Jozua
Inleiding 1-2 Jozua roept de leiders samen 3-4 Wat voor het volk is gedaan 5 De HEERE zal hen blijven helpen 6-8 Oproep tot trouw aan God 9-10 De HEERE strijdt voor Zijn volk 11 Oproep de HEERE lief te hebben 12-13 Waarschuwing 14 De HEERE heeft al Zijn beloften vervuld 15-16 Gevolgen van ontrouw aangekondigd
Inleiding

In Jozua 23-24, de laatste twee hoofdstukken van het boek, spreekt de oude Jozua Israël toe. Hij blikt terug op wat de HEERE heeft gedaan om het volk het beloofde land te geven. Vervolgens vertelt hij hun hoe ze van de volle zegen van hun erfdeel kunnen blijven genieten. Dat is ten eerste door zich in alles aan Gods Woord te houden. Dat is ten tweede door zich afgezonderd te houden van de restanten van de volken die nog om hen heen zijn.

Voor ons is dat hetzelfde. Alleen door in alles in gehoorzaamheid naar Gods Woord te luisteren en in alles van de wereld afgezonderd te blijven zullen we kunnen blijven genieten van de geweldige zegeningen die ons in Christus in de hemelse gewesten geschonken zijn.

Jozua 23 en Jozua 24 horen bij elkaar. Het is altijd een treffend moment als een man Gods aan het einde van zijn leven afscheid neemt. We zien zo’n moment ook bij Mozes (Dt 31:14-3014De HEERE zei tegen Mozes: Zie, uw dagen zijn naderbijgekomen dat u zult sterven. Roep Jozua en ga staan in de tent van ontmoeting, dan zal Ik hem bevelen geven. Toen kwamen Mozes en Jozua en zij gingen staan in de tent van ontmoeting.15Toen verscheen de HEERE in de tent, in de wolkkolom, en de wolkkolom stond boven de ingang van de tent.16En de HEERE zei tegen Mozes: Zie, u gaat bij uw vaderen te ruste; en dit volk zal opstaan en als in hoererij achter de vreemde goden van het land waar het naartoe gaat, aangaan, in het midden van [dat land]. Het zal Mij verlaten en Mijn verbond, dat Ik ermee gesloten heb, verbreken.17Dan zal Mijn toorn op die dag tegen hen ontbranden. Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen, zodat zij opgegeten zullen worden; en veel verschrikkelijke dingen en noden zullen het [volk] treffen, zodat het op die dag zal zeggen: Hebben deze verschrikkelijke dingen mij niet getroffen omdat mijn God niet in ons midden is?18Ik zal Mijn aangezicht op die dag zeker verbergen, vanwege al het kwaad dat het gedaan heeft, want het heeft zich tot andere goden gekeerd.19En nu, schrijf voor u dit lied op en leer het de Israëlieten; leg het hun in de mond, opdat dit lied voor Mij een getuige is tegen de Israëlieten.20Want Ik zal dit [volk] brengen in het land dat Ik zijn vaderen onder ede beloofd heb, [een land] dat overvloeit van melk en honing, en het zal eten en verzadigd en vet worden. Dan zal het zich tot andere goden wenden en hen dienen, en zij zullen Mij verwerpen en Mijn verbond verbreken.21En het zal gebeuren, wanneer veel verschrikkelijke dingen en noden het [volk] getroffen hebben, dat dit lied dan voor zijn aangezicht als getuige zal antwoorden; want het zal niet vergeten worden [of] uit de mond van zijn nageslacht [verdwijnen]. Want Ik ken zijn overleggingen die het heden maakt, voordat Ik het breng in het land dat Ik [hun] onder ede beloofd heb.22Mozes schreef op die dag dit lied en hij leerde het de Israëlieten.23En Hij gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei: Wees sterk en moedig, want ú zult de Israëlieten brengen in het land dat Ik hun onder ede beloofd heb; en Ík zal met u zijn.24En het gebeurde, toen Mozes gereed was met het schrijven van de woorden van deze wet in een boek totdat zij voltooid waren,25dat Mozes de Levieten, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, gebood:26Neem dit wetboek en leg het naast de