Jozua
Inleiding 1-2 De vijand verenigt zich 3-5 De list van de Gibeonieten 6-8 De Gibeonieten komen in Gilgal 9-13 De Gibeonieten verantwoorden zich 14-15 Vriendschap met de Gibeonieten 16-20 De list ontdekt 21-27 Houthakkers en waterputters
Inleiding

Nadat we in Jozua 7-8 bij Ai hebben gezien wat het gevolg is van vertrouwen op eigen kracht, zien we in Jozua 9 bij Gibeon wat het gevolg is van het vertrouwen op eigen wijsheid. De les voor ons is niet op eigen kracht en eigen wijsheid te vertrouwen, maar op “Christus, [de] kracht van God en [de] wijsheid van God” (1Ko 1:24b24maar voor de geroepenen zelf, zowel Joden als Grieken, Christus, [de] kracht van God en [de] wijsheid van God;).

De Gibeonieten lukt het met list om te ontkomen aan het oordeel waaronder ze vallen. Waarom hebben de Israëlieten deze list niet ontdekt? De list slaagt want “zij vroegen niet om een uitspraak van de HEERE” (vers 1414Toen namen de mannen van hun proviand en zij vroegen niet om een uitspraak van de HEERE.) Er is voor ons maar één manier om aan de listen van de duivel te ontkomen en dat is door gehoorzaamheid aan het bevel: “Doet de hele wapenrusting van God aan” (Ef 6:1111Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.).

De vijand gebruikt twee middelen om het volk van God kwaad te doen en schade te berokkenen. Het ene middel is geweld en het andere is list. In het eerste geval lezen we over de duivel als iemand die rondgaat als “een brullende leeuw” (1Pt 5:88Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, [de] duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden.). In het andere geval wordt hij ”een engel van het licht” genoemd (2Ko 11:1414En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.).


De vijand verenigt zich

1Het gebeurde toen al de koningen [dit] hoorden, [de koningen] die aan deze zijde van de Jordaan waren, in het Bergland, in het Laagland en aan heel de kust van de Grote Zee, tegenover de Libanon: de Hethieten en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, 2dat zij gezamenlijk bij elkaar kwamen om eensgezind tegen Jozua en tegen Israël te strijden.

De vijanden sluiten zich aaneen. Mogelijk hebben ze door de nederlaag die Israël bij Ai heeft geleden, moed gevat en zien ze een kans om dit volk te weerstaan.

Deze volken, die onderling steeds in oorlog met elkaar zijn, komen bij elkaar “om eensgezind tegen Jozua en tegen Israël te strijden”. Dat is altijd zo ten aanzien van wat van God is. Haat tegen God en Zijn waarheid is een middel dat alle vijanden van God samenbindt en de onderlinge onenigheid en ruzies doet vergeten (Lk 23:1212Herodes en Pilatus nu werden op diezelfde dag vrienden met elkaar, want zij leefden tevoren in vijandschap jegens elkaar.; Hd 4:2727Want in waarheid zijn in deze stad verzameld tegen Uw heilige Knecht Jezus, Die U hebt gezalfd, zowel Herodes als Pontius Pilatus met [de] naties en volken van Israël,). Daarbij moeten we steeds bedenken dat de koningen van Kanaän een beeld zijn van de beheersers van de geestelijke wereld. Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten]” (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].).

Heidense volken kunnen op aarde in strijd zijn met elkaar, maar de demonische machten die erachter zitten, zijn het volledig met elkaar eens. Zij worden aangestuurd door de satan die altijd erop uit is om zoveel mogelijk mensen te doden. Hij is de mensenmoordenaar van het begin (Jh 8:4444U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.). Hij wil alle mensen doden, terwijl zijn hoofddoel is Gods volk zoveel mogelijk schade toe te brengen.


De list van de Gibeonieten

3Toen de inwoners van Gibeon hoorden wat Jozua met Jericho en Ai gedaan had, 4gingen ook zij met list te werk. Zij gingen op weg en deden zich voor als gezanten. Zij namen versleten zakken op hun ezels, en versleten, gescheurde en [weer] dichtgebonden leren wijnzakken. 5Ook [hadden zij] versleten en opgelapte schoenen aan hun voeten, en zij hadden versleten kleren aan, en alle brood [van hun] proviand was droog [en] kruimelig.

