Jesaja
1-2 Doe gerechtigheid 3-8 Vreemdeling en ontmande 9-12 Oordeel over de goddelozen
Doe gerechtigheid

1Zo zegt de HEERE:
Neem het recht in acht en doe gerechtigheid,
want Mijn heil is nabij om te komen,
en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.
2Welzalig een sterveling [die] zo handelt,
het mensenkind [dat] daaraan vasthoudt;
die de sabbat in acht neemt, zodat hij die niet ontheiligt,
en die zijn hand ervoor behoedt om enig kwaad te doen.

De openingswoorden van dit hoofdstuk zijn een herhaling van de vermaning in het vorige hoofdstuk (Js 55:6-76Zoek de HEERE terwijl Hij te vinden is,
roep Hem aan terwijl Hij nabij is.
7Laat de goddeloze zijn weg verlaten,
de man van ongerechtigheid zijn gedachten.
Laat hij zich bekeren tot de HEERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen,
tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.
)
. De gedachten en wegen van Israël zijn niet die van de HEERE (Js 55:88Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten,
en uw wegen zijn niet Mijn wegen,
spreekt de HEERE.
)
. De heerlijke beloften die in dat hoofdstuk volgen, zijn een aansporing voor de bozen om hun wegen te verlaten en voor de onrechtvaardigen om hun gedachten prijs te geven.

In het vorige hoofdstuk hebben we de uitnodiging gehoord om de zegeningen van het nieuwe verbond te kunnen ontvangen. In de komende twee hoofdstukken die het slot vormen van het tweede onderdeel, Jesaja 49-57, kunnen we de respons op deze uitnodiging herkennen. Ten eerste in de vrome heidenvolken die in het koninkrijk van God worden ingevoerd, Jesaja 56:1-8, en ten tweede in de goddeloze Israëlieten die verbannen zullen zijn uit hetzelfde koninkrijk, Jesaja 56:9-57:21. In deze twee groepen herkennen we de vervulling van de woorden van de Heer Jezus tot de hoofdman van Kapernaüm (Mt 8:11-1211Ik zeg u echter, dat velen zullen komen van oost en west en met Abraham, Izaäk en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk der hemelen;12de zonen van het koninkrijk echter zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.; 19:3030Vele eersten echter zullen [de] laatsten zijn, en laatsten [de] eersten.).

Laten zij “het recht” in acht nemen en “gerechtigheid” doen (vers 11Zo zegt de HEERE:
Neem het recht in acht en doe gerechtigheid,
want Mijn heil is nabij om te komen,
en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.
)
. Dan zullen zij in overeenstemming zijn met de eigenschappen en handelingen die voor Gods koninkrijk gelden. De reden waarom zij dit moeten doen, is tweevoudig: het koninkrijk zal spoedig openbaar worden zowel in heil of behoudenis als in gerechtigheid. Als zij zich realiseren hoe nabij Zijn heil is en dat Zijn rechtvaardige handelingen op het punt staan om geopenbaard te worden, dan zullen zij worden aangemoedigd om te volharden.

Een speciale zegen wordt in het vooruitzicht gesteld voor hem die Gods gebod bewaart (vers 22Welzalig een sterveling [die] zo handelt,
het mensenkind [dat] daaraan vasthoudt;
die de sabbat in acht neemt, zodat hij die niet ontheiligt,
en die zijn hand ervoor behoedt om enig kwaad te doen.
)
. Van al Gods geboden wordt het sabbatsgebod hier genoemd als illustratie van het in acht nemen van Gods geboden. Dit is de beste toetssteen of iemand echt Gods geboden wil houden. Wie de HEERE liefheeft, zal die houden. Daarnaast is de sabbat ook een teken van het verbond (Ez 20:1212Ook heb Ik hun Mijn sabbatten gegeven, om een teken te zijn tussen Mij en hen, zodat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben Die hen heiligt.) en wel in verbinding met het nieuwe verbond. Het houden van het sabbatsgebod openbaart de gezindheid van het hart dat gerechtigheid wil doen. Het staat open, niet alleen voor de Israëlieten, maar voor iedere “sterveling” (vers 22Welzalig een sterveling [die] zo handelt,
het mensenkind [dat] daaraan vasthoudt;
die de sabbat in acht neemt, zodat hij die niet ontheiligt,
en die zijn hand ervoor behoedt om enig kwaad te doen.
)
, dat wil zeggen ook voor hen uit de heidenvolken.

