Jozua
Inleiding 1 De angst van de koningen 2-9 De besnijdenis te Gilgal 10-11 Het Pascha 12 Het manna houdt op 13-15 De Bevelhebber
Inleiding

Nu het volk in het beloofde land is gekomen, is de eerste opdracht die Jozua voor hen krijgt dat hij hen moet besnijden. De besnijdenis spreekt van het oordeel over het vlees (Ko 2:1111In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus,). Voor ons betekent dit dat wij de dood op ons eigen vlees moeten toepassen, dat wil zeggen dat wij er ons dood voor moeten houden (Rm 6:1111Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.). Op die manier wordt de smaad van Egypte – een beeld van de wereld waar het vlees zijn voedsel vindt – weggedaan.

De kracht om te overwinnen is te vinden in het voedsel van het land. Nadat ze het Pascha hebben gevierd, eten ze daarvan. Dit voedsel stelt de Heer Jezus voor. Door Hem te zien in de heerlijkheid worden we naar Zijn beeld veranderd: “Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door [de] Heer, [de] Geest” (2Ko 3:1818Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door [de] Heer, [de] Geest.). Daardoor ontvangen we kracht voor de strijd.

De Heer Jezus is niet alleen het voedsel, Hij is ook de Bevelhebber of Aanvoerder in de strijd. Tegenover Hem past ons de eerbied die Jozua betoont (verzen 14-1514Hij zei: Nee, maar Ik ben de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Nu ben Ik gekomen. Toen wierp Jozua zich met het gezicht ter aarde, boog zich neer en zei tegen Hem: Wat [wil] mijn Heere tot Zijn dienaar spreken?15Toen zei de Bevelhebber van het leger van de HEERE tegen Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilig. En Jozua deed dat.).

In dit hoofdstuk zien we vier belangrijke gebeurtenissen als voorbereiding op de verovering van het land:
1. de besnijdenis als beeld van het oordeel over het vlees (verzen 2-92In die tijd zei de HEERE tegen Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, voor de tweede keer.3Toen maakte Jozua voor zich stenen messen en besneed de Israëlieten op de Heuvel van de voorhuiden.4Dit was de reden waarom Jozua hen besneed: heel het volk dat uit Egypte getrokken was, de mannen, alle strijdbare mannen, waren onderweg gestorven in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren.5Immers, al het volk dat er uittrok, was besneden. Al het volk echter dat onderweg geboren was in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.6Want de Israëlieten waren veertig jaar onderweg in de woestijn, totdat heel het volk van strijdbare mannen die uit Egypte getrokken waren, omgekomen was. Zij hadden niet naar de stem van de HEERE geluisterd, [en daarom] had de HEERE hun gezworen dat Hij aan hen het land dat de HEERE aan hun vaderen gezworen had ons te geven, niet zou laten zien, een land dat overvloeit van melk en honing.7Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld. Jozua heeft hen besneden, omdat zij de voorhuid hadden, want zij hadden hen onderweg niet besneden.8En het gebeurde, toen zij het besnijden van heel het volk voltooid hadden, dat zij op hun plaats bleven in het kamp tot zij genezen waren.9Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag.).
2. het vieren van het Pascha als beeld van de verlossing door het Lam van God (vers 1010Terwijl de Israëlieten in Gilgal hun kamp hadden opgeslagen, hielden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, in de avond, op de vlakten van Jericho.).
3. zich voeden met het geroosterde koren als beeld van het zich voeden met een hemelse Christus (verzen 11-1211Zij aten de dag na het Pascha van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroosterd [graan], op diezelfde dag.12Het manna hield de volgende dag op, nadat zij van de opbrengst van het land gegeten hadden. En de Israëlieten hadden geen manna meer, maar zij aten in dat jaar van de opbrengst van het land Kanaän.).
4. zich scharen achter de “Bevelhebber van het leger van de HEERE” als beeld van het zich plaatsen onder het gezag van Christus (verzen 13-1513Het gebeurde toen Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg en zag, en zie, er stond een Man voor hem met een getrokken zwaard in Zijn hand. Jozua ging naar Hem toe en zei tegen Hem: Hoort U bij ons of bij onze tegenstanders?14Hij zei: Nee, maar Ik ben de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Nu ben Ik gekomen. Toen wierp Jozua zich met het gezicht ter aarde, boog zich neer en zei tegen Hem: Wat [wil] mijn Heere tot Zijn dienaar spreken?15Toen zei de Bevelhebber van het leger van de HEERE tegen Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilig. En Jozua deed dat.).


