Jesaja
1-5 Roep om Gods optreden 6-7 Erkenning van ongerechtigheden 8-12 De HEERE en Zijn volk
Roep om Gods optreden

1Och, dat U de hemel zou openscheuren, dat U zou neerdalen,
dat de bergen voor Uw aangezicht zouden wegsmelten,
2zoals vuur kreupelhout aansteekt,
[en] vuur het water laat opborrelen,
om Uw Naam aan Uw tegenstanders bekend te maken!
Laat [zo] de heidenvolken voor Uw aangezicht sidderen.
3Toen U ontzagwekkende dingen deed, [die] wij niet verwachtten,
daalde U neer; voor Uw aangezicht smolten de bergen weg.
4Ja, van oude tijden af heeft men het niet gehoord,
men heeft het niet ter ore genomen
en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God,
[wat] Hij doen zal voor wie op Hem wacht.
5U ontmoet wie zich [in U] verblijdt, wie gerechtigheid doet,
wie op Uw wegen aan U blijven denken.
Zie, Ú was zeer toornig, want wij hadden gezondigd.
[Maar] in deze [wegen] is de eeuwigheid en zouden wij verlost zijn geweest.

Dit hoofdstuk vervolgt het gebed van de profeet. Hij roept tot God dat Hij Zijn kracht manifesteert tegen Zijn vijanden, zodat de heidense machten – de koning van het noorden en zijn bondgenoten – zullen beven in Zijn tegenwoordigheid (verzen 1-31Och, dat U de hemel zou openscheuren, dat U zou neerdalen,
dat de bergen voor Uw aangezicht zouden wegsmelten,
2zoals vuur kreupelhout aansteekt,
[en] vuur het water laat opborrelen,
om Uw Naam aan Uw tegenstanders bekend te maken!
Laat [zo] de heidenvolken voor Uw aangezicht sidderen.
3Toen U ontzagwekkende dingen deed, [die] wij niet verwachtten,
daalde U neer; voor Uw aangezicht smolten de bergen weg.
)
. De taal herinnert aan de wijze waarop de HEERE Zijn tegenwoordigheid en macht manifesteerde bij de Sinaï. Toen beefde de berg bij Zijn aanwezigheid, Hij daalde neer op de berg in vuur; rook steeg op als uit een oven (Ex 19:16-1916En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.17Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg.18De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.19Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met een stem.). Door toen op deze wijze Zijn Naam aan Zijn volk te openbaren deed Hij hen beven. Zou Hij nu niet Zijn macht en oordeel tegenover Zijn vijanden openbaren? Hij zal dat doen in de eindtijd, als de Heer Jezus terugkomt voor Zijn volk.

De ‘bergen’ spreken van de volken als een gevestigde macht, terwijl het ‘water’ net als de ‘zee’ wijst op dezelfde volken, maar dan in hun onrust en opstand tegen de regering van God (Op 17:1515En hij zei tegen mij: de wateren die u hebt gezien, waarop de hoer zit, zijn volken en menigten en naties en talen.). Het ‘vuur’ spreekt van het oordeel. Dit vuur zal de bergen doen smelten en het water doen opborrelen. Het gelovig overblijfsel vraagt hier in beeldende taal of God de vijand wil oordelen.

Dit gebed is gebaseerd op het feit van de absoluutheid en uniekheid van God en Zijn eigenschappen en van de wegen van genade tegenover hen die in vrees voor Hem wandelen, die Hem in gedachtenis houden en Hem wensen te behagen (verzen 4-5a4Ja, van oude tijden af heeft men het niet gehoord,
men heeft het niet ter ore genomen
en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God,
[wat] Hij doen zal voor wie op Hem wacht.
5U ontmoet wie zich [in U] verblijdt, wie gerechtigheid doet,
wie op Uw wegen aan U blijven denken.
Zie, Ú was zeer toornig, want wij hadden gezondigd.
[Maar] in deze [wegen] is de eeuwigheid en zouden wij verlost zijn geweest.
)
. Dat Hij hen tegemoetkomt, betekent dat Hij naar voren komt om hun Zijn gunst te bewijzen (vgl. Gn 32:11Ook Jakob ging zijns weegs en engelen van God ontmoetten hem.). Vers 44Ja, van oude tijden af heeft men het niet gehoord,
men heeft het niet ter ore genomen
en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God,
[wat] Hij doen zal voor wie op Hem wacht.
wordt door Paulus aangehaald (1Ko 2:99maar zoals geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’.). Maar hij kan eraan toevoegen: “Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God” (1Ko 2:1010Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.). Wij mogen al in het geloof de toekomstige dingen zien die Hij heeft bereid voor hen die Hem liefhebben, zowel voor ons nu als voor het overblijfsel straks.

Wat God heeft bereid voor de Zijnen, hadden we nooit kunnen horen (“ter ore genomen”) van voorgaande generaties. Traditie of overlevering konden dat niet meedelen. Het was ook nooit door ons ontdekt door eigen waarneming (“geen oog heeft het gezien”). Het is ons alleen bekend geworden door de openbaring van God door Zijn Geest, waardoor wij het nu weten.

