Jozua
Inleiding 1-7 Nog in bezit te nemen land 8-13 Te verdelen land in het Overjordaanse 14 Het erfelijk bezit van Levi 15-23 Het erfelijk bezit van Ruben 24-28 Het erfelijk bezit van Gad 29-31 Het erfelijk bezit van de halve stam Manasse 32 Slotsom 33 De HEERE Zelf is het erfelijk bezit van Levi
Inleiding

De hoofdmacht van de vijand is gebroken. Jozua heeft al het land ingenomen (Jz 11:2323Zo nam Jozua heel dat land in, overeenkomstig alles wat de HEERE tegen Mozes gezegd had. Jozua gaf het aan Israël in erfelijk bezit, volgens hun indelingen wat hun stammen betreft. En het land rustte van de strijd.). Vanaf Jozua 13 krijgen de stammen, te beginnen met de tweeënhalve stam aan de andere zijde van de Jordaan, elk hun eigen erfdeel toegewezen. Dat moeten ze dan zelf in bezit gaan nemen.

Door het werk van de Heer Jezus is de christen in het bezit gesteld van alle aardse zegeningen en van alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten. Toch is er onderscheid in het genieten van die zegen. Iedere christen moet er persoonlijk voor zorgen daarvan te genieten. Dat kan alleen gebeuren door de relatie met de Heer Jezus echt te beleven, door persoonlijk en biddend de Bijbel te lezen.

Met dit hoofdstuk begint het tweede deel van het boek, dat handelt over de verdeling van het land. Het is een hoogst belangrijk moment in de geschiedenis van deze jonge natie. Na eeuwen van Egyptische slavernij, na decennia van omzwervingen in een woeste wildernis en na jaren van zware strijd is nu het ogenblik gekomen waarop de Israëlieten hun thuis zullen krijgen. Ze kunnen nu de grond gaan bewerken, gezinnen stichten en in vrede in het eigen land wonen onder het genot van de vrucht die het land oplevert.

In Jozua 1-12 hebben we de intocht in het land en de verovering ervan gezien. In Jozua 13 gaat het om de verdeling, de indeling van het land. Als het om de indeling gaat, laat God het ons zien naar de grootte die het in Zijn ogen heeft. Dat wil nog niet zeggen dat het allemaal al in bezit genomen is. God spreekt erover naar Zijn voornemen.

Jozua 13 is de algemene inleiding op het in bezit nemen van het eigen erfdeel door elke stam afzonderlijk. Eerst wordt er gewezen op het verder in bezit nemen (Jz 13:11Jozua nu was oud [en] op dagen gekomen, en de HEERE zei tegen hem: U bent zelf oud geworden en op dagen gekomen, en er is [nog] zeer veel land overgebleven om dat in bezit te nemen.) en daarna op het indelen (Jz 13:77Nu dan, verdeel dit land als erfelijk bezit onder de negen stammen en de halve stam Manasse,). Als we het in bezit nemen, kunnen we op Gods kracht rekenen. Wat in bezit moet worden genomen, wordt aangewezen door het lot. In bezit nemen en verdelen zijn twee dingen.

Het deel dat elke stam krijgt, verschilt van elke andere stam. Zo zijn geen twee gelovigen gelijk. Iedere gelovige heeft zijn eigen karakter, gaven, bezit. Hetzelfde geldt voor plaatselijke gemeenten. Daarvan zijn er ook geen twee gelijk. Niemand heeft alles, niemand heeft een totaal bezit. Iedere dienaar heeft zijn eenzijdigheid en ieder heeft de ander nodig als aanvulling.

In de indeling toont God de grote reikwijdte van Zijn zegeningen. Maar dat is iets anders dan het in bezit te nemen. Het in bezit nemen van het land als geheel hebben ze samen gedaan. Na de indeling moet ieder voor zich dat wat God hem heeft toevertrouwd in bezit nemen, want er wonen nog vijanden.


