Jesaja
1 De HEERE kan verlossen en horen 2-8 Scheiding tussen het volk en God 9-15 De erkenning van het volk 16-19 Verontwaardiging van de HEERE 20 De Verlosser voor Sion 21 Geest en Woord
De HEERE kan verlossen en horen

1Zie, de hand van de HEERE is niet te kort dat ze niet zou kunnen verlossen,
en Zijn oor is niet toegestopt dat het niet zou kunnen horen.

Dit hoofdstuk gaat verder met het onderwerp van overtredingen die de beloofde zegen verhinderen. Het ligt niet aan de HEERE. De Israëlieten denken dat hun offers en tempeldienst in het geheel geen verandering brengen in hun benarde toestand. Misschien denken ze dat Hij niet kan verlossen uit de macht van de koning van het noorden en dat Hij niet in staat is om te horen (vers 11Zie, de hand van de HEERE is niet te kort dat ze niet zou kunnen verlossen,
en Zijn oor is niet toegestopt dat het niet zou kunnen horen.
)
.

Het probleem ligt echter niet bij Hem, maar bij hen. Hij is machtig om hen te bevrijden uit hun benarde positie van slavernij van de volken. Met Zijn kracht staat Hij hun ter beschikking. Als ze tot Hem roepen om hulp, zal Hij naar hen luisteren. Het gelovig overblijfsel van Israël, “de verstandigen” (Dn 12:33De verstandigen zullen blinken als de glans van het [hemel]gewelf,
en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren,
voor eeuwig en altijd.
)
, de maskilim, zal de boodschap van dit vers verkondigen aan het volk.


Scheiding tussen het volk en God

2Maar uw ongerechtigheden maken scheiding
tussen u en uw God,
uw zonden doen [Zijn] aangezicht voor u verborgen zijn,
zodat Hij [u] niet hoort.
3Want uw handen zijn met bloed besmet,
en uw vingers met ongerechtigheid.
Uw lippen spreken leugen,
uw tong brengt onrecht tot uiting.
4Er is niemand die [bijeen]roept in gerechtigheid
er is niemand die in trouw een rechtszaak voert.
Zij vertrouwen op holle [woorden] en spreken valse dingen.
Zij zijn zwanger van onheil, zij baren ongerechtigheid.
5Zij broeden eieren van een gifslang uit
en zij weven spinnenwebben.
Wie van hun eieren eet, sterft;
is er een kapotgedrukt, [dan] perst er zich een adder uit.
6Hun webben zijn niet geschikt voor kleding,
en zij zullen zich niet kunnen bedekken met hun maaksels.
Hun maaksels zijn maaksels van ongerechtigheid;
gewelddadig werk is in hun handen.
7Hun voeten snellen naar het kwaad,
zij haasten zich om onschuldig bloed te vergieten.
Hun gedachten zijn zondige gedachten,
verwoesting en ondergang [zijn] op hun gebaande wegen.
8De weg van de vrede kennen zij niet,
er is geen recht in hun sporen.
Zij gaan kromme paden;
ieder die ze betreedt, kent de vrede niet.

Zij hebben door hun zonden een barrière opgericht tussen zichzelf en God (vers 22Maar uw ongerechtigheden maken scheiding
tussen u en uw God,
uw zonden doen [Zijn] aangezicht voor u verborgen zijn,
zodat Hij [u] niet hoort.
)
. Hier vinden we de geestelijke toestand van het volk Israël gedurende de grote verdrukking. Als wij bidden en niet worden verhoord, moeten wij onszelf ook afvragen of er in ons leven zonden zijn, waardoor Hij niet kan verhoren (vgl. Jk 4:33U bidt en ontvangt niet, omdat u verkeerd bidt, om het in uw hartstochten te verkwisten.). God en de zonde kunnen niet samengaan. Hij kan de zonden van Zijn volk niet zien, maar verbergt Zijn aangezicht voor hen, zodat zij de vreugde van het licht van Zijn aangezicht moeten missen.