ark van het verbond van de HEERE, uw God, zodat het daar is als getuige tegen u.27Want ikzelf ken uw ongehoorzaamheid en uw halsstarrigheid. Zie, terwijl ik heden nog bij u in leven ben, bent u al opstandig geweest tegen de HEERE; hoeveel te meer na mijn dood!28Roep alle oudsten van uw stammen en uw beambten bij mij samen. Ik zal deze woorden ten aanhoren van hen spreken en de hemel en de aarde tot getuige tegen hen nemen.29Want ik weet dat u na mijn dood zeker op verderfelijke wijze zult handelen, en van de weg die ik u geboden heb, zult afwijken. Dan zal dit kwaad u in later tijd overkomen, wanneer u doet wat slecht is in de ogen van de HEERE om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken.30Toen sprak Mozes ten aanhoren van heel de gemeente van Israël de woorden van dit lied, totdat ze voltooid waren:; 32:45-4745Toen Mozes geëindigd had al die woorden tot heel Israël te spreken,46zei hij tegen hen: Neem al de woorden waarmee ik u heden waarschuw, ter harte, zodat u uw kinderen gebiedt al de woorden van deze wet nauwlettend te houden.47Want het is geen woord zonder inhoud voor u, maar het is uw leven. En door dit woord zult u de dagen verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.), bij Samuel (1Sm 12:1-251Toen zei Samuel tegen heel Israël: Zie, ik heb naar uw stem geluisterd in alles wat u mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u aangesteld.2En nu, zie, de koning gaat u voor; ík ben oud en grijs geworden, en mijn zonen, zie, zij zijn onder u. Ik ben u van mijn jeugd af tot op deze dag voorgegaan.3Zie, [hier] ben ik, leg getuigenis tegen mij af in de tegenwoordigheid van de HEERE en in de tegenwoordigheid van Zijn gezalfde: van wie heb ik een rund afgenomen, van wie heb ik een ezel afgenomen, wie heb ik onderdrukt, wie heb ik mishandeld, uit wiens hand heb ik zwijggeld aangenomen om mijn ogen voor hem te sluiten? Dan zal ik het u teruggeven.4Toen zeiden zij: U hebt ons niet onderdrukt, u hebt ons niet mishandeld en u hebt uit niemands hand iets genomen.5Toen zei hij tegen hen: De HEERE is getuige tegen u, en Zijn gezalfde is op deze dag getuige, dat u bij mij niets gevonden hebt. En [het volk] zei: Hij is getuige.6Verder zei Samuel tegen het volk: Het is de HEERE Die Mozes en Aäron voortgebracht heeft en Die uw vaderen uit Egypte heeft laten wegtrekken.7Welnu, stel u [hier] op, dan zal ik als richter voor het aangezicht van de HEERE al de rechtvaardige daden van de HEERE bij u aan de orde stellen, die Hij bij u en bij uw vaderen verricht heeft.8Nadat Jakob in Egypte gekomen was, riepen uw vaderen tot de HEERE. Toen zond de HEERE Mozes en Aäron. Zij leidden uw vaderen uit Egypte en lieten hen in deze plaats wonen.9Maar zij vergaten de HEERE, hun God. Toen leverde Hij hen over in de hand van Sisera, de bevelhebber van het leger in Hazor, in de hand van de Filistijnen en in de hand van de koning van Moab, die tegen hen streden.10Zij riepen tot de HEERE en zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij de HEERE verlaten en de Baäls en Astartes gediend hebben. Nu dan, red ons uit de hand van onze vijanden; dan zullen wij U dienen.11Toen zond de HEERE Jerubbaäl, Bedan, Jefta en Samuel; en Hij redde u uit de hand van uw vijanden rondom [u], zodat u veilig woonde.12Toen u zag dat Nahas, de koning van de Ammonieten, op u afkwam, zei u tegen mij: Nee, maar een koning moet over ons regeren – terwijl toch de HEERE, uw God, uw Koning is.13Welnu, zie [hier] de koning die u gekozen hebt, die u verlangd hebt. Zie, de HEERE heeft een koning over u aangesteld.14Als u dan maar de HEERE vreest, Hem dient, naar Zijn stem luistert en het bevel van de