Nog in bezit te nemen land

1Jozua nu was oud [en] op dagen gekomen, en de HEERE zei tegen hem: U bent zelf oud geworden en op dagen gekomen, en er is [nog] zeer veel land overgebleven om dat in bezit te nemen. 2Dit is het land dat overgebleven is: alle gebieden van de Filistijnen en heel [het land van] de Gesuriet; 3vanaf de Sichor, die tegenover Egypte ligt, tot aan het gebied van Ekron in het noorden, dat tot [het gebied van] de Kanaänieten wordt gerekend. De vijf stadsvorsten van de Filistijnen, die van Gaza en die van Asdod, die van Askelon, die van Gath en die van Ekron, en de Avvieten; 4vanaf het zuiden heel het land van de Kanaänieten, en Meara, dat van de Sidoniërs is, tot aan Afek, tot aan het gebied van de Amorieten; 5bovendien het land van de Giblieten, en de hele Libanon, waar de zon opkomt, vanaf Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan Lebo-Hamath; 6allen die in het Bergland wonen vanaf de Libanon tot aan Misrefoth-Maïm, al de Sidoniërs. Ík zal hen van voor [de ogen] van de Israëlieten verdrijven. Alleen, maak dat het [land] aan Israël als erfelijk bezit toevalt, zoals Ik u geboden heb. 7Nu dan, verdeel dit land als erfelijk bezit onder de negen stammen en de halve stam Manasse,

God moet tegen Jozua zeggen dat er nog “zeer veel land overgebleven” is dat in bezit genomen moet worden. Is hij ook in rust verzonken? We proeven niet meer de atmosfeer van geestelijke energie om veroverend voort te gaan. Uiteindelijk heeft ook Jozua het volk niet in de beloofde rust gebracht (Hb 4:88Want als Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij daarna niet over een andere dag gesproken hebben.). Het volk zal pas in de ware rust worden binnengebracht door de Heer Jezus, van Wie Jozua wel vaak een beeld is, maar niet een volmaakt beeld.

God geeft een beschrijving van wat er nog moet worden veroverd. Hij wil dat zij de waarde van die streken zien, wat ze kunnen opleveren. Zo wil Hij hen gewillig maken de strijd weer aan te gaan.

Wij hebben die bemoediging ook regelmatig nodig. Om ons gewillig te maken de strijd te blijven voeren laat God ons de heerlijkheid van de hemelse zegeningen zien. Hij bemoedigt ons door te zeggen dat Hij de vijanden zal verdrijven, ja, dat de zegeningen bij voorbaat ons al als erfdeel gegeven zijn (vers 6a6allen die in het Bergland wonen vanaf de Libanon tot aan Misrefoth-Maïm, al de Sidoniërs. Ík zal hen van voor [de ogen] van de Israëlieten verdrijven. Alleen, maak dat het [land] aan Israël als erfelijk bezit toevalt, zoals Ik u geboden heb.).

Het land veroveren wil zeggen dat het nog in handen van de vijand is. In de praktische toepassing wil dat zeggen dat wij machten uit ons leven moeten verdrijven die nog ´land´ in bezit hebben, waardoor wij nog niet kan genieten van bepaalde zegeningen. Het genot van het land is verbonden met het in bezit nemen ervan. Het in bezit nemen ervan kan alleen door het verjagen van de vijand.

De vijanden die er nog zijn, zijn onder andere de Filistijnen. Zij zijn niet door de Rode Zee en door de Jordaan gegaan. Ze zijn via de gemakkelijke weg in het land gekomen. In hen hebben we een beeld van de naamchristenen, mensen die wel een belijdenis, maar geen nieuw leven hebben. Deze mensen eisen het land voor zichzelf op. We moeten alles waarvan de Filistijnen spreken uit ons leven wegdoen. Er zijn ook nog Kanaänieten in het land die verdreven moeten worden. Zij hebben altijd in het land gewoond. Zij zijn een beeld van de mensen van deze wereld die ons willen beletten het land in bezit te nemen.

