Jozua
Inleiding 1-7 De verkenners bij Rachab 8-11 Getuigenis van Rachab 12-13 Rachab pleit voor haar familie 14-21 Het reddingsplan 22-24 Terugkeer van de verkenners
Inleiding

Voordat de doortocht plaatsvindt, ontmoeten we in dit hoofdstuk Rachab. In het Nieuwe Testament wordt gesproken over het “geloof” van “Rachab de hoer” en over de “werken” van “Rachab de hoer”:
Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen” (Hb 11:3131Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.).
“En is niet evenzo ook Rachab de hoer op grond van werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers opgenomen en langs een andere weg uitgelaten had?” (Jk 2:2525En is niet evenzo ook Rachab de hoer op grond van werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers opgenomen en langs een andere weg uitgelaten had?).

Rachab verbindt zich met het volk van God nog voordat Israël een overwinning heeft behaald. Door haar houding geeft zij haar verbinding met Jericho op. Zij gelooft dat het oordeel over de stad komt. Zij gelooft echter ook in de barmhartigheid van God. Aan haar verzoek om haar hele familie van het oordeel te redden wordt voldaan.

Dit soort geloof hebben wij nodig om de zegeningen die God ons heeft gegeven ook te kunnen genieten. Aan de ene kant horen we bij de gemeente van God en aan de andere kant zonderen we ons af van de wereld die onder het oordeel ligt. Om dit waar te maken moet voor ons leven wat Rachab in vers 11b11Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde. zegt: “Want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.”

Naast de praktische toepassing voor ons is er in de geschiedenis van Rachab ook een toepassing voor de toekomst voor het volk Israël. Hetzelfde kunnen we doen met het boek Handelingen, waarin het ontstaan en de eerste jaren van de gemeente worden beschreven. Voordat het volk het land binnentrekt, laat God ons in Rachab zien dat het naar Zijn gedachten is ook de heidenen in Zijn volk in te voeren.

Als Gods volk op het punt staat de zegen in bezit te nemen, toont deze geschiedenis dat God die zegen ook openstelt voor de heidenen. Rachab hoort bij ‘de volken in het vlees’ die nergens recht op of deel aan hebben (Ef 2:11-1211Daarom bedenkt dat u, die vroeger de volken in [het] vlees was [en] onbesneden werd genoemd door de zogenaamde besnijdenis die in [het] vlees met handen gebeurt,12dat u in die tijd zonder Christus was, vreemd aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte, terwijl u geen hoop had en zonder God was in de wereld.), maar tot wie de zegen van God evengoed komt als tot Zijn aardse volk. En onder die volken neemt zij ook nog eens een te verafschuwen plaats in: die van een hoer. In haar opneming in het volk van God schittert Gods genade op een grootse manier.

Bij de doortocht door de Rode Zee zien we geen figuur als Rachab, want na die doortocht komt het volk in de woestijn. De woestijn hoort niet bij de raadsbesluiten van God. Wanneer God bij de braamstruik tot Mozes spreekt over Zijn plan om het volk uit Egypte te voeren en naar het beloofde land te brengen, spreekt Hij ook niet over de woestijn (Ex 3:88Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.).

Het land is het land van de zegen. Het volk staat op het punt de raadsbesluiten van God, die louter zegen bevatten, binnen te trekken. En als het om zegen gaat, betrekt God de volken erbij en mogen zij daar ook deel aan hebben. Het is als met de wet en de genade. De wet is aan één volk gegeven: Israël. De genade blijft niet tot één volk beperkt, maar gaat verder: tot alle mensen. Zo kunnen alle mensen aan Gods zegen deel krijgen als zij een geloof hebben als dat van Rachab.