Voor een ongelovige die de Geest van God niet bezit en alleen maar af kan gaan op zijn denkvermogen, is het ondenkbaar dat de HEERE zou optreden ten behoeve van Zijn volk Israël. Israël heeft gekozen voor de antichrist als zijn koning, de tempel is ontheiligd door de gruwel van de verwoesting, het volk is afgeslacht en het land is verwoest door de aanval van de koning van het noorden. Maar het gelovig overblijfsel rekent op de trouw van God aan Zijn beloften. Het optreden van God ten behoeve van het gelovig overblijfsel gaat ons logisch denkvermogen te boven. Deze raadsbesluiten van God zijn alleen bestemd voor hen die door het geloof Hem vertrouwen, die Hem liefhebben.

De driedelige combinatie van “verblijdt”, “gerechtigheid” en “aan U blijven denken” (vers 5a5U ontmoet wie zich [in U] verblijdt, wie gerechtigheid doet,
wie op Uw wegen aan U blijven denken.
Zie, Ú was zeer toornig, want wij hadden gezondigd.
[Maar] in deze [wegen] is de eeuwigheid en zouden wij verlost zijn geweest.
)
heeft een speciale betekenis. Het is mogelijk in gerechtigheid te wandelen door strikt aan godsdienst vast te houden, zonder dat we ons verblijden in de Heer. Het is mogelijk om gerechtigheid te doen, om te doen wat moreel juist is, zonder werkelijk aan God Zelf te denken.

De Heer verheugt Zich in hen die uit ervaring weten wat gemeenschap met Hem is. Zijn oog is op hen die Hem vrezen. Henoch wandelde met God en kreeg zo het getuigenis dat Hij God behaagde (Gn 5:22-2422En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach verwekt had, driehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.23Al de dagen van Henoch waren driehonderdvijfenzestig jaar.24Henoch wandelde met God, en hij was niet [meer], want God nam hem weg.; Hb 11:55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.). Hij verheugde zich in Hem. Daardoor liep zijn leven van getuigenis in een goddeloze wereld uit op zijn overgaan in de directe tegenwoordigheid van God.

Het vertrouwen van het gelovig overblijfsel is gegrond op de erkenning dat het volk gefaald en gezondigd heeft, eerst door de verwerping van Christus en daarna door het ontvangen van de antichrist. Daarmee erkent het overblijfsel dat God rechtvaardig is om hen te oordelen. Tegelijkertijd verwachten zij door het geloof de verlossing door dezelfde God, Die trouw is aan Zijn beloften. Dit wordt onder woorden gebracht in de volgende verzen.

In vers 5b5U ontmoet wie zich [in U] verblijdt, wie gerechtigheid doet,
wie op Uw wegen aan U blijven denken.
Zie, Ú was zeer toornig, want wij hadden gezondigd.
[Maar] in deze [wegen] is de eeuwigheid en zouden wij verlost zijn geweest.
erkent Jesaja de schuld van zijn volk zowel in het verleden als in de toekomst. Als hij de eeuwen durende toestand van hun afval in herinnering brengt, spreekt hij het vragend uit: “En zouden wij verlost zijn geweest?” De zin kan het best als vraag worden opgevat. Het gaat hier niet om ‘wegen’, maar om een zondige toestand waarin het volk al lange tijd is, wat wordt weergegeven met “de eeuwigheid”. In deze retorische vraag ligt de erkenning dat zij geen recht hebben op bevrijding.


Erkenning van ongerechtigheden

6Echter, wij zijn allen als een onreine,
al onze rechtvaardige daden zijn als een bezoedeld kleed
wij allen vallen af als een blad
en onze misdaden voeren ons weg als de wind.
7Er is niemand die Uw Naam aanroept,
die zich beijvert om U vast te grijpen,
want U verbergt Uw aangezicht voor ons
en U doet ons wegkwijnen in de greep van onze ongerechtigheden.

Ze zijn allen onrein geworden (vers 66Echter, wij zijn allen als een onreine,
al onze rechtvaardige daden zijn als een bezoedeld kleed
wij allen vallen af als een blad
en onze misdaden voeren ons weg als de wind.
)
. Wat zij voor zichzelf eerst als rechtvaardige daden hebben aangezien, hun orthodoxie, daarvan erkennen ze nu dat het voor de HEERE slechts een bezoedeld kleed is. Pas als ze dat erkennen, kunnen ze de “mantel van de gerechtigheid” aandoen die de HEERE hun geeft (Js 61:1010Ik ben zeer vrolijk in de HEERE,
mijn ziel verheugt zich in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil,
de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan,
zoals een bruidegom zich bekleedt met priesterlijk [hoofd]sieraad,
en een bruid zich tooit met haar sieraden.
)
. Ze zijn tot de conclusie gekomen dat ze allen als loof zijn afgevallen en dat hun ongerechtigheden hen als de wind hebben weggevoerd bij de HEERE vandaan.