Gods toezegging is dat Hij deze vijanden voor Zijn volk zal uitdrijven (vers 66allen die in het Bergland wonen vanaf de Libanon tot aan Misrefoth-Maïm, al de Sidoniërs. Ík zal hen van voor [de ogen] van de Israëlieten verdrijven. Alleen, maak dat het [land] aan Israël als erfelijk bezit toevalt, zoals Ik u geboden heb.). Altijd moet het volk het initiatief nemen en dan helpt God. Wij moeten de wens hebben de vijand uit ons leven te verdrijven. Als we zien op de belofte van God, dat Hij alle zegeningen van de hemel ons aan het einde van de strijd volledig te genieten zal geven, is dat een geweldige aansporing het land dat nog niet onderworpen is van vijanden te ontdoen.

Het lot is de manier waarop God Zijn wil bekendmaakt om Israël het land als erfelijk bezit te laten toevallen (vers 6b6allen die in het Bergland wonen vanaf de Libanon tot aan Misrefoth-Maïm, al de Sidoniërs. Ík zal hen van voor [de ogen] van de Israëlieten verdrijven. Alleen, maak dat het [land] aan Israël als erfelijk bezit toevalt, zoals Ik u geboden heb.; Sp 16:3333Het lot wordt in de schoot geworpen,
maar elke beslissing daardoor komt van de HEERE.
)
. Het werpen van het lot is de wijze waarop God het land onder Zijn volk verdeelt. Ieder van ons heeft zijn eigen bezit in het land, zijn eigen genot van de zegen. Niemand heeft hetzelfde genot van de zegen als een ander.


Te verdelen land in het Overjordaanse

8met wie de Rubenieten en Gadieten hun erfelijk bezit ontvangen hebben, dat Mozes hun gaf aan de overzijde van de Jordaan in het oosten, zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, hun gegeven had: 9vanaf Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, en de stad die aan de midden[loop] van de beek ligt, en heel de hoogvlakte van Medeba tot aan Dibon; 10en al de steden van Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon geregeerd heeft, tot aan het gebied van de Ammonieten; 11en Gilead en het gebied van de Gesurieten, de Maächatieten en heel de berg Hermon, en heel Basan, tot aan Salcha; 12en heel het koninkrijk van Og, in Basan, die geregeerd heeft in Astharoth en in Edreï. Deze was overgebleven van het overblijfsel van de Refaïeten, die Mozes verslagen en verdreven had. 13De Israëlieten verdreven echter de Gesurieten en de Maächathieten niet, maar Gesur en Maächath zijn tot op deze dag in het midden van Israël blijven wonen.

De verdeling van het Overjordaanse is door Mozes gebeurd (vers 88met wie de Rubenieten en Gadieten hun erfelijk bezit ontvangen hebben, dat Mozes hun gaf aan de overzijde van de Jordaan in het oosten, zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, hun gegeven had:). De verovering van het te verdelen land in het Overjordaanse wordt aan Mozes toegeschreven (vers 1212en heel het koninkrijk van Og, in Basan, die geregeerd heeft in Astharoth en in Edreï. Deze was overgebleven van het overblijfsel van de Refaïeten, die Mozes verslagen en verdreven had.). Maar evenals in het land zijn ook in het Overjordaanse niet alle vijanden verdreven (vers 1313De Israëlieten verdreven echter de Gesurieten en de Maächathieten niet, maar Gesur en Maächath zijn tot op deze dag in het midden van Israël blijven wonen.). Dat ligt niet aan Mozes, maar aan de ontrouw van het volk. De geloofskracht van Mozes wordt niet gedeeld door het volk.


Het erfelijk bezit van Levi

14Alleen de stam Levi gaf hij geen erfelijk bezit. De vuuroffers van de HEERE, de God van Israël, dat is hun erfelijk bezit, zoals Hij tot hem gesproken had.