Naast het acht geven op het sabbatsgebod spreekt de HEERE ook over het acht geven op de hand, om daarmee geen kwaad te doen. De hand spreekt van de daden. Wie innerlijk (hart) en uiterlijk (hand) in overeenstemming met God leeft, is “welzalig”.

De sabbat is voor ons de rust in Christus, die we alleen kunnen genieten als onze hand geen kwaad doet.


Vreemdeling en ontmande

3Laat de vreemdeling die zich bij de HEERE gevoegd heeft, niet zeggen:
De HEERE heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden;
laat de ontmande niet zeggen:
Zie, ik ben [maar] een dorre boom.
4Want zo zegt de HEERE
over de ontmanden die Mijn sabbatten in acht nemen,
verkiezen wat Mij behaagt,
en vasthouden aan Mijn verbond:
5Ik zal hun in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven,
beter dan [die] van zonen en dan [die] van dochters;
een eeuwige naam zal Ik ieder van hen geven,
[een naam] die niet uitgewist zal worden.
6En de vreemdelingen die zich bij de HEERE voegen
om Hem te dienen en om de Naam van de HEERE lief te hebben,
om Hem tot dienaren te zijn;
allen die de sabbat in acht nemen, zodat zij hem niet ontheiligen,
en die aan Mijn verbond vasthouden:
7hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
8De Heere HEERE,
Die de verdrevenen uit Israël bijeenbrengt, spreekt:
Ik zal er tot Hem nog meer bijeenbrengen,
naast hen die [al] tot Hem bijeengebracht zijn.

Vers 33Laat de vreemdeling die zich bij de HEERE gevoegd heeft, niet zeggen:
De HEERE heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden;
laat de ontmande niet zeggen:
Zie, ik ben [maar] een dorre boom.
noemt de twee soorten mensen die buiten de beloften van Israël staan. De eerste is “de vreemdeling”. Dit is de van oorsprong buitenlander maar die in het land is komen wonen en de HEERE kent. Hij heeft zich aangesloten bij het Joodse volk – zo iemand wordt ‘proseliet’ genoemd – en onderhoudt de Joodse wetten. Zulke mensen zijn er ook in Babel. De vreemdeling zou kunnen denken dat de oproep om terug te gaan naar het land Israël niet voor hem geldt.

Maar hij hoeft niet bang te zijn dat de HEERE hem van Zijn volk zal scheiden en hem zal beroven van de voorrechten die hij heeft genoten. Het “welzalig” van vers 22Welzalig een sterveling [die] zo handelt,
het mensenkind [dat] daaraan vasthoudt;
die de sabbat in acht neemt, zodat hij die niet ontheiligt,
en die zijn hand ervoor behoedt om enig kwaad te doen.
geldt voor alle mensen, alle stervelingen, die aan de voorwaarden van vers 11Zo zegt de HEERE:
Neem het recht in acht en doe gerechtigheid,
want Mijn heil is nabij om te komen,
en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.
voldoen. Niet zijn geslachtsregister is bepalend, maar de vraag of hij het recht en de gerechtigheid van vers 11Zo zegt de HEERE:
Neem het recht in acht en doe gerechtigheid,
want Mijn heil is nabij om te komen,
en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.
onderhoudt.

De tweede is de “de ontmande” (Dt 23:11Iemand die door kneuzing [aan het geslachtsdeel] gewond is of van wie het geslachtsdeel is afgesneden, mag niet in de gemeente van de HEERE komen.). De wet verbiedt dat hij, ook al is hij een Israëliet, deel gaat uitmaken van Gods volk. Hij kan menen er niet bij te horen, omdat hij zijn eigen toestand als ontmande kent. Net als een dorre boom geen vrucht draagt, kan een ontmande geen nageslacht verwekken.