Dan gaat de profeet als een van de maskilim hun uiteenzetten wat er allemaal verkeerd is. Hij wijst op hun boze wegen, hun moorddadige handelen, hun leugens en onoprechtheid (vers 33Want uw handen zijn met bloed besmet,
en uw vingers met ongerechtigheid.
Uw lippen spreken leugen,
uw tong brengt onrecht tot uiting.
)
. Dit vindt plaats omdat zij de HEERE hebben verworpen en zal uitmonden in het vermoorden van Christus. Deze boosheid zal zich opnieuw openbaren als het volk onder leiding van hun koning, de antichrist, de trouwe gelovige Joden zal vervolgen (Op 13:77En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.; vgl. Ps 10:8-118Hij ligt in een hinderlaag in de dorpen,
op verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige,
zijn ogen loeren op de arme.
9Hij ligt in een hinderlaag op een verborgen plaats,
zoals een leeuw in zijn schuilplaats;
hij ligt in een hinderlaag om de ellendige te overvallen,
hij overvalt de ellendige als hij hem in zijn net trekt.
10Hij duikt neer, hij bukt zich,
en de arme valt in zijn sterke [poten].
11Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten,
Hij heeft Zijn aangezicht verborgen,
Hij ziet het in eeuwigheid niet.
)
.

Ze beschuldigen elkaar vals en de rechtspraak is krom. Ze stellen hun vertrouwen op waardeloze gepraat. Wat in hen tot ontwikkeling komt en zich aandient als nieuw leven, blijkt bij de uitwerking ervan slechts onheil te zijn. Zij zijn niet te vertrouwen en zullen met leugen en verraad de ware gelovigen aangeven (Mi 7:1-61Wee mij,
want het is mij vergaan als [na] de inzameling van de zomervruchten,
als [na] de nalezing van de wijnoogst:
er is geen tros om te eten.
Mijn ziel verlangt [naar] vroege vijgen.2Een goedertieren mens is verdwenen uit het land
en een oprechte onder de mensen is er niet.
Zij loeren allen op bloed,
zij jagen op elkaar [met] een net.3Om kwaad te doen staan [hun] handen goed:
de vorst eist,
de rechter doet [uitspraak] tegen betaling,
wie groot is, beslist naar eigen begeerte
en [zo] verdraaien zij de zaak.
4De beste van hen is als een doornstruik,
de oprechtste [erger] dan een doornhaag.
De dag van uw wachters is gekomen, [de dag] van uw vergelding.
Nu zal er bij hen ontreddering zijn.5Geloof een vriend niet,
vertrouw niet op een huisvriend,
bewaak de deuren van uw mond
voor haar die in uw schoot ligt.
6Want de zoon maakt de vader te schande,
de dochter staat op tegen haar moeder,
de schoondochter tegen haar schoonmoeder:
iemands vijanden zijn zijn [eigen] huisgenoten.
)
. In hun rechtspraak ontbreekt de gerechtigheid, alles is krom (vers 44Er is niemand die [bijeen]roept in gerechtigheid
er is niemand die in trouw een rechtszaak voert.
Zij vertrouwen op holle [woorden] en spreken valse dingen.
Zij zijn zwanger van onheil, zij baren ongerechtigheid.
).

In de verzen 5-65Zij broeden eieren van een gifslang uit
en zij weven spinnenwebben.
Wie van hun eieren eet, sterft;
is er een kapotgedrukt, [dan] perst er zich een adder uit.
6Hun webben zijn niet geschikt voor kleding,
en zij zullen zich niet kunnen bedekken met hun maaksels.
Hun maaksels zijn maaksels van ongerechtigheid;
gewelddadig werk is in hun handen.
trekt Jesaja de vergelijking met het uitbroeden van eieren van giftige slangen en het weven van spinnenwebben. Daarmee duidt hij het schadelijke karakter aan van de duivelse leringen die de antichrist zal verkondigen in het land. De eieren van de giftige slang hebben een tweevoudig resultaat. Wie ze eet, sterft, en als iemand op een wat verder uitgebroed ei trapt, komt er een adder uit. In beide gevallen is de dood ermee gemoeid.

Hij vergelijkt het handelen van deze instrumenten van de satan ook met het weven van een spinnenweb, wat beeldend het waardeloze en schadelijke van hun activiteiten aangeeft (Jb 8:1414Hij zal walgen van waar hij [eerst] zijn hoop [op stelde];
zijn vertrouwen zal spinrag [blijken te] zijn.
)
. Het deugt niet tot kleding, het geeft geen enkele warmte. Zo zijn hun handelingen. Wie in hun web gevangenzit, sterft een langzame dood.

