Jesaja
1-6 De HEERE oordeelt de volken 7-9 De trouw van de HEERE bezongen 10-14 Leiding van de HEERE 15-19 Nood als pleitgrond
De HEERE oordeelt de volken

1Wie is Deze Die uit Edom komt,
in helrode kleding uit Bozra,
Die luisterrijk is in Zijn gewaad,
Die voorttrekt in Zijn grote kracht?
Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid,
Die machtig ben om te verlossen.
2Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
3Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
4Want de dag van de wraak was in Mijn hart,
het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
5Ik keek rond, maar er was niemand die hielp;
Ik ontzette Mij, want er was niemand die ondersteunde.
Daarom heeft Mijn arm Mij heil verschaft,
en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund.
6Ik heb de volken vertrapt in Mijn toorn,
Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid,
Ik heb hun bloed ter aarde doen neerdalen.

Deze verzen bevatten een dialoog tussen het verloste overblijfsel van de Israël, bevrijd van hun grote verdrukking, en de HEERE. Het is de tijd van Christus’ persoonlijke tussenkomst om de heidenen te verslaan die zich onder de antichrist in Israël hebben verzameld. Daarom volgt dit gedeelte terecht na de Goddelijke beloften van het vorige hoofdstuk.

Het Joodse volk, bevrijd van hun vijanden, stelt met verbazing over Zijn kracht en heerlijkheid de vraag Wie de grote Bevrijder is (vers 11Wie is Deze Die uit Edom komt,
in helrode kleding uit Bozra,
Die luisterrijk is in Zijn gewaad,
Die voorttrekt in Zijn grote kracht?
Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid,
Die machtig ben om te verlossen.
)
. Hij is de Overwinnaar, Die komt aan het hoofd van Zijn legers (Op 19:13-1413En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.). Maar waarom komt Hij van Edom en Bozra? Het antwoord op deze vraag vinden we door Psalm 29:1-8 met Daniël 11:45 te vergelijken (Ps 29:1-81Een psalm van David.
Geef de HEERE, machtige heersers,
geef de HEERE eer en macht.
2Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
buig u voor de HEERE neer in Zijn heerlijke heiligdom.3De stem van de HEERE [klinkt] over de wateren,
de God der ere dondert;
de HEERE is op de grote wateren.
4De stem van de HEERE is [vol] kracht,
de stem van de HEERE is [vol] glorie.
5De stem van de HEERE breekt de ceders,
ja, de HEERE verbreekt de ceders van de Libanon.
6Hij doet de Libanon huppelen als een kalf
en de Sirjon als een jonge, wilde os.
7De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit [de wolken].
8De stem van de HEERE doet de woestijn beven,
de HEERE doet de woestijn Kades beven.
; Dn 11:4545En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.)
. In Daniël 11:45 is sprake van de militaire basis van de koning van het noorden, nadat hij van het veroveren van Egypte is teruggekomen. Hij heeft zich daar gelegerd om van daaruit de verzamelde legers van het herstelde Romeinse rijk, dat is West-Europa, te verslaan. Al de heidenvolken zijn dan verzameld voor de oorlog in het dal van Harmagedon (Op 16:1616En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.).

Psalm 29 beschrijft profetisch het verslaan van al die naties door de kracht van de stem van de HEERE. Het verslaan begint in Libanon (Ps 29:5-65De stem van de HEERE breekt de ceders,
ja, de HEERE verbreekt de ceders van de Libanon.
6Hij doet de Libanon huppelen als een kalf
en de Sirjon als een jonge, wilde os.
)
en gaat verder naar Kades, waarvan het centrum Bozra in Edom is. De verdelging is snel en compleet. De afstand van Sirjon in Libanon tot Bozra in Edom is, uitgedrukt in stadiën, zestienhonderd stadiën, dat is ongeveer driehonderd kilometer; één stadie is ca. honderdvijfentachtig meter. Dit is precies de afstand die in Openbaring 14 wordt genoemd in een gedeelte dat overeenkomt met wat we hier in Jesaja lezen (Op 14:2020En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.). Het gaat in beide gedeelten over de wijnpersbak van de totale, niets sparende toorn van God. De harmonie van de verschillende delen van de Schrift wordt hierdoor weer eens duidelijk geïllustreerd.

