Jozua
1-2 Het lot voor Manasse 3-6 De dochters van Zelafead 7-10 De grens van Manasse 11-13 Steden van Manasse in Issaschar en Aser 14-18 De Jozefieten vragen meer ruimte
Het lot voor Manasse

1De stam Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was. Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead, kreeg [namelijk] Gilead en Basan, omdat hij een strijdbaar man was. 2Ook kregen de overgebleven nakomelingen van Manasse [een deel], naar hun geslachten, [namelijk] de nakomelingen van Abiëzer, de nakomelingen van Helek, de nakomelingen van Asriël, de nakomelingen van Sechem, de nakomelingen van Hefer en de nakomelingen van Semida. Dit zijn de mannelijke nakomelingen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun geslachten.

Het ene “lot” voor de stam Manasse, dat is het ene grondstuk, wordt verdeeld in twee stukken: een stuk voor Efraïm en een stuk voor Manasse. Hoewel Manasse de eerstgeborene is (Gn 41:5151Jozef gaf de eerstgeborene de naam Manasse. Want, [zei hij,] God heeft mij al mijn moeite en heel mijn familie doen vergeten.), heeft eerst Efraïm, die als eerstgeborene wordt gerekend (Gn 48:13-2013Daarna nam Jozef hen beiden: Efraïm aan zijn rechterhand – voor Israël was dat links – en Manasse aan zijn linkerhand – voor Israël was dat rechts. Zo liet hij hen dichter bij hem komen.14Maar Israël stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel deze de jongste was, en [hij legde] zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Hij kruiste zijn handen, hoewel Manasse de eerstgeborene was.15En hij zegende Jozef en zei:
De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben,
de God Die mij als herder geleid heeft, mijn [leven] lang tot op deze dag,
16de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens,
zodat door hen mijn naam genoemd zal blijven, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izak
en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen.17Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, was dat kwalijk in zijn ogen. Daarom greep hij de hand van zijn vader om die te verleggen van het hoofd van Efraïm naar het hoofd van Manasse.18Jozef zei tegen zijn vader: Niet zó, mijn vader, want dit is de eerstgeborene. Leg uw rechterhand op zijn hoofd.19Maar zijn vader weigerde het en zei: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk worden, ook hij zal aanzien krijgen; maar toch zal zijn jongste broer meer aanzien krijgen dan hij, en zijn nageslacht zal tot een grote menigte van volken worden.20Zo zegende hij hen op die dag; hij zei:
Israël zal met jullie [naam] zegenen door te zeggen:
Moge God u maken als Efraïm en als Manasse.
Zo plaatste hij Efraïm vóór Manasse.
)
zijn deel van het erfdeel gekregen. Daarna krijgt Manasse zijn deel van het erfdeel. Machir schijnt de enige zoon van Manasse te zijn geweest (Gn 50:2323Jozef zag van Efraïm de derde generatie; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op de knieën van Jozef geboren.). De andere zonen zijn dan in feite die van Machir.

Een deel van de zonen van Machir heeft, samen met de stammen Ruben en Gad, een erfelijk bezit van het Overjordaanse in bezit genomen. Ruben en Gad willen dat land omdat zij veel vee hebben (Nm 32:1,51Nu hadden de nakomelingen van Ruben veel vee; en de nakomelingen van Gad hadden geweldig veel [vee]. Zij bekeken het land Jaëzer en het land Gilead, en zie, die plaats was een [geschikte] plaats voor vee.5Verder zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, laat dit land uw dienaren tot bezit gegeven worden; laat ons niet de Jordaan oversteken.). Mogelijk heeft Machir ook veel vee, hoewel dat niet van hem vermeld staat. Maar hij zal wel een grote voorliefde voor dat vele vee hebben gehad. Hij sluit zich in elk geval bij Ruben en Gad aan. Dat betekent voor hen een welkome versterking, want hij is “een strijdbaar man”.

De overige zonen van Manasse kiezen voor een erfelijk bezit in het land. Gideon behoort tot de “nakomelingen van Abiëzer” (Ri 6:11,24,3411Toen kwam een Engel van de HEERE. Hij nam plaats onder de eik die bij Ofra is, die aan de Abiëzriet Joas toebehoorde. En zijn zoon Gideon klopte tarwe uit in de wijnpers om [die] voor de Midianieten te verbergen.24Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de HEERE en hij noemde het: De HEERE is vrede! Het is er nog tot op deze dag, in het Ofra van de Abiëzrieten.34Toen bekleedde de Geest van de HEERE Gideon. Hij blies op de bazuin, en Abiëzer werd achter hem bijeengeroepen.). Van Hefer stammen de dochters van Zelafead af. De tien delen die de stam krijgt (vers 55En aan Manasse vielen tien delen toe, behalve het land Gilead en Basan, dat aan de andere zijde van de Jordaan ligt.), bestaan uit zes delen, met daarin vijf delen voor de vijf zonen, en een zesde deel, dat van Hefer, dat in vijf delen wordt verdeeld voor de vijf dochters van Zelafead.