Wanneer Israël in de toekomst, nadat het tot bekering is gekomen, in het land zal zijn, zal er ook een grote massa uit de volken in de zegen delen. Aan die zegen krijgen de volken deel door middel van de boodschappers die de Heer zal uitzenden (Mt 25:31-4031Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.). Het begin van de gemeente laat ook zien dat de volken toegang krijgen tot de zegen (Hd 8:26-3926Een engel van [de] Heer nu sprak tot Filippus de woorden: Sta op en ga zuidwaarts de weg op die afdaalt van Jeruzalem naar Gaza; deze is woest.27En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een machthebber van Candacé, koningin van [de] Ethiopiërs, die haar schatbewaarder was, die naar Jeruzalem was gekomen om te aanbidden;28en hij was op de terugreis en zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja.29En de Geest zei tot Filippus: Ga naar die wagen en blijf er in de buurt.30En Filippus liep er snel heen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen; en hij zei: Begrijpt u wel wat u leest?31Hij nu zei: Hoe zou ik dat immers kunnen, als niet iemand mij begeleidt? En hij verzocht Filippus in te stappen en bij hem te komen zitten.32De Schriftplaats nu die hij las was deze: ’Als een schaap werd Hij naar [de] slachting geleid, en zoals een lam stom is tegen zijn scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open.33In Zijn vernedering werd Zijn oordeel weggenomen; wie zal Zijn geslacht vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen’.34De kamerling nu antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, van wie zegt de profeet dit: van zichzelf of van iemand anders?35En Filippus opende zijn mond en te beginnen van die Schrift verkondigde hij hem Jezus.36Toen zij nu langs de weg voortgingen, kwamen zij bij een water; en de kamerling zei: Kijk, water; wat verhindert mij gedoopt te worden? [37Dit vers is als niet-authentiek weggelaten]38En hij beval de wagen stil te houden. En zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.39Toen zij nu uit het water waren opgekomen, rukte [de] Geest van [de] Heer Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap.; 10:44-4844Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden.45En de gelovigen uit [de] besnijdenis, allen die met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat ook op de volken de gave van de Heilige Geest werd uitgestort;46want zij hoorden hen spreken in talen en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus:47Kan iemand soms het water weren, dat dezen niet zouden worden gedoopt, die de Heilige Geest hebben ontvangen evenals ook wij?48En hij beval hen te dopen in de Naam van Jezus Christus. Toen vroegen zij hem enige dagen te blijven.).

De eerste toepassing is dat God in de huidige christelijke tijd Zijn volk verzamelt uit alle volken om hen met het verheerlijkte Hoofd, Christus, in de hemel te verbinden. De gemeente, het lichaam van Christus, is niet alleen met Hem verbonden, maar met Hem een gemaakt in de hemel. Daarom hebben wij daar onze plaats.

In Handelingen zijn de eerste heidenen van wie we lezen dat zij tot geloof komen mensen met een hoge maatschappelijke plaats. We lezen over een kamerling die de schatbewaarder, ofwel de minister van financiën, van de koningin van Ethiopië is (Hd 8:2727En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een machthebber van Candacé, koningin van [de] Ethiopiërs, die haar schatbewaarder was, die naar Jeruzalem was gekomen om te aanbidden;) en over een Romeinse hoofdman (Hd 10:11Een man in Caesaréa nu, genaamd Cornelius, – een hoofdman van [de] legerafdeling, de Italische geheten,). Maar hier wordt ons een hoer voorgesteld. Zo wordt zij twee keer in het Nieuwe Testament genoemd (Hb 11:3131Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.; Jk 2:2525En is niet evenzo ook Rachab de hoer op grond van werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers opgenomen en langs een andere weg uitgelaten had?). Dat zij in Gods volk wordt opgenomen, laat Gods bijzondere genade zien. Die genade schittert helemaal als we opmerken dat zij zelfs de voormoeder van de Heer Jezus wordt (Mt 1:55en Salmon verwekte Boaz bij Rachab; en Boaz verwekte Obed bij Ruth; en Obed verwekte Isaï,).


De verkenners bij Rachab

1Daarna stuurde Jozua, de zoon van Nun, er vanuit Sittim in het geheim twee mannen als verkenners op uit, [en] zei: Ga [op weg], bekijk het land en Jericho. Zij gingen en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, van wie de naam Rachab was, en zij sliepen daar. 2Toen werd tegen de koning van Jericho gezegd: Zie, er zijn hier deze nacht mannen gekomen van de Israëlieten om het land te verkennen. 3Daarop stuurde de koning van Jericho [boden] naar Rachab om te zeggen: Breng de mannen naar buiten die naar u toe gekomen zijn [en] die uw huis zijn binnengegaan, want zij zijn gekomen om het hele land te verkennen. 4Maar de vrouw had die beide mannen ontvangen en zij had hen verborgen. Zij zei: Inderdaad zijn er mannen naar mij toe gekomen, maar ik wist niet waar zij vandaan [kwamen]. 5En het gebeurde bij het sluiten van de poort, toen het donker was, dat die mannen naar buiten gingen. Ik weet niet waar die mannen heen gegaan zijn. Achtervolg hen snel, u zult hen zeker inhalen. 6Maar zij had hen op het dak laten klimmen en hen verborgen onder de vlasstengels, die door haar op het dak uitgespreid waren. 7De mannen achtervolgden hen op de weg naar de Jordaan, tot aan de doorwaadbare plaatsen. En men sloot de poort, nadat hun achtervolgers er waren uitgegaan.