De beschrijving van hun bezigheden in de verzen 7-87Hun voeten snellen naar het kwaad,
zij haasten zich om onschuldig bloed te vergieten.
Hun gedachten zijn zondige gedachten,
verwoesting en ondergang [zijn] op hun gebaande wegen.
8De weg van de vrede kennen zij niet,
er is geen recht in hun sporen.
Zij gaan kromme paden;
ieder die ze betreedt, kent de vrede niet.
wordt door Paulus aangehaald in Romeinen 3 (Rm 3:15-1715‘hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;16vernieling en ellende is op hun wegen;17en [de] weg van [de] vrede hebben zij niet gekend’;). Hij doet dat om de algemene schuld van de mens te beschrijven. Hij schetst het beeld van de zondaar en doet dat aan de hand van deze beschrijving die de HEERE van Zijn volk geeft. Dat geeft aan dat Gods volk zo diep is gezonken, dat het is gezakt tot het niveau van de mens zonder God, ja, tot het niveau van de mens die als God wil zijn (2Th 2:44die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.). Daarmee is de maat van de zonde van de mensheid vol. Jesaja stelt het contrast voor dat er is tussen hun wegen van verwoesting en verderf en de weg van de vrede, zowel in verbinding met God als in verbinding met hun medemens. Wie het pad van de mens van de zonde volgt, kent geen vrede.


De erkenning van het volk

9Daarom is het recht ver van ons
en bereikt de gerechtigheid ons niet.
Wij zien uit naar licht, maar zie, er is duisternis;
naar stralend licht, [maar] wij wandelen in donkerheid.
10Wij tasten als blinden langs de wand,
ja, wij tasten als [mensen] zonder ogen,
wij struikelen midden op de dag, als in de schemering,
wij verkeren, zoals de doden, in woeste plaatsen.
11Wij grommen allen als beren,
en wij kirren voortdurend als duiven.
Wij zien uit naar recht, maar het is er niet;
naar heil, [maar] dat is ver van ons.
12Want onze overtredingen zijn talrijk voor U
en onze zonden getuigen tegen ons.
Want onze overtredingen zijn bij ons,
onze ongerechtigheden, wij kennen ze:
13het overtreden en het liegen tegen de HEERE
en het zich afkeren bij onze God vandaan,
het spreken van onderdrukking en afvalligheid,
het zwanger zijn en melding maken van leugenachtige woorden vanuit het hart.
14Daarom is het recht teruggeweken,
en de gerechtigheid blijft van verre staan.
Want de waarheid struikelt op de straat,
en wat recht is, kan niet binnenkomen.
15Ja, de waarheid ontbreekt,
en wie zich afkeert van het kwade, wordt beroofd.
En de HEERE zag het, en het was kwalijk in Zijn ogen
dat er geen recht was.

In de verzen 9-15a9Daarom is het recht ver van ons
en bereikt de gerechtigheid ons niet.
Wij zien uit naar licht, maar zie, er is duisternis;
naar stralend licht, [maar] wij wandelen in donkerheid.
10Wij tasten als blinden langs de wand,
ja, wij tasten als [mensen] zonder ogen,
wij struikelen midden op de dag, als in de schemering,
wij verkeren, zoals de doden, in woeste plaatsen.
11Wij grommen allen als beren,
en wij kirren voortdurend als duiven.
Wij zien uit naar recht, maar het is er niet;
naar heil, [maar] dat is ver van ons.
12Want onze overtredingen zijn talrijk voor U
en onze zonden getuigen tegen ons.
Want onze overtredingen zijn bij ons,
onze ongerechtigheden, wij kennen ze:
13het overtreden en het liegen tegen de HEERE
en het zich afkeren bij onze God vandaan,
het spreken van onderdrukking en afvalligheid,
het zwanger zijn en melding maken van leugenachtige woorden vanuit het hart.
14Daarom is het recht teruggeweken,
en de gerechtigheid blijft van verre staan.
Want de waarheid struikelt op de straat,
en wat recht is, kan niet binnenkomen.
15Ja, de waarheid ontbreekt,
en wie zich afkeert van het kwade, wordt beroofd.
En de HEERE zag het, en het was kwalijk in Zijn ogen
dat er geen recht was.
gaat de profeet over van het spreken in de derde persoon meervoud, “zij” en “hun”, naar de eerste persoon meervoud, “wij” en “onze”. Hij sluit zichzelf bij het volk in. Eerst staat hij tegenover het volk en spreekt tot hen. Nu staat hij onder het volk en spreekt met en namens hen. De boodschap van God komt tot hun hart net als later de boodschap van Johannes de doper tot het volk komt. Met en namens het volk erkent de profeet de overtreding en bevestigt hij de gevolgen van het oordeel van God over hen (vers 99Daarom is het recht ver van ons
en bereikt de gerechtigheid ons niet.
Wij zien uit naar licht, maar zie, er is duisternis;
naar stralend licht, [maar] wij wandelen in donkerheid.
)
.