In de geestelijke strijd hebben we het in het bijzonder met “de listen van de duivel” (Ef 6:1111Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.) te doen. De strijd waarover het in Efeziërs 6 gaat, is niet een strijd om het land te veroveren, maar om het te verdedigen. Daarom staat de beschrijving van de wapenrusting ook aan het einde van de brief, nadat alle zegeningen beschreven zijn. Het gaat om het staande blijven na de overwinning, wat alleen kan als we de hele wapenrusting aan hebben. Alleen dan zijn we in staat “om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel” (Ef 6:1111Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.).

We hebben de wapenrusting ook nodig “om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden” (Ef 6:1313Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.). Met zijn listen heeft de vijand vaak resultaat op gebieden waar zijn macht verbroken is. Zijn listen zijn meer te vrezen dan zijn kracht. Met zijn listen verleidt hij de mensen, maar met zijn kracht ontmoet hij de Heer.

De inwoners van Gibeon hebben gehoord wat Jozua met Jericho en Ai heeft gedaan. Daarom zoeken zij niet de strijd, maar ze nemen hun toevlucht tot list. Ze gaan met overleg te werk om hun leven te redden, waarvan ze weten dat het gevaar loopt. Dat is tot op zekere hoogte verstandig te noemen. Maar er is een betere methode om hun leven te redden dan door list. Rachab heeft haar leven en dat van haar familie gered door geloof. Dat zien we ook later bij een Kananese vrouw, dus een vrouw die van oorsprong tot dit volk behoort dat onder de vloek ligt, die om ontferming vraagt (Mt 15:22-2822En zie, een Kananese vrouw die uit dat gebied kwam, riep de woorden: Erbarm U over mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is ernstig bezeten.23Hij antwoordde haar echter geen woord. En Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem aldus: Stuur haar weg, want zij roept ons na.24Hij antwoordde echter en zei: Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.25Zij nu kwam en huldigde Hem en zei: Heer, help mij!26Hij echter antwoordde en zei: Het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.27Zij echter zei: Jawel, Heer, want ook de honden eten van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.28Toen antwoordde Jezus en zei tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; moge u gebeuren zoals u wilt. En haar dochter werd gezond van dat uur af.).

Bij deze Gibeonieten is van geloof echter geen sprake. Zij geven de voorkeur aan een eigen methode. Ze gaan met menselijke voorzichtigheid te werk en gebruiken mooie, indrukwekkende taal. Ze spreken over de HEERE en wat Hij heeft gedaan. Ze doen zich voor als godsdienstige mensen. Zo misleiden zij het volk van God en verschaffen zich er toegang toe, wat mogelijk is door ontrouw van het volk.

Hun hele voorkomen is versleten; alles wat ze hebben, is oud. Hoe ouder iets is, des te beter is het volgens de traditionalisten. De oude kerk, de oude gang van zaken. Maar het oude is niet eenvoudig beter omdat het oud is. Het oude is alleen beter als het van de Heer komt, Hij is Zelf “wat van [het] begin af was” (1Jh 1:1a1Wat van [het] begin af was, wat wij gehoord, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd en onze handen betast hebben betreffende het Woord van het leven). Zo is het oude ‘in talen spreken’ iets wat in de christenheid weer naar voren komt. Dat is niet alleen oud, het is ook versleten, het heeft zijn tijd gehad (1Ko 13:88De liefde vergaat nooit; maar hetzij profetieën, zij zullen tenietgedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal tenietgedaan worden.). Het zijn dingen die indruk maken op het volk. Maar wat versleten is, moet worden weggedaan.


De Gibeonieten komen in Gilgal

6En zij gingen naar Jozua, naar het kamp in Gilgal, en zij zeiden tegen hem en tegen de mannen van Israël: Wij zijn uit een ver land gekomen. Nu dan, sluit een verbond met ons. 7Toen zeiden de mannen van Israël tegen de Hevieten: Misschien woont u wel in ons midden, hoe kunnen wij dan een verbond met u sluiten? 8Zij zeiden tegen Jozua: Wij zijn uw dienaren. Toen zei Jozua tegen hen: Wie bent u en waar komt u vandaan?

Jozua is weer in Gilgal, de goede plaats. Maar hij is niet in de goede gezindheid om de list te onderkennen. Deze mensen komen uit een stad in het land die moet worden vernietigd, maar ze doen alsof ze uit een ver land komen. Anders dan Jozua spreekt het volk de veronderstelling uit dat ze misschien toch niet van zo ver komen. Er is bij hen argwaan. Maar waarom vragen ze niet verder? Ze vallen in de valstrik van de eigen wijsheid.

