleuters, de kinderen van het verbond. Het laat op wel heel indringende wijze zien dat de HEERE Zijn volk heeft verlaten.

In dit boek wordt enkele keren over de kinderen gesproken (Kl 2:2020Zie, HEERE, en aanschouw /resj/
aan wie U zo gedaan hebt!
 Moeten vrouwen hun [eigen] vrucht eten,
kleine kinderen die zij op handen droegen?
Moeten [dan] in het heiligdom van de Heere gedood worden
priester en profeet?
; 4:44De tong van de zuigeling kleeft /daleth/
aan zijn gehemelte van dorst.
Kleine kinderen vragen om brood,
niemand verstrekt [het] hun.
; vgl. Jr 9:2121want de dood is onze vensters binnengeklommen,
onze paleizen binnengekomen,
om de kleine kinderen van de straat uit te roeien,
de jongemannen van de pleinen.
)
. Vooral voor hen zijn de gevolgen rampzalig. Zij zijn de grootste slachtoffers van de ontrouw van een volk of ouders. Ze worden vóór de tegenstander uit in gevangenschap gejaagd, weggerukt van hun ouders en van broers en zussen. Kleine kinderen moeten worden uitgeschakeld, zodat ze niet kunnen opgroeien en in hun volwassenheid een gevaar worden voor de bezetter.

Van de pracht die de stad, de “dochter Sion”, eens bezat vanwege het glorieuze heiligdom waarin de HEERE woonde (Ps 96:99Buig u neer voor de HEERE in Zijn heerlijke heiligdom;
beef voor Zijn aangezicht, heel de aarde.
)
, is niets over, ze is verdwenen (vers 66Uit de dochter van Sion trok /waw/
al haar pracht weg.
Haar vorsten zijn als herten geworden
[die] geen weide vinden:
krachteloos gingen zij
vóór de vervolger uit.
)
. De vorsten, de mensen die in de stad de dienst uitmaakten, zijn opgejaagde herten geworden die nergens rust en voedsel kunnen vinden. Door de belegering van de stad zijn ze uitgehongerd en krachteloos geworden. Ze kunnen zelfs niet meer vluchten, maar worden als slachtvee voor de vervolgers uitgedreven.


Bezinning

7Jeruzalem denkt /zain/
in de dagen van haar ellende en haar ontheemding,
aan al haar kostbaarheden
die zij in de dagen van weleer bezat,
toen haar volk in de hand van de tegenstander viel,
en zij geen helper had,
de tegenstanders haar zagen [en] lachten
om haar ondergang.
8Zwaar heeft Jeruzalem gezondigd; /cheth/
daarom is zij tot een afgezonderde [vrouw] geworden.
Allen die haar eerden, verachten haar,
want zij hebben haar naaktheid gezien.
Ja, zij, zij zucht
en zij heeft zich naar achteren toe omgekeerd.

Jeruzalem – hier wordt de naam van de stad voor de eerste keer genoemd – bevindt zich in ellende en ontheemding (vers 77Jeruzalem denkt /zain/
in de dagen van haar ellende en haar ontheemding,
aan al haar kostbaarheden
die zij in de dagen van weleer bezat,
toen haar volk in de hand van de tegenstander viel,
en zij geen helper had,
de tegenstanders haar zagen [en] lachten
om haar ondergang.
)
. Wat vroeger betreft, zijn er alleen herinneringen aan wat ze toen aan vele kostbaarheden bezat. Dat maakt de situatie alleen maar droeviger. Toen ze in het bezit was van al die kostbaarheden, kwam de vijand en viel ze in de hand van de tegenstander. Steeds weer moet ze aan dat verschrikkelijke ogenblik denken.

Een helper was er niet, dat maakt het nog dramatischer. Het is dramatisch om zonder helper in de macht van een meedogenloze vijand te zijn. In die toestand komt een volk of een mens terecht, wanneer God als Helper wordt afgewezen (Hs 13:99Het is uw verderf, Israël,
[dat u zich keert] tegen Mij, tegen uw hulp!
)
. Vervolgens blijkt dan ook nog dat een dergelijke situatie in plaats van medelijden op te wekken leedvermaak geeft bij de tegenstander, die zich verheugt over haar ondergang. Dit lachen is een hatelijk, boosaardig, duivels lachen.

Deze verandering van situatie is het gevolg van haar zware zonden, waarvan de schuld steeds groter werd omdat die zonden onophoudelijk werden herhaald (vers 88Zwaar heeft Jeruzalem gezondigd; /cheth/
daarom is zij tot een afgezonderde [vrouw] geworden.
Allen die haar eerden, verachten haar,
want zij hebben haar naaktheid gezien.
Ja, zij, zij zucht
en zij heeft zich naar achteren toe omgekeerd.
)
. Daardoor is Jeruzalem te schande geworden en van alle waarde en eer ontdaan, terwijl ze nu ‘naakt’, dat is zonder enig middel van bescherming, openligt voor haar vijanden. Haar naaktheid is de straf op haar ontrouw aan de HEERE. We zien hier weer de tegenstelling tussen vroeger en nu. Allen die haar vroeger vereerden, met wie ze verbonden had gesloten, en die haar nu zien, verachten haar.

De stad wordt steeds als een vrouw gezien. In vers 11Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
is ze weduwe en hier is ze een onreine vrouw vanwege haar maandelijkse onreinheid, maar ook nog eens een naakte vrouw. Het enige wat zij doet, is zuchten en zich afwenden, zich naar achteren toe omkeren. Ze heeft een afkeer van zichzelf gekregen. Ze wil zichzelf niet zien en ook niet weten wat anderen van haar zien.


