Jesaja
Inleiding 1-3 Jubel van de onvruchtbare 4-8 Ontferming 9-10 Een onwankelbaar verbond 11-17 Sion onaantastbaar
Inleiding

Dit hoofdstuk is een uitbarsting van gejubel en gejuich na de profetieën over het lijden, het dragen van de zonden en de heerlijkheid van de Knecht van de HEERE in het vorige hoofdstuk. Het zijn de heerlijke gevolgen van wat in het vorige hoofdstuk is beschreven, met als kern dat de Messias plaatsvervangend voor Zijn volk heeft geleden en is gestorven. Daarom zijn de gevolgen in de eerste plaats voor dat volk. We zien hier de nakomelingen die de Heer Jezus zal zien (Js 53:1010Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
)
. Als een eerste teken van de volle verlossing horen we het gezang van de verlosten (vgl. Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
.


Jubel van de onvruchtbare

1Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
2Vergroot de plaats voor uw tent,
laat men uw tentkleden wijd uitspannen,
wees niet terughoudend,
verleng uw touwen,
sla uw pinnen vast.
3Want u zult zich rechts en links uitbreiden,
uw nageslacht zal de heidenvolken in bezit nemen
en de verlaten steden bevolken.

Israël wordt opgeroepen zich te verheugen met gezang, omdat haar toestand van onvruchtbaarheid is veranderd in vruchtbaarheid (vers 11Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
)
. De ervaringen van de onvruchtbare en later toch vruchtbare aartsmoeder Sara zijn daarvan een voorafschaduwing. De verlaten toestand van het volk en hun land zal niet voor altijd zijn. De tijd zal komen dat haar kinderen talrijker zullen zijn dan zij waren vóórdat ze de verlatene was.

Er is ook een toepassing voor ons, gelovigen van de gemeente. Paulus maakt de vergelijking tussen het Jeruzalem dat boven is en het aardse Jeruzalem in de huidige tijd en haalt dan vers 11Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
van dit hoofdstuk in zijn brief aan de Galaten aan (Gl 4:26-2726maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is onze moeder.27Want er staat geschreven: ‘Wees vrolijk, onvruchtbare die niet baart, barst los en juich, u die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan van haar die een man heeft’.).

De jubel van vers 11Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
zal klinken als het aardse Jeruzalem is hersteld in haar relatie met de HEERE. Dat heeft vooral betrekking op het vrederijk. Daarom wordt haar opgedragen de plaats voor haar tent te vergroten en de kleden van haar tentwoning wijd uit te spannen (vers 22Vergroot de plaats voor uw tent,
laat men uw tentkleden wijd uitspannen,
wees niet terughoudend,
verleng uw touwen,
sla uw pinnen vast.
)
. Ze moet haar gebied groter maken om aan de bevolkingsexplosie plaats te kunnen bieden. Die belofte van toename wordt haar gegeven (vers 33Want u zult zich rechts en links uitbreiden,
uw nageslacht zal de heidenvolken in bezit nemen
en de verlaten steden bevolken.
)
. Wat hier gezegd wordt, zien we in de ‘aliyah’ ofwel de terugkeer van de stammen uit de verstrooiing naar het land.