De angst van de koningen

1Toen al de koningen van de Amorieten aan deze zijde van de Jordaan, [namelijk] ten westen [daarvan], en al de koningen van de Kanaänieten aan de zee hoorden dat de HEERE het water van de Jordaan had doen opdrogen voor de ogen van de Israëlieten, totdat wij overgestoken waren, gebeurde het dat hun hart smolt [van angst], en er was geen moed meer in hen vanwege de Israëlieten.

De volken van het land zijn onder de indruk van wat er bij en met de Jordaan is gebeurd. Bij Gods volk en bij mensen als Rachab bewerkt Gods macht eerbiedige vrees. Bij de heidenen bewerkt Gods macht ook vrees. Dat is echter geen eerbiedige vrees, maar een haatdragende siddering. Het bewerkt geen innerlijke omkeer en overgave, maar verzet. Wat God heeft gedaan, ontneemt de volken de moed om Gods volk aan te vallen. Ze trekken zich terug in hun versterkte steden om weerstand te bieden.


De besnijdenis te Gilgal

2In die tijd zei de HEERE tegen Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, voor de tweede keer. 3Toen maakte Jozua voor zich stenen messen en besneed de Israëlieten op de Heuvel van de voorhuiden. 4Dit was de reden waarom Jozua hen besneed: heel het volk dat uit Egypte getrokken was, de mannen, alle strijdbare mannen, waren onderweg gestorven in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren. 5Immers, al het volk dat er uittrok, was besneden. Al het volk echter dat onderweg geboren was in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden. 6Want de Israëlieten waren veertig jaar onderweg in de woestijn, totdat heel het volk van strijdbare mannen die uit Egypte getrokken waren, omgekomen was. Zij hadden niet naar de stem van de HEERE geluisterd, [en daarom] had de HEERE hun gezworen dat Hij aan hen het land dat de HEERE aan hun vaderen gezworen had ons te geven, niet zou laten zien, een land dat overvloeit van melk en honing. 7Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld. Jozua heeft hen besneden, omdat zij de voorhuid hadden, want zij hadden hen onderweg niet besneden. 8En het gebeurde, toen zij het besnijden van heel het volk voltooid hadden, dat zij op hun plaats bleven in het kamp tot zij genezen waren. 9Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag.

Na de mededeling dat er geen moed meer is bij de vijanden (vers 11Toen al de koningen van de Amorieten aan deze zijde van de Jordaan, [namelijk] ten westen [daarvan], en al de koningen van de Kanaänieten aan de zee hoorden dat de HEERE het water van de Jordaan had doen opdrogen voor de ogen van de Israëlieten, totdat wij overgestoken waren, gebeurde het dat hun hart smolt [van angst], en er was geen moed meer in hen vanwege de Israëlieten.), is dat menselijkerwijs de ideale gelegenheid om aan te vallen. God bepaalt echter dat dit de gelegenheid is om het volk te besnijden (vers 22In die tijd zei de HEERE tegen Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, voor de tweede keer.). De opdracht om het volk te besnijden betekent dat het volk volkomen onbekwaam wordt voor de strijd. Het volk zal als gevolg van de besnijdenis enkele dagen zo krachteloos zijn, dat zij zich niet tegen een eventuele aanval zullen kunnen verdedigen (vgl. Gn 34:24-2624Allen die naar de poort van zijn stad waren gegaan, luisterden naar Hemor en naar zijn zoon Sichem; en allen die mannelijk waren, allen die naar de poort van hun stad waren gegaan, werden besneden.25Het gebeurde op de derde dag, toen zij pijn leden, dat twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder hun zwaard namen, brutaalweg de stad overvielen en al wie mannelijk was, doodden.26Zij doodden ook Hemor en zijn zoon Sichem met de scherpte van het zwaard, namen Dina uit Sichems huis mee en gingen weg.). Maar God gaat nooit overhaast te werk. Hij weet wat Hij doet en regelt alles in het voordeel van Zijn volk.

De verovering van het land begint met de les van Gilgal. In de besnijdenis leren ze dat in henzelf geen kracht is. In geestelijk opzicht moet ieder van ons persoonlijk de les leren “dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont” (Rm 7:1818Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet.). Het volk moet na elke strijd naar Gilgal terugkeren om steeds weer die les te leren als uitgangspunt voor de volgende strijd. De plaats van handeling wordt “de Heuvel van de voorhuiden” genoemd. Door deze naam zal deze heuvel voor altijd aan Gilgal verbonden blijven als de plaats waar de besnijdenis is gebeurd.

