Jozua
Inleiding 1-5 Terug naar het Overjordaanse 6-8 Jozua zegent de Overjordaanse stammen 9-10 Een groot altaar 11-14 Navraag over het altaar 15-20 De indruk die het altaar maakt 21-29 Waarom het altaar gebouwd is 30-33 Israël aanvaardt de verklaring 34 De naam van het altaar
Inleiding

De tweeënhalve stam mag naar huis teruggaan, nadat Israël het land in bezit heeft genomen. Jozua prijst hun trouw en vermaant hen om de HEERE te blijven dienen. Toch zorgt deze tweeënhalve stam voor verontrusting door het bouwen van een groot altaar. Terecht komen de andere stammen onder aanvoering van Pinehas daarop af. Pinehas wijst erop dat er maar één altaar is: het altaar dat in de tabernakel staat (vers 1919Maar als het land dat u in bezit hebt, onrein is, steek [dan] over naar het land [dat] het bezit van de HEERE [is], waar de tabernakel van de HEERE staat, en verwerf bezit in ons midden. Kom echter niet in opstand tegen de HEERE, en kom ook niet in opstand tegen ons, door een altaar voor uzelf te bouwen, anders dan het altaar van de HEERE, onze God.). Dat is de plaats waar het volk van God samenkomt. Door dit andere altaar op te richten wordt de eenheid van het volk van God verbroken.

Zo gaat het nog steeds in de christenheid. Daar wordt het altaar de tafel van de Heer genoemd (1Ko 10:18-2118Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?19Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?20[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.21U kunt niet [de] drinkbeker van [de] Heer drinken en [de] drinkbeker van [de] demonen; u kunt niet deelnemen aan [de] tafel van [de] Heer en aan [de] tafel van [de] demonen.). Aan de tafel van de Heer wordt in de viering van het avondmaal (1Ko 11:23-2523Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.) de eenheid van de gemeente tot uitdrukking gebracht (1Ko 10:16-1716De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?17Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood.). Maar veel kerken en groepen hebben hun eigen altaar gebouwd en daardoor de verdeeldheid benadrukt.

Pinehas en het volk zijn tevreden met het antwoord van de tweeënhalve stam, omdat er oprechtheid aanwezig is. Dat wil niet zeggen dat ze dit altaar erkennen. Wij behoeven ook niet tafels die door mensen zijn opgericht te veroordelen als daar oprechtheid is in het dienen van God. Wel is het belangrijk dat wij voor onszelf weten aan welk ‘altaar’ wij ons bevinden.

De basis van de houding van de tweeënhalve stam is dat zij aan het Overjordaanse de voorkeur hebben gegeven boven het door God uitgekozen land. Wat zij hebben gekozen, is niet meer de woestijn. Het hoort bij het erfelijk bezit. Het is hun eigendom geworden, want God heeft het hun geschonken. Maar het is niet Gods bedoeling geweest dat zij ermee tevreden zouden zijn.

Het deel dat zij hebben gekozen, spreekt niet van de zegeningen van het land, waarvoor het nodig is door de Jordaan te trekken. Het zijn de aardse zegeningen als een geschenk van Hem. Het is echter Gods bedoeling dat alle stammen een groot deel in het land en een klein deel buiten het land, aan de andere kant van de Jordaan, hebben. Dit doel zal in het vrederijk worden gerealiseerd.

In beeld gaat het om echte christenen die ook hebben gestreden voor het erfelijk bezit en het hebben veroverd. Ze kennen het erfelijk bezit. Toch hebben ze het nooit werkelijk genoten. Ze weten niet hoe ze ermee moeten omgaan. Ze genieten alleen van de aardse dingen. Als we elke dag God alleen danken voor zaken als onze gezondheid, ons werk, en onze blik niet verder gaat dan deze aardse zegeningen, dan zijn we toch arme christenen.


