Jesaja
1-2 Niemand merkt het op 3-9 De zonden van het volk 10-13 Leugenachtige gerechtigheid 14-15 De woonplaats van de HEERE 16-21 Vrede voor de Godvrezenden
Niemand merkt het op

1De rechtvaardige komt om,
en er is niemand die het ter harte neemt.
De goedertieren mensen worden weggenomen,
zonder dat er iemand op let
dat de rechtvaardige weggenomen wordt vóór het onheil.
2Hij zal ingaan [in] de vrede;
zij zullen rusten op hun slaapplaatsen,
[eenieder] die [in] zijn oprechtheid wandelt.

In tegenstelling tot de boze wachters, herders en leiders, die alleen uit zijn op bevrediging van hun eigen buik, is daar “de rechtvaardige” die uitblinkt door het feit dat hij wordt weggenomen, voordat het oordeel van God losbarst (vers 11De rechtvaardige komt om,
en er is niemand die het ter harte neemt.
De goedertieren mensen worden weggenomen,
zonder dat er iemand op let
dat de rechtvaardige weggenomen wordt vóór het onheil.
)
. Een voorbeeld daarvan is de Godvrezende koning Josia. De goddeloze massa trekt zich echter niets aan van de rechtvaardige, heeft er geen boodschap aan, drukt hem weg. Als “de goedertieren mensen” sterven, heeft hun dood en verdwijning geen enkel effect. Men laat zich er niet door waarschuwen dat de Rechter voor de deur staat.

Het kenmerk van de rechtvaardige en de goedertieren mensen is dat zij Godvrezend of vroom zijn. Zij gaan in vrede en rusten in vrede (vers 22Hij zal ingaan [in] de vrede;
zij zullen rusten op hun slaapplaatsen,
[eenieder] die [in] zijn oprechtheid wandelt.
)
. Terwijl de goddelozen te lijden hebben van alles wat er om hen heen en met hen gebeurt, verliezen de vromen niets van wat God hun heeft toegezegd. Zij sterven in geloof en gaan genieten in de eeuwige vrede van de tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen (Hb 12:2323[de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven, en tot God, [de] Rechter van allen; en tot [de] geesten van [de] tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen;).

Het is één ding om te zien dat rechtvaardige mensen sterven en dan vragen te stellen of dat terecht is en de macht van God daarbij te betrekken. Dat probleem houdt de bijbelschrijvers en iedere gelovige wel eens bezig. We zien dat duidelijk in het boek Job. Maar als het lijden en het wegvallen van goede mensen geen vraag om een verklaring oproept en niets in het hart bewerkt, is dat een ander ding. Dan is het geloof in God in feite vervangen door atheïsme, al houdt men zich ook aan godsdienstige inzettingen. Uit deze atheïstische houding vloeien alle andere boosheden en misbruiken voort waarover de profeet spreekt.


De zonden van het volk

3Maar u, kom naderbij,
kinderen van een waarzegster,
gebroed van een overspeler en van iemand die hoererij bedrijft!
4Over wie verlustigt u zich,
tegen wie spert u [uw] mond wijd open,
steekt u [uw] tong uit?
Bent ú geen kinderen van overtreding,
gebroed van bedrog?
5U die gloeit [van lust] bij de eiken,
onder elke bladerrijke boom;
u die de kinderen slacht in de beekdalen,
onder [in] de kloven van de rotsen.
6Bij de gladde [stenen] van de dalen ligt uw deel,
die, die zijn uw lot.
Voor hen ook vergiet u een plengoffer,
hun brengt u een graanoffer.
Zou Ik Mij daarmee laten troosten?
7Op een hoge en verheven berg
spreidt u uw bed uit;
ook daarheen klimt u op
om een slachtoffer te brengen.
8Achter de deur en de deurposten
zet u uw gedenkteken neer.
Want van Mij [wendt u zich af], u ontbloot zich en klimt naar boven.
U slaat uw bed wijd open
en [met enkelen] van hen sluit u voor u [een verbintenis].
U hebt hun bed lief, op [elke] plaats die u ziet.
9U reist met olie naar de koning
en u vermeerdert uw welriekende zalven.
U zendt uw gezanten ver weg
en vernedert u tot de hel toe.