De besnijdenis moet gebeuren met “stenen messen”. Steen is materiaal dat niet door mensenhanden is vervaardigd. God stelt het ter beschikking. Een mes is een instrument waarmee in dit geval iets wordt weggesneden. Het stenen mes ziet op Gods oordeel over de zondige natuur van de mens. God heeft ‘het mes’ gehanteerd toen Hij Christus tot zonde maakte en zo de zonde in het vlees oordeelde: Want wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was – God heeft, doordat Hij Zijn eigen Zoon in een [gedaante] gelijk aan [het] vlees van [de] zonde en voor [de] zonde heeft gezonden, de zonde in het vlees veroordeeld” (Rm 8:33Want wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was – God heeft, doordat Hij Zijn eigen Zoon in een [gedaante] gelijk aan [het] vlees van [de] zonde en voor [de] zonde heeft gezonden, de zonde in het vlees veroordeeld;; vgl. Zc 13:77Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder
en tegen de Man Die Mijn Metgezel is,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Sla die Herder
en de schapen zullen overal verspreid worden.
[Maar] Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
)
.

Wij hanteren het mes als we elke uiting van het vlees in ons oordelen, dat wil zeggen dat we er niet aan toegeven en het negeren: Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is” (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,). Dit betekent dat we elke impuls van het vlees die ons tot een zonde wil aanzetten, direct veroordelen en denken aan wat er met ons is gebeurd in de dood van Christus, dat wij met Hem gestorven zijn.

Gilgal heeft vijf kenmerken:
1. Het eerste is dat daar het gedenkteken van de twaalf stenen uit de Jordaan staat: het gedenkteken wil zeggen dat er een voortdurende herinnering aan de dood en opstanding van de Heer Jezus is.
2. Ten tweede is het de plaats van de besnijdenis: de dood moet op ons vlees en de werken ervan worden toegepast.
3. Het derde is dat daar het Pascha op een heel nieuwe wijze wordt gevierd. Het is het eerste Pascha in het land: we mogen bij het gedenken van de dood van de Heer Jezus denken aan alle zegeningen die Hij ons op grond van Zijn werk heeft geschonken.
4. Ten vierde geeft God in Gilgal na de besnijdenis een heel nieuw voedsel, de vrucht van het land: we mogen genieten van wat ons aan zegeningen geschonken is.
5. Ten vijfde ontmoeten we in Gilgal “de Bevelhebber van het leger van de HEERE”: in de strijd die we moeten voeren om de zegeningen te genieten, gaat Hij voor ons uit. Daardoor is de overwinning zeker.

Jozua krijgt de opdracht het volk voor de tweede keer te besnijden. De betekenis van de besnijdenis vinden we in het Nieuwe Testament. Het Oude Testament geeft niet de leer, maar de voorbeelden hoe we in de praktijk van ons geloofsleven kunnen waarmaken en genieten wat we in Christus hebben ontvangen. Het onderwijs van de brieven van Paulus maakt duidelijk wat de betekenis van de besnijdenis voor ons is. We lezen daar vooral over in de brief aan de Romeinen en in de brief aan de Kolossenzen. De brief aan de Kolossenzen brengt de gelovige in geestelijke zin van Egypte in Kanaän. In die brief komen we geestelijk gesproken in Gilgal.

De sleutelverzen vinden we in Kolossenzen 2. Daar lezen we dat in Christus alle volheid is en dat de gelovige tot volheid is gekomen in Hem: Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk, en u bent voleindigd in Hem, Die het Hoofd is van alle overheid en gezag” (Ko 2:9-109Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk,10en u bent voleindigd in Hem, Die het Hoofd is van alle overheid en gezag.). Dat is de positie van iedere gelovige vanaf het moment dat hij tot bekering en geloof is gekomen. Op dat moment is hij ‘besneden’, dat wil zeggen dat op het moment van zijn bekering en geloof het oordeel dat God over Christus in zijn plaats en voor zijn zonden is voltrokken, dat oordeel hem is toegerekend.

Maar na veertig jaar komt een nieuwe besnijdenis. Jozua krijgt de opdracht de Israëlieten “voor de tweede keer” te besnijden. Dat leert ons het volgende. Je kunt weten in een bepaalde positie te zijn, maar dat is iets anders dan het in praktijk brengen ervan. Paulus zegt tegen de Filippenzen: “Wij zijn de besnijdenis” (Fp 3:33Want wij zijn de besnijdenis, wij die [God] dienen door [de] Geest van God, en in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen;). Daaruit blijkt dat het voor ons niet om een uiterlijke besnijdenis gaat, maar om een innerlijke, die van het hart.

Hij zegt het in de brief aan de Romeinen zo: Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die iets uiterlijks is, in [het] vlees, maar hij is een Jood die het in het verborgen is, en [dat is] besnijdenis: [die] van [het] hart, naar [de] geest, niet naar [de] letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God” (Rm 2:28-2928Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die iets uiterlijks is, in [het] vlees,29maar hij is een Jood die het in het verborgen is, en [dat is] besnijdenis: [die] van [het] hart, naar [de] Geest, niet naar [de] letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God.). Dat moet worden waargemaakt door elke werking van het vlees die in ons opkomt, te oordelen (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,).