De dochters van Zelafead

3Maar Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters, en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. 4Dezen kwamen naar voren, bij Eleazar, de priester, en bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de leiders, en zeiden: De HEERE heeft Mozes geboden ons een erfelijk bezit te geven te midden van onze broeders. Daarom gaf hij hun, naar het bevel van de HEERE, een erfelijk bezit in het midden van de broers van hun vader. 5En aan Manasse vielen tien delen toe, behalve het land Gilead en Basan, dat aan de andere zijde van de Jordaan ligt. 6Want de dochters van Manasse ontvingen een erfelijk bezit te midden van zijn zonen, en het land Gilead was voor de overgebleven nakomelingen van Manasse.

Zoals dat vaker gebeurt, wordt ook hier de opsomming van namen onderbroken door een korte geschiedenis. Zulke geschiedenissen hebben een belangrijke plaats. In dit geval wordt iets verhaald wat tijdens de uitdeling van de steden in de harten aanwezig is. We hebben dat gezien bij Kaleb en Achsa. Hier zien we het bij de dochters van Zelafead.

De dochters van Zelafead kiezen bewust voor een erfelijk bezit “te midden van onze broeders” in het land en niet bij de andere helft van de stam die heeft gekozen voor het Overjordaanse. Vrouwen delen evenzeer in het erfelijk bezit als mannen. Hun optreden in het openbaar mag door God op andere wijze geregeld zijn dan dat van mannen, hun aandeel in de geestelijke zegeningen is dat niet.

Normalerwijze erven alleen de zonen. Dochters die trouwen, gaan delen in het erfdeel van de man met wie zij trouwen. Zelafead heeft alleen dochters. Zelafead is gestorven in de woestijn en kan dus zelf niet naar Jozua. Zijn dochters kunnen dat wel en ze doen dat ook. Voordat ze door de Jordaan zijn gegaan, zijn ze naar Mozes gegaan om een erfelijk bezit te vragen (Nm 27:1-111Toen kwamen de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, van de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef, naar voren. Dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, Milka en Tirza.2Zij gingen staan voor Mozes en voor Eleazar, de priester, en voor de leiders en heel de gemeenschap, [bij] de ingang van de tent van ontmoeting, [met het verzoek]:3Onze vader is gestorven in de woestijn, hoewel hijzelf niet behoorde tot de aanhang van hen die tegen de HEERE hadden samengespannen, tot de aanhang van Korach; hij is om zijn [eigen] zonde gestorven. Hij had echter geen zonen.4Waarom zou de naam van onze vader uit het midden van zijn geslacht worden weggenomen, [alleen maar] omdat hij geen zoon had? Geef ons bezit te midden van de broers van onze vader.5Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht van de HEERE.6En de HEERE sprak tot Mozes:7De dochters van Zelafead hebben gelijk; u moet hun inderdaad een eigen erfelijk bezit geven, te midden van de broers van hun vader, en u moet het erfelijk bezit van hun vader op hen doen overgaan.8En tegen de Israëlieten moet u zeggen: Wanneer iemand sterft en geen zoon heeft, dan moet u zijn erfelijk bezit op zijn dochter doen overgaan.9En als hij geen dochter heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan zijn broers geven.10En als hij geen broers heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan de broers van zijn vader geven.11Als ook zijn vader geen broers heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan zijn bloedverwant geven die uit zijn geslacht het nauwst aan hem verwant is, zodat die het in bezit neemt. Dit is voor de Israëlieten een rechtsverordening, zoals de HEERE Mozes geboden heeft.). Nu komen ze bij Eleazar en Jozua het toegezegde erfelijk bezit opeisen. Bij de vier keer dat Jozua en Eleazar in dit boek samen worden genoemd (vers 44Dezen kwamen naar voren, bij Eleazar, de priester, en bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de leiders, en zeiden: De HEERE heeft Mozes geboden ons een erfelijk bezit te geven te midden van onze broeders. Daarom gaf hij hun, naar het bevel van de HEERE, een erfelijk bezit in het midden van de broers van hun vader.; Jz 14:11Dit is wat de Israëlieten als erfbezit hebben ontvangen in het land Kanaän, wat de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten, hun als erfbezit toegewezen hebben.; 19:5151Dit is het erfelijk bezit dat Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen, door het lot aan de Israëlieten als erfelijk bezit toewezen, in Silo, voor het aangezicht van de HEERE, bij de ingang van de tent van ontmoeting. Zo voltooiden zij de verdeling van het land.; 21:11Toen kwamen de familiehoofden van de Levieten bij Eleazar, de priester, bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten,), staat Eleazar steeds voorop.