HEERE niet ongehoorzaam bent! Dan zal zowel u als de koning die over u regeren zal, [veilig] zijn, achter de HEERE uw God.15Maar wanneer u niet naar de stem van de HEERE luistert, en het bevel van de HEERE ongehoorzaam bent, dan zal de hand van de HEERE tegen u zijn, zoals tegen uw vaderen.16Blijf dan nu staan, en zie het indrukwekkende dat de HEERE voor uw ogen zal doen.17Is het vandaag niet [de tijd van] de tarweoogst? Ik zal tot de HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven. Besef dan en zie, dat uw kwaad, dat u voor de ogen van de HEERE gedaan hebt, groot is, omdat u een koning voor u verlangd hebt.18Toen Samuel de HEERE aanriep, gaf de HEERE donder en regen op die dag. Daarom werd heel het volk zeer bevreesd voor de HEERE en voor Samuel.19En heel het volk zei tegen Samuel: Bid voor uw dienaren tot de HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij ook nog dit kwaad gedaan dat wij een koning voor ons verlangd hebben.20Toen zei Samuel tegen het volk: Wees niet bevreesd, u hebt al dit kwaad [wel] gedaan, maar wijk niet [langer] van achter de HEERE af, en dien de HEERE met uw hele hart.21Wijk niet af door de nietige [afgoden] na [te volgen], die niet van nut zijn en niet kunnen redden, want zij zijn nietigheden.22Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, omwille van Zijn grote Naam, omdat het de HEERE behaagd heeft u voor Hem tot een volk te maken.23En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.24Vrees alleen de HEERE, en dien Hem trouw met uw hele hart, want zie welke grote dingen Hij bij u gedaan heeft.25Maar indien u het kwade blijft doen, dan zult u weggevaagd worden, zowel u als uw koning.) en bij Paulus (Hd 20:17-3817Hij nu zond van Miléte [een boodschap] naar Efeze en riep de oudsten van de gemeente bij zich.18En toen zij bij hem waren gekomen, zei hij tot hen: U weet hoe ik van [de] eerste dag af dat ik Asia betrad, al die tijd bij u ben geweest,19terwijl ik de Heer diende met alle nederigheid, onder tranen en met beproevingen die mij overkwamen door de aanslagen van de Joden;20hoe ik van wat nuttig was niets heb nagelaten u te verkondigen en te leren in het openbaar en in de huizen,21terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde.22En nu, zie, gebonden in de geest reis ik naar Jeruzalem, zonder te weten wat mij daar zal ontmoeten,23behalve dat de Heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt dat mij gevangenschap en verdrukkingen wachten.24Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.25En nu, zie, ik weet dat u allen onder wie ik ben rondgegaan om het koninkrijk te prediken, mijn gezicht niet meer zult zien.26Daarom getuig ik u op de dag van vandaag, dat ik rein ben van het bloed van allen;27want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].29Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.31Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.32En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.33Niemands zilver, goud of kleding heb ik begeerd.34U weet zelf, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien.35In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.36En toen hij dit had gezegd, knielde hij neer en bad met hen allen.37En zij barstten allen uit in groot geween en vielen Paulus om de hals en kusten hem innig,38het meest bedroefd over het woord dat hij had gezegd, dat zij zijn gezicht niet meer zouden zien. En zij deden hem uitgeleide naar het schip.). De afscheidsrede van Paulus is de enige toespraak in Handelingen tot gelovigen; de andere toespraken zijn allemaal tot ongelovigen. Het zijn de laatste woorden van Paulus tot de oudsten van Efeze.