De besnijdenis wordt verricht bij een nieuw volk. De hele oude generatie is omgekomen (vers 66Want de Israëlieten waren veertig jaar onderweg in de woestijn, totdat heel het volk van strijdbare mannen die uit Egypte getrokken waren, omgekomen was. Zij hadden niet naar de stem van de HEERE geluisterd, [en daarom] had de HEERE hun gezworen dat Hij aan hen het land dat de HEERE aan hun vaderen gezworen had ons te geven, niet zou laten zien, een land dat overvloeit van melk en honing.). Er is een heel nieuwe generatie, die van zonen, het land binnengegaan. God noemt Israël ”Mijn zoon” (Ex 4:2222Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.). Het is een nieuw geslacht van zonen met nieuwe oefeningen. Zij worden besneden. Er is ook een toepassing op de toekomst van het volk, als het hele volk een nieuw hart krijgt in hun binnenste (Dt 30:66De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult.; Ez 36:26-2726Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.27Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en [dat] u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.).

Als het volk besneden is, is de smaad van Egypte afgewenteld. De smaad van Egypte heeft de hele woestijnreis lang op hen gelegen. Egypte wordt door wijsheid gekenmerkt. Maar wereldse, menselijke wijsheid kan ons niet helpen om te weten hoe we moeten leven. Dit het gevaar waaraan de Kolossenzen blootstaan. Zij zijn gevoelig voor de wijsheid die tegenover Christus staat. Dat is een wijsheid waardoor Christus uit de harten wordt verwijderd. Zij worden ervoor gewaarschuwd zich niet tot prooi van die valse wijsheid te laten maken (Ko 2:8a8Kijkt u uit, dat er niemand zal zijn die u tot prooi maakt door de wijsbegeerte en door ijdel bedrog volgens de overlevering van de mensen, volgens de elementen van de wereld, en niet volgens Christus.).

Alles wat van de wereld is, moet van ons worden afgewenteld. Er is sprake van ‘afwentelen’, alsof het een zwaar gewicht betreft dat op ons ligt en waardoor we aan de wereld onderworpen blijven. Het wegnemen van de dingen van de wereld kan pijn doen als we ze wegsnijden, omdat ze een deel van ons geworden zijn. Het duurt enige tijd voordat we daarvan hersteld zijn. Hoe eerder we radicaal met een zonde afrekenen, des te korter zal de tijd van het herstel hoeven te duren.


Het Pascha

10Terwijl de Israëlieten in Gilgal hun kamp hadden opgeslagen, hielden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, in de avond, op de vlakten van Jericho. 11Zij aten de dag na het Pascha van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroosterd [graan], op diezelfde dag.

Wat de pijn zeker zal verzachten, is de gedachte aan het paaslam, dat de oorzaak van hun bevrijding uit Egypte is geweest. Het spreekt van de Heer Jezus en het oordeel dat Hem heeft getroffen om ons te bevrijden uit de macht van de zonde en van het oordeel van God. Daarom kan na de besnijdenis het Pascha worden gevierd, want hoe zou een onbesneden volk het Pascha kunnen vieren? Dat is onmogelijk. Zo is het onmogelijk zonder zelfoordeel het avondmaal te vieren (1Ko 11:2828Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker.).

Het Pascha wordt hier voor de eerste keer in het land gevierd, nadat het volk het heeft gevierd in Egypte (Ex 12:1-141De HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron in het land Egypte:2Deze maand zal voor u het begin van de maanden zijn. Hij zal voor u de eerste zijn van de maanden van het jaar.3Spreek tot heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende [dag] van deze maand moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin.4Maar als het gezin te klein is voor een lam, dan moet hij er [samen] met de buurman, die het dichtst bij zijn gezin [woont, één] nemen, overeenkomstig het aantal personen. U moet bij het lam rekening houden met wat ieder eten kan.5U moet een lam zonder enig gebrek hebben, een mannetje van een jaar oud. U moet [het] van de schapen of van de geiten nemen.6U moet het in bewaring houden tot de veertiende dag van deze maand, en heel de verzamelde gemeenschap van Israël zal het slachten tegen het vallen van de avond.7En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.8Zij moeten het vlees dezelfde nacht [nog] eten; op vuur gebraden, met ongezuurde [broden, en] met bittere kruiden moeten zij het eten.9U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar [alleen] op vuur gebraden, [met] zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.10U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de [volgende] morgen van over is, moet u met vuur verbranden.11En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.12Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.13En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf [teweegbrengt], als Ik het land Egypte zal treffen.14Deze dag moet voor u een gedenk[dag] worden. U moet hem vieren als een feest voor de HEERE. U moet hem vieren als een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.) en in de woestijn (Nm 9:1-51De HEERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar nadat zij uit het land Egypte vertrokken waren, in de eerste maand:2Laten de Israëlieten het Pascha houden op zijn vastgestelde tijd.3Op de veertiende dag in deze maand, tegen het vallen van de avond, moet u het houden, op zijn vastgestelde tijd; u moet het houden volgens alle bijbehorende verordeningen en bepalingen.4Mozes zei tegen de Israëlieten dat zij het Pascha moesten houden.5Zij hielden het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand, tegen het vallen van de avond, in de woestijn Sinaï. Overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden de Israëlieten.). Ze doen het vlak voor de muren van Jericho. De HEERE ‘maakt een tafel klaar’ voor Zijn volk ‘voor de ogen van hen die hen benauwen’, dat wil zeggen voor hun vijanden (Ps 23:5a5U maakt voor mij de tafel gereed
voor [de ogen van] mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
)
.