Jozua zendt twee verkenners uit. Het uitzenden is niet nodig om te beslissen over een eventueel binnentrekken van het land. Die beslissing is al genomen (Jz 1:1111Ga midden door het kamp en gebied het volk: Maak proviand voor u klaar, want nog binnen drie dagen zult u deze [rivier, de] Jordaan, oversteken, zodat u kunt binnengaan om het land in bezit te nemen dat de HEERE, uw God, u geeft om in bezit te nemen.). Waarom is het dan nodig? Gaat trouwens de HEERE Zelf niet voor hen uit? Dit uitzenden om te verkennen is niet zoals dat eerder in de woestijn is gebeurd. Daar is het vanwege het ongeloof van het volk. Hier is het omdat God ons wil laten zien dat Hij de Zijnen wil inschakelen als Zijn instrumenten en dat daarbij onze verantwoordelijkheid ten volle overeind blijft staan. Wij moeten de situatie die wij het hoofd moeten bieden in ogenschouw nemen om met inzicht en in afhankelijkheid van Hem te handelen.

Door het verkennen komt aan het licht dat het hart van de inwoners van het land is weggesmolten (vers 1111Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.). Dat te weten zal Israël bemoedigen. Tevens ligt het in Gods bedoeling om Rachab en haar familie te redden. Hij is een werk in haar hart begonnen. De verkenners worden door Hem gebruikt om dat werk te voltooien.

Het land en Jericho moeten worden bespied. Jericho is de deur naar het land en moet eerst worden veroverd wil het land kunnen worden ingenomen. Jericho is een beeld van de wereld. Zij stelt de wereld voor als het systeem waardoor de satan ons wil verhinderen om ons geestelijk erfdeel in bezit te nemen. De wereld oefent grote aantrekkingskracht op ons uit. Zolang dat het geval is, zijn wij zwak. We moeten het daarom eerst veroordelen in ons hart, zodat we vrij zijn van elke gebondenheid aan de wereld.

De verkenners moeten het land verkennen. Wil dat zeggen dat wij ook eerst de wereld moeten onderzoeken, omdat we dan pas weten waarvan we ons moeten afwenden? Nee. In de weg die God de verkenners laat gaan, zien we hoe het deze twee mannen vergaat. Daardoor leren wij de les met betrekking tot het verkennen van de wereld.

De twee mannen gaan het land in om de macht van de vijand te bespieden. Maar die macht krijgen ze niet te zien. In plaats daarvan hebben ze in Jericho in Rachab de macht van God ontmoet. God leidt de verkenners regelrecht naar het huis van Rachab. Ze zijn niet ver de stad ingegaan. Mogelijk zijn ze de eerste de beste woning ingegaan die ze kunnen binnengaan. En daarbij is het gebleven. Ze zijn alleen in het huis van Rachab geweest. Daar hebben ze het werk van God in het hart en het leven van Rachab gezien. God is in staat om in die stad en in het hart van een dergelijke vrouw zo’n machtig werk te doen. Op die manier komen ze in aanraking met Gods werk in macht en getuigenis.

Deze handelwijze van God leert ons dat wij, om het werkelijke karakter van de wereld te zien, naar het kruis moeten kijken. In het verwerpen van de Zoon van God wanneer Hij in goedheid op aarde is, zien we de ware aard van de wereld. Tevens zien we daar Gods oordeel over de wereld. Tussen Hem en de wereld is geen enkele band meer. Wie dat ziet, houdt de wereld voor gezien (Gl 6:1414Maar ik wil volstrekt niet roemen dan alleen in het kruis van onze Heer Jezus Christus, door Wie voor mij [de] wereld gekruisigd is en ik voor [de] wereld.). Dit kan alleen worden waargemaakt door mensen in wie God het nieuwe leven heeft gewerkt. Bij hen is een enorme verandering te constateren. Eerst is er liefde voor de wereld en wordt Gods volk gehaat. Nu is er liefde voor Gods volk en wordt de wereld gehaat. Dat is de kracht van het evangelie. Die kracht ontmoeten de verkenners in Rachab. Daarom hoeven ze niet verder het land in.

Veertig jaar eerder hebben twaalf andere Israëlieten het hele land verkend. Tien ervan komen terug vol ongeloof en lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden” (Nm 13:32-3332En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, [bestaat uit] mannen van grote lengte.33Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.). We moeten dus op de goede manier verkennen en dat is: zien wat God doet in levens. Dat overtuigt. Een God Die zo machtig is dat Hij mensen zo totaal kan veranderen, is ook machtig het hele land te geven.