Het verzoek om een verbond met deze mensen te sluiten klinkt aantrekkelijk. Israël is omringd door vijanden, die zich eendrachtig tegen hen opstellen om hen te bestrijden. Een verbond met de Gibeonieten zal hen sterker maken, zo menen ze. Een dergelijke overlegging kan wel verstandig lijken, maar het laat de HEERE buiten beschouwing. Als God alleen hun kracht is, kunnen bondgenoten alleen maar de noodzakelijke afhankelijkheid van God terzijde stellen. Israël heeft geen bondgenoten nodig!


De Gibeonieten verantwoorden zich

9Zij zeiden tegen hem: Uw dienaren zijn uit een zeer ver land gekomen, omwille van de Naam van de HEERE, uw God, want wij hebben Zijn roem gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft, 10en alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan [woonden]: Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth [woonde]. 11Daarom zeiden onze oudsten en al de inwoners van ons land tegen ons: Neem proviand voor de reis mee, en ga hun tegemoet, en zeg tegen hen: Wij zijn uw dienaren. Nu dan, sluit een verbond met ons. 12Dit brood van ons hebben wij warm als voedsel voor onderweg uit onze huizen meegenomen op de dag dat wij vertrokken om naar u toe te gaan. Maar zie, nu is het droog en kruimelig. 13En deze leren wijnzakken waren nieuw toen wij ze vulden; maar zie, ze zijn gescheurd. En deze kleren van ons en onze schoenen zijn versleten door de zeer lange reis.

De Gibeonieten gebruiken vleierij. Zo zijn er naamchristenen die zich graag onder de gelovigen van een plaatselijke gemeente willen voegen en daarbij aangename dingen zeggen over God en de Heer Jezus. Ze praten zoals de gelovigen het graag hoort. Daarom moet de gemeente voorzichtig zijn en altijd als mensen gemeenschap willen hebben, vragen naar de wil van de Heer. Dat zal hen enerzijds ervoor bewaren dat ze misleid worden en anderzijds zullen ze niet angstvallig gelovigen weren die tot Gods volk behoren. Allen die aan de voorwaarden van de Schrift voldoen, moeten worden opgenomen in de gemeenschap.

De Gibeonieten spreken niet over wat er met Jericho en Ai is gebeurd. Ze gedragen zich alsof ze daar niets van weten. Ze spreken alleen over wat bekend verondersteld mag worden van mensen die van ver komen. Ze doen alsof ze niet op de hoogte zijn van wat er onlangs is gebeurd. Hun getuigenis van de lange reis wordt ondersteund door hun versleten kleren en verdroogde brood.

Jozua en de hoofden vinden hun verhaal aannemelijk. De opmerkingen over de HEERE klinken eerbiedig. Hun hele verschijning lijkt te onderstrepen wat ze van zichzelf zeggen. Het is voldoende om de geboden waakzaamheid prijs te geven en dit gezelschap te ontvangen.


Vriendschap met de Gibeonieten

14Toen namen de mannen van hun proviand en zij vroegen niet om een uitspraak van de HEERE. 15En Jozua sloot vrede met hen en sloot een verbond met hen dat hij hen zou laten leven. En de leiders van de gemeenschap zwoeren hun [een eed].

De Israëlieten nemen van hun brood. Door de ‘bewijzen’ zelf te beproeven komen ze tot de conclusie dat het verhaal van de Gibeonieten waar is. Hun zintuigen zijn de norm. Dat is de dwaling. Door van hun brood te nemen geven ze in geestelijk opzicht uitdrukking aan hun gemeenschap met hen. Nu kunnen ze niet meer terug. Waar menselijke zintuigen en waarnemingen de norm van beoordeling worden, heeft de vijand toegang gekregen. Dan wordt de HEERE niet geraadpleegd. Hij blijft buiten beeld. De opmerking van de Heilige Geest “zij vroegen niet om een uitspraak van de HEERE”, spreekt boekdelen.

Het niet vragen naar de wil van de HEERE, naar een uitspraak van Hem, brengt het volk tot een verbond en daarmee tot iets wat door een eerdere uitspraak van Hem verboden is. Als wij stappen doen zonder naar de wil van de Heer te hebben gevraagd en dus zonder van Hem een duidelijk antwoord te hebben gekregen, zullen de gevolgen van die stappen ons altijd achtervolgen. Jozua en de hoofden sluiten dit verbond. De meest verantwoordelijken gaan in de fout voorop. De satan is geslaagd in zijn list.