Paulus, die – opmerkelijk in dit verband – tentenmaker van beroep was (Hd 18:33en omdat hij van hetzelfde beroep was, bleef hij bij hen en werkte, want zij waren tentenmakers van beroep.), heeft zijn gebied voor de verspreiding van het evangelie ook steeds groter gemaakt (2Ko 10:15b-16a15terwijl wij niet roemen buiten de maat op [de] arbeid van anderen, maar hopen dat, naarmate uw geloof toeneemt, wij onder u meer aanzien zullen krijgen in overeenstemming met ons arbeidsterrein, om nog overvloediger,16in de [streken] verder dan u, het evangelie te verkondigen; niet om te roemen in [het] arbeidsterrein van een ander over wat bereikt is.). God is een God van uitbreiding. Bij Hem is voor ieder plaats die zich aan Hem overgeeft. Zo zijn er in het Vaderhuis “vele woningen” (Jh 14:22In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, <want> Ik ga heen om u plaats te bereiden.). Israëls gebied zal groter zijn dan in de tijd van Salomo (Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:; 28:1414Uw nageslacht zal [talrijk] zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden. In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.; 2Kn 4:21,2421Zij ging naar boven en legde hem op het bed van de man Gods; daarna sloot zij [de deur] achter hem en ging naar buiten.24Toen zadelde zij de ezelin en zei tegen haar knecht: Drijf [haar] aan en ga; rijd zonder ophouden, tenzij ik [het] je zeg.). Zij zullen het hoofd van de volken worden en regeren over hen die hen hebben onderdrukt (Mi 4:1-31Het zal echter in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE
vast zal staan als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat de volken ernaartoe zullen stromen.2Vele heidenvolken zullen op weg gaan
en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.3Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
. De door de koning van het noorden verwoeste steden zullen weer bevolkt worden.

Zo zijn de wegen van de Heer. Verruiming zal op verkleining volgen als Zijn tuchtigingen hun werk hebben gedaan. Als de getuchtigde gelovige meer de werkelijkheid leert kennen van wat op Golgotha is volbracht en in zelfoordeel voor Hem buigt, zal geestelijke verruiming het zekere gevolg zijn. Onvruchtbaarheid en verarming maken plaats voor vruchtbaarheid die uitbarst in overvloed tot heerlijkheid van de Heer en tot verrijking en zegen van anderen.


Ontferming

4Wees niet bevreesd, want u zult niet beschaamd worden;
word niet rood van schaamte, want u zult niet te schande worden.
Ja, u zult de schande van uw jeugd vergeten,
en niet meer denken aan de smaad van uw weduwschap.
5Want uw Maker is uw Man,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
en uw Verlosser is de Heilige van Israël,
de God van heel de aarde zal Hij genoemd worden.
6Want als een verlaten vrouw,
een bedroefde van geest, roept de HEERE u,
de vrouw van de jeugd, die afgewezen was,
zegt uw God.
7Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten,
maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.
8In een stortvloed van grote toorn heb Ik voor u
Mijn aangezicht een ogenblik verborgen,
maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen,
zegt de HEERE, uw Verlosser.

Het gedeelte dat nu volgt, staat vol van de tederste beloften en vertroostingen. We lezen over de “eeuwige goedertierenheid” (vers 88In een stortvloed van grote toorn heb Ik voor u
Mijn aangezicht een ogenblik verborgen,
maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen,
zegt de HEERE, uw Verlosser.
)
van de HEERE en van Zijn “grote barmhartigheid” (vers 77Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten,
maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.
)
op grond van Zijn verbond en de heerlijke toekomst die voor het volk in het verschiet ligt. Israël hoeft niet langer te vrezen, want het volk zal niet meer beschaamd staan.

Het leek erop dat zij voor altijd verlaten was, maar dat zal schijn blijken te zijn. Ook de schande van haar weduwschap zal worden weggenomen. Als verlatene en weduwe zal zij hersteld worden, ze zal weer worden aangenomen en ze zal weer getrouwd worden. Haar toekomst zal zo vreugdevol zijn, dat ze de schande van haar jeugd zal vergeten, dat is de tijd van haar slavernij in Egypte. Daar is ze als een maagd die door de HEERE aan Zichzelf is verbonden met een verbond van liefde (Jr 2:22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
; Ez 16:6060Toch zal Ík denken aan Mijn verbond met u in de dagen van uw jeugd. Ik zal met u een eeuwig verbond maken.)
.