Van Rachab wordt vermeld dat “zij de verspieders met vrede had opgenomen” (Hb 11:3131Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.). Dat staat lijnrecht tegenover de bedoelingen van de koning van Jericho. Hij zoekt de verkenners om hen om te brengen. De koningen van Kanaän, onder wie die van Jericho, zijn een beeld van de demonen. Zij haten God en Zijn gezanten.

Rachab liegt over de verkenners. Dat is haar oude natuur. We moeten dit niet goedpraten. God brengt iemand niet in omstandigheden om te zondigen (Jk 1:1313Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.). Maar we moeten haar ook niet te hard veroordelen. Wat zouden wij doen in een situatie waarbij het gaat om leven of dood voor anderen en onszelf? En hebben mannen Gods als Abraham en David ook niet gelogen in bedreigende situaties (Gn 12:11-1311En het gebeurde, toen hij op het punt stond om Egypte binnen te gaan, dat hij tegen zijn vrouw Sarai zei: Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent [die] knap is om te zien.12Als de Egyptenaren je zien, dan zullen ze zeggen: Dat is zijn vrouw! Dan zullen ze mij doden en jou in leven laten.13Zeg toch dat je mijn zuster bent, zodat het mij omwille van jou goed zal gaan en ik omwille van jou blijf leven.; 1Sm 21:22En David zei tegen de priester Achimelech: De koning heeft mij iets bevolen en zei tegen mij: Laat niemand iets weten van de zaak waarvoor ik u uitzend en die ik u opgedragen heb; de jongens heb ik laten weten [dat zij naar] een bepaalde plaats [moeten gaan].) en dat vanuit meer egoïstische motieven dan Rachab?

Met alle begrip voor het gedrag van Rachab moet voor ons duidelijk zijn dat liegen niet bij de nieuwe mens hoort, maar bij de oude mens (Ef 4:20-2520Maar zo hebt u Christus niet geleerd,21waar u Hem immers hebt gehoord en in Hem bent onderwezen, zoals [de] waarheid in Jezus is:22dat u, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens hebt afgelegd, die ten verderve gaat overeenkomstig zijn bedrieglijke begeerten,23en vernieuwd bent in de geest van uw denken,24en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.25Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar.). Wij zijn nog steeds in gevaar de werken van de oude mens te tonen. Wat Rachab doet, hoort bij de werken van Kanaän. Als ze de waarheid zou hebben gesproken, zou God wel op de een of andere manier hebben kunnen voorkomen dat haar en de verkenners kwaad zou worden gedaan (Gn 19:1111Zij sloegen de mannen die bij de deuropening van het huis waren, van klein tot groot, met blindheid, zodat zij tevergeefs moeite deden om de deuropening te vinden.; Jr 36:2626Verder gaf de koning Jerahmeël, de zoon van de koning, Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, bevel om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia [gevangen] te nemen. Maar de HEERE hield hen verborgen.).

God laat toe dat Rachab liegt. Hij is niet van haar leugen afhankelijk om de verkenners te redden. Voor de mannen is hierdoor wel duidelijk aan welke kant Rachab staat. Met gevaar voor eigen leven heeft ze hen opgenomen. Als de soldaten komen om hen gevangen te nemen, waarschuwt ze hen en verbergt hen. Deze daad is haar geloofsbelijdenis.

Rachab verbergt de verkenners omdat ze weet dat deze mannen haar enige hoop op redding zijn om te ontkomen aan het aanstaande oordeel. Van hun verberging hangt haar bevrijding af. Zij gelooft niet alleen in de God van Israël, maar zij maakt zich hier een met het Israël van God. Ze maakt zich ermee een, terwijl het volk nog niets bezit dan alleen God.

Rachab verbergt de verkenners onder vlasstengels. Dat heeft een mooie geestelijke betekenis. Vlas is de grondstof voor linnen. Linnen spreekt van de rechtvaardige daden van de gelovigen (Op 19:88en haar is gegeven bekleed te zijn met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.). Dat Rachab vlas tot haar beschikking heeft en daarmee een goed werk doet, geeft in de geestelijke betekenis aan dat in haar liederlijke leven al eerder een omkeer is gekomen. Zij is ijverig geweest in het goede (Sp 31:1313Zij zoekt wol en vlas [daleth]
en werkt volgens de wens van haar handen.
)
. Daardoor heeft zij in haar huis middelen waarmee zij de verkenners kan beschermen tegen de moordzucht van de vijand.


