Jozua
1-5 De koningen van het noorden 6-9 De koningen en hun legers verslagen 10-14 Oordeel over de steden 15 Jozua is in alles gehoorzaam geweest 16-22 Overzicht van de veroveringen 23 Het land rust van de strijd
De koningen van het noorden

1Het gebeurde daarna, toen Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, dat hij [een bode] stuurde naar Jobab, de koning van Madon, naar de koning van Simron, naar de koning van Achsaf, 2naar de koningen die in het noorden in het Bergland, in de Vlakte ten zuiden van Kinneroth, in het Laagland en in de heuvels van Dor in het westen [woonden], 3naar de Kanaänieten in het oosten en in het westen, de Amorieten, de Hethieten, de Ferezieten en de Jebusieten in het Bergland en de Hevieten onder aan de Hermon, in het land van Mizpa. 4Zij trokken uit, en met hen al hun legers: veel volk, zo talrijk als de zand[korrels] die aan de oever van de zee zijn, en zeer veel paarden en wagens. 5Al deze koningen verzamelden zich, en zij kwamen en sloegen gezamenlijk hun kamp op bij de wateren van Merom om tegen Israël te strijden.

Jabin, dat betekent ‘de wijze’ of ‘de intelligente’, de koning van Hazor, is niet zomaar een koning. Hij regeert over de voornaamste van alle koninkrijken (vers 1010Jozua keerde in diezelfde tijd terug en nam Hazor in, en de koning ervan versloeg hij met het zwaard. Vroeger was Hazor namelijk het hoofd van al deze koninkrijken.). Hij is de koning van het machtigste rijk. We kunnen in hem dan ook een beeld van het hoofd van alle demonen zien, van de satan zelf. De satan heeft veel instrumenten, trawanten, die aan hem onderworpen zijn en zijn wil uitvoeren. Dat zijn de boze machten, de demonen, in de hemelse gewesten. Daarmee hebben we te doen, niet zozeer rechtstreeks met de satan zelf, maar met zijn engelen. In Hazor treffen we de hoofdstad van alle koningen, het hoofdbolwerk van de demonen.

Het gaat er in onze geestelijke strijd om dat we niet alleen de demonen overwinnen, maar dat wij het hoofd van de vijand overwinnen, de boze. Johannes zegt in zijn eerste brief dat de jongelingen dat hebben gedaan. Hij zegt dat zij “de boze” (enkelvoud) overwonnen hebben (1Jh 2:1414Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze overwonnen hebt.), niet dat zij de bozen (meervoud) overwonnen hebben.

De kracht van Hazor ligt in zijn menigte. Hij komt met een enorm bondgenootschap. Ook hier verzamelen zich volken die onderling vaak in strijd zijn, maar nu samen optrekken om tegen Gods volk te strijden (vgl. Lk 23:1212Herodes en Pilatus nu werden op diezelfde dag vrienden met elkaar, want zij leefden tevoren in vijandschap jegens elkaar.). Voor Gods volk is het een gelegenheid om die strijd aan te gaan en juist doordat de vijand zich zo heeft verzameld een grote overwinning te behalen. Als we de vijand in grote overmacht op ons zien afkomen, is dat een gelegenheid om Gods kracht te openbaren.

De vijandelijke legers verzamelen zich bij de wateren van Merom. Ook hier zien we een beeld van de grote strijd in de eindtijd, waar alle koningen van de aarde zich verzamelen om strijd te voeren tegen God. In werkelijkheid is het God Die hen daar verzamelt om hen in één slag te vernietigen: Want het zijn geesten van demonen die tekenen doen [en] die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige. Zie, Ik kom als een dief. Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandelt en men zijn schaamte niet ziet. En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet” (Op 16:14-1614want het zijn geesten van demonen die tekenen doen [en] die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige.15Zie, Ik kom als een dief. Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandelt en men zijn schaamte niet ziet.16En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.). De strijd in Harmagedon zal in de buurt van het hier genoemde Merom plaatsvinden.