In antwoord op de vraag van het volk zegt de HEERE: “Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid, Die machtig ben om te verlossen.” “Die spreek” komt overeen met “de stem van de HEERE” in Psalm 29 (Ps 29:3-83De stem van de HEERE [klinkt] over de wateren,
de God der ere dondert;
de HEERE is op de grote wateren.
4De stem van de HEERE is [vol] kracht,
de stem van de HEERE is [vol] glorie.
5De stem van de HEERE breekt de ceders,
ja, de HEERE verbreekt de ceders van de Libanon.
6Hij doet de Libanon huppelen als een kalf
en de Sirjon als een jonge, wilde os.
7De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit [de wolken].
8De stem van de HEERE doet de woestijn beven,
de HEERE doet de woestijn Kades beven.
; vgl. Ps 2:55Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
)
en “het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat” in Openbaring 19 (Op 19:2121En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.). Zijn gerechtigheid zal dan geopenbaard worden in de bevrijding van Zijn aardse volk.

In vers 22Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
stellen ze een nieuwe vraag. Het antwoord van de HEERE in de verzen 3-43Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
4Want de dag van de wraak was in Mijn hart,
het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
maakt de tijd van de gebeurtenis duidelijk, namelijk dat het gaat om de definitieve vernietiging van de heidense machten vlak voor het vrederijk. Dit levendige beeld van het treden van de wijnpers wordt ook in andere gedeelten beschreven (Jl 3:9-169Roep dit uit onder de heidenvolken:
Verklaar de oorlog!
Wek de helden op!
Laten zij aantreden en oprukken,
alle strijdbare mannen!10Smeed uw ploegscharen tot zwaarden
en uw snoeimessen tot speren.
Laat de zwakke zeggen:
Ik ben een held.11Snel te hulp en kom,
alle heidenvolken van rondom,
verzamel u!
HEERE, laat Uw helden daarheen afdalen!12Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!13Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.14Menigten, menigten
in het dal van de dorsslede,
want de dag van de HEERE is nabij
in het dal van de dorsslede.15Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren hebben hun schijnsel ingetrokken.16De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.
; Op 14:17-2017En een andere engel kwam uit de tempel die in de hemel is, en ook hij had een scherpe sikkel.18En een andere engel, die macht had over het vuur, <kwam> uit het altaar; en hij riep met luider stem tegen hem die de scherpe sikkel had en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.19En de engel sloeg zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijnstok van de aarde en wierp het in de grote wijnpersbak van de grimmigheid van God.20En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.; 19:1515En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.)
.

Het is het beeld van de oosterse wijnpersbak. De ingezamelde druiven worden met de blote voeten geperst zodat het rode sap eruit vloeit. De kleding van de wijnperser wordt daardoor besmeurd met het rode sap. Het is er een beeld van dat het oordeel door God Zelf wordt voltrokken. Tevens is daar een woordspeling want ‘Edom’ betekent ‘rood’. Bozra, de hoofdstad van Edom, is een woord dat verwant is met batsar dat betekent ‘inzamelen van druiven’.

Hier worden jaar en dag weer tegenover elkaar gesteld (Js 61:22om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE
en de dag van de wraak van onze God;
om alle treurenden te troosten;
)
. De tijd van de wraak van de HEERE is kort (Rm 9:2828Want [de] Heer zal ten einde toe en met haast een zaak doen op de aarde’.). Tegelijkertijd is deze wraak het begin van een tijdperk waarin de vijand van Israël voorgoed verslagen is: “Het jaar van Mijn verlosten was gekomen.”

Zijn antwoord gaat verder in de verzen 5-65Ik keek rond, maar er was niemand die hielp;
Ik ontzette Mij, want er was niemand die ondersteunde.
Daarom heeft Mijn arm Mij heil verschaft,
en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund.
6Ik heb de volken vertrapt in Mijn toorn,
Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid,
Ik heb hun bloed ter aarde doen neerdalen.
. Het blijkt dat Hij alleen is in Zijn grote liefde voor Zijn volk. Niemand deelt daarin met Hem (vgl. Js 59:1616Omdat Hij zag dat er niemand was,
ontzette Hij Zich, want er was geen voorbidder.
Daarom bracht Zijn arm Hem heil,
en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem.
)
. Waar Hij ook kijkt, er is niemand die Zijn volk helpt. Tot Zijn ontzetting moet Hij constateren dat er niemand is die Zijn volk ondersteunt. Daarom zal Hij alleen de zaak van Zijn volk behartigen en het voor hen opnemen. Als een eenzame, maar oppermachtige Strijder, tegen Wie alle verzet volkomen zinloos is, stort Hij Zijn toorn uit over Zijn vijanden en die van Zijn volk. Hij geeft Zijn vijanden de wijn van Zijn gramschap te drinken, waardoor zij dronken worden en neervallen.