De dochters tonen geloof. Ze hadden kunnen zeggen: ’Waarvoor moeten wij een erfelijk bezit? Als we trouwen, krijgen we het ook wel.’ Maar ze hebben Gods gedachten begrepen dat Hij elke familie een erfdeel wil geven. De vrouwen tonen belangstelling voor wat God aan hun familie heeft toegedacht. Er is bij hen niet slechts een algemene belangstelling voor het land, maar zij wensen het door God speciaal voor hen bestemde deel. Zij geven als het ware God gelegenheid Zijn bedoeling waar te maken. Zij hebben om zo te zeggen een tweevoudig geloof dat redeneert:
1. God heeft iets voor ons en dat willen we niet missen.
2. Wij laten ons niet door gebrekkige omstandigheden verhinderen ernaar te vragen.

We kunnen dit toepassen op het luisteren naar of lezen van wat een broeder doorgeeft uit de Schrift. Dat is goed en belangrijk, maar dat is nog niet wat God voor ons persoonlijk heeft. Die broeder kan alleen doorgeven wat hij zelf in bezit heeft genomen. Zijn dienst zal ons aanmoedigen in bezit te nemen wat de Heer ons ieder persoonlijk gegeven heeft. Een zuster moet daarom zelf het Woord lezen en dat niet aan haar echtgenoot of de broeders van de plaatselijke gemeente overlaten.

We mogen niet tevreden zijn met wat anderen voor ons hebben verzameld. Als wij ernaar verlangen van God te ontvangen wat Hij voor ons persoonlijk aan zegen heeft toegedacht, zal Hij dat geven. Zwakheid en gebrek zijn geen redenen om af te zien van het deel dat God ons persoonlijk heeft toebedeeld.

Door het geloof van deze vrouwen krijgen zij ieder een erfelijk bezit en de vijf zonen krijgen er ieder ook één. Zo krijgt de stam van Manasse tien delen.


De grens van Manasse

7De grens van Manasse loopt dus van Aser af tot Michmetath, dat tegenover Sichem ligt. Deze grens loopt vervolgens in zuidelijke richting naar de inwoners van En-Tappuah. 8Het land van Tappuah behoorde wel aan Manasse toe, maar Tappuah zelf, aan de grens van Manasse, behoorde aan de nakomelingen van Efraïm toe. 9Daarna loopt de grens naar beneden naar de beek Kana, zuidelijk van de beek. Deze steden zijn van Efraïm te midden van de steden van Manasse. De grens van Manasse ligt ten noorden van de beek, en zijn eindpunt ligt bij de zee. 10Naar het zuiden toe was het van Efraïm, naar het noorden toe was het van Manasse, en de zee was zijn grens. In het noorden reikten zij tot Aser en in het oosten tot Issaschar.

Juda heeft het hele zuiden gekregen en Efraïm en Manasse krijgen het hele noorden, tot het latere Galiléa. Dit laat de bijzondere plaats van de Jozefieten zien. Het is een groot stuk. Er blijft niet veel voor de andere stammen over. Hun gebied strekt zich uit van de Jordaan in het oosten tot aan de zee in het westen. In het zuiden grenst Manasse aan Efraïm, in het noorden grenst het aan Aser en Issaschar, waarbij Aser in het noordwesten gelegen is en Issaschar in het noordoosten.


Steden van Manasse in Issaschar en Aser

11Want Manasse bezat in Issaschar en in Aser: Beth-Sean en de bijbehorende [plaatsen], Jibleam en de bijbehorende [plaatsen], de inwoners van Dor en de bijbehorende [plaatsen], de inwoners van En-Dor en de bijbehorende [plaatsen], de inwoners van Taänach en de bijbehorende [plaatsen], en de inwoners van Megiddo en de bijbehorende [plaatsen]: drie landstreken. 12De nakomelingen van Manasse waren niet in staat [de inwoners van] die steden te verdrijven, want de Kanaänieten wilden in dat land [blijven] wonen. 13En het gebeurde, toen de Israëlieten sterk werden, dat zij de Kanaänieten herendienst lieten verrichten, maar helemaal verdreven hebben zij hen niet.