De Levieten, waartoe we ook de priesters moeten rekenen, hebben geen erfelijk bezit. Zij zijn met de offerdienst verbonden. Zij krijgen een drievoudig erfelijk bezit: de vuuroffers, de HEERE Zelf (vers 3333Maar aan de stam van Levi gaf Mozes geen erfelijk bezit; de HEERE, de God van Israël, is Zelf hun erfelijk bezit, zoals Hij tegen hen gezegd heeft.) en het priesterschap (Jz 18:77Want de Levieten hebben geen deel in uw midden, maar het priesterschap van de HEERE is hun erfelijk bezit. Gad, Ruben en de halve stam Manasse hebben hun erfelijk bezit ontvangen aan de andere zijde van de Jordaan, in oostelijke richting, dat Mozes, de dienaar van de HEERE, hun gegeven heeft.). Het wijst op het onderscheid tussen de zegen en Hem Die de zegen geeft. Bij Levi staat niet het erfelijk bezit op de voorgrond, maar de HEERE, de Gever van het erfelijk bezit.


Het erfelijk bezit van Ruben

15En Mozes gaf [een deel] aan de stam van de Rubenieten, [ingedeeld] naar hun geslachten, 16zodat hun toeviel: het gebied vanaf Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, en de stad die aan de midden[loop] van de beek ligt, en heel de hoogvlakte tot aan Medeba; 17Hesbon en al zijn steden, die op de hoogvlakte liggen; Dibon, Bamoth-Baäl en Beth-Baäl-Meon; 18Jahza, Kedemoth en Mefaäth; 19Kirjathaïm, Sibma en Zeret-Hassahar op de berg in het dal; 20Beth-Peor, Asdoth-Pisga en Beth-Jesimoth; 21alle steden van de hoogvlakte, en heel het koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon regeerde, die Mozes verslagen heeft, met de vorsten van Midian, Evi, Rekem, Zur, Hur en Reba, vazallen van Sihon, inwoners van het land. 22Bovendien hebben de Israëlieten Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger, met het zwaard gedood, tegelijk met de [anderen] die door hen verslagen zijn. 23De grens van de Rubenieten was de Jordaan met [zijn] gebied. Dit is het erfelijk bezit van de Rubenieten, [ingedeeld] naar hun geslachten, [met] de steden en hun dorpen.

Bij het veroveren van het deel dat Ruben als erfelijk bezit heeft gekregen, hebben de Israëlieten Bileam gedood. Het lijkt de laatste oorlogshandeling van Mozes te zijn geweest voor zijn dood (Nm 31:1-2,81De HEERE sprak tot Mozes:2Neem voor de Israëlieten wraak op de Midianieten; daarna zult u met uw voorgeslacht verenigd worden.8Behalve hen die door hen verslagen werden, doodden zij ook de koningen van Midian: Evi, Rekem, Zur, Hur en Reba, de vijf koningen van Midian; ook doodden zij Bileam, de zoon van Beor, met het zwaard.). De herinnering aan deze daad moet voor de Rubenieten een indringende waarschuwing zijn zich te hoeden voor het kwaad dat Bileam heeft weten te stichten in Israël (Nm 25:1-31Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.2Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer.3Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.; 31:1616Zie, zíj waren door de raad van Bileam voor de Israëlieten de aanleiding tot trouwbreuk tegen de HEERE, in het geval van Peor, waardoor de plaag kwam onder de gemeenschap van de HEERE.). Voor ons betekent het een oproep om heilig te leven naar lichaam en geest: Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest, en [de] heiligheid volbrengen in [de] vrees van God” (2Ko 7:11Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest, en [de] heiligheid volbrengen in [de] vrees van God.).


Het erfelijk bezit van Gad

24En Mozes gaf [een deel] aan de stam van Gad, aan de Gadieten, [ingedeeld] naar hun geslachten, 25zodat hun toeviel: het gebied van Jaëzer en al de steden van Gilead; en het halve land van de Ammonieten, tot aan Aroër, dat tegenover Rabba ligt, 26en vanaf Hesbon tot Ramath-Mizpe en Bethonim; en vanaf Mahanaïm tot aan het gebied van Debir; 27en in het dal: Beth-Haram, Beth-Nimra, Sukkoth en Zafon, de rest van het koninkrijk van Sihon, de koning van Hesbon; de Jordaan en [zijn] gebied, tot aan het einde van de zee van Kinnereth, over de Jordaan, in oostelijke richting. 28Dit is het erfelijk bezit van de Gadieten naar hun geslachten, [met] de steden en hun dorpen.