De huidige toestand als klacht tot God

9Haar onreinheid kleeft aan haar zomen; /teth/
zij heeft niet gedacht aan haar einde.
Wonderbaarlijk diep is zij gezonken,
zij heeft geen trooster.
Zie, HEERE, mijn ellende,
want de vijand maakt zich groot.
10De tegenstander heeft zijn hand uitgespreid /jod/
over al haar kostbaarheden;
immers, zij heeft heidenvolken zien
binnengaan in haar heiligdom,
van wie U geboden had dat zij niet mogen komen
in Uw gemeente.
11Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!

De dichter vergelijkt de stad met een vrouw bij wie de menstruatie de zomen van haar kleding heeft bevlekt, wat door iedereen wordt gezien en bij ieder afschuw oproept (vers 99Haar onreinheid kleeft aan haar zomen; /teth/
zij heeft niet gedacht aan haar einde.
Wonderbaarlijk diep is zij gezonken,
zij heeft geen trooster.
Zie, HEERE, mijn ellende,
want de vijand maakt zich groot.
)
. Dit verwijst naar haar afgoderij waardoor ze onrein is geworden, een onreinheid die haar hele wandel aankleeft. Ze heeft totaal niet stilgestaan bij de gevolgen van haar afgoderij, wat het einde daarvan is, waar het op zou uitlopen en waarop het nu uitgelopen is (vgl. Dt 32:2929Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken.
Zij zouden op hun einde letten.
; Js 47:77U zei: Ik zal voor eeuwig gebiedster zijn.
Tot nog toe hebt u deze dingen niet ter harte genomen,
u hebt niet aan het einde ervan gedacht.
)
. Ze heeft er niet aan gedacht dat de HEERE zou ingrijpen, hoewel Hij haar daarvoor heel vaak door Zijn profeten heeft gewaarschuwd.

De diepte van ellende waarin de stad door haar ontrouw is gezonken, is “wonderbaarlijk” (vgl. Dt 28:4343De vreemdeling die in uw midden is, zal hoger [en] hoger boven u uitstijgen, maar u zult lager [en] lager neerdalen.). Ze had dit nooit gedacht. ‘Wonderbaarlijk’ wil zeggen dat God wonderlijk met haar heeft gehandeld, waardoor zij in een onvoorstelbare diepte van ellende is gekomen. De diepte waarin de stad is weggezonken, heeft in de ogen van de profeet een bovennatuurlijke oorsprong. In aansluiting daarop lezen we voor de tweede keer dat ze geen trooster heeft, een constatering die nog nadrukkelijker haar ellende toont.

In het laatste deel van het vers horen we voor de eerste keer de stad zelf spreken over haar, “mijn”, ellende. Jeremia maakt zich hier een met de stad. Hij legt de woorden in de mond van de stad. De uitroep “zie, HEERE” komt nog twee keer in dit hoofdstuk voor (verzen 11,2011Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!20Zie, HEERE, hoe het mij bang te moede is; /resj/
mijn ingewanden zijn vol onrust,
mijn hart keert zich om in mijn binnenste,
want ik ben zeer ongehoorzaam geweest;
buiten heeft het zwaard [mij] van kinderen beroofd,
binnenshuis is [het] als de dood.
)
. De bedoeling van de uitroep is om de HEERE op haar ellende te wijzen, zodat dit, als Hij die ziet, bij Hem toch wel medelijden met haar zal opwekken. Ze wijst Hem erop dat de vijand door haar te vernederen zichzelf groot maakt. Dat kan Hij, Die alleen werkelijk ‘groot’ is, toch niet ongestraft laten?

De tegenstander heeft niet alleen Jeruzalem tot schande gemaakt, hij heeft zijn hand ook naar de kostbaarheden van de tempel uitgestrekt (vers 1010De tegenstander heeft zijn hand uitgespreid /jod/
over al haar kostbaarheden;
immers, zij heeft heidenvolken zien
binnengaan in haar heiligdom,
van wie U geboden had dat zij niet mogen komen
in Uw gemeente.
; 2Kr 36:1010Bij het aanbreken van het nieuwe jaar stuurde koning Nebukadnezar [een leger] en liet hem naar Babel brengen met de kostbare voorwerpen van het huis van de HEERE. En hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.; Jr 52:17-2317En de koperen pilaren die aan het huis van de HEERE toebehoorden, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Al het koper daarvan voerden zij naar Babel.18Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengbekkens, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed, mee.19De bevelhebber van de lijfwacht nam de schalen, de vuurschalen, de sprengbekkens, de potten, de kandelaars, de offerschalen en de kommen mee – [al] wat geheel van goud en geheel van zilver was.20De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen die eronder stonden, [namelijk] de onderstellen die koning Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had – het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.21Wat betreft de pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, [en] hij was hol.22Daarop zat een kapiteel van koper. De hoogte van een kapiteel was vijf el. Het vlechtwerk en de granaatappels rondom op het kapiteel waren helemaal van koper. En de tweede pilaar had zoals deze [eerste], eveneens granaatappels.23Er waren zesennegentig granaatappels [aangebracht in alle] windrichtingen. [Het totaal van] alle granaatappels was honderd, rondom op het vlechtwerk.)
. Dat heidenvolken het heiligdom zijn binnengegaan, is een schokkende zaak en onverdraaglijk voor een Jood (Ps 79:11Een psalm van Asaf.
O God, heidenvolken zijn in Uw eigendom gekomen,
zij hebben Uw heilige tempel verontreinigd,
zij hebben Jeruzalem tot een puinhoop gemaakt.
; vgl. Dt 23:3-43Een Ammoniet of Moabiet mag niet in de gemeente van de HEERE komen; zelfs hun [nakomelingen van de] tiende generatie mogen tot in eeuwigheid niet in de gemeente van de HEERE komen,4vanwege het feit dat zij u onderweg niet met brood en water tegemoetgekomen zijn toen u uit Egypte wegtrok; en omdat hij Bileam, de zoon van Beor, uit Pethor in Mesopotamië, tegen u ingehuurd heeft om u te vervloeken.)
.