De trouw van de HEERE bezongen

7Ik zal de goedertierenheid van de HEERE in herinnering roepen,
de loffelijke daden van de HEERE,
naar alles wat de HEERE voor ons heeft gedaan,
de grote goedheid voor het huis van Israël,
die Hij hun bewezen heeft naar Zijn barmhartigheid
en naar de veelheid van Zijn goedertierenheid.
8Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk,
kinderen [die] niet zullen liegen!
Zo werd Hij hun tot een Heiland.
9In al hun benauwdheid
was Hij benauwd;
de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost.
Door Zijn liefde en door Zijn genade
heeft Híj hen bevrijd;
Hij hief hen op en droeg hen
al de dagen van weleer.

Vanaf vers 77Ik zal de goedertierenheid van de HEERE in herinnering roepen,
de loffelijke daden van de HEERE,
naar alles wat de HEERE voor ons heeft gedaan,
de grote goedheid voor het huis van Israël,
die Hij hun bewezen heeft naar Zijn barmhartigheid
en naar de veelheid van Zijn goedertierenheid.
lezen we, in een gedeelte dat doorloopt tot het eind van Jesaja 64, wat de Geest van de profetie het overblijfsel in de mond van legt. Ze worden uitgesproken door de representant van Zijn volk, ten tijde van de verlossing die in de voorgaande zes verzen is beschreven. In Jesaja 65-66 vinden we het antwoord van de HEERE.

Het is treffend om te zien hoe de Geest al de gevoelens van een trouw Israëlitisch hart, van een beangstigd, maar toch vertrouwend hart tot uitdrukking brengt. Dit hart herinnert zich de goedheden uit het verleden. Het is echter in het heden terneergedrukt door de huidige ellende en erkent de opstandigheid waaraan zij zich schuldig hebben gemaakt. Maar ondanks dat alles beroept het zich op de onveranderlijke trouw van Gods liefde. Het is een gebed in verbinding met de goedheid van de HEERE die Hij in de verlossing heeft getoond. Daarom begint het met een lofprijzing. Deze taal past ook ons vanwege de hemelse en geestelijke bevrijdingen en zegeningen die ons verleend zijn, naast alle aardse ontfermingen die ons deel zijn.

Dit vers begint en eindigt met de goedertierenheid van de HEERE, dat wil zeggen Zijn trouw aan het verbond, gegrond op het werk van de Middelaar. Dit woord ‘goedertierenheid’, chesed, is de trouw, de genadebewijzen (Js 55:33Neig uw oor en kom tot Mij,
luister, en uw ziel zal leven;
want Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten:
de betrouwbare gunstbewijzen aan David.
)
die God in Zijn verbond bewijst aan Zijn volk. Het overdenken van de goedertierenheid van de HEERE raakt het hart van het overblijfsel en leidt hen tot bekering (Rm 2:44Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, zonder te weten dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?).

In vers 88Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk,
kinderen [die] niet zullen liegen!
Zo werd Hij hun tot een Heiland.
neemt het overblijfsel de woorden van de HEERE in de mond waarin Hij Zijn waardering uit voor Zijn verloste volk. Dit volk is het rechtvaardige overblijfsel dat op Zijn verlossing heeft gewacht in de tijd van de grote verdrukking. Er staat dat het gelovig overblijfsel “kinderen” zijn “[die] niet zullen liegen”. Liegen betekent hier ontrouw aan het verbond met de HEERE. Zij zijn trouw geweest in tegenstelling tot de velen die zich afvallig aan de antichrist hebben gehecht. Vanwege hun trouw is Hij hun Verlosser geworden.