De HEERE heeft echter een bemoedigend woord voor “de ontmanden” die aan Zijn verbond vasthouden (vers 44Want zo zegt de HEERE
over de ontmanden die Mijn sabbatten in acht nemen,
verkiezen wat Mij behaagt,
en vasthouden aan Mijn verbond:
)
. Hun vrees zal ongegrond blijken te zijn. Ze mogen in Zijn huis zijn. Hij geeft hun zelfs de belofte van een plaats en een naam, die beter zijn dan die van zonen en dochters (vers 55Ik zal hun in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven,
beter dan [die] van zonen en dan [die] van dochters;
een eeuwige naam zal Ik ieder van hen geven,
[een naam] die niet uitgewist zal worden.
)
. Ieder die meent slechts een tweederangs gelovige te zijn, iemand die meent achtergesteld te zijn, niet in tel, krijgt hier een extra bemoediging.

Deze bemoediging mogen we dankbaar aanvaarden en aan anderen doorgeven. Ieder lid van Zijn volk is er een voor wie de Heer Jezus Zijn leven heeft gegeven. Hun naam zal nooit worden uitgeroeid, maar voor eeuwig bij God bekend zijn (vgl. Op 3:1212Wie overwint, die zal Ik maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God en hij zal geenszins meer daaruit weggaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God, en Mijn nieuwe Naam.). Het gaat niet om wie ze van oorsprong zijn, maar wat ze in Hem zijn geworden.

Als zij de sabbat houden (vers 66En de vreemdelingen die zich bij de HEERE voegen
om Hem te dienen en om de Naam van de HEERE lief te hebben,
om Hem tot dienaren te zijn;
allen die de sabbat in acht nemen, zodat zij hem niet ontheiligen,
en die aan Mijn verbond vasthouden:
)
, zal God hen tot Zijn heilige berg brengen en hun vreugde geven in Zijn huis van gebed (vers 77hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
)
. Hij zal elke barrière voor gemeenschap tenietdoen. Zij zullen voluit deel uitmaken van de gemeente van Israël. Hun brandoffers en offeranden zal Hij op Zijn altaar aanvaarden, want Zijn huis zal “een huis van gebed genoemd worden voor alle volken” (vgl. Mt 21:1313En Hij zei tot hen: Er staat geschreven: ‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd’; u maakt er echter een rovershol van.). En Hij Die in de toekomst de verdrevenen bijeenbrengt, zal ook dan nog meerderen bijeenbrengen (vers 88De Heere HEERE,
Die de verdrevenen uit Israël bijeenbrengt, spreekt:
Ik zal er tot Hem nog meer bijeenbrengen,
naast hen die [al] tot Hem bijeengebracht zijn.
)
. De HEERE zal deze verdrevenen, de ontmanden, de verstrooiden van Israël, de tien stammen, evenals de anderen, heidenvolken, bijeenbrengen.

Dat geldt ook voor vandaag. Het evangelie gaat door en elk dag komen in de hele wereld velen tot bekering (Hd 2:4747terwijl zij God prezen en gunst hadden bij het hele volk. En de Heer voegde dagelijks bijeen die behouden werden.). Zij komen tot Zijn huis, de nieuwtestamentische gemeente van de levende God. De gemeente is ook in de eerste plaats een huis van gebed (1Tm 2:1-21Ik vermaan dan allereerst dat smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen,2voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een rustig en stil leven leiden in alle Godsvrucht en eerbaarheid.).


Oordeel over de goddelozen

9Alle dieren van het veld, kom om te eten,
[ja,] alle dieren in het woud!
10Zijn wachters zijn allen blind,
zij weten van niets.
Zij allen zijn stomme honden,
zij kunnen niet blaffen;
slaperig liggen zij neer,
zij hebben het sluimeren lief.
11Deze honden zijn vraatzuchtig,
zij kennen geen verzadiging.
Ja, zij zijn herders
die niet tot inzicht weten te komen.
Zij allen keren zich naar hun [eigen] weg,
ieder [is uit] op eigen gewin, niemand uitgezonderd.
12Kom, [zeggen zij,] ik zal wijn halen,
en wij zullen ons dronken drinken aan sterkedrank;
en de dag van morgen zal zijn als deze,
[ja,] groter, [nog] veel geweldiger!