Er volgt een treffende verandering in de uitingen van de profeet. In de voorgaande verzen, vanaf Jesaja 56:9, heeft hij eerst de leiders aangesproken. Nu gaat hij het volk aanspreken. Niet alleen de leiders zijn verantwoordelijk. Hoewel die een grotere verantwoordelijkheid hebben, is het volk ook verantwoordelijk voor de eigen daden. Het volk wordt aangesproken op twee zonden: afgoderij en hoererij. Deze twee worden ook in het Nieuwe Testament wel samen genoemd (Op 2:2020Maar Ik heb tegen u, dat u de vrouw Izebel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en misleidt Mijn slaven om te hoereren en afgodenoffers te eten.; 1Ko 6:1010Dwaalt niet! Geen hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, zij die bij mannen liggen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars of rovers zullen Gods koninkrijk beërven.).

Eerst is er een waarschuwing voor de boosdoeners om naderbij te komen om naar de stem van God te luisteren (verzen 3-43Maar u, kom naderbij,
kinderen van een waarzegster,
gebroed van een overspeler en van iemand die hoererij bedrijft!
4Over wie verlustigt u zich,
tegen wie spert u [uw] mond wijd open,
steekt u [uw] tong uit?
Bent ú geen kinderen van overtreding,
gebroed van bedrog?
)
. Zij worden aangesproken als “kinderen van een waarzegster” – occultisme, demonenverering – en van een overspeler en hoereerder, als kinderen van de zonde, leugengebroed. Daaraan ontlenen zij hun karakter, zoals vaker in de Schrift iemands morele karakter getekend wordt door te verwijzen naar zijn vader of moeder of beiden (1Sm 20:3030Toen ontstak Saul in woede tegen Jonathan, en hij zei tegen hem: Jij zoon van een ontaarde [en] opstandige [vrouw], wist ik het niet dat jij voor de zoon van Isaï gekozen hebt, tot je eigen schande en tot schande van de naaktheid van je moeder?; 2Kn 6:3232Elisa nu zat in zijn huis en de oudsten zaten bij hem. [De koning] stuurde een man voor zich uit, [maar] voordat de bode bij hem gekomen was, had hij zelf tegen de oudsten gezegd: Hebt u gezien hoe die moordenaarszoon [iemand] gestuurd heeft om mij te onthoofden? Let op! Als die boodschapper komt, sluit [dan] de deur, en dring hem bij de deur terug. Is het geluid van de voet[stappen] van zijn heer niet achter hem?; Jb 30:88Zij waren kinderen van een dwaas, en kinderen zonder naam,
zij waren weggeslagen uit het land.
)
.

Alles wat volgt in de verzen 5-115U die gloeit [van lust] bij de eiken,
onder elke bladerrijke boom;
u die de kinderen slacht in de beekdalen,
onder [in] de kloven van de rotsen.
6Bij de gladde [stenen] van de dalen ligt uw deel,
die, die zijn uw lot.
Voor hen ook vergiet u een plengoffer,
hun brengt u een graanoffer.
Zou Ik Mij daarmee laten troosten?
7Op een hoge en verheven berg
spreidt u uw bed uit;
ook daarheen klimt u op
om een slachtoffer te brengen.
8Achter de deur en de deurposten
zet u uw gedenkteken neer.
Want van Mij [wendt u zich af], u ontbloot zich en klimt naar boven.
U slaat uw bed wijd open
en [met enkelen] van hen sluit u voor u [een verbintenis].
U hebt hun bed lief, op [elke] plaats die u ziet.
9U reist met olie naar de koning
en u vermeerdert uw welriekende zalven.
U zendt uw gezanten ver weg
en vernedert u tot de hel toe.10Door uw grote reis bent u afgemat,
[maar] u zegt niet: Er is geen hoop [meer].
U hebt [nieuwe] levenskracht gevonden,
daarom bent u niet verzwakt.
11Maar voor wie bent u beducht of bevreesd geweest?
U hebt immers gelogen
en hebt aan Mij niet gedacht,
[Ik] ben u niet ter harte gegaan.
Is het niet [om]dat Ik heb gezwegen, en dat van oude tijden af,
dat u Mij niet vreest?
, is gericht tot hen die in ballingschap zijn gegaan en profetisch tot hen die volgelingen zijn geworden van de antichrist. Ze doen aan verschillende vormen van boomaanbidding, waarbij de verschillende bomen worden gezien als bijzondere behuizingen van verschillende godheden (vers 55U die gloeit [van lust] bij de eiken,
onder elke bladerrijke boom;
u die de kinderen slacht in de beekdalen,
onder [in] de kloven van de rotsen.
)
. Bij deze afgoderij vinden afschuwelijke rituelen plaats.