Hoe Hij in die verlossing te werk is gegaan, zegt de profeet in vers 99In al hun benauwdheid
was Hij benauwd;
de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost.
Door Zijn liefde en door Zijn genade
heeft Híj hen bevrijd;
Hij hief hen op en droeg hen
al de dagen van weleer.
. In een ver verleden, toen Israël met berouw over hun zonden als gevolg van de kastijding van de HEERE, tot Hem terugkeerde, “kon Zijn ziel de moeite van Israël niet langer verdragen” (Ri 10:1616En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden de HEERE. Toen kon Zijn ziel de moeite van Israël niet langer verdragen.). Zo zullen in de komende tijd van Jakobs benauwdheid Zijn handelingen tot doel hebben zowel het verslaan van hun vijanden als het wegnemen van Zijn kastijdende hand op de vastgestelde tijd.

Deze verklaring openbaart de tedere gevoelens van de HEERE. Zijn tuchtigingen worden altijd in liefde toegediend (Hb 12:5-115en u hebt de vermaning vergeten die tot u als tot zonen spreekt: ‘Mijn zoon, acht [de] tuchtiging van [de] Heer niet gering en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt;6want wie [de] Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.7U verdraagt het tot tuchtiging; God behandelt u als zonen; want welke zoon is er die een vader niet tuchtigt?8Maar als u zonder tuchtiging bent waaraan allen deel hebben, dan bent u bastaarden en geen zonen.9Bovendien, wij hadden de vaders van ons vlees om [ons] te tuchtigen en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij <dan> niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven?10Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.11Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.). “Want niet van harte verdrukt Hij en bedroeft Hij mensenkinderen” (Kl 3:3333Want niet van harte verdrukt Hij /kaph/
en bedroeft Hij mensenkinderen.
)
. Het smart Hem als zij van Hem afwijken. Het smart Hem ook als Hij gedwongen wordt hen te kastijden.

Dan komt de wijze waarop Hij met Zijn bevrijdende macht te werk is gegaan: “De Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost. Door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Híj hen bevrijd.” Hier wordt niet alleen maar gedacht aan de toekomstige verlossing, maar er wordt ook gedacht aan Zijn handelingen in het verleden. De tegenwoordigheid van God bij Zijn volk was in de wolkkolom en de vuurkolom en in de tabernakel, en de Engel was niemand anders dan Christus Zelf (Gn 48:1616de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens,
zodat door hen mijn naam genoemd zal blijven, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izak
en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen.
; Ex 23:20,2320Zie, Ik zend een Engel voor u uit om over u te waken op de weg en u te brengen naar de plaats die Ik gereedgemaakt heb.23Mijn Engel zal namelijk vóór u uit gaan en u brengen bij de Amorieten en de Hethieten en de Ferezieten en de Kanaänieten en de Hevieten en de Jebusieten, en Ik zal hen uitroeien.; 32:3434Maar nu, ga heen [en] leid het volk naar [de plaats] waarvan Ik u gesproken heb. Zie, Mijn engel zal voor u uit gaan. Maar op de dag van Mijn vergelding zal Ik aan hen hun zonde vergelden.; 33:22Ik zal een engel vóór u uit zenden – Ik zal de Kanaänieten, Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten verdrijven –)
. Zijn aanwezigheid was meer dan het louter tegenwoordig zijn van God in hun midden. Het betekende de openbaring van Hem Zelf in en door de Engel Die hen vergezelde.

Het beeld van het optillen en dragen al de dagen van ouds roept een gedeelte uit het lied van Mozes in herinnering (Dt 32:10-1210Hij vond hem in een woestijngebied,
in een woeste, huilende wildernis.
Hij omringde hem, Hij onderwees hem,
Hij beschermde hem als Zijn oogappel.
11Zoals een arend zijn nest opwekt,
boven zijn jongen zweeft,
zijn vleugels uitspreidt, ze pakt
en ze draagt op zijn vlerken,
12[zo] heeft alleen de HEERE hem geleid,
er was geen vreemde god bij hem.
)
. Daar verhaalt hij Gods goedheid tijdens hun reis door de woestijn.


Leiding van de HEERE

10Zíj daarentegen zijn ongehoorzaam geworden
en hebben Zijn Heilige Geest bedroefd.
Daarom is Hij voor hen veranderd in een vijand,
Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
11Toch dacht Hij aan de dagen vanouds,
aan Mozes, aan Zijn volk.
[Maar nu,] waar is Hij Die hen deed opgaan uit de zee
met de herders van Zijn kudde,
waar is Hij Die Zijn Heilige Geest
in hun midden stelde,
12Die Zijn luisterrijke arm heeft doen gaan
aan de rechterhand van Mozes,
Die het water voor hun [ogen] doormidden spleet
om Zich een eeuwige Naam te maken,
13Die hen deed gaan door de diepe wateren?
Als een paard in de woestijn struikelden zij niet,
14als een dier [dat] in de vallei afdaalt,
heeft de Geest van de HEERE hun rust gegeven.
Zo hebt U Uw volk geleid
om U een luisterrijke Naam te maken.