Jozua is een beeld van de verheerlijkte Heer Die in de Geest nu bij Zijn volk is om het te leiden na de dood van Mozes die een beeld is van de Heer Jezus Die Zijn volk door de woestijn heeft geleid. De Geest woont in alle gelovigen. Maar er is ook sprake van voorgangers in wie de Geest werkt om Gods volk in de hemelse zegeningen in te voeren. De ware voorgangers zijn zij die Gods volk de hemelse zegeningen binnenleiden. Wat leraren vandaag doen, is putten uit wat de eersten die deze zegeningen hebben ontdekt, de apostelen, hebben doorgegeven.


Jozua roept de leiders samen

1Het gebeurde na vele dagen, nadat de HEERE Israël rust gegeven had van al zijn vijanden van rondom, en Jozua oud [en] op dagen gekomen was, 2dat Jozua heel Israël, zijn oudsten, zijn stamhoofden, zijn rechters en zijn beambten [bijeen]riep. Hij zei tegen hen: Ík ben oud geworden [en] op dagen gekomen,

De uitleg van deze laatste hoofdstukken is niet moeilijk. Het gaat om een tijd dat de leiders en oudsten er niet meer zijn, maar dat het Woord blijft. Voorgangers mogen heengaan, de woorden Gods die zij gesproken hebben, blijven. Ook de Heer Jezus blijft Houdt uw voorgangers in herinnering die het Woord van God tot u gesproken hebben, en volgt, terwijl u het einde van hun wandel beschouwt, hun geloof na. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid” (Hb 13:7-87Houdt uw voorgangers in herinnering die het Woord van God tot u gesproken hebben, en volgt, terwijl u het einde van hun wandel beschouwt, hun geloof na.8Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.). Wie gelooft, ontbreekt niets.

In Jozua en de oudsten kunnen we de generatie apostelen zien, die de fundamentleggers van de gemeente zijn, en de door hen aangestelde oudsten. Er komt een moment dat Jozua sterft. Daarop volgt een tijd dat de oudsten er nog zijn. Zij vormen als het ware de tweede generatie. Maar ook deze generatie zal sterven. En Jozua laat zien wat er dan zal gebeuren. Het volk zal alleen blijven. Er komt geen nieuwe leider. Ze zullen volkomen moeten vertrouwen op God alleen als hun Leidsman. Dit is ook waar Paulus op wijst in verband met zijn heengaan: En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden” (Hd 20:3232En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.).

Jozua spreekt eerst tot de oudsten, zoals ook Paulus dat doet. Paulus beveelt hen aan God aan en aan het Woord van Zijn genade. Hij heeft geen opvolger, er komt geen nieuwe generatie apostelen. Maar de genade van God verandert niet, gaat niet voorbij, net zomin als Zijn Woord, dat altijd bij ons blijft evenals de Geest. Daardoor kunnen we het erfdeel onder de geheiligden ontvangen en genieten. Paulus heeft de hemelse zegeningen bekendgemaakt. Paulus is er niet meer, maar wel zijn woorden. Zo heeft ook Jozua alles opgeschreven (Jz 24:2626Jozua schreef deze woorden in het wetboek van God. Vervolgens nam hij een grote steen en richtte die daar op, onder de eik die bij het heiligdom van de HEERE stond.).


Wat voor het volk is gedaan

3en ú hebt alles gezien wat de HEERE, uw God, voor uw [ogen] gedaan heeft aan al deze volken, want de HEERE, uw God Zelf is het Die voor u gestreden heeft. 4Zie, ik heb deze overgebleven volken, [samen] met al de volken die ik uitgeroeid heb, vanaf de Jordaan tot aan de Grote Zee, waar de zon ondergaat, aan u door het lot doen toevallen als erfelijk bezit voor uw stammen.

Jozua richt zich vooral tot hen die een speciale verantwoordelijkheid hebben te midden van Gods volk. Hij wil hen eerst onder de indruk brengen van de grote genade waarmee God voor Zijn volk bezig is geweest.


De HEERE zal hen blijven helpen

5En de HEERE uw God Zelf zal hen van voor uw [ogen] verjagen, en Hij zal hen van voor uw [ogen] verdrijven, en u zult hun land in bezit nemen zoals de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft.

De geschiedenis van de verovering van het land is in feite die van de macht en trouw van God. Wat ze in het verleden van Gods macht en trouw hebben gezien, daarop mogen ze ook rekenen voor de toekomst. Jozua wijst op de genade die ook in de toekomst bij hen zal blijven.


Oproep tot trouw aan God

6Wees daarom zeer sterk door alles wat geschreven is in het wetboek van Mozes, in acht te nemen en na te leven, zodat u daarvan niet afwijkt, naar rechts of naar links, 7[en] zodat u zich niet inlaat met deze volken, deze [hier] die bij u overgebleven zijn. U mag niet aan de naam van hun goden denken en er niet bij laten zweren. U mag ze niet dienen en u niet voor ze neerbuigen. 8Maar u moet zich aan de HEERE, uw God, vasthouden, zoals u tot op deze dag gedaan hebt.

