Jesaja
Inleiding 1-3 Voorbeeld van Abraham en Sara 4-8 Het heil van de HEERE is nabij 9-10 Roep om tussenkomst van de HEERE 11 De zekere toekomst voor Gods volk 12-16 De HEERE is voor Zijn volk 17-23 Einde aan het lijden van Gods volk
Inleiding

Het onderwerp van dit hoofdstuk is de oproep aan het gelovig overblijfsel om tot inkeer te komen en te geloven in de Heer Jezus. Zij geloven in de HEERE en beven voor Zijn woord (Js 66:22Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
, maar zien niet in dat de Heer Jezus hun beloofde Christus, Messias, is. Zoals het geweten van de broers van Jozef is ontwaakt, door hun verblijf in de gevangenis, zo zal het geweten van dit gelovig overblijfsel tot ontwaken worden gebracht.

Hiervoor gebruikt God drie dingen die we in dit hoofdstuk vinden:
1. Zijn woord (verzen 1-81Luister naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt,
u die de HEERE zoekt.
Aanschouw de rots [waarin] u uitgehakt bent,
de holte van de put [waaruit] u gegraven bent.
2Aanschouw Abraham, uw vader,
en Sara, [die] u gebaard heeft.
Want toen hij [nog] alleen was, riep Ik hem,
Ik zegende hem en maakte hem talrijk.
3Want de HEERE zal Sion troosten,
Hij zal al haar puinhopen troosten.
Hij zal haar woestijn maken als Eden,
haar wildernis als de hof van de HEERE.
Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,
dank[zegging] en luid psalmgezang.4Sla acht op Mij, Mijn volk,
Mijn natie, hoor Mij aan,
want een wet zal van Mij uitgaan
en Mijn recht zal Ik tot rust doen komen tot een licht voor de volken.
5Mijn gerechtigheid is nabij,
Mijn heil treedt tevoorschijn
en Mijn armen zullen de volken oordelen,
de kustlanden zullen op Mij wachten
en op Mijn arm zullen ze hopen.
6Sla uw ogen op naar de hemel
en aanschouw de aarde beneden,
want de hemel zal verdwijnen als rook,
de aarde zal verslijten als een kleed,
evenzo zullen haar bewoners sterven.
Maar Mijn heil zal voor eeuwig bestaan,
Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
7Luister naar Mij, u die de gerechtigheid kent,
volk dat Mijn wet in zijn hart heeft,
wees niet bevreesd voor de smaad van stervelingen,
wees niet ontsteld door hun beschimpingen.
8Want de mot zal hen opeten als een kleed,
de mottenlarve zal hen opeten als wol.
Maar Mijn gerechtigheid zal voor eeuwig bestaan,
en Mijn heil van generatie op generatie.
waarin zij driemaal worden opgeroepen om te luisteren).
2. De verdrukking door het beest uit de zee en het beest uit de aarde (verzen 9-169Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,
arm van de HEERE!
Ontwaak als in de dagen van weleer,
[als bij] de generaties van [vroeger] eeuwen!
Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,
het zeemonster doorboord?
10Bent u het niet die de zee heeft drooggelegd,
de wateren van de grote watervloed,
die de diepten van de zee gemaakt heeft tot een weg,
zodat de verlosten erdoor konden gaan?11Zo zullen wie door de HEERE zijn vrijgekocht, terugkeren
en met gejuich in Sion komen.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.12Ik, Ik ben het Die u troost.
Wie bent u dat u bevreesd bent voor een sterveling, [die] sterven moet,
voor een mensenkind, gras, dat vergaat,
13en dat u de HEERE vergeet, Die u gemaakt heeft,
Die de hemel uitgespannen heeft
en de aarde gegrondvest,
en dat u voortdurend, de hele dag, angstig bent
vanwege de woede van de onderdrukker,
wanneer hij zich gereedmaakt om [u] te gronde te richten?
Waar is dan de woede van de onderdrukker?
14De geknevelde zal snel worden losgelaten,
hij zal niet sterven in de put [van ellende],
zijn brood zal [hem] niet ontbreken.
15Want Ik ben de HEERE, uw God,
Die de zee opzweept, zodat zijn golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
16Ik leg Mijn woorden in uw mond,
en bedek u onder de schaduw van Mijn hand,
om de hemel te planten en de aarde te grondvesten,
om te zeggen tegen Sion: U bent Mijn volk.
;
Op 13:1-10,11-181En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.11En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.).
3. De Assyriërs, de koning van het noorden (verzen 17-2317Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.
18Er is niemand die haar zachtjes leidt
van al de kinderen [die] zij heeft gebaard;
er is niemand die haar hand grijpt
onder al de kinderen [die] zij heeft grootgebracht.
19Deze twee dingen zijn u overkomen.
Wie betuigt u zijn medeleven?
Er is verwoesting en ondergang, honger en zwaard.
[Door] wie zal Ik u troosten?
20Uw kinderen zijn uitgeput,
zij liggen op de hoeken van alle straten, als een antilope in een net;
zij zijn vol van de grimmigheid van de HEERE,
van de bestraffing door uw God.
21Daarom, luister toch hiernaar,
u die ellendig bent, dronken, maar niet van wijn.
22Zo zegt uw Heere, de HEERE en uw God,
Die voor Zijn volk een rechtszaak zal voeren:
Zie, Ik neem de beker van bedwelming uit uw hand,
de droesem van de beker van Mijn grimmigheid –
u zult die voortaan niet meer drinken.
23Maar Ik zal hem geven in de hand van hen die u bedroeven,
die tegen uw ziel zeiden:
Werp je neer, dan lopen wij over [je] heen.
En u legde uw rug neer als [was u] aarde,
als [was u] de straat voor wie daaroverheen gaan.
)
.