In vers 66Bij de gladde [stenen] van de dalen ligt uw deel,
die, die zijn uw lot.
Voor hen ook vergiet u een plengoffer,
hun brengt u een graanoffer.
Zou Ik Mij daarmee laten troosten?
is sprake van het aanbidden van stenen en de offers die daarover worden uitgegoten. Dit alles wordt vergeleken met geestelijke hoererij, het ontrouw zijn aan de HEERE (verzen 7-97Op een hoge en verheven berg
spreidt u uw bed uit;
ook daarheen klimt u op
om een slachtoffer te brengen.
8Achter de deur en de deurposten
zet u uw gedenkteken neer.
Want van Mij [wendt u zich af], u ontbloot zich en klimt naar boven.
U slaat uw bed wijd open
en [met enkelen] van hen sluit u voor u [een verbintenis].
U hebt hun bed lief, op [elke] plaats die u ziet.
9U reist met olie naar de koning
en u vermeerdert uw welriekende zalven.
U zendt uw gezanten ver weg
en vernedert u tot de hel toe.
)
. Ze vinden rust op verheven plaatsen die ze beklommen hebben om daar offers aan hun afgoden te brengen (vers 77Op een hoge en verheven berg
spreidt u uw bed uit;
ook daarheen klimt u op
om een slachtoffer te brengen.
)
. Ze ondergaan allerlei inwijdingen in de hogere wereld om zich daardoor van zakelijk succes te verzekeren. Dat ze zich daarbij overleveren aan demonische machten, komt niet bij hen op.

Achter de deuren en posten van hun huizen waaraan zij Gods Woord geschreven hebben (Dt 6:6,96Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn.9U moet ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten schrijven.), hebben zij hun eigen “gedenkteken” neergezet (vers 88Achter de deur en de deurposten
zet u uw gedenkteken neer.
Want van Mij [wendt u zich af], u ontbloot zich en klimt naar boven.
U slaat uw bed wijd open
en [met enkelen] van hen sluit u voor u [een verbintenis].
U hebt hun bed lief, op [elke] plaats die u ziet.
)
. Daar leven ze hun leven van liederlijkheid en hoererij. Het ongelovige Israël gaat in de toekomst met de olie van aanbidding naar “de koning” – of: de Molech –, dat is de antichrist. Aan de Molech worden kinderoffers gebracht (Lv 18:2121U mag niemand uit uw nageslacht overgeven om aan de Molech geofferd te worden. De Naam van uw God mag u niet ontheiligen. Ik ben de HEERE.; 2Kn 23:1010[Josia] verontreinigde ook Tofet, dat in het dal Ben-Hinnom lag, opdat niemand zijn zoon of dochter voor de Molech door het vuur liet gaan.). Molech is letterlijk Melech, dat koning, zoals het hier is vertaald, betekent. Vandaag worden kinderen opgeofferd aan de afgoden ‘carrière’ en ‘genot’.