Het was de heidenen verboden de tempel binnen te gaan (Ez 44:77want u hebt vreemdelingen binnengebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te [laten] zijn, zodat zij Mijn huis ontheiligden; want u bood Mijn brood – het vet en het bloed – aan, en zij verbraken Mijn verbond door al uw gruweldaden.). Mensen die niet eens mochten toetreden tot de gemeente van Israël, waren het heiligdom binnengegaan. Dat het kon gebeuren, is omdat Jeruzalem het heiligdom van haar hart niet heeft vrijgehouden van het verderf van de vijand van de ziel. Ze heeft toegelaten dat de vijand haar geestelijke schatten roofde, omdat ze zich met de vijand heeft ingelaten en zijn goden is gaan dienen.

Na de verwoesting van de stad – dus niet tijdens de belegering – zucht “heel haar bevolking”, dat wil zeggen het restant aan bevolking, en is wanhopig op zoek naar voedsel (vers 1111Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!
)
. De wanhoop is algemeen. Ze hebben al hun kostbaarheden gegeven om maar enig voedsel te krijgen. Daardoor leven ze weer even op en verlengen ze hun leven (vgl. Ri 15:1919Toen kloofde God de holte die er in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk en daarop kwam zijn geest [weer] terug en leefde hij op. Daarom gaf hij hem de naam Bron van de roepende, die tot op deze dag in Lechi is.; 1Sm 30:1212zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen en twee rozijnenkoeken. Hij at en zijn geest kwam in hem terug; want hij had drie dagen en nachten geen voedsel tot zich genomen of water gedronken.). Nu is er niets meer te geven. De hongerdood is hun toekomst.

Voor de tweede keer lezen we “zie, HEERE” (vers 1111Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!
; vers 99Haar onreinheid kleeft aan haar zomen; /teth/
zij heeft niet gedacht aan haar einde.
Wonderbaarlijk diep is zij gezonken,
zij heeft geen trooster.
Zie, HEERE, mijn ellende,
want de vijand maakt zich groot.
)
. Het komt uit het diepst van haar ziel. Het gaat er niet om Zijn aandacht te vragen voor de verachting op zich, maar voor de diepte en omvang ervan, “hoe”. Ze hoopt dat dit de HEERE tot medelijden zal bewegen.


De HEERE heeft het gedaan, om de zonde

12Raakt het u allen niet, voorbijgangers? /lamed/
Aanschouw en zie
of er leed is als mijn leed,
dat mij is aangedaan,
waarmee de HEERE [mij] bedroefd heeft
op de dag van Zijn brandende toorn.
13Vanuit de hoogte heeft Hij vuur gezonden /mem/
in mijn beenderen, en Hij heerst daarover.
Hij heeft voor mijn voeten een net uitgespreid,
Hij heeft mij naar achteren toe doen omkeren,
Hij heeft mij [tot] verwoesting overgegeven,
de hele dag ziek [gemaakt].
14Het juk van mijn overtredingen is aangebonden, /nun/
door Zijn hand zijn zij samengevlochten;
zij zijn op mijn nek geklommen.
Hij heeft mijn kracht doen struikelen.
De Heere heeft mij in [hun] handen gegeven;
ik kan niet opstaan.