Ramoth, in het erfelijk bezit van Gad, lijkt de eerste stad te zijn geweest die weer in handen van de vijanden van Gods volk is gevallen (1Kn 22:33Toen zei de koning van Israël tegen zijn dienaren: Weet u dat Ramoth in Gilead van ons is? En wij doen niets om het uit de hand van de koning van Syrië [terug] te nemen.). Het is een voorbode van de wegvoering van de tweeënhalve stam in zijn geheel door de Assyriërs die door God later als tuchtroede voor Zijn volk worden gebruikt.


Het erfelijk bezit van de halve stam Manasse

29En Mozes gaf [een deel] aan de halve stam Manasse dat aan de halve stam van de nakomelingen van Manasse bleef toebehoren, naar hun geslachten, 30zodat hun toeviel: het gebied vanaf Mahanaïm; heel Basan; heel het koninkrijk van Og, de koning van Basan; en al de dorpen van Jaïr, die in Basan liggen, zestig steden; 31en half Gilead, en Astharoth en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Basan; [dit alles] was voor de nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, [namelijk] de helft van de nakomelingen van Machir, naar hun geslachten.

Het erfelijk bezit van de halve stam Manasse bevat het koninkrijk van Og, beroemd om het beste hout, dat van de eikenbomen van Basan. Deze stam ligt ten noorden van Gad, reikt tot aan de berg Hermon, en omsluit een gedeelte van Gilead. Met deze halve stam Manasse zijn bekende namen verbonden. Zo ligt Mizpa in het grondgebied van deze halve stam. Er komen twee richters vandaan “Jaïr, … de Gileadiet” (Ri 10:33Na hem stond Jaïr op, de Gileadiet. Hij gaf tweeëntwintig jaar leiding aan Israël.) en “de Gileadiet Jefta” (Ri 11:11De Gileadiet Jefta nu was een strijdbare held, maar hij was het kind van een hoer. Gilead had Jefta echter verwekt.), evenals de bekende profeet “Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead” (1Kn 17:11En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: [Zo waar] de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!).

Bij het verzoek om het Overjordaanse als erfelijk bezit te krijgen heeft de tweeënhalve stam niet verder gekeken dan hun behoeften. Zij hebben veel vee, het land heeft veel weidegrond, de conclusie is snel getrokken. Zij hebben zich in hun keus laten leiden door hun ogen (vgl. Gn 13:10-1110En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte.11Daarom koos Lot voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en Lot trok naar het oosten; en zij werden van elkaar gescheiden.). Maar naast het feit dat ze hiermee een zekere minachting hebben getoond voor het eigenlijke erfelijk bezit van de HEERE voor Zijn volk, hebben ze ook geen oog voor de kwetsbare positie die zij hebben gekozen. Hun land heeft geen natuurlijke grenzen. Ze vormen een dankbaar object voor vijandige volken. Zoals gezegd, worden zij ook als eersten door de Assyriërs weggevoerd en verstrooid in de landen waarover de koning van Assyrië heerst (1Kr 5:2626Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.). Ze zijn tot op vandaag niet in hun gebied teruggekeerd.


Slotsom

32Dit is het wat Mozes als erfbezit toewees in de vlakten van Moab, aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, in oostelijke richting.

Dit vers stelt vast dat de toewijzing van de gebieden in het Overjordaanse aan de tweeënhalve stam is gebeurd door Mozes.


De HEERE Zelf is het erfelijk bezit van Levi

33Maar aan de stam van Levi gaf Mozes geen erfelijk bezit; de HEERE, de God van Israël, is Zelf hun erfelijk bezit, zoals Hij tegen hen gezegd heeft.

Wat de tweeënhalve stam heeft gekregen, vormt een groot contrast met het deel van de Levieten. De HEERE Zelf is het erfelijk bezit van Levi: Daarom heeft Levi geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; de HEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft” (Dt 10:99Daarom heeft Levi geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; de HEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.; 18:2). Dit erfelijk bezit wordt hun niet gegeven door Mozes, maar zij krijgen dat naar de belofte van de HEERE Zelf.


Lees verder