De koningen en hun legers verslagen

6En de HEERE zei tegen Jozua: Wees niet bevreesd voor hen, want morgen om deze tijd zal Ik hen allen als gesneuvelden overgeven voor [de ogen van] Israël. Van hun paarden moet u de pezen doorsnijden en hun wagens met vuur verbranden. 7Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam onverwachts op hen af aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen. 8En de HEERE gaf hen in de hand van Israël, en zij versloegen hen en achtervolgden hen tot aan Groot-Sidon, tot Misrefoth-Maïm, en tot het dal van Mizpe in het oosten. En zij versloegen hen, totdat zij geen overlevende onder hen hadden overgelaten. 9Jozua deed met hen zoals de HEERE hem gezegd had: van hun paarden sneed hij de pezen door en hun wagens verbrandde hij met vuur.

De HEERE bemoedigt Jozua en zegt tegen hem dat hij niet bevreesd moet zijn (vers 66En de HEERE zei tegen Jozua: Wees niet bevreesd voor hen, want morgen om deze tijd zal Ik hen allen als gesneuvelden overgeven voor [de ogen van] Israël. Van hun paarden moet u de pezen doorsnijden en hun wagens met vuur verbranden.). Vaak zijn wij bang in plaats van het voorrecht te zien om tegenover een grote menigte te staan. Maar God wil altijd door weinigen een grote overwinning behalen. Hij wil dat wij daarbij op Hem steunen (Ps 20:88Dezen [vertrouwen] op strijdwagens en die op paarden,
maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
)
en ons in geen enkel opzicht door de tegenstanders” laten “afschrikken” (Fp 1:27b-28a27Alleen, wandelt waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik uw omstandigheden hoor, dat u vast staat in één geest, terwijl u één van ziel meestrijdt met het geloof van het evangelie28en u in geen enkel opzicht door de tegenstanders laat afschrikken. Voor hen is dit een bewijs van verderf, maar van uw behoudenis, en dat van Godswege.). Dit moeten we leren. Daarom laat God ons zulke ervaringen opdoen.

De strijdmiddelen van de vijand moeten onklaar gemaakt en vernietigd worden. Dat maakt hergebruik onmogelijk, zowel voor de vijand als voor Israël. God wil niet dat Zijn volk de middelen van de wereld gebruikt om overwinningen te behalen, waardoor de wereld de eer van de overwinning kan claimen. Elke overwinning mag alleen worden toegeschreven aan Hem, Die deze ook feitelijk geeft.


Oordeel over de steden

10Jozua keerde in diezelfde tijd terug en nam Hazor in, en de koning ervan versloeg hij met het zwaard. Vroeger was Hazor namelijk het hoofd van al deze koninkrijken. 11Zij sloegen al wat leefde wat daarin was, met de scherpte van het zwaard, en sloegen hen met de ban. Er bleef niets over van al wat adem had, en Hazor verbrandde hij met vuur. 12Vervolgens nam Jozua alle steden van deze koningen in, en al hun koningen sloeg hij met de scherpte van het zwaard, en hij sloeg hen met de ban, zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, geboden had. 13Alleen verbrandden de Israëlieten geen steden die op hun heuvel gelegen waren, behalve alleen Hazor; dat verbrandde Jozua. 14En heel de buit van deze steden en het vee roofden de Israëlieten voor zichzelf. Maar alle mensen sloegen zij met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen weggevaagd hadden; zij lieten niets over van wat adem had.

Hazor wordt ingenomen. Omdat het een machtige stad is, zou het menselijk verstand kunnen redeneren dat dit een geschikte hoofdstad voor Israël zou kunnen zijn. Maar God staat niet toe dat de zetel van wereldse macht en invloed de zetel van Zijn volk wordt, want Zijn volk is uitsluitend afhankelijk van Hem. Hazor wordt niet de nieuwe hoofdstad van Israël, maar wordt volkomen vernietigd. God wil geen spoor overlaten van de macht die tevoren heeft geheerst.