Getuigenis van Rachab

8Maar voor zij zich te slapen gelegd hadden, klom zij naar hen toe, op het dak, 9en zei tegen die mannen: Ik weet dat de HEERE u dit land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land weggesmolten zijn [van angst] voor u. 10Want wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En [ook] wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt. 11Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.

Door de belijdenis “ik weet”, geeft zij getuigenis van haar persoonlijk geloof. Ze toont een groter geloof dan de tien eerdergenoemde verkenners. Verder spreekt zij namens alle inwoners van het land een belijdenis uit (verzen 9b-11a9en zei tegen die mannen: Ik weet dat de HEERE u dit land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land weggesmolten zijn [van angst] voor u.10Want wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En [ook] wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt.11Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.). Ze belijdt dat de schrik op allen is gevallen en dat ze allen beven. Dit is wat Mozes heeft voorzegd, als het volk door de Rode Zee is getrokken: Niemand zal tegenover u standhouden; de HEERE, uw God, zal over heel het land dat u zult betreden, angst en vrees voor u geven, zoals Hij tot u gesproken heeft” (Dt 11:2525Niemand zal tegenover u standhouden; de HEERE, uw God, zal over heel het land dat u zult betreden, angst en vrees voor u geven, zoals Hij tot u gesproken heeft.; vgl. Ex 15:14-1614De volken hebben het gehoord, zij sidderden,
angst heeft de inwoners van Filistea aangegrepen.
15Toen werden door schrik overmand
de stamhoofden van Edom.
De machthebbers van Moab
greep huivering aan.
Al de inwoners van Kanaän smolten weg [van angst].
16Op hen viel
verschrikking en angst.
Door de grootheid van Uw arm
verstomden zij als een steen,
terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.
)
.

De loutere vaststelling dat het hart van hen weggesmolten is vanwege wat God heeft gedaan, is niet een geloofsbelijdenis die van het oordeel bevrijdt. Van de demonen weten we ook dat zij geloven “dat God één is … en zij sidderen” (Jk 2:1919U gelooft dat God één is? Daar doet u goed aan; de demonen geloven dat ook en zij sidderen.). Dit geloof is niet het reddende geloof, zoals dat bij Rachab persoonlijk aanwezig is. Demonen worden voorgesteld in de koningen van Kanaän. Hun geloof is, evenals dat van de demonen, een geloof in de kracht van God, terwijl ze tegelijkertijd deze God haten. Dat laat de koning van Jericho zien, want hij wil de verkenners doden. Hij kan niet anders dan God haten.

Niet alle mensen die in Kanaän wonen zijn een beeld van de demonen. Velen zijn slechts slaven van demonische machten. Zo iemand is ook Rachab. Voor haar is hoop, niet voor de demonen. Rachab spreekt er in geloof over dat de HEERE het land aan Zijn volk heeft gegeven. Dat brengt geen haat in haar hart, maar vertrouwen. Ze gelooft ook in de HEERE Zelf en dat niet als de God van een bepaald volk alleen, maar als de God van hemel en aarde (vers 11b11Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.). Deze belijdenis doet sterk denken aan wat Mozes de Israëlieten heeft voorgehouden en waarvan hij wil dat ze dat ter harte nemen: [Daarom] moet u heden weten en ter harte nemen dat de HEERE God is, boven in de hemel en beneden op de aarde, niemand anders!” (Dt 4:3939[Daarom] moet u heden weten en ter harte nemen dat de HEERE God is, boven in de hemel en beneden op de aarde, niemand anders!).


Rachab pleit voor haar familie

12Nu dan, zweer mij toch bij de HEERE, omdat ik goedertierenheid aan u bewezen heb, dat u ook goedertierenheid zult bewijzen aan het huis van mijn vader, en geef mij een teken van trouw 13dat u mijn vader en mijn moeder zult laten leven, en ook mijn broers en mijn zusters met al wat van hen is, en dat u ons leven van de dood redden zult.

Rachab vraagt niet alleen redding voor zichzelf. Hoewel ze niet het hoofd van een gezin is, vraagt ze toch redding voor haar hele familie. Dat is haar wens. Die maakt ze bekend. Ze vertrouwt op de goedheid van God. Het is naar Gods gedachten om families te redden. Dat neemt onze verantwoordelijkheid niet weg om hun daarover te vertellen. Rachab moet ook naar haar familie gaan om tegen hen te zeggen wat nodig is om gered te worden. We moeten uitgaan om het middel tot redding bekend te maken.