Na de klacht over Jeruzalem in de verzen 1-111Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
2Zij weent onophoudelijk in de nacht, /beth/
en haar tranen [stromen] over haar wangen.
Zij heeft geen trooster
onder al haar minnaars.
Al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld;
ze zijn haar tot vijanden geworden.
3Juda is in ballingschap gegaan vanwege de ellende /gimel/
en vanwege de vele slavenarbeid.
Zíj woont onder de heidenvolken,
zij vindt geen rust;
al haar vervolgers halen haar in
tussen de nauwe doorgangen.4De wegen van Sion treuren, /daleth/
ze zijn zonder feestgangers.
Al haar poorten zijn verwoest;
haar priesters zuchten.
Haar jonge vrouwen zijn bedroefd,
en zijzelf – bitter is het haar.
5Haar tegenstanders zijn aan het hoofd [komen te staan], /he/
haar vijanden zijn gerust.
Want de HEERE heeft haar bedroefd
om haar talrijke overtredingen.
Haar kleine kinderen zijn [in] gevangenschap
gegaan, vóór de tegenstander uit.
6Uit de dochter van Sion trok /waw/
al haar pracht weg.
Haar vorsten zijn als herten geworden
[die] geen weide vinden:
krachteloos gingen zij
vóór de vervolger uit.7Jeruzalem denkt /zain/
in de dagen van haar ellende en haar ontheemding,
aan al haar kostbaarheden
die zij in de dagen van weleer bezat,
toen haar volk in de hand van de tegenstander viel,
en zij geen helper had,
de tegenstanders haar zagen [en] lachten
om haar ondergang.
8Zwaar heeft Jeruzalem gezondigd; /cheth/
daarom is zij tot een afgezonderde [vrouw] geworden.
Allen die haar eerden, verachten haar,
want zij hebben haar naaktheid gezien.
Ja, zij, zij zucht
en zij heeft zich naar achteren toe omgekeerd.9Haar onreinheid kleeft aan haar zomen; /teth/
zij heeft niet gedacht aan haar einde.
Wonderbaarlijk diep is zij gezonken,
zij heeft geen trooster.
Zie, HEERE, mijn ellende,
want de vijand maakt zich groot.
10De tegenstander heeft zijn hand uitgespreid /jod/
over al haar kostbaarheden;
immers, zij heeft heidenvolken zien
binnengaan in haar heiligdom,
van wie U geboden had dat zij niet mogen komen
in Uw gemeente.
11Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!
horen we in het tweede deel van dit hoofdstuk de klacht van Jeruzalem (verzen 12-2212Raakt het u allen niet, voorbijgangers? /lamed/
Aanschouw en zie
of er leed is als mijn leed,
dat mij is aangedaan,
waarmee de HEERE [mij] bedroefd heeft
op de dag van Zijn brandende toorn.
13Vanuit de hoogte heeft Hij vuur gezonden /mem/
in mijn beenderen, en Hij heerst daarover.
Hij heeft voor mijn voeten een net uitgespreid,
Hij heeft mij naar achteren toe doen omkeren,
Hij heeft mij [tot] verwoesting overgegeven,
de hele dag ziek [gemaakt].
14Het juk van mijn overtredingen is aangebonden, /nun/
door Zijn hand zijn zij samengevlochten;
zij zijn op mijn nek geklommen.
Hij heeft mijn kracht doen struikelen.
De Heere heeft mij in [hun] handen gegeven;
ik kan niet opstaan.15De Heere heeft al mijn machtigen /samech/
in mijn midden verworpen.
Hij heeft een samenkomst over mij uitgeroepen
om mijn jongemannen te breken.
[Als in] een wijnpers heeft de Heere
de maagd, de dochter van Juda, getreden.
16Vanwege deze dingen ween ik, /ain/
mijn oog, mijn oog laat water neerstromen,
omdat de Trooster Die mijn ziel verkwikt
ver van mij is.
Mijn zonen zijn ontzet,
want de vijand had de overhand.
17Sion spreidt haar handen uit, /pe/
[maar] zij heeft geen trooster.
Wat Jakob betreft heeft de HEERE geboden:
Zijn omstanders zullen zijn tegenstanders zijn.
Jeruzalem is geworden
als een afgezonderde [vrouw] onder hen.18Rechtvaardig is Hij, de HEERE, /tsade/
want ik ben Zijn bevel ongehoorzaam geweest.
Luister toch, alle volken,
en zie mijn leed:
mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen
zijn in gevangenschap gegaan.
19Ik riep tot mijn minnaars, /koph/
[maar] zíj hebben mij bedrogen.
Mijn priesters en mijn oudsten
hebben de geest gegeven in de stad,
toen zij voedsel zochten voor zichzelf
om hun ziel te verkwikken.20Zie, HEERE, hoe het mij bang te moede is; /resj/
mijn ingewanden zijn vol onrust,
mijn hart keert zich om in mijn binnenste,
want ik ben zeer ongehoorzaam geweest;
buiten heeft het zwaard [mij] van kinderen beroofd,
binnenshuis is [het] als de dood.
21Zij horen hoe ik zucht, /sjin/
[maar] ik heb geen trooster.
Al mijn vijanden horen mijn onheil, zij zijn vrolijk,
omdat U [dat] hebt gedaan.
U hebt de dag gebracht die U aangekondigd hebt,
maar zij zullen zijn net als ik.
22Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, /taw/
en doe met hen
zoals U met mij gedaan hebt
vanwege al mijn overtredingen.
Want talrijk zijn mijn zuchten,
en mijn hart is afgemat.
)
. Die klacht is niet tot de HEERE gericht, zoals in vers 1111Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!
, maar tot de “voorbijgangers”, de volken om haar heen die worden voorgesteld als reizigers die langs de wegen van het verwoeste Juda voorbijtrekken (vers 1212Raakt het u allen niet, voorbijgangers? /lamed/
Aanschouw en zie
of er leed is als mijn leed,
dat mij is aangedaan,
waarmee de HEERE [mij] bedroefd heeft
op de dag van Zijn brandende toorn.
)
.

Jeremia, die zich met de stad vereenzelvigt en namens haar spreekt, roept de voorbijgangers toe of het hun niet raakt als ze de ellende zien waarin hij, de stad, zich bevindt. Hij roept hen op goed te kijken en na te gaan of er wel ergens op de wereld een leed is dat vergelijkbaar is met het leed dat haar is aangedaan. Hij voegt eraan toe dat hij zich bewust is, dat dit leed van de HEERE komt en niet van de vijanden. De HEERE heeft haar bedroefd, maar dat is wel omdat Zijn brandende toorn over de schuldige stad moest komen.

De “dag van Zijn brandende toorn” is de dag van de HEERE, de dag die als een dag van oordeel door Hem is aangekondigd door Zijn profeten. Deze dag zal in zijn volle omvang in de eindtijd aanbreken, als de HEERE handelend en oordelend in het wereldgebeuren ingrijpt ten gunste van het overblijfsel van Zijn volk dat vreselijk lijdt, met als eindresultaat het vrederijk. De dag van de val van Jeruzalem wordt verbonden met het lijden in het eindtijd.