Helaas is door de ontrouw van Gods volk deze stad weer opgebouwd. In de tijd van de richters blijkt dat deze stad zelfs voor enige tijd over Gods volk heerst. Dat gebeurt als gevolg van de tucht die God over Zijn volk moet brengen vanwege hun ontrouw (Ri 4:1-2a1Toen Ehud gestorven was, deden de Israëlieten opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE.2Daarom leverde de HEERE hen over in de hand van Jabin, koning van Kanaän, die te Hazor regeerde. En zijn legerbevelhebber was Sisera. Deze nu woonde in Haroseth-Haggojim.). Als het volk dan tot Hem gaat roepen, bevrijdt Hij hen van deze vijand door Barak en Debora. Debora bezingt met Barak die bevrijding in een lied (Ri 5:11Toen zong Debora met Barak, de zoon van Abinoam, op die dag:
)
. In dat lied vermeldt ze de ondergang van deze vijand (Ri 5:19-2119De koningen kwamen, zij streden.
Toen streden de koningen van Kanaän
bij Taänach, aan het water van Megiddo,
[maar] buit aan zilver namen zij niet mee.
20Vanuit de hemel streden zij,
vanuit hun banen streden de sterren
tegen Sisera.
21De beek Kison sleurde hen mee,
de aloude beek, de beek Kison!
Vertrap, mijn ziel, de sterken!
)
. In Psalm 83 wordt God opgeroepen om aan de grote noordelijke verzameling van legers in de laatste dagen te doen wat Hij met deze koning heeft gedaan (Ps 83:1010Doe met hen als met Midian, als met Sisera,
als met Jabin aan de beek Kison:
)
.

Niet alle steden worden verbrand. God heeft Zijn volk beloofd dat zij in steden zullen wonen die zij zelf niet hebben gebouwd (Dt 6:10-1110Wanneer het dan gebeuren zal dat de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven – grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt,11huizen, vol van allerlei kostbare [dingen], waarmee u ze niet gevuld hebt, uitgehakte putten, die u niet uitgehakt hebt, en wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt – en u gegeten hebt en verzadigd bent,). Niet alles moet worden verwoest. Dingen die hun tot nut zijn, moeten gespaard blijven (Dt 20:19-2019Wanneer u een stad vele dagen belegert [en] ertegen strijdt om haar in te nemen, dan moet u haar [vrucht]bomen niet te gronde richten door de bijl erin te slaan. U kunt er immers van eten; daarom mag u ze niet omhakken om ze een belegerings[wal] voor u te laten worden, want het geboomte van het veld is [voedsel voor] de mens.20Maar de bomen waarvan u weet dat het geen vruchtbomen zijn, mag u te gronde richten en omhakken om een belegerings[wal] te bouwen tegen de stad die oorlog tegen u voert, totdat ze ten onder gaat.). Wel worden alle inwoners gedood, naar het bevel van de HEERE (Dt 7:1-61Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,2en [wanneer] de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.3U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.4Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u [al] snel wegvaagt.5Maar zo moet u met hen doen: hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen omhakken en hun beelden met vuur verbranden.6Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.; 20:16-1816Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten.17Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft,18opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.). Deze totale uitroeiing hoeft geen verbazing te wekken, zoals zo vaak is gebeurd, over het feit dat een liefdevolle God hiertoe beveelt. Wie God van wreedheid beschuldigt, kent Hem niet en kent ook zichzelf niet.

De God van het Oude Testament is geen andere God dan de God van het Nieuwe Testament, alsof we daar een God van liefde en hier een God van wraak hebben. Van de God van het Nieuwe Testament staat: “Immers, onze God is een verterend vuur” (Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.), terwijl de God van het Oude Testament eveneens een God van liefde is.