De zorg voor haar familie is een bewijs dat ze al met haar hoererij heeft gebroken. Voor een hoer betekenen door God ingestelde familierelaties niets, hoezeer ze er zelf soms het tegendeel van mag beweren. Als er sprake is van een echte bekering, merken we ook een verlangen dat verbroken familierelaties weer worden hersteld.

Er is geen enkel voor God geldig motief te bedenken waarom iemand in de prostitutie gaat of blijft. Nergens in de Bijbel wordt met enig respect of zelfs maar met enig begrip over hoererij gesproken. Altijd wordt het krachtig veroordeeld. Alle zonden zijn erg, maar God bestempelt hoererij als een bijzondere zonde (1Ko 6:1818Ontvlucht de hoererij! Elke zonde die een mens doet, gaat buiten het lichaam om, maar wie hoereert, zondigt tegen zijn eigen lichaam.). Maar ook voor een hoer is er genade. Dat zien we in Rachab.


Het reddingsplan

14Toen zeiden die mannen tegen haar: Als u deze zaak van ons niet bekendmaakt, [zetten wij] ons leven [in] om in uw plaats te sterven. Het zal dan gebeuren, wanneer de HEERE ons dit land geeft, dat wij aan u goedertierenheid en trouw zullen bewijzen. 15Daarop liet zij hen neer met een touw door het venster, want haar huis bevond zich op de stadsmuur en zij woonde op de muur. 16En zij zei tegen hen: Ga naar het bergland, anders treffen de achtervolgers u aan. Verberg u daar drie dagen, totdat de achtervolgers teruggekeerd zijn. Daarna kunt u uw weg vervolgen. 17De mannen zeiden tegen haar: Wij zullen vrij zijn van deze eed aan u, die u ons hebt laten zweren, [tenzij u het volgende doet]: 18Zie, als wij in het land komen, moet u dit koord van scharlaken draad aan het venster binden waardoor u ons hebt neergelaten. En verzamel bij u in huis uw vader, uw moeder, uw broers en heel uw familie. 19Dan zal het gebeuren [dat] het bloed van al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaat, op zijn [eigen] hoofd zal rusten, en wij zullen vrij zijn [van deze eed]. Maar van iedereen die bij u in huis is, zal zijn bloed op ons hoofd rusten, als [ook maar] één hand zich tegen hem keert. 20Maar als u deze zaak van ons bekendmaakt, dan zullen wij vrij zijn van uw eed, die u ons hebt laten zweren. 21Zij zei daarop: Laat het zijn zoals u gezegd hebt. Toen liet zij hen gaan, en zij gingen weg. En zij bond het scharlaken koord aan het venster.

Als Rachab haar wens heeft uitgesproken, heeft ze woorden van redding nodig. Die woorden worden door de verkenners gesproken. Ze hoeft niet met het volk van Jericho om te komen. Het middel wordt haar aangeboden. Wil ze er daadwerkelijk nut van hebben, dan is het noodzakelijk dat ze het getuigenis van de beide verkenners gelooft en doet wat zij hebben gezegd.

Rachab gelooft het getuigenis van de mannen. Ze heeft ook het geloof dat haar getuigenis door haar familie zal worden aangenomen. Als zij aan haar familie vertelt dat er redding is in haar huis, gelooft haar familie haar. Zij komen bij haar in huis en worden gered (Jz 6:22-2322En Jozua zei tegen de twee mannen, de verkenners van het land: Ga het huis van die vrouw, die hoer, binnen en breng de vrouw vandaar naar buiten, met alles wat van haar is, zoals u haar gezworen hebt.23Toen gingen de jongemannen, de verkenners, naar binnen en brachten Rachab naar buiten, met haar vader, haar moeder, haar broers, en alles wat van haar was. Ook brachten zij al haar familieleden naar buiten en zij lieten hen buiten het kamp van Israël verblijven.). Omdat zij haar woorden geloven, zijn zij gered. Hoe staan wij bekend, gelooft men ons getuigenis?

Lang geleden hebben ook eens twee mannen, engelen, getuigenis gegeven van het oordeel dat over Sodom zou komen aan een man die daar woont: Lot. Ze hebben hem voor dat oordeel gewaarschuwd en hem gevraagd wie hij nog meer in huis heeft. Als het erop aankomt, gaan zijn schoonzonen niet mee. Zij geloven het getuigenis van Lot niet (Gn 19:1414Toen ging Lot naar buiten en sprak tot zijn schoonzoons, die zijn dochters [tot vrouw] zouden nemen en zei: Sta op! Ga naar buiten, uit deze plaats! Want de HEERE gaat deze stad te gronde richten. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzoons als iemand die grappen maakte.). Het getuigenis van Lot vormt een schril contrast met dat van Rachab. Dat komt, omdat Lot wel een gelovige is, maar er totaal niet naar leeft, terwijl Rachab radicaal met haar oude leven heeft gebroken en zich aan Gods kant en de kant van Gods volk stelt.