Het bloed is slechts één keer aangebracht, in Egypte (Ex 12:77En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.), maar de herinnering aan de bevrijding van het oordeel van God wordt elk jaar gevierd. Wij kunnen het Pascha elke zondag in het avondmaal vieren. Hoe vaker we het doen, des te kostbaarder zal het bloed voor ons worden. Zonder het bloed is er geen verlossing, geen woestijnreis en geen intocht in het land. Zowel in de brief aan de Efeziërs als in de brief aan de Kolossenzen, die ons de hoogste christelijke zegeningen voorstellen, wordt over het bloed en de vergeving van de zonden gesproken (Ef 1:77in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,; Ko 1:1414in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden.). Nooit mogen we het bloed van het Lam vergeten. We danken alle zegeningen aan het bloed.

Na het Pascha begint het Feest van de ongezuurde broden, dat zeven dagen duurt (Ex 12:15-2015Zeven dagen moet u ongezuurde [broden] eten. Meteen op de eerste dag moet u het zuurdeeg uit uw huizen wegdoen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, die persoon moet uit Israël worden uitgeroeid.16Op de eerste dag moet er een heilige samenkomst zijn, [en] ook moet u een heilige samenkomst hebben op de zevende dag. Geen enkel werk mag op die [dag] gedaan worden. Alleen dat wat door iedere persoon gegeten wordt, mag door u klaargemaakt worden.17Neem dan [het feest van] de ongezuurde [broden] in acht, want op deze zelfde dag zal Ik uw legers uit het land Egypte geleid hebben. Daarom moet u deze dag in acht nemen als een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.18In de eerste [maand] moet u ongezuurde [broden] eten vanaf de avond van de veertiende dag van de maand tot de avond van de eenentwintigste dag van de maand.19Zeven dagen [lang] mag in uw huizen geen zuurdeeg gevonden worden, want ieder die iets gezuurds zal eten, die persoon moet uit de gemeenschap van Israël uitgeroeid worden, of hij [nu] een vreemdeling is of een ingezetene van het land.20U mag niets eten wat gezuurd is. In al uw woongebieden moet u ongezuurde [broden] eten.). Dat spreekt van een heel leven – het getal ‘zeven’ spreekt van een volkomenheid, in dit geval van een volkomen periode – zonder slechtheid en boosheid: Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht. Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid” (1Ko 5:7-87Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.8Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid.). Als we het avondmaal gevierd hebben, zal dat in de week die volgt zijn uitwerking hebben. Tegelijk is die week een voorbereiding op het volgende avondmaal.

Op de dag na het Pascha eet het volk van de opbrengst van het land. Het is ook de dag waarop de eerstelingsgarve van de gerstoogst wordt gebracht. Dat spreekt van de opstanding van de Heer Jezus. Hij is de Eerstgeborene uit de doden. In verbinding daarmee mag het volk van de opbrengst van het land eten. Door Zijn opstanding kunnen we alle geestelijke zegeningen genieten. Maar we zullen nooit vergeten dat we alles te danken hebben aan het oordeel dat Hij daarvoor heeft willen ondergaan. Dat zien we in het roosteren van de vrucht van het land, dat wil zeggen dat de vrucht aan het vuur wordt blootgesteld.