Is het onrechtvaardig dat God al deze mensen laat ombrengen? Nee. Er zijn verschillende redenen te geven die duidelijk maken dat God terecht zo handelt:
1. God oordeelt nooit zonder waarschuwing en voldoende tijd om de waarschuwing ter harte te nemen. Deze Kanaänieten hebben een getuigenis van God in hun midden gehad in Melchizedek (Gn 14:1818En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
)
. Ze kunnen dus niet zeggen dat ze nog nooit van God hebben gehoord. Tevens weten ze wat Hij voor Zijn volk heeft gedaan in Egypte en daarna.
2. De lankmoedigheid van God heeft vierhonderd jaar gewacht, tot de ongerechtigheid van de Amorieten vol is (Gn 15:1616De vierde generatie zal hier terugkeren, want [de maat] van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.). Hij wacht lang, maar niet eindeloos. Hij heeft honderdtwintig jaar gewacht, voordat Hij de zondvloed heeft laten komen (Gn 6:33Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.). Hij wacht in Zijn lankmoedigheid nu al bijna tweeduizend jaar (2Pt 3:8-98Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat één dag bij [de] Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.9[De] Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.) sinds de mens de grootste zonde ooit heeft begaan door Zijn Zoon te vermoorden. Maar als de boosheid van de Kanaänieten alles te boven gaat, kan God niet anders dan hen oordelen. Alles wat een mens maar aan zonden kan bedenken en bedrijven, doen zij. Zij verdienen het oordeel.
3. Ze weten dat God een Rechter is. Het is hun bekend wat Hij in en met Egypte heeft gedaan. Maar geen van de steden gedraagt zich vriendelijk tegenover de Israëlieten (vers 1919Er was geen stad die vrede sloot met de Israëlieten, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon. Alles namen zij door strijd in.). Dat is het gevolg van de verharding van hun hart. Dat doet hun schuld niet teniet. God verhardt een hart alleen als iemand zelf eerst zijn hart heeft verhard. Verharding is een oordeel van God, nadat de mens heeft geweigerd zich te onderwerpen aan God. Er is sprake van verharding bij de heidenen (Rm 1:24,26,2824Daarom heeft God hen in de begeerten van hun harten overgegeven aan onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;26Daarom heeft God hen overgegeven aan onterende hartstochten; want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke;28En daar het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verkeerd denken, om dingen te doen die niet betamen;), bij de Joden (Rm 11:2525Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan;) en de naamchristenen (2Th 2:11-1211En daarom zendt God hun een werking van [de] dwaling om de leugen te geloven,12opdat allen geoordeeld worden die de waarheid niet hebben geloofd, maar een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid.).

Het voorbeeld van Rachab en de Gibeonieten maakt duidelijk dat God onveranderd is in Zijn verlangen om mensen te redden (Rm 10:1313‘want ieder die de Naam van [de] Heer zal aanroepen, zal behouden worden’.). Rachab en ook de Gibeonieten spreken over de dreiging, waarvan alle inwoners van Kanaän hebben gehoord (Jz 2:9-119en zei tegen die mannen: Ik weet dat de HEERE u dit land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land weggesmolten zijn [van angst] voor u.10Want wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En [ook] wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt.11Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.; 9:9-109Zij zeiden tegen hem: Uw dienaren zijn uit een zeer ver land gekomen, omwille van de Naam van de HEERE, uw God, want wij hebben Zijn roem gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft,10en alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan [woonden]: Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth [woonde].). Toch nemen alleen zij hun toevlucht tot het volk van God om aan het oordeel te ontkomen, zij het op verschillende manieren. Daar vinden ze allebei behoudenis van het oordeel.

God bestemt niemand voor de hel. Het is nu nog “[de] aangename tijd”, “[de] dag van [de] behoudenis” (2Ko 6:22(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),) om aan het oordeel van de hel te ontkomen. Maar God bepaalt wel het tijdstip waarop aan die tijd en die dag een einde komt, terwijl Hij nu nog steeds de oproep tot bekering laat klinken. Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren, omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen, door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken” (Hd 17:30-3130Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren,31omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken.).