De HEERE treedt niet ten behoeve van Zijn volk tegen Zijn vijanden op (vers 1919Dan zullen zij de Naam van de HEERE vrezen vanwaar [de zon] ondergaat,
en Zijn heerlijkheid vanwaar de zon opkomt.
Als de vijand zal komen als een rivier,
zal de Geest van de HEERE de banier tegen hem oprichten.
)
. Vandaar dat ze nog in duisternis zitten. Ze hopen als ballingen op bevrijding, maar de zaken lijken allemaal erger te worden. Ze tasten als blinden rond, hoewel het klaarlichte dag is, en struikelen (vers 1010Wij tasten als blinden langs de wand,
ja, wij tasten als [mensen] zonder ogen,
wij struikelen midden op de dag, als in de schemering,
wij verkeren, zoals de doden, in woeste plaatsen.
)
. Zonder enig uitzicht voelen ze zich als doden.

Twee derde van het volk is uitgeroeid door toedoen van de koning van het noorden met zijn bondgenoten (Zc 13:8-98Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
9Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
)
. Maar nu komt het volk tot inkeer. Het is niet vanwege de onmacht van de HEERE dat dit hen overkomen is, maar hun ongerechtigheden zijn er de oorzaak van. Dat begrijpen zij nu eindelijk.

Zij die in dwaling volharden, zullen geen hulp ondervinden van het licht van Gods waarheid, hoewel het voor hen beschikbaar is. Christus en de Schriften zijn een struikelblok geworden voor de Joden (Jh 5:39-4039U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen;40en [toch] wilt u tot Mij niet komen opdat u leven hebt.; 2Ko 3:14,1614Maar hun gedachten zijn verhard geworden; want tot op heden blijft dezelfde bedekking bij het lezen van het oude testament, zonder weggenomen te worden, die in Christus tenietgedaan wordt.16maar wanneer het tot [de] Heer zal terugkeren, wordt de bedekking weggenomen.)). In de christenheid is het niet anders. De Schriften worden gelezen, maar niet begrepen. De verblindende macht van uitlegkundige tradities verduisteren het licht van Gods Woord. Mensen die de Bijbel hebben, blijven in godsdienstige slavernij. Ze zijn niet in staat om de waarheid te genieten die hen kan vrijmaken als zij gelovig naar de stem ervan zouden luisteren in plaats van te blijven vasthouden aan de systemen van mensen.

Het eerste deel van vers 1111Wij grommen allen als beren,
en wij kirren voortdurend als duiven.
Wij zien uit naar recht, maar het is er niet;
naar heil, [maar] dat is ver van ons.
beschrijft twee toestanden. Het “grommen … als beren” veronderstelt ongeduld; het droevig “kirren … als duiven” veronderstelt wanhoop. Allebei zijn ze het tegendeel van de vrede van de gelovige die voortkomt uit verslagenheid van hart en onderwerping aan Gods wil. Omdat er geen overgave aan de HEERE is, missen zij die vrede en komt er geen recht en blijft de verlossing ver weg.