Terug naar het Overjordaanse

1Toen riep Jozua de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse [bijeen], 2en hij zei tegen hen: Wat u betreft, u hebt alles in acht genomen wat Mozes, de dienaar van de HEERE, u geboden heeft, en u hebt in alles wat ik u geboden heb naar mijn stem geluisterd. 3U hebt deze lange tijd uw broeders niet verlaten, tot op deze dag, en u hebt de voorschriften met betrekking tot het gebod van de HEERE, uw God, in acht genomen. 4Nu heeft de HEERE, uw God, uw broeders echter rust gegeven, zoals Hij hun toegezegd had. Keer daarom nu terug, en ga naar uw tenten, naar het land [dat] uw bezit is, dat Mozes, de dienaar van de HEERE, u gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan. 5Alleen, neem zeer nauwlettend de geboden en de wet in acht die Mozes, de dienaar van de HEERE, u geboden heeft, [namelijk] dat u de HEERE, uw God, liefhebt, in al Zijn wegen gaat, Zijn geboden in acht neemt, zich aan Hem vasthoudt, en dat u Hem dient met heel uw hart en met heel uw ziel.

Het ogenblik is nu gekomen om de tweeënhalve stam terug te sturen naar hun families, die niet meegetrokken zijn door de Jordaan. Hoewel ze in het nakomen van hun belofte niet meer hebben gedaan dan hun plicht, prijst Jozua hun trouw. Allen die voor de Heer zijn bezig geweest, zullen zeggen: “Wij zijn nutteloze slaven; wat wij behoorden te doen, hebben wij gedaan” (Lk 17:1010Zo ook u, wanneer u alles hebt gedaan wat u is bevolen, zegt dan: Wij zijn nutteloze slaven; wat wij behoorden te doen, hebben wij gedaan.). Maar de Heer zal die dienst prijzen en belonen (Mt 25:2121Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.).

Wat hun instelling betreft, hebben zij altijd naar dit moment verlangd. Ze geven, na zoveel van het land te hebben gezien, toch de rijkdom ervan prijs, al krijgen ze een enorme hoeveelheid zegen van het land mee, allemaal schatten die ze op de vijand hebben buitgemaakt (vers 88zei hij tegen hen: Keer terug naar uw tenten met veel rijkdom en met zeer veel vee, met zilver, met goud, met koper, met ijzer en met zeer veel kleren. Deel de buit van uw vijanden met uw broeders.). In plaats van hun gezinnen te roepen zich bij hen in het land te voegen, wat dan nog mogelijk is (vers 1919Maar als het land dat u in bezit hebt, onrein is, steek [dan] over naar het land [dat] het bezit van de HEERE [is], waar de tabernakel van de HEERE staat, en verwerf bezit in ons midden. Kom echter niet in opstand tegen de HEERE, en kom ook niet in opstand tegen ons, door een altaar voor uzelf te bouwen, anders dan het altaar van de HEERE, onze God.), kiezen ze er toch voor weg te trekken uit het land van de HEERE. Zij die als eersten hun erfelijk bezit hebben ontvangen, kunnen er nu als laatsten van gaan genieten.

Hun wegtrekken uit het land van de HEERE maakt duidelijk dat ze er geen echte belangstelling voor hebben. Ze hoeven dan ook niet te verwachten dat hun gezinnen, hun kinderen, belangstelling zullen hebben voor het erfelijk bezit van Gods volk. Dat laatste kan alleen zo zijn, als ze merken dat het erfelijk bezit zoveel voor hun ouders betekent, dat dit het leven van de ziel van hun ouders uitmaakt. God dwingt ons niet als we het erfelijk bezit niet willen en tevreden zijn met het geringere. God staat hun daarom toe dat ze teruggaan.