Om zich te versterken tegen de vijand zenden ze hun “gezanten ver weg”, om een verbond te sluiten met “de hel” (vers 99U reist met olie naar de koning
en u vermeerdert uw welriekende zalven.
U zendt uw gezanten ver weg
en vernedert u tot de hel toe.
; Js 28:1515Omdat u zegt: Wij hebben
een verbond gesloten met de dood,
en met het rijk van de dood
zijn wij een verdrag aangegaan,
wanneer de [alles] wegspoelende gesel voorbijtrekt,
komt hij niet bij ons,
want van de leugen hebben wij ons toevluchtsoord gemaakt
en in het bedrog hebben wij ons verborgen,
)
Het is een verbond met de duivel “die de macht over de dood had” (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,) en die zich manifesteert in de gedaante van de heerser van het Romeinse rijk, het beest uit de zee.

Afgoderij en hoererij zijn ook voor ons grote gevaren. Afgoderij is alles wat de levende en waarachtige God in ons leven van de eerste plaats verdringt. De apostel Johannes waarschuwt ons: “Kinderen, wacht u voor de afgoden” (1Jh 5:2121Kinderen, wacht u voor de afgoden.). De apostel Paulus spreekt over “de hebzucht, die afgodendienst is” en zegt dat we daar radicaal mee moeten afrekenen (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,). Afgoderij hangt ten nauwste samen met hoererij, een aanhangen van iets anders dan God.


Leugenachtige gerechtigheid

10Door uw grote reis bent u afgemat,
[maar] u zegt niet: Er is geen hoop [meer].
U hebt [nieuwe] levenskracht gevonden,
daarom bent u niet verzwakt.
11Maar voor wie bent u beducht of bevreesd geweest?
U hebt immers gelogen
en hebt aan Mij niet gedacht,
[Ik] ben u niet ter harte gegaan.
Is het niet [om]dat Ik heb gezwegen, en dat van oude tijden af,
dat u Mij niet vreest?
12Ík zal uw gerechtigheid bekendmaken,
en uw daden:
ze zullen u niets baten.
13Wanneer u roept, laten zij u [dan] redden die door u verzameld zijn.
Maar de wind zal hen allemaal wegvoeren,
een zucht zal hen wegnemen.
Maar wie tot Mij de toevlucht neemt, zal de aarde in erfelijk bezit krijgen
en Mijn heilige berg in bezit nemen.

Al deze boosheid vereist veel werk en moeite (vers 1010Door uw grote reis bent u afgemat,
[maar] u zegt niet: Er is geen hoop [meer].
U hebt [nieuwe] levenskracht gevonden,
daarom bent u niet verzwakt.
)
, maar die inspanning levert het volk graag. Ze zoeken nieuwe kracht bij de machten van de duisternis en niet bij de HEERE (vgl. Js 40:3131maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.
)
. Mogelijk dat hun “grote reis” slaat op het sluiten van een tweede verbond en wel met het verenigd Europa onder leiding van het beest uit Rome (Dn 9:2727Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
)
, met wie Israël de banden steeds sterker aanhaalt.

Ze zijn zo ver van de HEERE afgeweken, dat ze niet meer aan Hem denken (vers 1111Maar voor wie bent u beducht of bevreesd geweest?
U hebt immers gelogen
en hebt aan Mij niet gedacht,
[Ik] ben u niet ter harte gegaan.
Is het niet [om]dat Ik heb gezwegen, en dat van oude tijden af,
dat u Mij niet vreest?
)
. In plaats van de hopeloosheid van hun situatie in te zien, vinden ze steeds nieuwe krachten om voort te gaan met het sluiten van verbonden met de heidenen. De HEERE heeft niet direct ingegrepen, maar hen op hun weg laten gaan. Hij heeft gezwegen. Omdat Hij nog niet in oordeel tussenbeide komt, vrezen ze God ook niet (Pr 8:1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.).