Nadat zij hun blinde en dode toestand hebben erkend (verzen 9-119Daarom is het recht ver van ons
en bereikt de gerechtigheid ons niet.
Wij zien uit naar licht, maar zie, er is duisternis;
naar stralend licht, [maar] wij wandelen in donkerheid.
10Wij tasten als blinden langs de wand,
ja, wij tasten als [mensen] zonder ogen,
wij struikelen midden op de dag, als in de schemering,
wij verkeren, zoals de doden, in woeste plaatsen.
11Wij grommen allen als beren,
en wij kirren voortdurend als duiven.
Wij zien uit naar recht, maar het is er niet;
naar heil, [maar] dat is ver van ons.
)
, gaat het volk nu zonden belijden en noemen. Deze rampen komen allemaal over hen vanwege hun talrijke overtredingen (vers 1212Want onze overtredingen zijn talrijk voor U
en onze zonden getuigen tegen ons.
Want onze overtredingen zijn bij ons,
onze ongerechtigheden, wij kennen ze:
)
. Dat weten ze en erkennen ze nu ook. Ze weten dat ze als natie enerzijds de HEERE verloochenen door Christus, de Immanuel, af te wijzen en dat ze van God zijn afgevallen door de antichrist als koning en god te erkennen. Anderzijds gebruiken ze “leugenachtige woorden” die voortkomen uit een verdorven binnenste en daarmee hun volksgenoten, het gelovig overblijfsel, vervolgen (vers 1313het overtreden en het liegen tegen de HEERE
en het zich afkeren bij onze God vandaan,
het spreken van onderdrukking en afvalligheid,
het zwanger zijn en melding maken van leugenachtige woorden vanuit het hart.
)
.

“Recht” en “gerechtigheid” worden verdrongen door onrecht (vers 1414Daarom is het recht teruggeweken,
en de gerechtigheid blijft van verre staan.
Want de waarheid struikelt op de straat,
en wat recht is, kan niet binnenkomen.
)
. Op de plaats waar alle mensen elkaar ontmoeten, “op de straat”, worden “waarheid” en “recht” niet staande gehouden (vgl. 1Ko 5:88Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid.). Men probeert zichzelf met zoveel mogelijk leugens en onoprechte bedoelingen ten koste van de ander te verrijken. Wie daaraan niet meedoet, wordt zelfs met geweld zijn bezit afhandig gemaakt (vers 15a15Ja, de waarheid ontbreekt,
en wie zich afkeert van het kwade, wordt beroofd.
En de HEERE zag het, en het was kwalijk in Zijn ogen
dat er geen recht was.
)
.

Vanaf vers 15b15Ja, de waarheid ontbreekt,
en wie zich afkeert van het kwade, wordt beroofd.
En de HEERE zag het, en het was kwalijk in Zijn ogen
dat er geen recht was.
tot en met vers 1919Dan zullen zij de Naam van de HEERE vrezen vanwaar [de zon] ondergaat,
en Zijn heerlijkheid vanwaar de zon opkomt.
Als de vijand zal komen als een rivier,
zal de Geest van de HEERE de banier tegen hem oprichten.
is het derde deel van dit hoofdstuk. Daarin zien we de houding van de HEERE tegenover hun gedrag en de wijze waarop Hij tussenbeide komt. “Voorbidder” (vers 1616Omdat Hij zag dat er niemand was,
ontzette Hij Zich, want er was geen voorbidder.
Daarom bracht Zijn arm Hem heil,
en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem.
)
is ook te vertalen met ‘iemand die tussenbeide komt’, een ‘middelaar’. Hij ziet het kwaad dat in de voorgaande verzen is genoemd (vers 15b15Ja, de waarheid ontbreekt,
en wie zich afkeert van het kwade, wordt beroofd.
En de HEERE zag het, en het was kwalijk in Zijn ogen
dat er geen recht was.
)
. Het ontbreken van het recht is een groot kwaad in Zijn ogen. Er is ontzetting bij Hem omdat er geen man van karakter is of iemand die de bekwaamheid heeft om het tij van het kwaad te keren voor het treurende overblijfsel.