De vrucht van het land, gerst en tarwe, stelt symbolisch de Heer Jezus voor. Hij is het brood van het leven (Jh 6:3333Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.). Het Pascha spreekt van Zijn dood, maar Hij werd opgewekt op de eerste dag van de week, op de dag van het brengen van de eerstelingsgarve van gerst. Daarom begint Johannes 6 ook met de spijziging door middel van gerstebroden (Jh 6:99Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat op zovelen?). Daaraan verbindt de Heer Jezus Zijn onderwijs over Zichzelf als het brood van het leven. Wie Hem eet (Jh 6:48-5848Ik ben het brood van het leven.49Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven.50Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat men daarvan eet en niet sterft.51Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij leven tot in eeuwigheid. En het brood dat Ik zal geven, is Mijn vlees <dat Ik zal geven> voor het leven van de wereld.52De Joden dan twistten onder elkaar en zeiden: Hoe kan Deze ons Zijn vlees te eten geven?53Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij u het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt, hebt u geen leven in uzelf.54Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag.55Want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank.56Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.57Zoals de levende Vader Mij heeft gezonden en Ik leef door de Vader, zo zal ook degene die Mij eet, leven door Mij.58Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; niet zoals de vaderen <het manna> hebben gegeten en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal leven tot in eeuwigheid.), heeft eeuwig leven, dat wil zeggen krijgt Hem als zijn leven, want Hij is “de waarachtige God en [het] eeuwige leven” (1Jh 5:20b20En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Hem eten wil zeggen zich Hem in het geloof toe-eigenen in de erkenning dat het leven alleen door Hem wordt gegeven.

De Heer Jezus spreekt over Zichzelf als de tarwekorrel en de vrucht daarvan als de tarwekorrel sterft (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.). De tarwe komt later dan de gerst (Ex 9:31-3231Het vlas en de gerst waren platgeslagen, want de gerst stond [al] in de aar en het vlas in de knop.32Maar de tarwe en de spelt waren niet platgeslagen, want die zijn later.). De gerst spreekt van de opstanding van de Heer Jezus. De tarwe spreekt van Zijn dood, Zijn opstanding én de vrucht van Zijn sterven. We zijn als het ware zeven weken verder. We zien een verheerlijkte Heer, terwijl we in de vele vruchten onszelf zien, zoals dat ook in de twee beweegbroden wordt voorgesteld (Lv 23:15-1715U moet dan vanaf de dag na de sabbat [gaan] tellen, vanaf de dag dat u de schoof van het beweegoffer gebracht hebt. Zeven volle weken zullen het zijn.16Tot de dag na de zevende sabbat moet u vijftig dagen tellen. Dan moet u de HEERE een nieuw graanoffer aanbieden.17Uit uw woongebieden moet u twee broden meebrengen, [bestemd voor] een beweegoffer. Ze moeten van twee tiende [efa] meelbloem zijn, met zuurdeeg gebakken; het zijn de eerstelingen voor de HEERE.).


Het manna houdt op

12Het manna hield de volgende dag op, nadat zij van de opbrengst van het land gegeten hadden. En de Israëlieten hadden geen manna meer, maar zij aten in dat jaar van de opbrengst van het land Kanaän.

Het eten van de vrucht van het land is niet hetzelfde als het eten van het manna, het voedsel in de woestijn. Het manna stelt de Heer Jezus voor, maar dan in Zijn leven op aarde. Elke dag hebben we voor onze aardse reis het manna nodig. Dat manna eten we als we bijvoorbeeld de evangeliën lezen. Daar zien we het leven van de Heer Jezus in vernedering op aarde. Door ons zo met Hem te voeden krijgen we Zijn kenmerken. Maar voor het kennen van de hemelse zegeningen moeten we ons bezighouden met Hem als Mens in de hemel. Dat wordt voorgesteld in het eten van de opbrengst van het land. Dat doen we als we in de brieven, vooral die van Paulus, over Hem lezen in verbinding met de plaats die Hij nu in de hemel inneemt.

God geeft in Zijn voorzienigheid het manna zolang dat nodig is. Hij heeft het zelfs gegeven als het volk er een keer hun afkeer van toont (Nm 11:66Maar nu droogt onze ziel uit, er is helemaal niets dan dit manna voor onze ogen!). Dat het volk elke morgen weer het brood uit de hemel heeft kunnen oprapen en zich daarmee heeft kunnen voeden, is een dagelijks terugkerend wonder geweest. God doet wonderen zolang dat nodig is. Dat geeft tegelijk aan dat wonderen tijdelijk zijn. Als er ‘gewone’ voorzieningen zijn, houden de wonderen op. Er is geen claim te leggen op de voortgang van Gods buitengewone handelen.


De Bevelhebber

13Het gebeurde toen Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg en zag, en zie, er stond een Man voor hem met een getrokken zwaard in Zijn hand. Jozua ging naar Hem toe en zei tegen Hem: Hoort U bij ons of bij onze tegenstanders? 14Hij zei: Nee, maar Ik ben de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Nu ben Ik gekomen. Toen wierp Jozua zich met het gezicht ter aarde, boog zich neer en zei tegen Hem: Wat [wil] mijn Heere tot Zijn dienaar spreken? 15Toen zei de Bevelhebber van het leger van de HEERE tegen Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilig. En Jozua deed dat.