Het bedroeven van de Heilige Geest is een zonde waarvoor ook wij worden gewaarschuwd (vers 1010Zíj daarentegen zijn ongehoorzaam geworden
en hebben Zijn Heilige Geest bedroefd.
Daarom is Hij voor hen veranderd in een vijand,
Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
; Ef 4:3030En bedroeft de Heilige Geest van God niet, met Wie u verzegeld bent tot [de] dag van [de] verlossing.)
. Het is een van de bewijzen dat de Heilige Geest niet slechts een kracht is, want die kun je niet bedroeven, maar een Persoon, want alleen een persoon kan bedroefd worden.

De naam “Heilige Geest” komt in het Oude Testament slechts drie keer voor, terwijl die Naam in het Nieuwe Testament juist vaak voorkomt. Daarom is het opmerkelijk dat in deze enkele verzen die Naam twee keer voorkomt. [De derde keer is in Psalm 51 (Ps 51:1313Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht
en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
)
]. Hierdoor weet ook de oudtestamentische gelovige van het bestaan en het werk van de Heilige Geest en wij kunnen er ook veel van leren.

Elke zonde bedroeft de Heilige Geest. Het volk zou niet liegen (vers 88Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk,
kinderen [die] niet zullen liegen!
Zo werd Hij hun tot een Heiland.
)
, het zou niet ontrouw worden. Helaas, vers 1010Zíj daarentegen zijn ongehoorzaam geworden
en hebben Zijn Heilige Geest bedroefd.
Daarom is Hij voor hen veranderd in een vijand,
Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
laat zien dat het tegendeel gebeurt en dat het volk daarin volhardt. Dat kan de HEERE niet gelaten aanzien. Zijn houding ten opzichte van hen moet daardoor veranderen van een liefdevolle verzorger die het voor hen opneemt, in een vijand die tegen hen strijdt.

Toch is Hij steeds met Zijn Heilige Geest in hun midden ten goede voor hen werkzaam geweest. Daaraan herinnert Jesaja het volk (verzen 11-1411Toch dacht Hij aan de dagen vanouds,
aan Mozes, aan Zijn volk.
[Maar nu,] waar is Hij Die hen deed opgaan uit de zee
met de herders van Zijn kudde,
waar is Hij Die Zijn Heilige Geest
in hun midden stelde,
12Die Zijn luisterrijke arm heeft doen gaan
aan de rechterhand van Mozes,
Die het water voor hun [ogen] doormidden spleet
om Zich een eeuwige Naam te maken,
13Die hen deed gaan door de diepe wateren?
Als een paard in de woestijn struikelden zij niet,
14als een dier [dat] in de vallei afdaalt,
heeft de Geest van de HEERE hun rust gegeven.
Zo hebt U Uw volk geleid
om U een luisterrijke Naam te maken.
)
. Deze verzen stellen de andere kant van Gods handelingen voor en wel Zijn barmhartigheid voor hen ten tijde van de verlossing uit Egypte en het geven van rust aan hen, zodat Zijn Naam “luisterrijk” wordt. Aan die luisterrijke Naam herinnert Jesaja de HEERE aan het eind van vers 1414als een dier [dat] in de vallei afdaalt,
heeft de Geest van de HEERE hun rust gegeven.
Zo hebt U Uw volk geleid
om U een luisterrijke Naam te maken.
, wat de inleiding vormt op het gebed dat volgt.

Jesaja vraagt waar de HEERE is, Die Zijn herders, Mozes en Aäron, aan het hoofd van het volk door de Schelfzee heen heeft gevoerd (vers 11b11Toch dacht Hij aan de dagen vanouds,
aan Mozes, aan Zijn volk.
[Maar nu,] waar is Hij Die hen deed opgaan uit de zee
met de herders van Zijn kudde,
waar is Hij Die Zijn Heilige Geest
in hun midden stelde,
)
. Het doet denken aan de Heer Jezus Die als Degene Die uit de doden is teruggebracht “de grote Herder van de schapen” (Hb 13:2020De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, door [het] bloed van [het] eeuwig verbond,) wordt genoemd. Dit is wat in beeld in de Schelfzee wordt voorgesteld en waar Mozes een type is van de Heer Jezus als de Herder van Zijn volk.