Verontwaardiging van de HEERE

16Omdat Hij zag dat er niemand was,
ontzette Hij Zich, want er was geen voorbidder.
Daarom bracht Zijn arm Hem heil,
en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem.
17Want Hij trok de gerechtigheid aan als een harnas
en [zette] de helm van het heil op Zijn hoofd.
Het gewaad van de wraak trok Hij aan [als] kleding
en Hij hulde zich in de na-ijver als mantel.
18Naar de daden, daarnaar zal Hij vergelden,
grimmigheid aan Zijn tegenstanders,
vergelding aan Zijn vijanden.
Aan de kustlanden zal Hij vergelden wat [zij] verdienen.
19Dan zullen zij de Naam van de HEERE vrezen vanwaar [de zon] ondergaat,
en Zijn heerlijkheid vanwaar de zon opkomt.
Als de vijand zal komen als een rivier,
zal de Geest van de HEERE de banier tegen hem oprichten.

Er is niemand die de kant van God kiest tegen de gruwelen en hun onvermijdelijke gevolgen (vers 1616Omdat Hij zag dat er niemand was,
ontzette Hij Zich, want er was geen voorbidder.
Daarom bracht Zijn arm Hem heil,
en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem.
)
. Hij ziet het kwaad, maar Hij ziet niemand die zich dat aantrekt en er iets aan gaat doen. In de dagen van het gouden kalf is er nog een Mozes die voor het volk tussenbeide treedt, maar hier is niemand (vgl. Op 5:44En ik weende zeer, omdat niemand waard bevonden was het boek te openen of het te bezien.).

Tot op dit moment is er geen hulp mogelijk. Niet van beneden, en ook niet van boven. Maar nu het volk tot inkeer is gekomen en om genade roept, nu zij tot belijdenis komen met een werkelijk verbroken hart, nu kan hulp van boven komen, nu komt de HEERE Zelf, met ontferming bewogen.

Als dan niemand het voor het volk opneemt – en er is ook niemand die het zou kunnen! (Ps 49:8-98Niemand [van hen] kan [zijn] broeder metterdaad verlossen,
hij kan God zijn losgeld niet geven.
9De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar
en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.
)
–, zal Hij het Zelf gaan doen. Hij zal Zelf de Verlosser van Zijn volk zijn (vers 2020En naar Sion zal een Verlosser komen
voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren,
spreekt de HEERE.
)
. Niemand hoeft Hem te helpen. Zijn eigen arm, beeld van Zijn kracht om iets uit te voeren, biedt Hem hulp. Zijn handelen gebeurt op basis van Zijn gerechtigheid. Daar steunt Hij op.

In de daaropvolgende beschrijving van waarmee Hij Zich bekleedt (vers 1717Want Hij trok de gerechtigheid aan als een harnas
en [zette] de helm van het heil op Zijn hoofd.
Het gewaad van de wraak trok Hij aan [als] kleding
en Hij hulde zich in de na-ijver als mantel.
)
, hebben we beelden van de verschillende openbaringen van Zijn kenmerken en macht, de handelingen van Zijn gerechtigheid en Zijn genade. In de kleding wordt het innerlijk openbaar. “De gerechtigheid” is Zijn “harnas”, “het heil” is Zijn “helm”, “de wraak” is Zijn “gewaad” en “de na-ijver” is Zijn “mantel”.

Het is beeldspraak. De HEERE tooit Zich met deze vier eigenschappen. Het herinnert aan de wapenrusting van de gelovige in de brief aan de Efeziërs, waar de kledingstukken bestaan uit de geestelijke wapens die ons ter beschikking staan om de vijand te weerstaan (Ef 6:13-1713Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,). Er is wel dit verschil dat de HEERE geen verdediging nodig heeft. Hij gebruikt deze wapens om Zich te wreken op Zijn vijanden.

Als verklaring van de kleding van de HEERE volgt een profetie die de grote toekomstige gebeurtenissen in verbinding met Israël in orde ontvouwt. Ten eerste zal de HEERE handelen met de opstandelingen in Israël en straf uitoefenen over hen in het volk die zich volhardend verbinden met de antichrist. Zij zijn de tegenstanders naar wie in het eerste deel van vers 1818Naar de daden, daarnaar zal Hij vergelden,
grimmigheid aan Zijn tegenstanders,
vergelding aan Zijn vijanden.
Aan de kustlanden zal Hij vergelden wat [zij] verdienen.
wordt verwezen. Hij zal hen naar hun daden vergelden. In de tweede plaats zullen de oordelen vallen op “Zijn vijanden” in de wereld van de heidenen en “de kustlanden”, die zich allen zullen verzamelen tegen de HEERE en tegen zijn Gezalfde (Ps 2:22De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
)
.