Het lijkt erop dat Jozua naar Jericho is gegaan om de tegenstand te meten. Hij heeft nog geen bevel gekregen de stad aan te vallen. Mogelijk heeft hij overlegd hoe deze uitermate sterke stad ingenomen moet worden. Hij is een militair man, maar hij is nog nooit tegen een versterkte stad opgetrokken. In gepeins verzonken slaat hij zijn ogen op en ontdekt tot zijn verrassing de Man met het getrokken zwaard. Hij herkent Hem niet, zoals het ook later het geval is met Gideon (Ri 6:11-2211Toen kwam een Engel van de HEERE. Hij nam plaats onder de eik die bij Ofra is, die aan de Abiëzriet Joas toebehoorde. En zijn zoon Gideon klopte tarwe uit in de wijnpers om [die] voor de Midianieten te verbergen.12Toen verscheen de Engel van de HEERE aan hem en zei tegen hem: De HEERE is met u, strijdbare held!13Maar Gideon zei tegen Hem: Och, mijn heer, als de HEERE met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? En waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaderen ons verteld hebben, toen zij zeiden: Heeft de HEERE ons niet uit Egypte doen optrekken? Maar nu heeft de HEERE ons verlaten en ons in de hand van Midian gegeven!14Toen wendde de HEERE Zich tot hem en zei: Ga in deze kracht van u, en u zult Israël uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden?15Maar hij zei tegen Hem: Och, mijn heer! Waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het armste in Manasse en ik ben de jongste in mijn familie.16Maar de HEERE zei tegen hem: Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof [het maar] één man [was].17En hij zei tegen Hem: Als ik dan genade gevonden heb in Uw ogen, geef mij dan een teken dat U het bent Die met mij spreekt.18Ga toch niet vanhier weg, totdat ik [weer] bij U kom en mijn geschenk naar buiten heb gebracht en U heb voorgezet. En Hij zei: Ík zal blijven tot u terugkomt.19Gideon ging naar binnen en maakte een geitenbokje klaar, en ongezuurde [broden] van een efa meel. Het vlees legde hij in een mand en het kooknat deed hij in een pot. Vervolgens bracht hij het naar buiten, bij Hem onder de eik, en bood het aan.20Maar de Engel van God zei tegen hem: Neem het vlees en de ongezuurde [broden] en leg ze op die rots en giet het kooknat eroverheen. En zo deed hij.21Toen stak de Engel van de HEERE het uiteinde van de staf uit, die in Zijn hand was, en raakte het vlees en de ongezuurde [broden] aan. Daarop steeg er vuur op uit de rots, dat het vlees en de ongezuurde [broden] verteerde. Toen was de Engel van de HEERE uit zijn ogen verdwenen.22Toen zag Gideon dat het een Engel van de HEERE was. En Gideon zei: Ach, Heere, HEERE! Daarom, omdat ik een Engel van de HEERE heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, [zal ik sterven]!) en Manoah (Ri 13:11-2111Toen stond Manoach op en ging zijn vrouw achterna. En hij kwam bij die Man en zei tegen Hem: Bent U de Man Die tot deze vrouw gesproken heeft? En Hij zei: Ik ben het.12Toen zei Manoach: Welnu, laten Uw woorden uitkomen. Wat zal de [leef]wijze van het jongetje zijn, en [wat] zijn werk?13En de Engel van de HEERE zei tegen Manoach: Voor alles wat Ik de vrouw gezegd heb, moet zij op haar hoede zijn.14Zij mag niets eten wat van de wijnstok afkomstig is. Wijn en sterkedrank mag zij niet drinken en evenmin mag zij ook maar iets onreins eten. Alles wat Ik haar geboden heb, moet zij in acht nemen.15Toen zei Manoach tegen de Engel van de HEERE: Laat ons U toch [hier] doen blijven en een geitenbokje voor U bereiden.16Maar de Engel van de HEERE zei tegen Manoach: Ook al doet u Mij [hier] blijven, Ik zal van uw brood niet eten. En als u een brandoffer wilt brengen, moet u dat aan de HEERE offeren. Manoach wist namelijk niet dat het een Engel van de HEERE was.17En Manoach zei tegen de Engel van de HEERE: Wat is Uw Naam? Dan kunnen wij U eren, wanneer Uw woord uitkomt.18Maar de Engel van de HEERE zei tegen hem: Waarom vraagt u zo naar Mijn Naam? Die is immers wonderlijk!19Daarop nam Manoach een geitenbokje en het graanoffer, en offerde [dit] op de rots aan de HEERE. En terwijl Manoach en zijn vrouw toekeken, deed [de Engel] iets uitzonderlijks.20Het gebeurde namelijk, toen de vlam vanaf het altaar naar de hemel opsteeg, dat de Engel van de HEERE opsteeg in de vlam van het altaar. Toen Manoach en zijn vrouw [dat] zagen, wierpen zij zich met hun gezicht ter aarde.21En de Engel van de HEERE verscheen niet meer aan Manoach en aan zijn vrouw. Toen begreep Manoach dat het een Engel van de HEERE was geweest.), maar niet met Abraham die Hem wel herkent (Gn 18:1-31Daarna verscheen de HEERE aan hem bij de eiken van Mamre, toen hij in de ingang van de tent zat en de dag heet werd.2Hij sloeg zijn ogen op, en keek, en zie, er stonden drie mannen voor hem. Toen hij hen zag, liep hij hun snel uit de ingang van de tent tegemoet en boog zich ter aarde.3En hij zei: Mijn heer, als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar toch niet voorbij.).