Maar Hij blijft niet zwijgen. Als Hij gaat spreken, wijst Hij hen op de dwaasheid van hun handelen. De vermelding “Ík zal uw gerechtigheid bekendmaken” (vers 1212Ík zal uw gerechtigheid bekendmaken,
en uw daden:
ze zullen u niets baten.
)
, houdt niet in dat zij met wie God een geschil heeft, zelf rechtvaardig zijn. Het tegendeel is het geval. Het betreft wat Israël in zijn blinde toestand beschouwt als zijn eigen gerechtigheid. Het is een leugenachtige gerechtigheid. Het ware karakter daarvan zal door God worden bekendgemaakt, dat betekent door Hem worden tentoongesteld en geoordeeld. Dit wordt bevestigd door wat in vers 13a13Wanneer u roept, laten zij u [dan] redden die door u verzameld zijn.
Maar de wind zal hen allemaal wegvoeren,
een zucht zal hen wegnemen.
Maar wie tot Mij de toevlucht neemt, zal de aarde in erfelijk bezit krijgen
en Mijn heilige berg in bezit nemen.
volgt.

Halverwege vers 1313Wanneer u roept, laten zij u [dan] redden die door u verzameld zijn.
Maar de wind zal hen allemaal wegvoeren,
een zucht zal hen wegnemen.
Maar wie tot Mij de toevlucht neemt, zal de aarde in erfelijk bezit krijgen
en Mijn heilige berg in bezit nemen.
richt de HEERE Zich tot de getrouwen onder Zijn volk, een rest, een overblijfsel. Voor ons spreekt het “in erfelijk bezit nemen” van het land van het in bezit nemen van de zegeningen in de hemelse gewesten, terwijl het “in bezit nemen” van “Mijn heilige berg” spreekt van het genieten van de gemeenschap met Hem.


De woonplaats van de HEERE

14Men zal zeggen:
Verhoog [de weg], verhoog [de weg], bereid de weg,
neem [elk] struikelblok voor Mijn volk van de weg!
15Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.

Met de oproep van vers 1414Men zal zeggen:
Verhoog [de weg], verhoog [de weg], bereid de weg,
neem [elk] struikelblok voor Mijn volk van de weg!
wordt de weg klaargemaakt voor de terugkeer van het in vers 1313Wanneer u roept, laten zij u [dan] redden die door u verzameld zijn.
Maar de wind zal hen allemaal wegvoeren,
een zucht zal hen wegnemen.
Maar wie tot Mij de toevlucht neemt, zal de aarde in erfelijk bezit krijgen
en Mijn heilige berg in bezit nemen.
genoemde overblijfsel uit de ballingschap. Zij zullen het land beërven. Jesaja 62 werpt hier licht op (Js 62:1010Ga door, ga door, de poorten door,
bereid de weg voor het volk,
verhoog, verhoog de gebaande weg,
zuiver [hem] van stenen,
steek een banier omhoog boven de volken.
)
, waar wordt vooruitgezien naar de uiteindelijke vergadering van Israël vanuit de volken. “[Elk] struikelblok” spreekt van elke soort hindernis die de terugkeer van het volk in de weg kan staan.

In het laatste deel van het hoofdstuk geeft de HEERE een boodschap waarin heerlijkheid en genade zijn gecombineerd. Het betreft Zijn tweevoudige woonplaats: de hoge en heilige plaats in de hemel en de verbrijzelde en nederige geest op aarde (vers 1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
. Hier is Zijn tweede woonplaats niet de tabernakel of tempel te midden van Zijn volk, maar een overblijfsel met de genoemde kenmerken. Het zijn “de armen van geest” (Mt 5:33Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.). Zulke mensen hebben niets meer aan te bieden dan een volledig failliet van hun leven. Dit laatste zal de toestand zijn van Zijn aardse volk na hun herstel.

Als wij onszelf vernederen “onder de krachtige hand van God” (1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,), zal Hij ons verhogen, of zoals Jesaja hier zegt, zal Hij onze geest en ons hart doen herleven. Verbrijzeling en vernedering zijn als oorzaak en gevolg.