Hierna volgt een verwijzing naar de Heilige Geest, wat ook al zo nieuwtestamentisch klinkt, want na de verlossing uit de macht van de zonde en het aannemen van het evangelie komt de Heilige Geest in de gelovige wonen (Ef 1:1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,). In het Oude Testament woont de Heilige Geest niet in de gelovige, maar Hij werkt in hem. Pas na de dood, opstanding en verheerlijking van de Heer Jezus is de Heilige Geest op aarde komen wonen, in de gemeente en in de gelovige als lid van de gemeente.


Nood als pleitgrond

15Kijk [neer] uit de hemel en zie
uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,
Uw innerlijke bewogenheid
en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.
16Toch bent U onze Vader,
want Abraham weet van ons niet
en Israël kent ons niet.
U, HEERE, bent onze Vader;
onze Verlosser van oude tijden af is Uw Naam.
17HEERE, waarom doet U ons afdwalen van Uw wegen?
[Waarom] verhardt U ons hart, zodat wij U niet vrezen?
Keer terug omwille van Uw dienaren,
de stammen van Uw eigendom.
18[Slechts] korte tijd heeft Uw heilig volk [het] in bezit gehad.
Onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertrapt.
19Wij zijn geworden [als mensen] over wie U van oude tijden af niet hebt geheerst,
die niet naar Uw Naam zijn genoemd.

Tot vers 1414als een dier [dat] in de vallei afdaalt,
heeft de Geest van de HEERE hun rust gegeven.
Zo hebt U Uw volk geleid
om U een luisterrijke Naam te maken.
heeft het volk teruggekeken naar de trouw van God en de ontrouw van het volk in het verleden. Vanaf vers 1515Kijk [neer] uit de hemel en zie
uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,
Uw innerlijke bewogenheid
en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.
spreekt dit gelovig overblijfsel over hun nood in het heden. Het gebed om verlossing en bevrijding (vers 1515Kijk [neer] uit de hemel en zie
uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,
Uw innerlijke bewogenheid
en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.
)
begint met de vraag of de HEERE vanuit “de hemel” wil neerkijken en wil zien uit Zijn “heilige en luisterrijke woning” (vgl. 1Kn 8:44-5344Wanneer Uw volk uittrekt ten strijde tegen zijn vijand, op de weg waarheen U hen zendt, en zij bidden tot de HEERE, in de richting van deze stad, die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam heb gebouwd,45luistert U dan in de hemel naar hun gebed en hun smeekbede, en verschaf hun recht.46Wanneer zij tegen U hebben gezondigd – er is immers geen mens die niet zondigt – en U toornig op hen bent, en hen overlevert aan de vijand, zodat zij die hen gevangengenomen hebben, hen als gevangenen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij,47en zij het in het land waarheen zij als gevangenen werden weggevoerd, ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken in het land van hen die hen gevangengenomen hebben, door te zeggen: Wij hebben gezondigd en ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld,48en [als] zij zich in het land van hun vijanden die hen als gevangenen weggevoerd hebben, tot U bekeren met heel hun hart en met heel hun ziel, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaderen gegeven hebt, [en] van de stad die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb,49luistert U dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht.50Vergeef Uw volk datgene waarmee zij tegen U zondigden, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U overtraden, en geef hun ontferming bij hen die hen als gevangenen wegvoerden, zodat die zich over hen ontfermen.51Want zij zijn Uw volk en Uw eigendom, door U uit Egypte geleid, uit het midden van de ijzeroven.52Laten Uw ogen [dan] open zijn voor de smeekbede van Uw dienaar en voor de smeekbede van Uw volk Israël, door naar hen te luisteren bij al hun roepen tot U,53want Ú hebt hen voor Uzelf als [Uw] eigendom afgezonderd uit alle volken van de aarde, zoals U gesproken hebt door de dienst van Mozes, Uw dienaar, toen U onze vaderen uit Egypte leidde, Heere HEERE!).