Jozua geeft hun enkele indringende vermaningen mee. Ze mogen dan wel van hun militaire verplichtingen ontslagen zijn, hun geestelijke verplichtingen zijn niet veranderd. Om de zegen van de HEERE te krijgen is het nodig aan Gods geboden vast te houden, Hem lief te hebben en na te volgen en Hem te dienen met heel hun hart en ziel. Jozua is als een bezorgde vader die goede raad meegeeft aan zijn kinderen die op eigen benen willen staan en die daardoor niet meer onder de gezegende invloed van thuis staan.


Jozua zegent de Overjordaanse stammen

6Zo zegende Jozua hen en liet hen gaan; en zij gingen naar hun tenten. 7Want aan de helft van de stam Manasse had Mozes [erfbezit] gegeven in Basan. Maar aan [de andere] helft ervan gaf Jozua [erfbezit] bij hun broeders, aan deze zijde van de Jordaan, aan de westzijde. En bovendien, toen Jozua hen naar hun tenten liet trekken, en hen zegende, 8zei hij tegen hen: Keer terug naar uw tenten met veel rijkdom en met zeer veel vee, met zilver, met goud, met koper, met ijzer en met zeer veel kleren. Deel de buit van uw vijanden met uw broeders.

Jozua zegent de Overjordaanse stammen en laat hen gaan. Ze mogen door de Jordaan terugkeren naar hun families. Het is veelzeggend dat dit keer de ark niet voor hen uitgaat. Die blijft in het land. Door terug te gaan keren ze de ark, het symbool van Gods tegenwoordigheid, de rug toe.

Maar Jozua laat hen niet met lege handen weggaan. Hij geeft hun veel rijkdom mee die ze in het land hebben veroverd. Niemand die voor de Heer en Zijn volk werkt, zal onbeloond blijven. Zij moeten de buit delen met hun broeders die zijn achtergebleven. Dit is te vergelijken met wat Mozes eerder in een andere situatie heeft gezegd: En verdeel wat meegenomen is, in twee helften, tussen hen die aan de strijd deelgenomen hebben, die met het leger uitgetrokken zijn, en heel de gemeenschap” (Nm 31:2727En verdeel wat meegenomen is, in twee helften, tussen hen die aan de strijd deelgenomen hebben, die met het leger uitgetrokken zijn, en heel de gemeenschap.; vgl. 1Sm 30:2424Wie zou in deze zaak naar u luisteren? Want zoals het deel is van hen die mee ten strijde getrokken zijn, zo zal ook het deel zijn van hen die bij de bagage gebleven zijn; zij moeten samen delen.). Gelovigen die in de frontlinies staan en daar geestelijke winst boeken, zullen die delen met het ‘thuisfront’, dat zijn zij die voor hen hebben gebeden (vgl. Hd 14:26-2726En vandaar voeren zij af naar Antiochië, waar zij aan de genade van God waren opgedragen voor het werk dat zij hadden volbracht.27Toen zij nu daar waren aangekomen en de gemeenten hadden vergaderd, berichtten zij alles wat God met hen had gedaan en dat Hij voor de volken een deur van geloof had geopend.).


Een groot altaar

9Zo keerden de nakomelingen van Ruben, de nakomelingen van Gad en de halve stam Manasse terug, en gingen bij de Israëlieten vandaan, van Silo, dat in het land Kanaän ligt, om naar het land Gilead te gaan, naar het land [dat] hun bezit [was], dat zij als bezit verworven hadden op het bevel van de HEERE door de dienst van Mozes. 10Toen zij in het gebied van de Jordaan kwamen dat [nog] in het land Kanaän ligt, bouwden de nakomelingen van Ruben, de nakomelingen van Gad en de halve stam Manasse daar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot om te zien.

De tweeënhalve stam trekt weg van de Israëlieten en van Silo. Er staat niet dat ze wegtrekken van de negen en halve stam, maar ze gaan “bij de Israëlieten vandaan”. Wat in het land woont, is Israël. De tweeënhalve stam blijft wel tot Gods volk behoren. Maar zij die in het land wonen, zijn de uitdrukking van het hele volk. Zij beleven die eenheid aan het altaar – voor ons is dat de tafel van de Heer –, want daar woont de HEERE.