Vrede voor de Godvrezenden

16Want Ik zal niet voor eeuwig ter verantwoording roepen
en Ik zal niet voor altijd zeer toornig zijn.
Want de geest zou van voor Mijn aangezicht bezwijken,
de zielen die Ík gemaakt heb.
17Ik was zeer toornig over de ongerechtigheid van hun winstbejag,
Ik sloeg [het volk], Ik verborg Mij en was zeer toornig.
Maar het ging afkerig verder op de weg van zijn hart.
18Ik heb zijn wegen gezien,
Ik zal hem genezen, Ik zal hem leiden
en hem vertroosting bieden,
namelijk zijn treurenden.
19Ik schep de vrucht van de lippen,
vrede, vrede voor wie ver weg is en voor wie dichtbij is,
zegt de HEERE, en Ik zal hem genezen.
20Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee,
want die kan niet tot rust komen,
en zijn water woelt modder en slijk op.
21De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede!

Als de HEERE voortdurend zou twisten en altijd toornig zou zijn, dan zou de geest van het voorwerp van Zijn rechtvaardige boosheid voor Hem bezwijken (vers 1616Want Ik zal niet voor eeuwig ter verantwoording roepen
en Ik zal niet voor altijd zeer toornig zijn.
Want de geest zou van voor Mijn aangezicht bezwijken,
de zielen die Ík gemaakt heb.
)
. Hij heeft de mens niet geschapen om hem te laten sterven. Dat zal wel het lot zijn van de massa die zich niet bekeert. God maakt Zijn plan waar aan een overblijfsel dat de kenmerken vertoont waardoor Hij Zijn ware en volle plaats in hart en leven kan innemen.

Op duidelijke wijze herinnert de HEERE er hier aan dat het bestaan van de ziel te danken is aan Zijn scheppingsmacht. Dit is tegelijk een aandoenlijke oproep tot verbrijzeling en vernedering voor Zijn aangezicht. De HEERE doet de belofte aan Israël dat, nu Hij hen geslagen heeft vanwege hun hebzucht en de afwending van hun hart (vers 1717Ik was zeer toornig over de ongerechtigheid van hun winstbejag,
Ik sloeg [het volk], Ik verborg Mij en was zeer toornig.
Maar het ging afkerig verder op de weg van zijn hart.
)
, Hij hen zal genezen, hen zal leiden en vertroostingen zal schenken (vers 1818Ik heb zijn wegen gezien,
Ik zal hem genezen, Ik zal hem leiden
en hem vertroosting bieden,
namelijk zijn treurenden.
)
. Dit zal speciaal voor de treurenden zijn, dat zijn zij die treuren over hun eigen afdwaling en niet in de eerste plaats over alle onrecht in de wereld.

De verzen 19-2119Ik schep de vrucht van de lippen,
vrede, vrede voor wie ver weg is en voor wie dichtbij is,
zegt de HEERE, en Ik zal hem genezen.
20Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee,
want die kan niet tot rust komen,
en zijn water woelt modder en slijk op.
21De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede!
laten zien dat de gevolgen van Gods handelingen het volk in tweeën zal verdelen. Voor hen die verbrijzeld en vernederd zijn, die treuren over hun zonden, zal er “vrede, vrede” zijn in hun verstrooide toestand, zowel voor hem die “ver weg is” als voor hem die “dichtbij is” (vers 1919Ik schep de vrucht van de lippen,
vrede, vrede voor wie ver weg is en voor wie dichtbij is,
zegt de HEERE, en Ik zal hem genezen.
; vgl. Ef 2:1717En Hij is gekomen en heeft vrede verkondigd aan u die veraf was, en vrede aan hen die nabij waren.)
. De verdubbeling van het woord ‘vrede’ betekent dat het om volmaakte en onafgebroken vrede gaat, om “volkomen vrede” (Js 26:33Het is [Uw] vaste voornemen:
U zult volkomen vrede bewaren,
want men heeft op U vertrouwd.
)
. Dit zal aanbidding voortbrengen en lofliederen. Vandaar dat de belofte van vrede wordt voorgegaan door de vermelding: “Ik schep de vrucht van de lippen.”

Aan de andere kant zijn daar de goddelozen, de onboetvaardigen, de volgelingen van de antichrist, voor wie geen vrede is (verzen 20-2120Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee,
want die kan niet tot rust komen,
en zijn water woelt modder en slijk op.
21De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede!
)
.


Lees verder