Als we de voorgaande gebeurtenissen in ons hebben opgenomen, kunnen we, na het gebruik van het stenen mes (vers 22In die tijd zei de HEERE tegen Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, voor de tweede keer.), de Man met het zwaard ontmoeten. Zo zien we Hem ook bij Bileam. Daar staat Hij gereed om hem te doden als hij zou doorrijden (Nm 22:2323Toen de ezelin de Engel van de HEERE op de weg zag staan, met het getrokken zwaard in Zijn hand, week de ezelin van de weg af en ging het veld in. Toen sloeg Bileam de ezelin om haar [weer] naar de weg terug te drijven.). Ook bij Jeruzalem staat Hij met het zwaard gereed om het te verwoesten (1Kr 21:1616Toen David zijn ogen opsloeg, zag hij de engel van de HEERE staan tussen de aarde en de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem. Toen wierpen David en de oudsten, gehuld in rouwgewaden, zich met hun gezichten [ter aarde].). Hier gaat Hij voor het leger uit. Hij is “nu” gekomen en geen ogenblik eerder. Zijn komst is aangekondigd (Ex 23:2323Mijn Engel zal namelijk vóór u uit gaan en u brengen bij de Amorieten en de Hethieten en de Ferezieten en de Kanaänieten en de Hevieten en de Jebusieten, en Ik zal hen uitroeien.) en nu is Hij gekomen en neemt de leiding over.

Zijn aanwezigheid maakt elke plaats waar Hij staat tot een heilige plaats (vgl. Gn 28:16-1716Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, en ik heb het niet geweten.17Daarom was hij bevreesd en zei hij: Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.). Zo zegt Hij dat tegen Mozes als het om een volk in ellende gaat dat op het punt staat bevrijd te worden (Ex 3:55En Hij zei: Kom hier niet dichterbij. Doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond.). Hier gaat het om een bevrijd volk dat op het punt staat het land te veroveren.

De aanwezigheid van de HEERE als “de Bevelhebber van het leger van de HEERE” vraagt een even grote heiligheid en eerbied als bij Zijn neerkomen om Zijn volk te verlossen. Zoals Hij is als Hij neerkomt om deel te nemen aan de verdrukking van Zijn volk – Hij verschijnt in de brandende braamstruik die daarvan een beeld is –, zo is Hij ook als Hij te midden van Zijn volk staat om het te zegenen en het aan te voeren in de strijd. Het leger van de HEERE is Zijn aardse volk, maar het is ook de engelenmacht waarover Hij bevel voert (Gn 32:1-21Ook Jakob ging zijns weegs en engelen van God ontmoetten hem.2Toen hij hen zag, zei Jakob: Dit is een leger van God! Daarom gaf hij die plaats de naam Mahanaïm.; 2Kn 6:1717En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.; Mt 26:5353Of meen je dat Ik Mijn Vader niet kan bidden en Hij zal Mij dadelijk meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?; Hb 1:7,147En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’,14Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?).

Ook wij hebben een geestelijke voorbereiding nodig om de geestelijke strijd te kunnen strijden. De geestelijke voorbereiding hebben we in Efeziërs 1-5. Daartoe behoort ook dat de verhoudingen tussen man en vrouw, ouders en kinderen, werkgever en werknemer die in Efeziërs 5 worden genoemd, in orde zijn. Dan kan de strijd naar de aanwijzingen van Efeziërs 6 effectief gestreden worden. De strijd die in de hemelse gewesten gevoerd wordt, is een heilige strijd.

De gezindheid van Jozua is die van onderdanigheid en gehoorzaamheid. Hij vraagt eerbiedig wat de HEERE hem te zeggen heeft. Als de HEERE dat doet, gehoorzaamt Jozua onmiddellijk. Dit is de juiste houding om verdere mededelingen over de te voeren strijd te ontvangen.


Lees verder