Er zijn ook voorwaarden te vervullen. Jozua laat zien hoe het erfelijk bezit te bewaren is. Hij wijst op de gevaren van buiten, de volken om hen heen, waarmee ze zich niet moeten inlaten. Zo waarschuwt Paulus voor indringers en wat uit hun midden zal voortkomen: Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen; en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken” (Hd 20:29-3029Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.). Er zijn gevaren van buiten en van binnen. We zijn altijd door tegenstanders omgeven en we hebben het vlees nog in ons.

Het inlaten met de volken die nog overgebleven zijn, begint met het noemen van de namen van hun goden. Daarom moeten ze hun namen niet eens noemen (Ps 16:4b4Groot wordt het leed van hen die andere [goden] geschenken geven;
ik [echter] giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.
)
. Het noemen van de namen betekent er aandacht aan schenken. Zo krijgen de demonen, die achter deze afgoden schuilgaan, kans om hun invloed op het denken van Gods volk uit te oefenen. Een volgende stap is erbij zweren, gevolgd door het aanhangen en zich ervoor buigen.

De satan probeert altijd eerst ruimte te krijgen voor zijn opvattingen. Heeft hij daar eenmaal een opening voor gekregen, dan volgt de praktijk vanzelf. Daarom komt de vermaning tot ons dat bepaalde zaken onder ons als gelovigen zelfs niet genoemd moeten worden (Ef 5:3-43Maar laat hoererij en alle onreinheid of hebzucht onder u zelfs niet genoemd worden, zoals het heiligen past,4alsook oneerbaarheid, en zotte praat of lichtzinnige taal, die niet gepast zijn, maar veeleer dankzegging.).


De HEERE strijdt voor Zijn volk

9De HEERE heeft immers grote en machtige volken van voor uw [ogen] verdreven. En wat u betreft: niemand heeft tegenover u stand kunnen houden tot op deze dag. 10Eén man uit u zal er duizend achtervolgen, want het is de HEERE, uw God, Zelf Die voor u strijdt, zoals Hij tot u gesproken heeft.

Alle overwinningen die het volk heeft behaald, hebben ze aan God te danken. Niet door eigen kracht, maar door Gods kracht is de vijand verslagen. Dat één er duizend heeft kunnen vervolgen, is doordat God naar Zijn belofte Zelf voor hen heeft gestreden (vgl. 1Sm 14:66Jonathan nu zei tegen de knecht die zijn wapens droeg: Kom, laten wij oversteken naar de wachtpost van deze onbesnedenen; misschien zal de HEERE voor ons werken, want het is voor de HEERE niet te moeilijk om te verlossen, door veel of door weinig [mensen].). Zonder God kan het sterkste leger niets uitrichten, terwijl met God een enkeling het grootste leger kan verslaan.


Oproep de HEERE lief te hebben

11Wees daarom, omwille van uw leven, zeer op uw hoede dat u de HEERE, uw God, liefhebt.

We lezen hier voor de derde keer het voorschrift om niet af te wijken van de HEERE, hun God. Het eerste voorschrift is gehoorzaamheid (vers 66Wees daarom zeer sterk door alles wat geschreven is in het wetboek van Mozes, in acht te nemen en na te leven, zodat u daarvan niet afwijkt, naar rechts of naar links,). Wat we in Gods Woord hebben gezien, moeten we doen, anders komen we ten val. Deze gehoorzaamheid is alleen op te brengen door ons te houden aan het tweede voorschrift, dat onze ziel de Heer aanhangt (vers 88Maar u moet zich aan de HEERE, uw God, vasthouden, zoals u tot op deze dag gedaan hebt.), dat wil zeggen zich één weet met Hem. Het aanhangen van de Heer vloeit weer voort uit het Hem van harte liefhebben, zoals het derde voorschrift zegt (vers 1111Wees daarom, omwille van uw leven, zeer op uw hoede dat u de HEERE, uw God, liefhebt.). Liefde brengt tot het houden van Gods geboden (1Jh 5:33Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.). Liefde brengt tot volkomen overgave en houdt leven in.