Achter dit spreken van Jeremia over de ellende waarin hij en de stad zich bevinden, horen we ook de Heer Jezus spreken. Hij is op unieke wijze in de brandende toorn van God geweest. Dat was niet vanwege Zijn zonden – die heeft Hij niet gedaan en niet gekend –, maar vanwege de zonden die Hij op Zich nam van hen die in Hem geloven. Hij is de ware Man van smarten, Die als geen ander de ontrouw van Zijn volk heeft gevoeld. Wat Hem oneindig groter maakt dan Jeremia, is dat Hij de diepste oorzaak daarvan heeft weggenomen en een nieuwe situatie tot stand zal brengen die volkomen aan Gods wil beantwoordt.

In vers 1313Vanuit de hoogte heeft Hij vuur gezonden /mem/
in mijn beenderen, en Hij heerst daarover.
Hij heeft voor mijn voeten een net uitgespreid,
Hij heeft mij naar achteren toe doen omkeren,
Hij heeft mij [tot] verwoesting overgegeven,
de hele dag ziek [gemaakt].
hebben we drie beelden waarmee het oordeel wordt beschreven. De beelden zijn heel verschillend en vertonen geen onderlinge samenhang. Dat versterkt de indruk van radeloosheid.

Het eerste beeld is dat van een “vuur” dat tot in het gebeente doordringt, dat wil zeggen tot in het diepste inwendige en totaal. Het is de uitdrukking van intens, ondraaglijk lijden (Ps 102:44Want mijn dagen zijn als rook vervlogen,
mijn beenderen zijn uitgebrand als een haard.
; Jb 30:3030Mijn huid is zwart geworden op mij,
en mijn beenderen branden van hitte.
)
. Jeremia voelt zich zozeer een met de verwoeste stad, dat hij in zijn beenderen het vuur van het oordeel voelt dat de HEERE gezonden heeft en dat Hij daarover heerst. Hij ervaart de HEERE als een tegenstander Die in toorn tegen Zijn volk en Zijn stad is ontbrand.

Het tweede is “een net”. Dat ziet op het plotselinge van het oordeel. Het oordeel overrompelde Jeruzalem, zoals een wild dier onverwachts terechtkomt in een net dat een jager heeft gespannen, waarin het verward raakt en waaruit het zich niet meer kan bevrijden (vgl. Ps 10:99Hij ligt in een hinderlaag op een verborgen plaats,
zoals een leeuw in zijn schuilplaats;
hij ligt in een hinderlaag om de ellendige te overvallen,
hij overvalt de ellendige als hij hem in zijn net trekt.
; Hs 7:1212Maar als zij gaan, spreid Ik Mijn net over hen uit.
Als vogels in de lucht haal Ik hen neer.
Ik straf hen zodra er een zwerm van wordt gehoord.
; Ez 12:1313Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem brengen naar Babel, het land van de Chaldeeën, maar [ook] dat zal hij niet zien, hoewel hij daar zal sterven.; 19:88Maar de heidenvolken uit de omliggende gewesten
keerden zich tegen hem.
Zij spreidden hun net over hem uit.
In hun kuil werd hij gevangen.
)
. Jeremia ziet voor zijn voeten een net waardoor hij gevangen wordt. Dat net is daar door de HEERE gelegd (vgl. Jb 19:66weet dan dat God mij neergedrukt heeft,
en mij [met] Zijn vangnet omsingeld heeft.
)
. Jeremia voelt zich in de macht van de jager die hem dwingt naar achteren te keren.

Het derde beeld is dat van “ziek” zijn als gevolg van het oordeel. Hij voelt de verwoesting waaraan hij door de HEERE is overgegeven. Het maakt hem de hele dag door ziek, zonder een ogenblik van verlichting te kennen van de pijnen en wanhoop die hem teisteren.