Ze hebben zich er niet helemaal gelukkig bij gevoeld. Het lijkt erop dat ze zich bewust zijn dat ze een gevaarlijke weg gaan. Ze zien de dreiging dat zich onder het volk van God een scheiding zal voltrekken. Om dat te voorkomen maken ze een altaar. Het is een groot altaar, iets wat indruk maakt. Dit namaakaltaar is groter dan het echte altaar. Als men het echte niet heeft, wil men een imitatie die voor het menselijk oog opwindend is.

Ze bedoelen er niets verkeerds mee. Ze willen geen afgodenaltaar, zelfs geen altaar om er offers aan de HEERE op te brengen. Ze willen het altaar alleen als afbeelding van hun eenheid met het hele volk. Maar het gebeurt op menselijke wijze. Iets wat goed bedoeld is, is daarom nog niet goed. Ze willen de eenheid tonen, maar geven de indruk een eigen weg te willen gaan, in onafhankelijkheid van het volk van God. De gevolgen zijn het omgekeerde van wat ze ermee bedoelden.


Het volk komt samen in Silo, bij de HEERE. Wat hun ter ore is gekomen, vraagt om het uitoefenen van tucht. Er mag immers geen ander altaar zijn dan het altaar van de HEERE (Dt 12:55Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.). Het kwaad moet worden gestopt, want anders zal het spoedig de overhand krijgen. Ze zijn bereid om strijd te leveren.

Toch handelen ze niet overhaast, maar met verstand. Ze willen eerst de zaak nauwkeurig onderzoeken en niet naar indrukken handelen (Dt 13:1414dan moet u het onderzoeken, grondig uitzoeken en goed navragen. En zie, is het de waarheid, staat de zaak vast, is zo'n gruwelijke daad in uw midden gedaan,). God Zelf laat bij het oordeel over Sodom en Gomorra zien dat Hij zo te werk gaat (Gn 18:2121Ik zal nu afdalen en zien of zij [werkelijk] alles gedaan hebben zoals de roep luidt die over haar tot Mij gekomen is. En zo niet, Ik zal het weten.). Daarom besluiten ze om eerst boodschappers te sturen om met de zaak bekend te worden. Pinehas wordt gestuurd, van wie bekend is hoe hij voor de eer van de HEERE staat. Hij heeft een gevoel voor de heiligheid van God (Nm 25:6-156En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische [vrouw] bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden [bij] de ingang van de tent van ontmoeting.7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.10Toen sprak de HEERE tot Mozes:11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.14De naam nu van de gedode Israëlitische man, die samen met de Midianitische [vrouw] gedood was, was Zimri, de zoon van Salu, een leider van een familie van de Simeonieten.15En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian.). Hij wordt vergezeld door tien vorsten, uit elke stam één.


De indruk die het altaar maakt

15Toen zij bij de nakomelingen van Ruben, bij de nakomelingen van Gad en bij de halve stam Manasse kwamen, in het land Gilead, spraken zij met hen: 16Zo spreekt heel de gemeenschap van de HEERE: Wat is dat voor trouwbreuk die u gepleegd hebt tegen de God van Israël, door u heden van achter de HEERE af te keren, omdat u een altaar voor uzelf gebouwd hebt, om heden tegen de HEERE in opstand te komen? 17Was de ongerechtigheid van Peor, waarvan wij ons tot op deze dag niet gereinigd hebben, voor ons nog niet genoeg, hoewel [daardoor] de plaag in de gemeenschap van de HEERE kwam? 18Ú keert zich heden van achter de HEERE af. Als ú heden in opstand komt tegen de HEERE zal het gebeuren dat Hij morgen zeer toornig zal zijn op heel de gemeenschap van Israël. 19Maar als het land dat u in bezit hebt, onrein is, steek [dan] over naar het land [dat] het bezit van de HEERE [is], waar de tabernakel van de HEERE staat, en verwerf bezit in ons midden. Kom echter niet in opstand tegen de HEERE, en kom ook niet in opstand tegen ons, door een altaar voor uzelf te bouwen, anders dan het altaar van de HEERE, onze God. 20Heeft Achan, de zoon van Zerah, geen trouwbreuk gepleegd met wat door de ban gewijd was, en kwam er niet een grote toorn over heel de gemeenschap van Israël? En die man stierf in zijn ongerechtigheid niet alleen!