Jericho is door het geloof ingenomen. Na een aanvankelijke nederlaag bij Ai wordt ook die stad ingenomen als het volk de ban uit hun midden heeft weggedaan. Beide steden vallen in de handen van het volk omdat er is gehandeld in gehoorzaamheid aan wat de HEERE heeft gezegd. De derde stad, Gibeon, wordt niet veroverd omdat het volk niet naar de wil van de HEERE heeft gevraagd.


De list ontdekt

16En het gebeurde na verloop van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gesloten hadden, dat zij hoorden dat zij hun buren waren en [dat] zij in hun midden woonden. 17Want toen de Israëlieten verder trokken, kwamen zij op de derde dag bij hun steden. Hun steden nu waren Gibeon, Chefira, Beëroth en Kirjath-Jearim. 18Maar de Israëlieten versloegen hen niet, omdat de leiders van de gemeenschap hun [een eed] gezworen hadden bij de HEERE, de God van Israël. Daarom morde de hele gemeenschap tegen de leiders. 19Toen zeiden alle leiders tegen heel de gemeenschap: Wíj hebben hun [een eed] gezworen bij de HEERE, de God van Israël. Daarom kunnen wij hen niet aanraken. 20Dit zullen wij met hen doen zodat wij hen in leven kunnen laten, opdat er geen grote toorn over ons komt vanwege de eed die wij hun gezworen hebben.

De list wordt openbaar als het volk Gibeon en andere steden wil verdelgen. Nu moeten ze de consequenties onder ogen zien. Ze moeten deze mannen sparen. Dat hebben ze tot hun schade gezworen: Heeft hij gezworen tot [zijn] schade, [zijn eed] verandert hij evenwel niet” (Ps 15:4b4In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot [zijn] schade,
[zijn eed] verandert hij evenwel niet.
)
. Een verkeerde daad mag niet nog erger worden gemaakt door niet de gevolgen te willen dragen. Later moet het huis van Saul gestraft worden omdat Saul de Gibeonieten heeft willen doden (2Sm 21:1-91Er was een hongersnood in de dagen van David, drie jaar [lang], jaar na jaar, en David zocht het aangezicht van de HEERE. En de HEERE zei: Het is vanwege Saul en vanwege [zijn] huis, [dat beladen is] met bloed[schuld], omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.2Toen riep de koning de Gibeonieten en zei tegen hen – nu behoorden de Gibeonieten niet tot de Israëlieten, maar tot het overblijfsel van de Amorieten; en hoewel de Israëlieten hun [een eed] hadden gezworen, had Saul in zijn ijver voor de Israëlieten en Judeeërs [toch] geprobeerd hen te doden –3David zei dan tegen de Gibeonieten: Wat moet ik voor u doen, en waarmee moet ik verzoening doen, zodat u het eigendom van de HEERE [weer] zult zegenen?4Toen zeiden de Gibeonieten tegen hem: Het is ons wat Saul en wat zijn huis betreft niet te doen om zilver of goud. Het gaat ons er ook niet om iemand te doden in Israël. En hij zei: Wat zegt u dan dat ik voor u moet doen?5Zij zeiden tegen de koning: De man die ons vernietigd heeft en die [plannen] tegen ons heeft uitgedacht om ons weg te vagen, zodat wij niet zouden kunnen voortbestaan in welk gebied van Israël dan ook –6laat ons van zijn zonen zeven mannen gegeven worden, zodat wij hen voor de HEERE ophangen in Gibea van Saul, verkozene van de HEERE. En de koning zei: Ík zal hen geven.7Maar de koning spaarde Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, vanwege de eed bij de HEERE, die tussen hen was, tussen David en Jonathan, de zoon van Saul.8Dus nam de koning de twee zonen van Rizpa, de dochter van Aja, die zij aan Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; en [ook] de vijf zonen van [de zuster van] Michal, de dochter van Saul, die zij aan Adriël, de zoon van Barzillai uit Mehola, gebaard had.9En hij gaf hen in de hand van de Gibeonieten, die hen op de berg ophingen, voor het aangezicht van de HEERE. Zo kwamen die zeven tegelijk om. Zij werden gedood in de eerste [dagen] van de oogst, aan het begin van de gersteoogst.).