We horen hier een man die diep begaan is met het leed dat de stad heeft getroffen. Hij heeft dat leed vele jaren en op vele manieren aangekondigd (Jr 11:1616Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten,
had de HEERE u als naam gegeven.
[Maar nu] heeft Hij onder het geluid van een groot gedruis
een vuur onder hem aangestoken,
zodat zijn takken gebroken zijn.
; 15:1414Ik zal [u] met uw vijanden overbrengen
naar een land [dat] u niet kent,
want een vuur is aangestoken in Mijn toorn,
het zal tegen u branden.
; 17:4,274Dan zult u – en dat om uzelf – uw erfelijk bezit, dat Ik u gegeven heb,
met rust moeten laten,
want Ik zal u uw vijanden doen dienen
in een land dat u niet kent.
U hebt immers in Mijn toorn een vuur aangestoken,
dat tot in eeuwigheid zal branden.27Maar als u niet naar Mij luistert door de sabbatdag te heiligen en door daarop geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem binnenkomt, dan zal Ik een vuur aansteken in zijn poorten; dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren, en het zal niet geblust worden.
; 21:10,12,1410Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE. Zij zal overgegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.12huis van David. Zo zegt de HEERE:
Verschaf 's morgens recht,
en red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt,
anders laait Mijn grimmigheid op als een vuur
en brandt [die] zo, dat niemand blussen kan,
vanwege uw slechte daden.
14Ik zal u overeenkomstig de vrucht van uw daden straffen, spreekt de HEERE,
Ik zal een vuur aansteken in zijn woud;
dat alles rondom zich zal verteren.
; 22:77Ik zal verdervers inzetten [om] tegen u [te strijden],
ieder met zijn [eigen] gereedschap.
Zij zullen uw mooiste ceders omhakken
en in het vuur werpen.
; 34:2,222Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ga zeggen tegen Zedekia, de koning van Juda, zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de koning van Babel geven, hij zal haar met vuur verbranden.22Zie, Ik geef bevel, spreekt de HEERE, en Ik zal hen naar deze stad terugbrengen. Zij zullen tegen haar strijden, haar innemen en haar met vuur verbranden. Ik zal van de steden van Juda een woestenij maken, zodat er geen inwoner [meer] zal zijn.; 37:8,108Dan zullen de Chaldeeën terugkeren om tegen deze stad te strijden. Zij zullen haar innemen en haar met vuur verbranden.10Ja, al zou u [ook] heel het leger van de Chaldeeën die tegen u strijden, verslaan, en zouden er bij hen [slechts enkele] zwaargewonde mannen overblijven, zij zouden opstaan, ieder in zijn tent, en deze stad met vuur verbranden.; 38:2323Want men zal al uw vrouwen en al uw zonen naar de Chaldeeën wegvoeren. En zelf zult u niet aan hun hand ontkomen, maar u zult door de hand van de koning van Babel gegrepen worden en deze stad zal in vlammen opgaan.)
, met de bedoeling dat Jeruzalem zich zou bekeren en haar dit leed bespaard zou blijven. Als het dan gekomen is, zegt hij niet verwijtend dat hij het toch altijd al heeft gezegd en dat ze nu haar verdiende loon krijgt. Nee, hij treurt diep over de vervulling van Gods oordeel.

Het juk van de overtredingen drukt zwaar op de stad, op Jeremia (vers 1414Het juk van mijn overtredingen is aangebonden, /nun/
door Zijn hand zijn zij samengevlochten;
zij zijn op mijn nek geklommen.
Hij heeft mijn kracht doen struikelen.
De Heere heeft mij in [hun] handen gegeven;
ik kan niet opstaan.
)
. Aan de ene kant heeft de stad dit juk zelf gevlochten door haar zonden. Maar het is ook de HEERE Die het heeft gedaan en het op hun nek legt als een tuchtiging. Zonde die op een mens drukt, berooft hem van kracht en doet hem struikelen.

De tucht door de vijanden komt voor Jeremia van de Heere, Adonai, Zijn soevereine Heer en Meester. Hij is door Hem overgeleverd in de handen van de vijanden. De aanvaarding daarvan zorgt ervoor dat de tucht een volkomen uitwerking heeft. Hij kan niet opstaan om zijn eigen weg te gaan. Er is geen enkele vorm van verzet mogelijk. Elke bewegingsvrijheid is verdwenen.


De mensen van Jeruzalem

15De Heere heeft al mijn machtigen /samech/
in mijn midden verworpen.
Hij heeft een samenkomst over mij uitgeroepen
om mijn jongemannen te breken.
[Als in] een wijnpers heeft de Heere
de maagd, de dochter van Juda, getreden.
16Vanwege deze dingen ween ik, /ain/
mijn oog, mijn oog laat water neerstromen,
omdat de Trooster Die mijn ziel verkwikt
ver van mij is.
Mijn zonen zijn ontzet,
want de vijand had de overhand.
17Sion spreidt haar handen uit, /pe/
[maar] zij heeft geen trooster.
Wat Jakob betreft heeft de HEERE geboden:
Zijn omstanders zullen zijn tegenstanders zijn.
Jeruzalem is geworden
als een afgezonderde [vrouw] onder hen.

De machtigen van de stad zijn verdwenen. Ze zijn door de Heere verworpen (vers 1515De Heere heeft al mijn machtigen /samech/
in mijn midden verworpen.
Hij heeft een samenkomst over mij uitgeroepen
om mijn jongemannen te breken.
[Als in] een wijnpers heeft de Heere
de maagd, de dochter van Juda, getreden.
)
. Jeremia, of beter Jeremia die zich met Jeruzalem identificeert, noemt hen ‘mijn machtigen’. Ze zijn uit het midden van de stad verworpen. Dat berust op een besluit van God. Hij heeft daarvoor een feestelijke samenkomst uitgeroepen. Het is een vreselijke samenkomst. Het is geen samenkomst voor de HEERE, maar van de vijanden. De vijanden hebben de kracht van de jongemannen gebroken. In een direct daarop volgend beeld van een maagd wordt de dochter van Juda gezien in een wijnpers die door de Heere getreden wordt. Hij oordeelt haar.

Bij een feest hoort wijn. De feestvreugde van de wijn wordt verkregen door het treden van de druiven in de wijnpers, wat een beeld is van oordeel (Js 63:33Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
; Jl 3:1313Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.
; Op 14:1919En de engel sloeg zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijnstok van de aarde en wierp het in de grote wijnpersbak van de grimmigheid van God.)
. De in dit vers voorkomende beelden van feest en wijnpersbak ligt ironie. Ze wekken de gedachte op aan blijdschap, gejuich, terwijl het gaat om het oordeel dat in al zijn verschrikking over Jeruzalem, “de maagd, de dochter van Juda”, is gekomen.