Pinehas en de tien vorsten komen bij de tweeënhalve stam. Ze spreken met hen uit naam van het hele volk. Ze richten zich tot hen die ook tot het volk behoren, maar die het in praktisch opzicht niet waarmaken. De beschuldiging luidt: trouwbreuk, ontrouw handelen tegenover de HEERE en Zijn volk, wat kwalijke gevolgen voor het hele volk zal hebben. Om hun woorden te onderstrepen wijst het gezantschap op twee voorbeelden die zij ook kennen en waarbij de zonde ook tucht over het hele volk heeft gebracht: de ongerechtigheid met Peor, en Achan die zich heeft vergrepen aan wat door de ban is gewijd. Deze voorbeelden tonen twee grote gevaren, ook in de gemeente, voor de heiligheid.

Bij Peor is het vreselijke de leer van Bileam om het volk van God te verderven door goede en valse godsdienst met elkaar te vermengen, de dienst van God en die van de afgoden van Midian (Nm 25:1-31Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.2Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer.3Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.; 31:1616Zie, zíj waren door de raad van Bileam voor de Israëlieten de aanleiding tot trouwbreuk tegen de HEERE, in het geval van Peor, waardoor de plaag kwam onder de gemeenschap van de HEERE.). Dan wordt de ware godsdienst steeds meer overvleugeld door de valse afgodendienst. Daarom is Gods toorn over het geheel gekomen. Pinehas waarschuwt de tweeënhalve stam voor dit gevaar met de bouw van dit altaar. De bouw mag dan gering schijnen in vergelijking met het kwaad van Peor, als dit kwaad niet in de kiem gesmoord wordt, zal het dezelfde vreselijke uitwerking hebben als het kwaad van Peor.

Na het noemen van het eerste gevaar wordt niet direct het tweede gevaar genoemd. Eerst komt, tussen de aanduiding van de beide gevaren in, de vriendelijke uitnodiging om toch naar de HEERE te komen, naar Zijn land en Zijn altaar (vers 1919Maar als het land dat u in bezit hebt, onrein is, steek [dan] over naar het land [dat] het bezit van de HEERE [is], waar de tabernakel van de HEERE staat, en verwerf bezit in ons midden. Kom echter niet in opstand tegen de HEERE, en kom ook niet in opstand tegen ons, door een altaar voor uzelf te bouwen, anders dan het altaar van de HEERE, onze God.). Hier horen we dat allen die tot Gods volk behoren – voor de gemeente betekent dit: alle gelovigen –, worden uitgenodigd. Pinehas doet een beroep op hun geestelijk onderscheidingsvermogen. Alleen als zij het door hen verkozen erfelijk bezit als onrein zien – dat wil zeggen: niet door Gods tegenwoordigheid geheiligd –, zullen ze hun plaats in Gods land willen en ook mogen innemen. Maar de tweeënhalve stam trekt die conclusie niet.

Wat de gelovigen van de gemeente betreft, zij zijn allemaal slechts als gasten van de Heer aan Zijn altaar, dat is Zijn tafel. Zij die daar zijn, mogen tegen alle gelovigen zeggen dat de Heer ook hen uitnodigt aan Zijn tafel. Het is Zijn tafel, niet die van een groep. Het gaat om de plaats waar de Heer Jezus is, niet waar zulke aardige of onaardige gelovigen zijn. We mogen niet zeggen: ‘Kom bij ons’, maar: ‘Laten we samen de Heer aan Zijn tafel gedenken.’