Met vers 99Alle dieren van het veld, kom om te eten,
[ja,] alle dieren in het woud!
begint een nieuw gedeelte dat doorloopt in Jesaja 57. We zijn in een heel andere sfeer met een heel andere toon. Het gaat niet meer over herstel, maar over oordeel. Terwijl de gelovige heidenvolken en verstotenen gered worden, gaat het oordeel tot de afvalligen in Israël, de volgelingen van de antichrist. De wilde dieren, dat zijn de Assyriërs onder aanvoering van de koning van het noorden, worden opgeroepen om zich tegoed te doen aan het ongelovig deel van het volk Israël (vers 99Alle dieren van het veld, kom om te eten,
[ja,] alle dieren in het woud!
)
.

Dat is het gevolg van de houding van hun leiders, die wachters van het volk zijn en die de taak hebben het volk voor gevaar te waarschuwen. De veiligheid van het volk gaat hun echter helemaal niet aan het hart (vgl. Jr 6:1717Ik heb wachters over u aangesteld:
Sla acht op het geluid van de bazuin!
Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.
)
. Ze zijn er blind voor (vers 1010Zijn wachters zijn allen blind,
zij weten van niets.
Zij allen zijn stomme honden,
zij kunnen niet blaffen;
slaperig liggen zij neer,
zij hebben het sluimeren lief.
)
. Ze denken alleen aan eigen gemak en genot. Ze dromen, liggen neer, sluimeren en zijn blind voor de geestelijke waarden en realiteit. Van die houding gaat als het ware de oproep uit aan de wilde dieren om hen te komen verslinden. De HEERE oordeelt nooit zonder de rechtvaardigheid van het oordeel te tonen. Dat doet Hij door de morele toestand van het volk en hun leiders te openbaren.

Deze leiders ontwaken alleen uit hun eigen gemak als ze zich kunnen overgeven aan genotzucht, zwelgpartijen en drinkgelagen (vers 1111Deze honden zijn vraatzuchtig,
zij kennen geen verzadiging.
Ja, zij zijn herders
die niet tot inzicht weten te komen.
Zij allen keren zich naar hun [eigen] weg,
ieder [is uit] op eigen gewin, niemand uitgezonderd.
)
. Het zijn honden die zich volvreten om aan hun genotzucht te voldoen, maar ze kunnen niet blaffen om het volk te waarschuwen. Het zijn waardeloze herders. Ze gaan hun eigen weg, de weg die hun het meeste oplevert. Als er al een gedachte aan morgen is, dan alleen om dan nog meer te zwelgen (vers 1212Kom, [zeggen zij,] ik zal wijn halen,
en wij zullen ons dronken drinken aan sterkedrank;
en de dag van morgen zal zijn als deze,
[ja,] groter, [nog] veel geweldiger!
)
.

Allen die de Heer Jezus een verantwoordelijkheid heeft gegeven om als herders voor Zijn kudde te zorgen, moeten waken voor een geleidelijk afnemen van hun verplichtingen tegenover de kudde. Ze moeten ook waken tegen het heersen over de kudde of het uit zijn op onrechtmatige winst (1Pt 5:2-32hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.).

De geschetste situatie is ook op vandaag van toepassing. Wie heeft nog de moed om geestelijke verantwoordelijkheid te nemen en te waarschuwen voor het verwereldlijken van de gemeente, voor allerlei moderne afgoden als psychologie, welvaartsevangelie, cultische mode, voor wolven in schaapskleren die onder de dekmantel van het christendom dwaalleringen verbreiden? Wie waarschuwt de jonge mensen in de gemeente nog voor de charismatische dwalingen van onze tijd, zoals tongentaal, visioenen en zogenaamde profetische boodschappen? Daar tegenover moet de oproep klinken om zelf Gods Woord te bestuderen om niet ten prooi te vallen aan allerlei wind van leer.


Lees verder