Manasse heeft steden met hun bijbehorende plaatsen in het gebied van de stammen Issaschar en Aser. God heeft het zo beschikt, dat elke stam wel zijn bijzonder onvervreemdbaar erfdeel heeft, maar ook dat zij zich toch met elkaar zullen vermengen. Hierdoor blijft er onderlinge bekendheid en gemeenschap tussen hen bestaan. Er zal gelegenheid zijn om elkaar goede diensten te bewijzen. Dat past allemaal bij een volk dat wel uit verschillende stammen bestaat, maar dat toch één Israël vormt, waardoor ze verplicht zijn elkaar lief te hebben als broeders.

Manasse heeft de steden niet in bezit genomen door gebrek aan kracht, dat wil zeggen geloof, om de vijand te verdrijven. Hij heeft niet als ‘gemeente’ het erfelijk bezit in bezit genomen. Het uitroeien moet gebeuren, opdat de overlevende vijand geen valstrik voor hen zal worden (Dt 20:17-1817Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft,18opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.).


De Jozefieten vragen meer ruimte

14Toen zeiden de nakomelingen van Jozef tegen Jozua: Waarom hebt u mij als erfelijk bezit maar één lot en één deel gegeven, terwijl ik toch een groot volk ben, aangezien de HEERE mij tot nu toe gezegend heeft? 15Jozua zei tegen hen: Indien u een groot volk bent, ga dan naar het bos, en hak daar voor uzelf [de bomen] om in het land van de Ferezieten en van de Refaïeten, omdat het bergland van Efraïm te klein voor u is. 16Toen zeiden de nakomelingen van Jozef: Dat bergland zal voor ons niet groot genoeg zijn. Bovendien zijn er ijzeren strijdwagens bij alle Kanaänieten die in het land in het dal wonen, bij die in Beth-Sean en de bijbehorende [plaatsen] en bij [hen] die in het dal van Jizreël wonen. 17Daarop zei Jozua tegen het huis van Jozef, tegen Efraïm en Manasse: U bent een groot volk en u hebt grote kracht. U zult niet [slechts] één lot hebben, 18maar het bergland zal van u zijn. [En] omdat het een bos[gebied] is, moet u daar [de bomen] omhakken, dan zullen de uitlopers ervan voor u zijn. U zult de Kanaänieten voorzeker verdrijven, al hebben zij ijzeren strijdwagens [en] al zijn zij sterk.

De Jozefieten wenden zich tot Jozua omdat ze niet goed weten waar ze moeten gaan wonen. De bossen maken het naar hun mening onmogelijk om er te wonen en er zijn nog vijanden tegen wie ze zich niet opgewassen voelen. Ze zien nogal wat hindernissen. Dat zeggen ze niet met zoveel woorden. Hun argument is dat ze een groot volk zijn dat meer land nodig heeft. Jozua heeft wijsheid om dat te doorzien en laat zich niet door hen misleiden. Het mankeert hun aan inzet en geloof. Hij wijst hen op de mogelijkheden. Als ze zich inspannen, kunnen ze bomen omhakken, en als ze geloof hebben, hoeven ze niet bang te zijn voor de vijand. Als ze geloof hebben, zullen ze hun vijanden verdrijven.

Door het voorstel van Jozua zal duidelijk worden wat er in hen is. Als ze ernaar luisteren, zullen ze hun woongebied groter maken. Ze krijgen er dus niet meer land bij, maar ze kunnen het land dat hun gegeven is bewoonbaar maken door hindernissen eruit te verwijderen.

We moeten geen tegenwerpingen of bedenkingen inbrengen tegen wat God ons heeft gegeven. Als we dat doen, lijken we op “klagers over hun lot” (Jd 1:1616Dezen zijn morrenden, klagers over hun lot die naar hun begeerten wandelen, en hun mond spreekt gezwollen taal en zij bewonderen personen ter wille van voordeel.). Onze argumenten als ‘geen tijd’, ‘geen kracht’, ‘geen mogelijkheden’, houden voor de ware Jozua geen stand. Het komt niet op onze kracht aan, maar op ons geloof in de kracht van God.


Lees verder