We mogen en moeten alleen tegenover het kwaad ‘exclusief’ zijn. Tegenover de goeden moeten we altijd open en niet gesloten zijn. Gelovigen zijn allemaal ‘vrije broeders’ als het gaat om wat ze in Christus zijn en allemaal ‘gebonden broeders’ als het om hun verantwoording gaat. Wie hierin naar de wil van de Heer willen handelen, zullen alle sektarisme mijden evenals de vrijheid van het vlees.

Iedere Israëliet wordt door Pinehas uitgenodigd om daar te komen. Dat doet later ook Hizkia (2Kr 30:11Daarna stuurde Hizkia [boden] naar heel Israël en Juda, en hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse dat zij naar het huis van de HEERE in Jeruzalem moesten komen om voor de HEERE, de God van Israël, Pascha te houden.). Het gaat om het hele volk van God, dat is nu de gemeente van God. De gemeente wordt onder andere voorgesteld door een lichaam, omdat in dat beeld op treffende wijze de eenheid van de gemeente, dat is het hele volk van God, wordt uitgebeeld. De tafel van de Heer behoort het hele volk toe. Daar kan Gods volk de eenheid op Schriftuurlijke wijze beleven.

Daar vindt Gods volk ook een plaats van aanbidding en van het uitoefenen van het priesterschap, terwijl in de christenheid de nadruk in het algemeen op de prediking ligt. Waar vinden we nog het verlangen om God te geven waar Hij recht op heeft en minder de vraag wat ik eraan heb? We mogen allen die deze plaats zoeken het niet zwaarder maken dan de Schrift aangeeft. Daarvoor is het nodig de geest van een Pinehas te bezitten en te openbaren.

Na deze uitnodiging volgt het tweede waarschuwende voorbeeld, dat is Achan (Jz 7:1,19-261Maar de Israëlieten pleegden trouwbreuk met wat door de ban gewijd was, want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda, nam van wat door de ban gewijd was. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen de Israëlieten.19Toen zei Jozua tegen Achan: Mijn zoon, geef de HEERE, de God van Israël, toch de eer en doe voor Hem belijdenis. Vertel mij toch wat u gedaan hebt, verberg het niet voor mij.20Achan antwoordde Jozua: Het is waar, ík heb tegen de HEERE, de God van Israël, gezondigd, en ik heb zo en zo gedaan.21Want ik zag onder de buit een mooie kostbare Babylonische mantel, tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf met een gewicht van vijftig sikkel. Ik begeerde ze en nam ze mee. En zie, ze zijn verborgen in de grond, in het midden van mijn tent, en het zilver eronder.22Toen stuurde Jozua [er] boden heen, die naar de tent snelden. En zie, het lag verborgen in zijn tent en het zilver eronder.23Zij namen het uit het midden van de tent en brachten het naar Jozua en naar al de Israëlieten. Zij wierpen het neer voor het aangezicht van de HEERE.24Toen nam Jozua, en heel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, de kostbare mantel, de goudstaaf, zijn zonen, zijn dochters, zijn runderen, zijn ezels, zijn kleinvee, zijn tent, en alles wat van hem was, en zij voerden die naar het dal Achor.25Jozua zei: Waarom hebt u ons in het ongeluk gestort? De HEERE zal u in het ongeluk storten op deze dag. En heel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur. En zij wierpen stenen over hen26en richtten een grote steenhoop boven hem op, die er is tot op deze dag. Toen liet de HEERE Zijn brandende toorn varen. Daarom gaf men die plaats de naam dal van Achor, tot op deze dag.). Achan heeft geen valse leer gebracht, maar heeft zich laten leiden door de begeerte naar de wereldse dingen. In hem zien we hoe het vlees de kans gegeven wordt om de dingen van de wereld in Gods volk in te voeren, terwijl die er geen plaats mogen hebben. Een voorbeeld daarvan is het aantrekkelijk willen zijn voor jongeren en daarom populaire vormen van eredienst invoeren door gebruik te maken van meeslepende melodieën en dans en drama.