Jozua is in alles gehoorzaam geweest

15Zoals de HEERE aan Mozes, Zijn dienaar, geboden had, zo had Mozes aan Jozua geboden, en zo deed Jozua. Hij deed niet één woord af van alles wat de HEERE aan Mozes geboden had.

Aan het einde van de strijd herinnert de schrijver eraan dat overwinning en zegen het gevolg zijn van gehoorzaamheid. Jozua heeft alles gedaan zoals de HEERE hem door Mozes heeft geboden.


Overzicht van de veroveringen

16Zo nam Jozua heel dit land in: het Bergland en heel het Zuiderland, heel het land Gosen, het Laagland, de Vlakte en het Bergland van Israël met zijn laagland; 17van het Kale Gebergte af, dat oploopt naar Seïr, tot Baäl-Gad toe, in het dal van de Libanon, onder aan de berg Hermon. Ook al hun koningen nam hij gevangen en hij versloeg hen en doodde hen. 18Vele dagen voerde Jozua strijd tegen al deze koningen. 19Er was geen stad die vrede sloot met de Israëlieten, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon. Alles namen zij door strijd in. 20Want het kwam van de HEERE dat Hij hun harten zo verhardde dat zij Israël met strijd tegemoet trokken. [Het was] opdat [Jozua] hen met de ban zou slaan [en] er voor hen geen genade zou zijn, maar opdat hij hen weg zou vagen, zoals de HEERE aan Mozes geboden had. 21In die tijd kwam Jozua en roeide de Enakieten uit, van het bergland, van Hebron, van Debir, van Anab en van het hele Bergland van Juda, en van het hele Bergland van Israël. Jozua sloeg hen met hun steden met de ban. 22Er bleef niemand van de Enakieten over in het land van de Israëlieten. Alleen in Gaza, Gath en Asdod zijn er overgebleven.

De “vele dagen” van de strijd (vers 1818Vele dagen voerde Jozua strijd tegen al deze koningen.) komen neer op ongeveer zes à zeven jaar. Dat valt af te leiden uit de tijdstippen die Kaleb in de terugblik op zijn leven noemt (Jz 14:7,107Ik was veertig jaar oud toen Mozes, de dienaar van de HEERE, mij vanuit Kades-Barnea uitstuurde om het land te verkennen en toen ik hem verslag uitbracht zoals het in mijn hart was.10En zie, nu heeft de HEERE mij in het leven behouden, zoals Hij gesproken heeft. Het is nu vijfenveertig jaar [geleden] dat de HEERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël door de woestijn trok, en nu, zie, ik ben vandaag vijfentachtig jaar oud.). Met de “vele dagen” die de verovering heeft gevergd, is ook voldaan aan wat de HEERE heeft gezegd over het verdrijven van de vijanden: Ik zal hen niet in één jaar vóór u uit verdrijven, anders wordt het land een woestenij en worden de [wilde] dieren van het veld u te talrijk. Ik zal hen geleidelijk vóór u uit verdrijven, totdat u [zo in aantal] toegenomen bent dat u het land in erfbezit kunt nemen” (Ex 23:29-3029Ik zal hen niet in één jaar vóór u uit verdrijven, anders wordt het land een woestenij en worden de [wilde] dieren van het veld u te talrijk.30Ik zal hen geleidelijk vóór u uit verdrijven, totdat u [zo in aantal] toegenomen bent dat u het land in erfbezit kunt nemen.; vgl. Dt 7:2222De HEERE, uw God, zal deze volken van voor uw [ogen] verdrijven, [maar] geleidelijk: u zult hen niet onmiddellijk kunnen vernietigen, anders zouden de dieren van het veld talrijker worden dan u.).