Door het optreden van de HEERE zal er vrees voor Hem ontstaan bij hen die de toorn van God te duchten hebben, gevolgd door een gedwongen onderwerping aan en erkenning van de rechten van God en Zijn Zoon (vers 1919Dan zullen zij de Naam van de HEERE vrezen vanwaar [de zon] ondergaat,
en Zijn heerlijkheid vanwaar de zon opkomt.
Als de vijand zal komen als een rivier,
zal de Geest van de HEERE de banier tegen hem oprichten.
)
. Deze vijanden zijn de volken die ten strijde gaan tegen Israël onder aanvoering van de Assyriër, de koning van het noorden. Zij zullen komen “als een rivier”.


De Verlosser voor Sion

20En naar Sion zal een Verlosser komen
voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren,
spreekt de HEERE.

De oordelen die voor de vijanden hun ondergang betekenen, betekenen voor het overblijfsel verlossing. Voor hen komt Hij als Verlosser. Dit overblijfsel bestaat uit de boetvaardigen in Israël, dat zijn zij die zich in Jakob van overtreding hebben bekeerd. Zij hebben zich bekeerd in het bewustzijn dat zij schuldig zijn aan de verwerping van de Messias.


Geest en Woord

21Wat Mij betreft, dit is Mijn verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op U is, en Mijn woorden die Ik U in de mond gelegd heb, zullen uit Uw mond niet wijken, ook niet uit de mond van Uw nakomelingen, evenmin uit de mond van de nakomelingen van Uw nakomelingen, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid.

Het hoofdstuk besluit met de belofte van een nieuw verbond (vers 2121Wat Mij betreft, dit is Mijn verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op U is, en Mijn woorden die Ik U in de mond gelegd heb, zullen uit Uw mond niet wijken, ook niet uit de mond van Uw nakomelingen, evenmin uit de mond van de nakomelingen van Uw nakomelingen, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid.). Het is gebaseerd op Gods woord aan Abraham (Gn 17:44Wat Mijzelf betreft, zie, Mijn verbond is met u! U zult vader worden van een menigte volken.). Het overblijfsel krijgt de toezegging dat Gods Geest op hen zal komen. Hier hebben we weer die prachtige combinatie van Geest en Woord die vaker samen worden genoemd en Die in de eindtijd de kracht van het volk zullen zijn (vgl. Hg 2:66Volgens het woord [van het] verbond dat Ik met u sloot,
toen u uit Egypte vertrok,
en Mijn Geest, Die in uw midden stond:
Wees niet bevreesd!
)
.

Er zal voortdurend een getuigenis van de HEERE worden gegeven. Generatie op generatie zal dat doorgaan tijdens het vrederijk. Het gaat om hen die het vrederijk ingaan en al de volgende geslachten die geboren zullen worden. Zij zelf zullen niet ophouden Zijn Woord te verklaren en getuigenis te geven van Hem. Dat betekent dat gedurende het vrederijk het volk Israël alleen maar zal bestaan uit hen die werkelijk uit God geboren zijn. Wat een machtige belofte. Wat een rijke zegen!

Het is te wensen dat dit voor ons nu al zo is. Als Gods Geest in ons woont en Gods Woord rijkelijk in ons woont, zullen we het getuigenis aangaande de Heer Jezus als ons leven doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen. Het is een van de grootste zegeningen die een gelovige op aarde mag kennen, als voor hemzelf waar is dat het leven voor hem Christus is en dat hij ziet dat dit ook voor zijn kinderen en kleinkinderen waar is (2Jh 1:44Ik heb mij zeer verblijd, dat ik [sommigen] van uw kinderen heb gevonden die in [de] waarheid wandelen, zoals wij een gebod ontvangen hebben van de Vader.; 3Jh 1:44Ik heb geen grotere blijdschap dan deze, dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.).


Lees verder