Waarom het altaar gebouwd is

21Toen antwoordden de nakomelingen van Ruben, de nakomelingen van Gad en de halve stam Manasse, en zij spraken tot de hoofden van de duizenden van Israël: 22De God der goden, de HEERE, de God der goden, de HEERE, Hij weet het; Israël zelf zal het ook weten! Als het door opstandigheid of door trouwbreuk tegen de HEERE is, behoud ons heden [dan] niet. 23Als wij voor onszelf een altaar gebouwd hebben, om ons van achter de HEERE af te keren, of om brandoffer en graanoffer daarop te brengen, of om daarop dankoffers te brengen, dan mag de HEERE Zelf [rekenschap] eisen! 24[Wij zweren] dat wij dit uit bezorgdheid gedaan hebben, [namelijk] vanwege [deze] zaak: Morgen zouden uw kinderen tegen onze kinderen kunnen zeggen: Wat hebt u met de HEERE, de God van Israël, [te maken]? 25De HEERE heeft immers de Jordaan als grens gesteld tussen ons en u, nakomelingen van Ruben en nakomelingen van Gad. U hebt geen deel aan de HEERE. Zo zouden uw kinderen onze kinderen doen ophouden de HEERE te vrezen. 26Toen zeiden wij: Laten wij toch [het volgende] voor ons doen: een altaar bouwen, niet voor brandoffer, en niet voor slachtoffer, 27maar laat het een getuige zijn tussen ons en u, en tussen de generaties na ons, opdat wij de dienst van de HEERE voor Zijn aangezicht zouden verrichten met onze brandoffers, met onze slachtoffers en met onze dankoffers, en uw kinderen morgen niet tegen onze kinderen zouden zeggen: U hebt geen deel aan de HEERE. 28Daarop zeiden wij: Als het gebeurt, dat zij morgen zo tegen ons en tegen de generaties na ons spreken, dan zullen wij zeggen: Kijk naar het evenbeeld van het altaar van de HEERE dat onze vaderen gemaakt hebben, niet voor brandoffer, ook niet voor slachtoffer, maar het is een getuige tussen ons en u. 29Er is bij ons geen sprake van dat wij in opstand komen tegen de HEERE, of dat wij ons heden van achter de HEERE afkeren door een altaar voor brandoffer, graanoffer of slachtoffer te bouwen, naast het altaar van de HEERE, onze God, dat voor Zijn tabernakel staat.

De tweeënhalve stam raakt door de beschuldigingen niet opgewonden. Ze antwoorden in rust. Hun verantwoording stelt de andere stammen gerust. Ze willen in geen enkel opzicht afgoderij invoeren. Ze willen ook in geen enkel opzicht de HEERE offers op dat altaar brengen. Ze begrijpen dat er maar één altaar is. Ze willen door dit zichtbare teken slechts voor hun kinderen een getuigenis van de eenheid oprichten.

Het is goed bedoeld, maar niet juist. De bedoeling om van eenheid te getuigen wordt uitgewerkt volgens menselijk model. Voorbeelden daarvan zien we in geloofsbelijdenissen. Die zijn steeds opgesteld om een getuigenis af te leggen van de waarheid tegenover dwaalleringen en om de eenheid van Gods volk te bewaren. Ze zijn ontstaan vanuit een te waarderen verlangen om de eenheid in de leer voor het hele volk vast te leggen. Maar het is een menselijk werk.

De geschiedenis heeft geleerd dat geloofsbelijdenissen op gelijke hoogte met en zelfs boven de Schrift zijn geplaatst. Ze spelen in kerkelijke kringen een beslissende rol, men moet ze in het algemeen ondertekenen om tot die kerk te mogen behoren. Daardoor hebben ze verdeeldheid gebracht in plaats van eenheid. Het zijn goedbedoelde, maar toch menselijke middelen om de eenheid te bewaren. De grootste dwaalleraren ondertekenen de geloofsbelijdenissen en kunnen blijven. Elke vorm van eenheid die door mensen is opgesteld en als voorwaarde wordt gehanteerd om eenheid te beleven, bevordert niet eenheid, maar verdeeldheid.