We kunnen dit als volgt toepassen. Personen die door onze onzorgvuldigheid zijn toegelaten aan de tafel van de Heer, terwijl ze er eigenlijk niet horen, kunnen wij niet uitsluiten. Zolang ze niets doen wat door de Schrift als zonde wordt aangemerkt, moeten we hen dulden en ons buigen onder de tucht van de Heer vanwege onze ontrouw. Zo kan ook in geval een gelovige met een ongelovige is getrouwd, dit huwelijk niet ongedaan gemaakt worden door een echtscheiding. Dat de gevolgen van de zonde niet altijd worden weggenomen, zien we in het leven van de ex-drugsverslaafde die zijn gezondheid heeft verwoest door zijn drugsgebruik. De gevolgen blijven bestaan. Toch zal de Heer de kracht geven die gevolgen te dragen als er oprechte erkenning van de zonde is. Zonde is handelen in eigenwilligheid, handelen zonder Hem eerst te raadplegen.


Houthakkers en waterputters

21Verder zeiden de leiders tegen hen: Laat hen leven, maar laat hen [dan] houthakkers en waterputters worden voor heel de gemeenschap, zoals de leiders tegen hen gezegd hebben. 22Toen riep Jozua hen en sprak tot hen: Waarom hebt u ons bedrogen door te zeggen: Wij [komen] zeer ver van u [vandaan], terwijl u in ons midden woont? 23Nu dan, vervloekt bent u! U zult voor altijd slaven zijn, houthakkers en waterputters voor het huis van mijn God. 24Zij antwoordden Jozua: Omdat aan uw dienaren uitdrukkelijk was verteld dat de HEERE, uw God, Zijn dienaar Mozes geboden heeft om u heel dit land te geven, en alle inwoners van het land voor u weg te vagen, zijn wij, vanwege u, heel bevreesd geworden voor ons leven. Daarom hebben wij dit gedaan. 25En nu, zie, wij zijn in uw hand. Doe zoals het goed en zoals het juist is in uw ogen met ons te doen. 26Aldus deed hij met hen, en hij verloste hen uit de hand van de Israëlieten, zodat zij hen niet doodden. 27Zo maakte Jozua hen op die dag houthakkers en waterputters voor de gemeenschap, en voor het altaar van de HEERE, op de plaats die Hij uitkiezen zou, tot op deze dag.

De Gibeonieten zijn als slaven in het huis van God, niet als zonen. Jozua vervloekt hen en veroordeelt hen tot het verrichten van het nederigste werk (vgl. Dt 29:1111uw kleine kinderen, uw vrouwen, en uw vreemdeling die in het midden van uw [tenten]kamp is, van uw houthakker af tot uw waterputter toe,). Ze halen hout voor het altaar, maar zijn zelf geen offeraars. Ze halen water, maar niet om er zelf rein door te worden. Ze zijn een plaag voor het volk van God, omdat het volk hun de toegang heeft gegeven tot de dienst aan God zonder God te vragen. Ze dienen, echter niet uit liefde, maar uit vrees.

De Israëlieten willen hen doden, maar Jozua redt hen (vers 2626Aldus deed hij met hen, en hij verloste hen uit de hand van de Israëlieten, zodat zij hen niet doodden.). Het is beter om ons voor de Heer te buigen, dan het kwaad dat door onze schuld binnen is gekomen, tegen Gods wil in, uit te roeien. Soms wil Hij het laten bestaan, om ons er voortdurend aan te herinneren dat we kwaad alleen kunnen voorkomen als we Hem raadplegen voordat we iets doen.

Later wordt in de geschiedenis van de Gibeonieten te midden van Israël toch ook Gods genade zichtbaar. Jismaja, een van de helden van David, is een Gibeoniet (1Kr 12:44de Gibeoniet Jismaja, een held onder de dertig, [die het bevel voerde] over de dertig; Jirmeja, Jahaziël, Johanan en Jozabad uit Gedera;). Ook is er een Gibeoniet, Melatja, en nog andere mannen van Gibeon, die met het volk van God zijn teruggekeerd uit de gevangenschap in Babel en meehelpen de muur om Jeruzalem te herbouwen (Ne 3:77Daarnaast verrichtten de Gibeoniet Melatja en de Meronothiet Jadon herstelwerk, [met] de mannen van Gibeon en van Mizpa, tot de zetel van de landvoogd van [het gebied aan] deze zijde van de rivier.).


Lees verder