Dit alles verschaft een waarschuwing met betrekking tot de gevolgen van een hardnekkig afwijken van de wegen van God. Bewuste afval leidt tot een vergeten van God. Zo is het in Israël. Er is niemand die Zijn Naam aanroept, die zich ertoe zet om God aan te hangen (vers 77Er is niemand die Uw Naam aanroept,
die zich beijvert om U vast te grijpen,
want U verbergt Uw aangezicht voor ons
en U doet ons wegkwijnen in de greep van onze ongerechtigheden.
)
. Ongevoeligheid voor de zonde bewerkt ongevoeligheid voor Gods rechten en voor Zijn barmhartigheden. Het gevolg van hun afvalligheid is dat God Zijn barmhartigheden van hen heeft teruggetrokken, Zijn aangezicht voor hen heeft verborgen en hen heeft verteerd in hun ongerechtigheden.


De HEERE en Zijn volk

8Maar nu, HEERE, U bent onze Vader!
Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker:
wij zijn allen het werk van Uw handen.
9HEERE, wees niet al te vertoornd
en denk niet voor eeuwig aan de ongerechtigheid.
Zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.
10Uw heilige steden zijn een woestijn geworden.
Sion is een woestijn geworden,
Jeruzalem een woestenij.
11Ons heilig, luisterrijk huis,
waarin onze vaderen U prezen,
is met vuur verbrand;
alles wat ons dierbaar was, is tot een puinhoop geworden.
12HEERE, zou U Zich om [al] deze dingen inhouden?
Zou U zwijgen en ons al te zeer neerdrukken?

In de werkelijkheid en de kracht van de belijdenis in de vorige verzen herinnert de profeet aan de onvervreemdbare verbinding die de HEERE tussen Zichzelf en Zijn volk tot stand heeft gebracht. Hij herinnert ook aan de wijze waarop Hij hen als hun “Pottenbakker” heeft geformeerd (vgl. Jr 18:1-61Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:2Sta op en daal af naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik u Mijn woorden doen horen.3Zo daalde ik af naar het huis van de pottenbakker. En zie, hij was op de draaischijven een werkstuk aan het maken.4Mislukte de pot die hij aan het maken was met de klei in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het in de ogen van de pottenbakker goed was om te maken.5Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:6Zou Ik met u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? spreekt de HEERE. Zie, zoals de klei in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, huis van Israël.; Rm 9:19-2119U zult nu tegen mij zeggen: Wat heeft Hij <dan> nog aan te merken? Want wie heeft Zijn wil weerstaan?20Ja maar, mens, wie bent u, dat u tegen God het woord opneemt? Zal het maaksel tegen zijn maker zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?21Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem om uit dezelfde klomp te maken het ene vat tot eer en het andere tot oneer?) overeenkomstig Zijn eigen raadsbesluit (vers 88Maar nu, HEERE, U bent onze Vader!
Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker:
wij zijn allen het werk van Uw handen.
)
. Dit is ware verootmoediging en gebrokenheid (Js 57:1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
. Deze belijdenis houdt de mogelijkheid in van een herschepping van het verdorven nationale vat. Dat zal zeker het geval zijn als de Verlosser tot Sion komt.

Zover is het nog niet. Het volk zucht onder de kastijdende hand van de HEERE tot Wie zij vertwijfeld roepen om vermindering van de toorn (vers 99HEERE, wees niet al te vertoornd
en denk niet voor eeuwig aan de ongerechtigheid.
Zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.
)
. Het overblijfsel herinnert de HEERE er op aandoenlijke wijze aan dat zij toch Zijn volk zijn. Het gaat toch om Zijn volk, Zijn land, Zijn Naam. De vijand is toegelaten onder de vergeldende hand van God om de steden van het land tot een woestijn en Jeruzalem tot een wildernis te maken (vers 1010Uw heilige steden zijn een woestijn geworden.
Sion is een woestijn geworden,
Jeruzalem een woestenij.
)
. De woonplaats van God in Sion, waar vroeger de lofzangen tot eer van de HEERE hebben geklonken, is in vlammen opgegaan (vers 1111Ons heilig, luisterrijk huis,
waarin onze vaderen U prezen,
is met vuur verbrand;
alles wat ons dierbaar was, is tot een puinhoop geworden.
)
. In vers 1212HEERE, zou U Zich om [al] deze dingen inhouden?
Zou U zwijgen en ons al te zeer neerdrukken?
horen we het slotpleidooi van de profeet voor bevrijding en herstel. Het antwoord daarop komt in de volgende en tevens laatste twee hoofdstukken van dit boek.

Op korte termijn is de verwoesting door Babel een voorvervulling van deze profetieën. De volle vervulling ervan zal echter plaatsvinden in de toekomst, als Israël verwoest wordt door de komende koning van het noorden.


Lees verder