Niet een schijnaltaar bewerkt eenheid, maar het altaar op de plaats die de Heer heeft uitgekozen. Het altaar van de tweeënhalve stam is een symbool van een schijneenheid. De evangelische alliantie is zo’n schijneenheid. Het gezamenlijk organiseren van grote evangelisatiecampagnes door allerlei kerken en groepen roept het beeld op van de eenheid van alle betrokken leden. Maar na een campagne gaat ieder weer naar de eigen kerk om daar het eigen avondmaal te vieren. Er is even een altaar van een getuigenis van eenheid geweest, maar het is even snel daarna ook weer verdwenen. Aan het altaar van de aanbidding op de plaats waar de Heer Jezus is, is men niet verschenen.

De schijneenheid is niet lang bewaard gebleven. De Overjordaanse stammen zijn als eerste weggevoerd in verstrooiing (1Kr 5:2626Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.). Wij moeten ervan leren dat onze eenheid als christenen niet door menselijke middelen gestalte krijgt. De Heer heeft in Zijn Woord duidelijk gemaakt hoe we de eenheid van de gelovigen kunnen laten zien. We laten die eenheid zien door het vieren van het avondmaal van de Heer aan Zijn tafel: De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus? Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood” (1Ko 10:16-1716De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?17Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood.).


Israël aanvaardt de verklaring

30Toen de priester Pinehas en de leiders van de gemeenschap en de hoofden van de duizenden van Israël die bij hem waren, de woorden gehoord hadden die de nakomelingen van Ruben, de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Manasse gesproken hadden, was het goed in hun ogen. 31En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, zei tegen de nakomelingen van Ruben, tegen de nakomelingen van Gad en tegen de nakomelingen van Manasse: Vandaag weten wij dat de HEERE in ons midden is, omdat u deze trouwbreuk tegen de HEERE niet hebt gepleegd. Zo hebt u de Israëlieten verlost uit de hand van de HEERE. 32Daarop keerde Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, terug met de leiders van de nakomelingen van Ruben en de nakomelingen van Gad, uit het land Gilead naar het land Kanaän, naar de Israëlieten; en zij brachten verslag aan hen uit. 33Dat verslag was goed in de ogen van de Israëlieten, en de Israëlieten loofden God en zeiden dat zij niet [meer] met een leger tegen hen [ten strijde] zouden trekken om het land waarin de nakomelingen van Ruben en de nakomelingen van Gad woonden, te gronde te richten.

Israël aanvaardt de verklaring. De kritieke situatie, waarbij een burgeroorlog dreigt, is ten goede gekeerd. Een zacht antwoord heeft de woede afgewend (Sp 15:1a1Een zacht antwoord keert woede af,
maar een krenkend woord wekt toorn op.
)
. Het verslag van de ontmoeting bewerkt lof aan God.


De naam van het altaar

34En de nakomelingen van Ruben en de nakomelingen van Gad noemden dat altaar: Laat het een getuige zijn tussen ons dat de HEERE God is.

Waarom zou in een boek dat het in bezit nemen en verdelen van het beloofde land beschrijft, deze enkele geschiedenis zo gedetailleerd worden behandeld? Dat zal zijn omdat er belangrijke beginselen in naar voren komen met het oog op de eenheid van het volk van God, ingeval een gedeelte van dat volk aan een andere positie de voorkeur blijkt te geven. In de naam van het altaar komt tot uiting dat ook het afwijkende deel zijn betrekking tot de HEERE als hun God wil handhaven, in overeenstemming met het deel van het volk dat in het land woont.


Lees verder