Al deze ellende veroorzaakt bij de profeet intens verdriet en een stroom van tranen (vers 1616Vanwege deze dingen ween ik, /ain/
mijn oog, mijn oog laat water neerstromen,
omdat de Trooster Die mijn ziel verkwikt
ver van mij is.
Mijn zonen zijn ontzet,
want de vijand had de overhand.
)
. Hij voelt zich ongetroost. De HEERE, Die zijn enige Trooster is, is zo ver weg. En als Hij niet troost, wie dan wel? Zijn zonen, dat zijn de kinderen van Zijn volk, zijn ontzet vanwege de macht van de vijand die deze ongestoord kan uitoefenen over de stad.

In vers 1717Sion spreidt haar handen uit, /pe/
[maar] zij heeft geen trooster.
Wat Jakob betreft heeft de HEERE geboden:
Zijn omstanders zullen zijn tegenstanders zijn.
Jeruzalem is geworden
als een afgezonderde [vrouw] onder hen.
is Jeremia weer een toeschouwer. Hij spreekt niet meer over ´ik´, maar over ´zij´, dat is Sion. Hij ziet hoe Sion de handen naar de hemel uitspreidt, maar geen trooster heeft. De hemel zwijgt. In dit hele boek horen we geen antwoord van God. Jeremia spreekt de zekerheid uit dat, wat het volk overkomt, door de HEERE geboden is. Alle leed komt van Hem. Hij heeft ervoor gezorgd dat de omstanders tegenstanders zijn geworden en dat Jeruzalem bij niemand steun kan vinden. Ze is door de HEERE opgegeven, verlaten, omdat ze “als een afgezonderde” is geworden. Dat heeft ze te wijten aan haar eigen ontrouw tegenover Hem.


Bezinning

18Rechtvaardig is Hij, de HEERE, /tsade/
want ik ben Zijn bevel ongehoorzaam geweest.
Luister toch, alle volken,
en zie mijn leed:
mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen
zijn in gevangenschap gegaan.
19Ik riep tot mijn minnaars, /koph/
[maar] zíj hebben mij bedrogen.
Mijn priesters en mijn oudsten
hebben de geest gegeven in de stad,
toen zij voedsel zochten voor zichzelf
om hun ziel te verkwikken.

In deze verzen spreekt Jeremia of de stad weer, dat wil zeggen het gelovig overblijfsel (vers 1818Rechtvaardig is Hij, de HEERE, /tsade/
want ik ben Zijn bevel ongehoorzaam geweest.
Luister toch, alle volken,
en zie mijn leed:
mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen
zijn in gevangenschap gegaan.
)
. Zij zijn onschuldig, maar buigen het hoofd onder het oordeel. Juist zij klagen en buigen zich. De ongelovige massa klaagt niet, maar scheldt en komt in opstand. Het overblijfsel maakt zich een met de massa.

Hij verklaart de HEERE voor rechtvaardig in Zijn handelen met de stad (Jr 12:11HEERE, U zou rechtvaardig blijken,
wanneer ik met U een rechtszaak zou voeren.
Toch wil ik met U [over Uw] oordelen spreken.
Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig,
[waarom] hebben rust, allen die in ontrouw trouweloos handelen?
)
en met hem, want hij weet zich ook schuldig. Hier gaan het kennen van God en het kennen van zichzelf samen. Hij is niet beter dan de massa. Toch kan hij vanwege zijn belijdenis de volken oproepen naar zijn leed te kijken (vers 1212Raakt het u allen niet, voorbijgangers? /lamed/
Aanschouw en zie
of er leed is als mijn leed,
dat mij is aangedaan,
waarmee de HEERE [mij] bedroefd heeft
op de dag van Zijn brandende toorn.
)
. Dat leed is dat de bloem van de natie, “mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen”, de hoop van de toekomst, in gevangenschap is gegaan.

De stad had haar hoop gevestigd op hen die een intieme relatie met haar hadden vanwege het gewin dat zij daarvan hadden, met wie zij een bondgenootschap gesloten had (vers 1919Ik riep tot mijn minnaars, /koph/
[maar] zíj hebben mij bedrogen.
Mijn priesters en mijn oudsten
hebben de geest gegeven in de stad,
toen zij voedsel zochten voor zichzelf
om hun ziel te verkwikken.
)
. Maar ze is er bedrogen mee uitgekomen. In de nood blijken ze het allemaal te laten afweten.

Het was zonde om er minnaars op na te houden, want de HEERE Zelf was haar Minnaar. Maar het was daarenboven zonde om in de nood tot die minnaars te roepen in plaats van tot de HEERE. De behoefte van de profeet om zich een te maken met de stad is hier zo groot, dat hij zowel het eerste – de omringende volken als minnaars – als het tweede – het roepen tot die minnaars in hun benauwdheid – voor zijn rekening neemt.

Ook in de stad is er geen hulp van mensen op wie ze eerst vertrouwde, de priester en de oudste. Zij denken ook alleen aan zichzelf en hun eigen behoeften. Er was geen leven in hen overgebleven. Ze hebben geprobeerd aan voedsel te komen om daardoor “hun ziel te verkwikken”, dat wil zeggen weer op te leven (vers 1111Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!
)
. Daarmee zijn deze leidslieden niet in leven gebleven. Ze hebben de geest gegeven en zijn omgekomen.


Gebed

20Zie, HEERE, hoe het mij bang te moede is; /resj/
mijn ingewanden zijn vol onrust,
mijn hart keert zich om in mijn binnenste,
want ik ben zeer ongehoorzaam geweest;
buiten heeft het zwaard [mij] van kinderen beroofd,
binnenshuis is [het] als de dood.
21Zij horen hoe ik zucht, /sjin/
[maar] ik heb geen trooster.
Al mijn vijanden horen mijn onheil, zij zijn vrolijk,
omdat U [dat] hebt gedaan.
U hebt de dag gebracht die U aangekondigd hebt,
maar zij zullen zijn net als ik.
22Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, /taw/
en doe met hen
zoals U met mij gedaan hebt
vanwege al mijn overtredingen.
Want talrijk zijn mijn zuchten,
en mijn hart is afgemat.