Ze zal zich ook niet meer de smaad van haar weduwschap herinneren, dat is de tijd van haar ballingschap in Babel (Jr 51:55Want Israël noch Juda wordt als weduwe achtergelaten
door zijn God, door de HEERE van de legermachten,
al is hun land vol van schuld
tegenover de Heilige van Israël.
)
, want haar “Man” is niemand anders dan haar “Maker” (vers 55Want uw Maker is uw Man,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
en uw Verlosser is de Heilige van Israël,
de God van heel de aarde zal Hij genoemd worden.
)
. Hij die haar Man is geworden, heeft haar ook doen ontstaan. Haar Schepper is een liefdesbetrekking met haar aangegaan. Hij is “de HEERE van de legermachten”, Die de hemelse en aardse legermachten opdraagt wat ze moeten doen.

Hij is ook hun “Verlosser” aan Wie de hele aarde toebehoort en die dus ook in staat is haar van al het nodige te voorzien. Hij is haar Losser, Die haar heeft vrijgekocht uit de macht van al haar vijanden, haar het erfdeel teruggeeft en Zich met haar in de echt verbindt. Hij is wat Boaz voor Ruth was, de Losser, Die ook haar man is (Ru 4:1-131Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.2En hij haalde tien mannen uit de oudsten van de stad, en zei: Gaat u hier zitten. En zij gingen zitten.3Toen zei hij tegen de losser: Het stuk land dat van onze broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land Moab teruggekomen is, verkocht.4En ík heb gezegd: Ik zal het u ter ore doen komen door te zeggen: Koop het, in aanwezigheid van de inwoners en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk. Als u het wilt lossen, los het. En als u het niet wilt lossen, vertel het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand om het te lossen, behalve u, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.5Maar Boaz zei: Op de dag dat u het land van de hand van Naomi koopt, koopt u het ook van Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden.6Toen zei de losser: Ik kan het voor mij niet lossen, anders zou ik mijn erfelijk bezit te gronde richten. Neemt ú voor uw rekening wat ik zou moeten lossen, want ik kan [het] niet lossen.7Nu was het vroeger in Israël bij lossing en bij ruil [de gewoonte] om de hele zaak te bevestigen: iemand trok zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit diende als bewijs in Israël.8Dus zei de losser tegen Boaz: Koopt u het voor uzelf. En hij trok zijn schoen uit.9Toen zei Boaz tegen de oudsten en heel het volk: U bent vandaag getuigen dat ik van de hand van Naomi alles gekocht heb wat van Elimelech geweest is, en alles wat van Chiljon en Machlon geweest is.10Daarbij neem ik voor mijzelf Ruth, de Moabitische, de vrouw van Machlon, tot vrouw om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden, opdat de naam van de gestorvene niet zal worden uitgewist onder zijn broeders en in de poort van zijn [woon]plaats. U bent vandaag getuigen.11En heel het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen. Moge de HEERE deze vrouw, die in uw huis komt, maken als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben. Doe krachtige daden in Efratha en maak uw naam beroemd in Bethlehem.12En moge uw huis worden als het huis van Perez, die Tamar aan Juda baarde, door het nageslacht dat de HEERE u uit deze jonge vrouw geven zal.13Zo nam Boaz Ruth en zij werd hem tot vrouw, en hij kwam bij haar. En de HEERE gaf haar dat zij zwanger werd en een zoon baarde.; Hs 2:1515Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE,
dat u [Mij] zult noemen: mijn Man,
en Mij niet meer zult noemen: mijn Baäl!
)
.

Haar relatie met Hem heeft zwaar te lijden gehad vanwege haar ontrouw. Maar de HEERE zal haar terugroepen naar Zichzelf (vers 66Want als een verlaten vrouw,
een bedroefde van geest, roept de HEERE u,
de vrouw van de jeugd, die afgewezen was,
zegt uw God.
)
. Hij neemt haar terug, zoals een man de vrouw terugneemt die hij in zijn jeugd liefhad. Ze heeft Hem mishaagd, maar zij is niet als een gehate. De HEERE ziet de tijd waarin Hij haar heeft moeten verlaten, de tijd van haar ballingschap die voor haar een lange tijd leek (Kl 5:2020Waarom zou U ons voor altijd vergeten,
zou U ons [zo] lange tijd verlaten?
)
, als “een klein ogenblik” (vers 77Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten,
maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.
)
.