Waarschuwing

12Want als u zich op enigerlei wijze [hiervan] afkeert en u vastklampt aan de rest van deze volken, deze [hier] die bij u overgebleven zijn, en u huwelijksbanden met hen aangaat, en u zich met hen zult inlaten en zij met u, 13weet [dan] zeker dat de HEERE, uw God, niet zal doorgaan met het uit [hun] bezit te verdrijven van deze volken van voor uw [ogen]. Maar zij zullen een strik en een val voor u zijn, een gesel op uw zijden en prikkels in uw ogen, tot u verdwenen bent uit dit goede land, dat de HEERE, uw God, u gegeven heeft.

Er blijven altijd vijanden over die ze moeten uitdrijven en voor wie ze moeten oppassen dat ze niet hun goden gaan dienen. Die vijanden willen altijd proberen zich onder Gods volk te begeven. Als ze zich ermee verbinden, zal dat grote en kwalijke gevolgen hebben. Als ze Gods kracht niet gebruiken om de vijand te verdrijven, zal God toelaten dat de vijand in hun midden blijft en dat ze niet in staat zullen zijn hem te verdrijven.

David onderwerpt later de vijanden die nog in Israël zijn overgebleven. Zo zal de Heer Jezus bij Zijn terugkomst naar de aarde de vijanden van Israël onderwerpen. Wij zijn deel van de christenheid en hebben voortdurend met die vijanden te maken, de wolven van buiten, die we niet meer kwijtraken. Tevens hebben we een vijand in ons, dat is het vlees. Daar moeten we niet tegen strijden, maar er ons dood voor houden (Rm 6:1111Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.).

Als we de vijand niet behandelen zoals God aangeeft, zal deze ons tot een “strik” worden waardoor we ten val komen. We zullen in zijn “val” gevangen worden, waardoor we ons niet meer kunnen bewegen. Hij zal ons als een “gesel” worden, wat betekent dat hij ons hard en wreed zal onderdrukken. Ten slotte zal hij tot ”prikkels in uw ogen” worden, wat wil zeggen dat hij ons op een wrede en pijnlijke manier blind zal maken, zodat we niets meer zien van Gods zegeningen.


De HEERE heeft al Zijn beloften vervuld

14En zie, ik ga heden de weg van heel de aarde, en u weet met heel uw hart en met heel uw ziel dat er geen enkel woord van al de goede woorden die de HEERE, uw God, over u gesproken heeft, onvervuld gebleven is. Alles is uitgekomen voor u, er is geen enkel woord van onvervuld gebleven.

Jozua gaat “de weg van heel de aarde”, dat wil zeggen dat hij de aarde verlaat door de dood. Henoch en Elia zijn daar uitzonderingen op (Gn 5:2424Henoch wandelde met God, en hij was niet [meer], want God nam hem weg.; 2Kn 2:1111Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.). Door zo nadrukkelijk op zijn dood te wijzen zullen zijn woorden nog meer indruk hebben gemaakt.

Jozua eert God tegenover het volk door het volk Gods absolute trouw aan al Zijn beloften voor te houden (Jz 21:4545Van al de goede woorden die de HEERE tot het huis van Israël gesproken had, is er niet [één] woord onvervuld gebleven: alles is uitgekomen.; Hb 10:23b23Laten wij de belijdenis van de hoop onwankelbaar vasthouden (want Hij Die beloofd heeft, is getrouw),). Hij spreekt over “al de goede woorden”. God zoekt alleen het goede voor Zijn volk, al Zijn beloften zijn goed en Hij vervult ze ook zonder uitzondering. Alle beloften die al zijn vervuld, zijn een garantie voor alle nog te vervullen beloften.


Gevolgen van ontrouw aangekondigd

15En zoals al die goede dingen u overkomen zijn, die de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft, zo zal het [ook] gebeuren dat de HEERE al die kwade dingen over u zal laten komen, totdat Hij u weggevaagd heeft uit dit goede land, dat de HEERE, uw God u gegeven heeft. 16Als u het verbond van de HEERE, uw God, dat Hij u geboden heeft, overtreedt, en andere goden gaat dienen en u daarvoor neerbuigt, dan zal de toorn van de HEERE over u ontbranden en zult u spoedig verdwenen zijn uit het goede land dat Hij u gegeven heeft.

Wat voor de goede dingen geldt, geldt ook voor de kwade dingen. God is in alles trouw aan Zijn Woord. Zoals Hij het goede heeft laten komen, zo zal Hij ook het kwade laten komen als Zijn volk Hem ontrouw wordt.


Lees verder