De vraag geeft aan dat Hij, Die met Zijn volk is geweest en Zijn tegenwoordigheid en kracht heeft geopenbaard, Zich heeft teruggetrokken en nu alleen in Zijn hemelse woonplaats kan worden genaderd. Zijn heiligheid en Zijn luister worden speciaal genoemd vanwege het contrast met de goddeloosheid en schande van het volk. Deze houding van afstand beluisteren we in wat Jesaja zegt, waarbij hij zich met het volk identificeert: “Waar zijn … Uw innerlijke bewogenheid en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.”

Als Gods volk in benauwdheid is vanwege hun afdwaling, gaan Gods handelingen in tucht niet ten koste van Zijn medelijden. De HEERE kastijdt wie Hij liefheeft (Sp 3:11-1211Mijn zoon, verwerp de vermaning van de HEERE niet
en heb geen afkeer van Zijn bestraffing.
12Want de HEERE straft wie Hij liefheeft,
zoals een vader [doet] met de zoon die hij goedgezind is.
; Hb 12:66want wie [de] Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.)
. Hij verlangt ernaar de verdrukking van Zijn volk weg te nemen, maar moet soms Zijn barmhartigheden inhouden. Het is opmerkelijk dat Jesaja van zichzelf spreekt als een voorwerp van deze handelingen en zich op deze wijze met de toestand van het volk een maakt. We zien dit ook bij Mozes (Ex 32:31-3231Toen keerde Mozes terug tot de HEERE en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde begaan, want zij hebben voor zichzelf een gouden god gemaakt.32Nu dan, of U toch hun zonden wilde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt.) en bij Paulus (Rm 9:2-32dat ik grote droefheid heb en een onophoudelijke smart in mijn hart.3Want zelf heb ik gewenst door een vloek [gescheiden] te zijn van Christus ter wille van mijn broeders, mijn verwanten naar [het] vlees.). Zo is het met iedere ware voorspraak in tijden dat het volk van God zich in een geest van afwijking van Hem bevindt.

De profeet doet op diezelfde basis in vers 1616Toch bent U onze Vader,
want Abraham weet van ons niet
en Israël kent ons niet.
U, HEERE, bent onze Vader;
onze Verlosser van oude tijden af is Uw Naam.
een beroep op de verbinding van God met Zijn volk. Hij doet geen beroep op grond van het verbond van de wet van Mozes (vers 1111Toch dacht Hij aan de dagen vanouds,
aan Mozes, aan Zijn volk.
[Maar nu,] waar is Hij Die hen deed opgaan uit de zee
met de herders van Zijn kudde,
waar is Hij Die Zijn Heilige Geest
in hun midden stelde,
)
. Hij doet een beroep op grond van Gods onvoorwaardelijke beloften aan Abraham (Gn 15:17-1817En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen de stukken van de dieren doorging.18Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:). De HEERE heeft Zijn aardse volk verkregen door Zijn scheppende macht en liefdevolle raadsbesluit. Hij is hun Vader.

Dit is niet ‘Vader’ in de nieuwtestamentische zin van het woord. In het Nieuwe Testament is de Vader allereerst de eeuwige Vader van de eeuwige Zoon. Vervolgens is Hij ook de Vader van de gelovigen, die de Zoon als hun leven hebben ontvangen. Zij zijn door het geloof in de Heer Jezus verzegeld met de Heilige Geest en noemen Hem door de Geest: “Abba, Vader” (Rm 8:15-1615Want u hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar u hebt ontvangen een geest van zoonschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader!16De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.; Gl 4:66En omdat u zonen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon in onze harten uitgezonden, Die roept: Abba, Vader!). In die verhouding kon de gelovige pas komen, nadat de Heer Jezus het werk op het kruis had volbracht (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.).