In de beide verkenners die getuigen van de redding, kunnen we een beeld zien van de beide Getuigen Die God ons in onze tijd heeft gegeven: het Woord en de Geest. Gods Woord geeft ons de zekerheid van het oordeel en van de redding. Rachab heeft geloofd wat de verkenners, de getuigen, hebben gezegd. Daardoor is ze gered. Zo geeft het geloof in wat God heeft gezegd de zekerheid van de behoudenis.

De tweede Getuige is de Heilige Geest. Het Woord en de Geest getuigen van een Mens in de hemel. Dat spreekt van een volbracht werk. De Heer Jezus heeft de Heilige Geest gezonden om van Hem te getuigen: Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen” (Jh 16:13-1413Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.14Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.). Als de vijand ons wil aanvallen, mogen we zien op Hem.

Rachab toont twee geloofswerken, die allebei in het Nieuwe Testament worden genoemd. Het eerste geloofswerk is dat zij “de verspieders met vrede had opgenomen” (Hb 11:3131Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.). Het tweede geloofswerk is dat zij hen “langs een andere weg uitgelaten had” (Jk 2:2525En is niet evenzo ook Rachab de hoer op grond van werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers opgenomen en langs een andere weg uitgelaten had?). In Hebreeën 11:31 is sprake van haar geloof. In Jakobus 2:25 wordt gesproken over haar werken in het opnemen van de boodschappers, die ze langs een andere weg weer uitlaat. Beide getuigenissen vullen elkaar aan. Geloof zonder werken is dood (Jk 2:1717Zo is ook het geloof, als het geen werken heeft, op zichzelf dood.). Rachab bewijst haar geloof door haar daden.

Zij laat de verkenners gaan in het vertrouwen op hun toezegging. Jakobus spreekt over “boodschappers”, terwijl het toch verkenners zijn. Maar voor Rachab zijn het mannen die met een boodschap van God bij haar zijn gekomen. Zij spreken woorden van redding die zij nodig heeft. Ze is overtuigd van het komende oordeel, maar weet nog niet hoe ze daaraan kan ontkomen. Dat hebben zij haar verteld.

De verkenners zijn door de deur binnengekomen, maar Rachab laat hen door een andere weg, het raam, naar buiten. Ze laat hen gaan, maar in het vertrouwen dat ze zullen terugkomen. Rachab blijft met een gelukkig en hoopvol hart achter. Ze leeft niet meer bij de deur, maar bij het raam: ze ziet uit naar de verlossing. Het raam van Rachab is niet naar Jericho gericht, maar naar buiten, naar het volk van God.

De naam van Rachab komt in twee opmerkelijke namenlijsten in het Nieuwe Testament voor. Eerst in Mattheüs 1, in het geslachtsregister van de Heer Jezus (Mt 1:55en Salmon verwekte Boaz bij Rachab; en Boaz verwekte Obed bij Ruth; en Obed verwekte Isaï,). Zij is een van de vier vrouwen die in dat geslachtsregister worden genoemd. De tweede namenlijst is die van de geloofsgetuigen in Hebreeën 11. In die lijst worden slechts twee vrouwen genoemd: Sara en zij (Hb 11:11,3111Door [het] geloof ontving hij, hoewel Sara zelf onvruchtbaar was, kracht om te verwekken, en [dat] boven [de] bepaalde leeftijd, omdat hij Hem trouw achtte Die het beloofd had.31Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.). Daardoor wordt zij op een speciale wijze met de vrouw van Abraham verbonden.

Haar vermelding in Jakobus 2 verbindt haar met Abraham van wie een werk van het geloof in de voorgaande verzen wordt aangehaald (Jk 2:21-2521Is onze vader Abraham niet op grond van werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Izaäk op het altaar geofferd had?22U ziet dat het geloof samenwerkte met zijn werken en het geloof uit de werken volmaakt werd.23En de Schrift werd vervuld die zegt: ‘En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend’, en hij werd een vriend van God genoemd.24U ziet dat een mens op grond van werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen op grond van geloof.25En is niet evenzo ook Rachab de hoer op grond van werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers opgenomen en langs een andere weg uitgelaten had?). Zowel Abraham als zij wordt door Jakobus aangehaald om aan te tonen op welke manier het aanwezige, maar onzichtbare geloof door de werken zichtbaar wordt. Zeggen dat je gelooft, is niet voldoende. De belijdenis van het geloof wordt alleen gerechtvaardigd als er werken zijn die uit het geloof voortkomen en daardoor het bewijs leveren dat er echt geloof aanwezig is (Jk 2:2626Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.).