Ook de Enakieten, de reuzen voor wie ze zo bang zijn geweest (Nm 13:3333Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.), worden uitgeroeid (vers 2121In die tijd kwam Jozua en roeide de Enakieten uit, van het bergland, van Hebron, van Debir, van Anab en van het hele Bergland van Juda, en van het hele Bergland van Israël. Jozua sloeg hen met hun steden met de ban.). Zonder God zijn we niets en verliezen we van dwergen. Met God kunnen we alles en zijn reuzen niets. Toch blijven er nog enkele reuzen over (vers 2222Er bleef niemand van de Enakieten over in het land van de Israëlieten. Alleen in Gaza, Gath en Asdod zijn er overgebleven.). Een uit hun nageslacht zal Goliath zijn. We moeten zulke enkelingen niet als kleinigheid van de hand doen. Als we ook maar iets van de vijand laten overblijven, zal dat ons in de grootste problemen brengen. De reuzen die overblijven, vinden een toevlucht in enkele steden van de Filistijnen, van wie de invloed spoedig merkbaar zal worden als het volk ontrouw wordt.


Het land rust van de strijd

23Zo nam Jozua heel dat land in, overeenkomstig alles wat de HEERE tegen Mozes gezegd had. Jozua gaf het aan Israël in erfelijk bezit, volgens hun indelingen wat hun stammen betreft. En het land rustte van de strijd.

Na een lange tijd van strijd komt er rust. De rust is hier het gevolg van trouw in de strijd. Deze vermelding van rust in het land komt drie keer voor in het boek: hier in verbinding met Jozua, in Jozua 14 in verbinding met Kaleb (Jz 14:1515De naam van Hebron was vroeger stad van Arba, die een groot man was onder de Enakieten. En het land rustte van de strijd.) en in Jozua 21 in verbinding met het erfdeel van de Levieten te midden van het volk Israël (Jz 21:4444En de HEERE gaf hun rondom rust, overeenkomstig alles wat Hij hun vaderen gezworen had. Niemand van al hun vijanden kon tegenover hen standhouden. Al hun vijanden gaf de HEERE in hun hand.). Van rust kan alleen worden genoten als er trouw wordt gehandeld naar wat de HEERE heeft gezegd. Als door ontrouw van het volk niet alle vijanden worden uitgeroeid, blijkt de rust van beperkte duur te zijn.

De verovering van het land is voltooid. Dat wil zeggen dat er geen uiterlijke kracht bij een vijandige macht is overgebleven die voor hen kan bestaan of nog een koninkrijk kan vormen. Toch zijn er nog veel vijanden overgebleven. Als ze trouw blijven, hoeven die vijanden hen niet te verontrusten. Daarom is rust gevaarlijk, het kan zo gemakkelijk tot gemakzucht voeren. Dan wordt vergeten dat er nog vijanden zijn die land in bezit houden. Er blijft altijd land om te veroveren.

Rust is goed, maar ze moet niet tot zorgeloosheid leiden. Het is belangrijk “om, na alles volbracht te hebben, stand te houden” (Ef 6:1313Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.). De grootste nederlaag wordt vaak geleden na de grootste overwinning. Rust is ook gevaarlijk voor oudere broeders en zusters. De strijd is, zolang we nog in het lichaam zijn, nooit ten einde.

Met vers 2323Zo nam Jozua heel dat land in, overeenkomstig alles wat de HEERE tegen Mozes gezegd had. Jozua gaf het aan Israël in erfelijk bezit, volgens hun indelingen wat hun stammen betreft. En het land rustte van de strijd. wordt het eerste deel van het boek, waarin de geschiedenissen van de overwinningen van Jozua beschreven worden, afgesloten. Het volgende hoofdstuk, Jozua 12, is een naschrift waarin als het ware de balans van de voorgaande hoofdstukken wordt opgemaakt. De overwonnen koningen en hun gebieden worden opgesomd.


Lees verder