Het mag voor het overblijfsel een lange tijd lijken, er komt een nog veel langere periode, “eeuwige goedertierenheid”, waarin ze Gods “grote barmhartigheid” zullen genieten (vers 88In een stortvloed van grote toorn heb Ik voor u
Mijn aangezicht een ogenblik verborgen,
maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen,
zegt de HEERE, uw Verlosser.
; Ps 30:6a6Want een ogenblik duurt Zijn toorn,
[maar] een leven [lang] Zijn goedgunstigheid;
overnacht 's avonds het geween,
's morgens is er gejuich.
; vgl. 2Ko 4:1717Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid;)
. Dat staat tegenover het korte moment waarop God Zijn toorn uitstort.


Een onwankelbaar verbond

9Want dit zal voor Mij zijn [als bij] de wateren van Noach,
toen Ik zwoer
dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen;
zo heb Ik gezworen
dat Ik niet meer op u toornen zal en u niet meer bestraffen zal.
10Want al zouden bergen wijken
en heuvels wankelen,
Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken
en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen,
zegt de HEERE, uw Ontfermer.

Daarna geeft de HEERE de verzekering dat Hij nooit meer toornig op Israël zal zijn, zoals Hij ook een dergelijke verzekering aan Noach heeft gegeven met betrekking tot de zondvloed (vers 99Want dit zal voor Mij zijn [als bij] de wateren van Noach,
toen Ik zwoer
dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen;
zo heb Ik gezworen
dat Ik niet meer op u toornen zal en u niet meer bestraffen zal.
; Gn 9:1111Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten.)
. Zoals toen een regenboog die verzekering onderstreepte (Gn 9:1616Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en aan het eeuwig verbond denken tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.), zo spreekt Hij nu over “het verbond van Mijn vrede” als iets dat nooit zal worden weggenomen. Dat verbond kan er zijn omdat de straf die hun de vrede aanbrengt, op Hem was (Js 53:55Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
)
. Het verbond kan niet verbroken worden. Het is een eeuwig verbond omdat het is gegrond op het bloed van het nieuwe verbond dat Hij heeft gestort.

Wat er ook mag veranderen of bezwijken, niet Zijn goedertierenheid voor Zijn volk, want Hij is hun Ontfermer (vers 1010Want al zouden bergen wijken
en heuvels wankelen,
Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken
en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen,
zegt de HEERE, uw Ontfermer.
)
. Zoals Noach en zijn familie na de zondvloed op een nieuwe aarde komen, zo zal Gods verloste volk na de grote verdrukking op een vernieuwde aarde de zegen van het duizendjarig vrederijk binnengaan.


Sion onaantastbaar

11U, ellendige, door stormweer voortgedrevene, ongetrooste,
zie, Ik zal uw stenen leggen in schitterend zilverwit,
Ik zal u grondvesten op saffieren,
12uw torens maken van kristal,
uw poorten van robijn,
heel uw omwalling van edelsteen.
13Al uw kinderen zullen door de HEERE onderwezen zijn,
en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.
14U zult door gerechtigheid bevestigd worden.
Houd u ver van onderdrukking, want u zult niet bevreesd zijn,
en [ver] van verschrikking, want zij zal niet tot u naderen.
15Zie, zij zullen zeker samenscholen – niet door Mijn [toedoen] –
wie tegen u ten strijde trekt, die zal om u ten val komen.
16Zie, Ík heb de smid geschapen,
die het kolenvuur aanblaast
en wapentuig vervaardigt, geschikt voor zijn doel;
en Ík heb de verwoester geschapen om te gronde te richten.
17Elk wapentuig [dat] tegen u wordt vervaardigd, zal niets uitrichten,
en elke tong [die] in het gericht tegen u opstaat, zult u schuldig verklaren.
Dit is het erfelijk bezit van de dienaren van de HEERE,
en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE.