Voor de derde keer klinkt de roep “zie, HEERE” (vers 2020Zie, HEERE, hoe het mij bang te moede is; /resj/
mijn ingewanden zijn vol onrust,
mijn hart keert zich om in mijn binnenste,
want ik ben zeer ongehoorzaam geweest;
buiten heeft het zwaard [mij] van kinderen beroofd,
binnenshuis is [het] als de dood.
; verzen 9,119Haar onreinheid kleeft aan haar zomen; /teth/
zij heeft niet gedacht aan haar einde.
Wonderbaarlijk diep is zij gezonken,
zij heeft geen trooster.
Zie, HEERE, mijn ellende,
want de vijand maakt zich groot.
11Heel haar bevolking zucht /kaph/
op zoek naar brood.
Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,
om [hun] ziel te verkwikken.
Zie, HEERE, en aanschouw,
hoe veracht ik geworden ben!
)
. Nu is dat niet meer om de aandacht op de ellende of de vijanden te richten, maar op zichzelf. Het is hem bang te moede en hij is van binnen vol onrust. Zijn hart keert zich om in hem. Hij wordt verteerd door schuldgevoelens over zijn ongehoorzaamheid die hij voluit erkent. Jeremia is hier weer de stem van de stad. Hij ziet overal de dood. De kinderen, met wie hier de bewoners van de stad worden bedoeld, zijn buitenshuis door het zwaard gedood. Daardoor is het huis nu doods.

De vijand is er altijd op uit onze kinderen te doden. Dat doet hij vooral als ze buiten de veilige sfeer van het huis zijn, als ze buiten, in de wereld moeten zijn. Het is hem ook gelukt in te dringen in de veilige sfeer van de huizen van de gelovigen en zaait daar ook dood en verderf.

De stad is zich bewust dat de vijand haar zuchten van ellende hoort (vers 2121Zij horen hoe ik zucht, /sjin/
[maar] ik heb geen trooster.
Al mijn vijanden horen mijn onheil, zij zijn vrolijk,
omdat U [dat] hebt gedaan.
U hebt de dag gebracht die U aangekondigd hebt,
maar zij zullen zijn net als ik.
)
. Haar ellende is vooral dat er geen trooster is. De vijanden nemen het onheil van de stad waar en zijn daar vrolijk over. Ze zien dat de hand van de HEERE Zijn volk heeft geslagen. Het oordeel dat het volk moest treffen uit de hand van vijanden, kwam uit de hand van de HEERE. Dat zeggen de vijanden hier.

Het volk erkent dat de HEERE inderdaad de Uitvoerder van het oordeel is. Hij heeft de dag doen komen die Hij heeft aangekondigd (Jr 4:99Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE:
vergaan zal de moed van de koning
en de moed van de vorsten,
de priesters zullen ontzet zijn
en de profeten verbijsterd.
; 7:32-3432Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat het niet meer Tofet of het dal Ben-Hinnom zal genoemd worden, maar Moorddal. Men zal in Tofet begraven, omdat er nergens [anders] plaats zal zijn.33De dode lichamen van dit volk zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en de dieren op de aarde, en niemand zal [ze] schrik aanjagen.34En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doen ophouden, want het land zal tot een verwoesting worden.; 17:16-1816Wat mij betreft, ik heb niet meer aangedrongen dan een herder achter U [betaamde],
naar een onheilsdag heb ik niet verlangd.
U weet Zelf wat over mijn lippen kwam,
het was voor Uw aangezicht.
17Wees mij niet tot een verschrikking,
U bent mijn toevlucht op een dag van onheil.
18Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden.
Laten zij ontsteld zijn, maar laat mij niet ontsteld zijn.
Breng over hen een dag van onheil,
breek ze met een dubbele verbreking.
)
. Het volk zegt tevens dat dit oordeel ook over de vijanden zal komen vanwege hun boosheid. De vijanden hebben Gods oordeel uitgevoerd, maar ze hebben het gedaan op een ongoddelijke, zelfzuchtige wijze en daarom zal de HEERE ook hen oordelen.

Jeremia herinnert de HEERE aan al het kwaad dat de vijanden hem, dat is de stad Jeruzalem, hebben aangedaan (vers 2222Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, /taw/
en doe met hen
zoals U met mij gedaan hebt
vanwege al mijn overtredingen.
Want talrijk zijn mijn zuchten,
en mijn hart is afgemat.
)
. Hij vraagt daarvoor aan de HEERE dat Hij het hun rechtvaardig zal vergelden op dezelfde manier als de HEERE met hem heeft gedaan vanwege al zijn overtredingen (vgl. Jr 51:3535[Laat] het geweld mij en mijn familie aangedaan, [komen] op Babel,
moet de inwoonster van Sion zeggen.
[Laat] mijn bloed [komen] op de inwoners van Chaldea,
moet Jeruzalem zeggen.
)
. Hij kan dat vragen, omdat er door hem talrijke zuchten geslaakt worden, waarmee hij aangeeft dat hij zich diep buigt onder de tuchtiging die over hem is gekomen. Zijn hart is daarbij afgemat en diep terneergeslagen. Hij beroemt zich nergens meer op.


Lees verder