Overigens zijn de geloofsdaden van zowel Rachab als Abraham niet direct daden die door de wereld worden bewonderd. In de ogen van de wereld is Rachab een landverraadster en Abraham een kindermoordenaar. Daarom bepaalt niet de wereld wat geloofswerken zijn, maar God.

Zodra de verkenners zijn weggegaan, hangt ze het snoer uit het raam (vers 2121Zij zei daarop: Laat het zijn zoals u gezegd hebt. Toen liet zij hen gaan, en zij gingen weg. En zij bond het scharlaken koord aan het venster.). Ze wacht er niet mee, zoals de verspieders tegen haar hebben gezegd, tot het volk van God het land binnentrekt (vers 1818Zie, als wij in het land komen, moet u dit koord van scharlaken draad aan het venster binden waardoor u ons hebt neergelaten. En verzamel bij u in huis uw vader, uw moeder, uw broers en heel uw familie.). Ze legt direct getuigenis af van haar geloof. Het snoer betekent haar redding. Daardoor staat ze in verbinding met het volk van God. Haar huis staat op de muur, op de buitenzijde ervan. Daar laat zij de verkenners uit haar huis gaan. Het scharlaken snoer ziet op het werk van de Heer Jezus. Scharlaken is een rode kleurstof die verkregen is van een bepaald soort worm. Dit staat in verbinding met een uitspraak die profetisch op de Heer Jezus op het kruis doelt: “Maar Ik ben een worm en geen man” (Ps 22:77Maar ik ben een worm en geen man,
een smaad van mensen en veracht door het volk.
)
.

Scharlaken spreekt niet alleen van het lijden van de Heer Jezus, maar ook van Zijn koningschap. Koningen gaan gekleed in scharlaken. Hij verkrijgt Zijn koningschap door lijden. Opmerkelijk is dat het evangelie dat de Heer Jezus voorstelt als Koning, het evangelie naar Mattheüs, als enige van de vier evangeliën spreekt over ”een scharlaken mantel” die Hem spottend wordt omgedaan (Mt 27:2828En na Hem ontkleed te hebben deden zij Hem een scharlaken mantel om;).

De rode kleur spreekt van het bloed. Niet alleen de woorden van de verkenners, maar ook de grondslag van het vergoten bloed geeft de zekerheid van de redding. Rachab en haar familie schuilen als het ware achter het bloed (vgl. Ex 12:7,12-137En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.12Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.13En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf [teweegbrengt], als Ik het land Egypte zal treffen.).


Terugkeer van de verkenners

22Zij gingen weg, kwamen in het bergland en bleven daar drie dagen, totdat de achtervolgers teruggekeerd waren. Want de achtervolgers hadden hen op heel de weg gezocht maar niet gevonden. 23Toen keerden die twee mannen terug. Zij daalden af uit het bergland, staken over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun. Zij vertelden hem alles wat hun overkomen was, 24en zeiden tegen Jozua: Zeker, de HEERE heeft ons heel dat land in handen gegeven, want ook alle inwoners van het land zijn voor ons weggesmolten [van angst].

De verkenners zijn drie dagen in het land geweest. Het getal drie, dat vaker in de eerste hoofdstukken van Jozua voorkomt, wijst op de opstanding van de Heer Jezus. Hij is op de derde dag na Zijn dood uit de dood opgestaan (Mt 16:2121Van toen af begon Jezus Zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden vanwege de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.; 17:2323en zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij worden opgewekt. En zij werden zeer bedroefd.; 20:1919en Hem overleveren aan de volken om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.; Hd 10:4040Deze heeft God op de derde dag opgewekt, en gegeven dat Hij openbaar werd,; 1Ko 15:3-43Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften;4en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften;). Om de zegen van het land te leren kennen is het altijd van belang de opstanding van de Heer Jezus in gedachten te houden.

Het getuigenis dat de verkenners aan Jozua geven over de situatie in het land, is het getuigenis dat zij uit de mond van Rachab hebben gehoord en in haar daden hebben gezien. In haar hebben ze gezien wat God doet.


Lees verder