In deze verzen worden de toekomstige heerlijkheid en het toekomstige geluk van Gods aardse volk beschreven. Dat gebeurt in een prachtige verscheidenheid van wegen die ertoe dienen om de komende bevrijding voor te stellen en de gevolgen daarvan in tegenstelling tot de huidige ellende. Deze laatste toestand zien we in het begin van vers 1111U, ellendige, door stormweer voortgedrevene, ongetrooste,
zie, Ik zal uw stenen leggen in schitterend zilverwit,
Ik zal u grondvesten op saffieren,
.

De “ellendige” of de verdrukte laat zien hoe ze onder de antichrist in de grote verdrukking is geweest. De storm stelt de vijandige machten voor – de koning van het noorden – die onder aanvoering van de satan Gods volk hebben gebeukt om het te vernietigen. “Ongetrooste” laat zien dat zij zonder trooster was. Ze moest het oordeel van Lo-Ammi, dat betekent ‘niet Mijn volk’ (Hs 1:99En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
, ondergaan en was daardoor verstoken van de troost van God. Maar de HEERE zal Jeruzalem doen blinken en een onwankelbare grondslag van edelstenen geven. De stenen worden gevat in “schitterend zilverwit” en het fundament bestaat uit “saffieren”.

De bodemschatten, die de mens tot zijn eigen heerlijkheid opdelft, weerspiegelen de kenmerken van God en van Christus en zullen daartoe dienen in het vrederijk. We zien dat bijvoorbeeld in de “poorten van robijn”. De robijn heeft een bloedrode kleur en herinnert aan het bloed van Christus en het werk van de verzoening. Dan beantwoordt al het geschapene onder de heerschappij van de Heer Jezus aan zijn ware bedoeling. De stad zal glanzend stralen vanwege alle aardse heerlijkheid die de HEERE haar heeft gegeven en waarmee Hij haar als een bruid versiert (vers 1212uw torens maken van kristal,
uw poorten van robijn,
heel uw omwalling van edelsteen.
; vgl. Op 21:18-2118En de bouwstof van haar muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.19De fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd,20het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist.21En de twaalf poorten waren twaalf parels, elk afzonderlijk van de poorten was uit één parel. En de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas.)
. Al deze heerlijkheid doet denken aan de heerlijkheid van Christus.

In de weerspiegeling van de heerlijkheid van Christus zullen de kinderen van Jeruzalem “zonen” zijn die als leerlingen door de HEERE zijn onderwezen (vers 1313Al uw kinderen zullen door de HEERE onderwezen zijn,
en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.
)
. De stenen worden hier “zonen” genoemd. “Kinderen” is hier geen juiste vertaling; in het Hebreeuws is het verschil slechts één letter. Als leerlingen van de HEERE zullen ze lijken op de ware Knecht van de HEERE, de Messias, Die ook de ware Leerling, of Discipel, is geweest (Js 50:44De Heere HEERE gaf Mij een tong van een die onderwijs ontving,
zodat Ik weet met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken.
Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor,
zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen.
; vgl. Js 8:1616Bind het getuigenis toe! Verzegel de wet onder Mijn leerlingen!
)
. Zij zullen geen menselijk onderwijs nodig hebben om zich als zonen te gedragen.

Door God geleerd (Jh 6:4545Er staat geschreven in de profeten: ‘En zij zullen allen door God geleerd zijn’. Ieder die van de Vader heeft gehoord en geleerd, komt tot Mij.; 1Th 4:99Wat nu de broederliefde betreft, hierover hebt u niet nodig dat wij u schrijven; want zelf bent u door God onderwezen om elkaar lief te hebben;) zullen ze tot erkenning van zonde komen en zal na de bekering liefde hun gemeenschappelijk kenmerk zijn. Ze zullen elkaar daarover geen onderwijs hoeven te geven (Jr 31:3434Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.). Dat onderwijs krijgen zij door hun oog op de volmaakte Leerling of Discipel te richten, de volmaakte Knecht. Al dit geluk, al dit heil, al deze zegen zal genoten worden op basis van Goddelijke gerechtigheid (vers 1414U zult door gerechtigheid bevestigd worden.
Houd u ver van onderdrukking, want u zult niet bevreesd zijn,
en [ver] van verschrikking, want zij zal niet tot u naderen.
)
.