Jesaja spreekt over de HEERE als de Vader van Zijn volk in de zin van hun oorsprong (vgl. Js 64:88Maar nu, HEERE, U bent onze Vader!
Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker:
wij zijn allen het werk van Uw handen.
; Dt 32:66Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,
Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?
; Jr 4:3,193Want zo zegt de HEERE
tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem:
Ploeg voor uzelf ongeploegd land om!
Zaai niet tussen de dorens.
19Mijn binnenste, mijn binnenste, ik krimp ineen,
wanden van mijn hart!
Mijn hart is onrustig in mij,
ik kan niet zwijgen,
want u, mijn ziel, hoort bazuingeschal
[en] krijgsgeschreeuw.
; 31:99Onder geween zullen zij komen,
onder smeekbeden zal Ik hen leiden.
Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,
op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,
want Ik ben Israël tot een Vader,
en Efraïm – Mijn eerstgeborene is hij.
; Ml 2:1010Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij [dan] trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen?; vgl. Ex 4:2222Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.; Dt 14:11U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag [uw lichaam] vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.; Hs 11:11Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.
)
. Abraham en Israël, dat is Jakob, zijn wel hun voorvaders, maar zij hebben niet van het bestaan van het volk als hun nakomelingen geweten. Zij kenden hen niet, zij konden niet naar hen omzien en zich over hen ontfermen. Ontslapen heiligen kunnen geen voorspraak zijn voor wie dan ook.

Met de HEERE is dat echter heel anders. De verhouding tussen Hem en Zijn volk is niet te ontbinden. Daarom zegt Jesaja: “U, HEERE, bent onze Vader.” Hij weet van Zijn volk en kent hen. Hij is hun Verlosser in de raadsbesluiten van oudsher en in Zijn genadige handelingen in het verleden.

Het gebed in vers 1717HEERE, waarom doet U ons afdwalen van Uw wegen?
[Waarom] verhardt U ons hart, zodat wij U niet vrezen?
Keer terug omwille van Uw dienaren,
de stammen van Uw eigendom.
bevat een treffende smeking. Jesaja legt hiermee niet de verantwoordelijkheid bij God voor de zonde van Zijn volk. God laat alleen hen afdwalen die hardnekkig hebben geweigerd zich aan Zijn geboden te houden. Hij geeft hen over aan de gevolgen van hun eigen gekozen weg, waarop het onmogelijk is om te geloven en in Zijn vrees te wandelen. Een duidelijk voorbeeld hebben we in de farao (Ex 7:1313Het hart van de farao verhardde zich echter, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.; 8:19,3219Toen zeiden de magiërs tegen de farao: Dit is de vinger van God! Maar het hart van de farao verhardde zich, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.32Maar de farao maakte ook deze keer zijn hart onvermurwbaar: hij liet het volk niet gaan.; 9:7,127De farao stuurde er [dienaren] heen, en zie, van het vee van Israël was zelfs niet één [beest] gestorven. Maar het hart van de farao bleef onvermurwbaar en hij liet het volk niet gaan.12Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij naar hen niet luisterde, zoals de HEERE tot Mozes gesproken had.). Pas als de farao meerdere malen zijn eigen hart heeft verhard, verhardt God zijn hart.

Het merendeel van het volk heeft een verhard hart. Er zij echter sommigen die trouw blijven. Met het oog op hen doet de profeet een tweevoudig beroep. Hij vraagt voor hen als “Uw dienaren” en als “de stammen van Uw eigendom”. Het volk heeft slechts voor een “korte tijd” het beloofde land “in bezit gehad” (vers 1818[Slechts] korte tijd heeft Uw heilig volk [het] in bezit gehad.
Onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertrapt.
)
. Het volk is langer in ballingschap geweest dan het in het beloofde land heeft gewoond. Tegenstanders als de Babyloniërs en de Romeinen hebben het heiligdom van de HEERE vertrapt.

Met “de tegenstanders” wordt hier de koning van het noorden bedoeld, de Assyriërs, die aan het einde van de grote verdrukking het land en het heiligdom zullen gaan verwoesten. Jesaja erkent ook dat het volk daardoor gelijk is geworden aan de heidenvolken (vers 1919Wij zijn geworden [als mensen] over wie U van oude tijden af niet hebt geheerst,
die niet naar Uw Naam zijn genoemd.
)
en dat daarom de HEERE hen heeft moeten behandelen als de volken.

Gelovigen moeten ervoor waken dat zij niet de wil van de Heer verlaten en aan de wereld gelijkvormig worden. Aanhoudende lauwheid als in de gemeente in Laodicéa zal ertoe leiden dat zij gaan lijken op de onbekeerde mensen. Dan moet de Heer Zich terugtrekken en gaat Hij buiten de deur staan (Op 3:15a,20a15Ik weet uw werken, dat u niet koud bent en niet heet. Was u maar koud of heet!20Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik <ook> bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij.).


Lees verder