Ze zullen niet langer worden onderdrukt door vijanden. Verdrukking zal ver van hen verwijderd zijn. Ze hoeven niet bang te zijn voor een herhaling van hun ellende door de hand van volken die door de HEERE waren gezonden, zoals Assyrië en Babel. Wagen de vijanden toch een poging om hen aan te vallen, dan zal dat de val van die volken zelf betekenen en wel door middel van het volk van God (vers 1515Zie, zij zullen zeker samenscholen – niet door Mijn [toedoen] –
wie tegen u ten strijde trekt, die zal om u ten val komen.
)
. Jeruzalem zal onneembaar zijn. Alle dingen zijn in de hand van de HEERE (vers 1616Zie, Ík heb de smid geschapen,
die het kolenvuur aanblaast
en wapentuig vervaardigt, geschikt voor zijn doel;
en Ík heb de verwoester geschapen om te gronde te richten.
)
. Er is geen macht ter wereld die het tegen God kan opnemen want die macht is door Hem geschapen (vgl. Es 7:6-106Esther zei: De man, de tegenstander en vijand, is deze slechte Haman. Toen werd Haman door angst overvallen in de tegenwoordigheid van de koning en de koningin.7Woedend stond de koning op van het drinken van de wijn en [ging] naar de tuin van het paleis. Haman bleef staan om bij koningin Esther voor zijn leven te smeken, want hij zag dat bij de koning het onheil over hem ten volle besloten was.8Toen de koning uit de tuin van het paleis terugkwam in de zaal waar men de wijn gedronken had, was Haman neergevallen op het rustbed waarop Esther [lag]. En de koning zei: [Zou hij] ook [nog] de koningin in huis aanranden in mijn bijzijn? [Toen] dit woord uit de mond van de koning was gekomen, bedekte men het gezicht van Haman.9En Charbona, een van de hovelingen die in dienst [stond] van de koning, zei: Zie, ook de galg die Haman heeft gemaakt voor Mordechai, die goed voor de koning gesproken heeft, staat bij het huis van Haman, vijftig el hoog. Toen zei de koning: Hang hem daaraan.10Toen hingen zij Haman aan de galg die hij voor Mordechai had laten oprichten. Toen bedaarde de woede van de koning.).

Dat mag ons tot troost zijn. Hij is altijd sterker dan de macht die tegen ons is. Daarom zal geen wapen dat tegen Zijn volk wordt gesmeed, met succes worden gebruikt (vers 1717Elk wapentuig [dat] tegen u wordt vervaardigd, zal niets uitrichten,
en elke tong [die] in het gericht tegen u opstaat, zult u schuldig verklaren.
Dit is het erfelijk bezit van de dienaren van de HEERE,
en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE.
)
. Zijn scheppende macht gebruikt Hij om Zijn volk te verdedigen. Hij zal hun tevens de woorden geven om zichzelf te verdedigen tegen elke aanklacht.

De slotregels van het hoofdstuk sommen alle voorgaande beloften op en beschrijven die als “het erfelijk bezit van de dienaren van de HEERE”. Dé Dienaar van de HEERE heeft alles verdiend, het is Zijn rechtvaardige beloning; de dienaren van de HEERE delen erin op grond van genade. Hij heeft er recht op, omdat gerechtigheid Hem eigen is; zij krijgen dat recht of die gerechtigheid op grond van genade.

Terwijl de ware Knecht Zelf de Rechtvaardige is, is de gerechtigheid die aan het volk wordt gegeven, gegrond op genade: “Hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE. Op deze wijze zal Jeruzalem gevestigd worden. Israël zal niets kunnen claimen als gevolg van eigen verdienste, net zomin als wij, die “gerechtvaardigd zijn door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is” (Rm 3:2424en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.), dat kunnen.


Lees verder