Het onderwerp loopt door tot Jesaja 52:12 en is in zeven delen te verdelen. Elk van die gedeelten begint met een gebiedende wijs die vanaf het vierde deel ook nog dubbel wordt uitgesproken.
1. Luister! (Js 51:11Luister naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt,
u die de HEERE zoekt.
Aanschouw de rots [waarin] u uitgehakt bent,
de holte van de put [waaruit] u gegraven bent.
)
staat in verband met verleden
2. Sla acht! (Js 51:44Sla acht op Mij, Mijn volk,
Mijn natie, hoor Mij aan,
want een wet zal van Mij uitgaan
en Mijn recht zal Ik tot rust doen komen tot een licht voor de volken.
)
staat in verband met de toekomst
3. Luister! (Js 51:77Luister naar Mij, u die de gerechtigheid kent,
volk dat Mijn wet in zijn hart heeft,
wees niet bevreesd voor de smaad van stervelingen,
wees niet ontsteld door hun beschimpingen.
)
staat in verband met het heden
4. Ontwaak, ontwaak! (Js 51:99Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,
arm van de HEERE!
Ontwaak als in de dagen van weleer,
[als bij] de generaties van [vroeger] eeuwen!
Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,
het zeemonster doorboord?
)

5. Ontwaak, ontwaak! (Js 51:1717Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.
)

6. Ontwaak, ontwaak! (Js 52:11Ontwaak, ontwaak,
bekleed u met uw kracht, Sion,
trek uw mooiste kleren aan,
Jeruzalem, heilige stad!
Want voortaan zal in u
geen onbesnedene of onreine meer komen.
)

7. Vertrek, vertrek! (Js 52:1111Vertrek, vertrek, ga daar weg,
raak het onreine niet aan,
ga uit haar midden weg, reinig u,
u die de [heilige] voorwerpen van de HEERE draagt!
)

Het begint met een drievoudige oproep tot luisteren naar het woord (verzen 1,4,71Luister naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt,
u die de HEERE zoekt.
Aanschouw de rots [waarin] u uitgehakt bent,
de holte van de put [waaruit] u gegraven bent.
4Sla acht op Mij, Mijn volk,
Mijn natie, hoor Mij aan,
want een wet zal van Mij uitgaan
en Mijn recht zal Ik tot rust doen komen tot een licht voor de volken.
7Luister naar Mij, u die de gerechtigheid kent,
volk dat Mijn wet in zijn hart heeft,
wees niet bevreesd voor de smaad van stervelingen,
wees niet ontsteld door hun beschimpingen.
)
dat de HEERE tot Zijn volk spreekt. In vers 99Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,
arm van de HEERE!
Ontwaak als in de dagen van weleer,
[als bij] de generaties van [vroeger] eeuwen!
Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,
het zeemonster doorboord?
komt een vierde en eerste dubbele oproep. Deze komt van het volk en is gericht tot God om hen te redden van de twee beesten. In vers 1717Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.
de vijfde oproep, waarin de HEERE weer tot Zijn volk spreekt en wel om te ontwaken vanwege Zijn toorn door de koning van het noorden. In de zesde oproep (Js 52:11Ontwaak, ontwaak,
bekleed u met uw kracht, Sion,
trek uw mooiste kleren aan,
Jeruzalem, heilige stad!
Want voortaan zal in u
geen onbesnedene of onreine meer komen.
)
, spreekt de HEERE opnieuw tot Zijn volk om te ontwaken. De zevende keer (Js 52:1111Vertrek, vertrek, ga daar weg,
raak het onreine niet aan,
ga uit haar midden weg, reinig u,
u die de [heilige] voorwerpen van de HEERE draagt!
)
is een soort samenvatting en climax met ook een dubbele oproep om te vertrekken. Naar deze climax werken de beide hoofdstukken toe.

Het hele gedeelte heeft betrekking op de tijd vlak voor het einde van de ballingschap. Ze moeten wakker worden en zich gereedmaken om te vertrekken uit Babel en terug te gaan naar Jeruzalem. Maar ook hier is de dubbele bodem, waarin we naast de direct aanstaande voorvervulling ook de eindvervulling opmerken die in verband staat met de eindtijd. Dan zal Israël vanuit de volken teruggaan naar het land en zullen de vijanden worden verdelgd. Ze zullen de vrede en vreugde van het rijk binnengaan. Naast de letterlijke en profetische verklaring is er ook nog de praktische toepassing voor ons.


Voorbeeld van Abraham en Sara

1Luister naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt,
u die de HEERE zoekt.
Aanschouw de rots [waarin] u uitgehakt bent,
de holte van de put [waaruit] u gegraven bent.
2Aanschouw Abraham, uw vader,
en Sara, [die] u gebaard heeft.
Want toen hij [nog] alleen was, riep Ik hem,
Ik zegende hem en maakte hem talrijk.
3Want de HEERE zal Sion troosten,
Hij zal al haar puinhopen troosten.
Hij zal haar woestijn maken als Eden,
haar wildernis als de hof van de HEERE.
Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,
dank[zegging] en luid psalmgezang.

Het overblijfsel wordt opgeroepen naar de HEERE te luisteren (vers 11Luister naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt,
u die de HEERE zoekt.
Aanschouw de rots [waarin] u uitgehakt bent,
de holte van de put [waaruit] u gegraven bent.
)
. Luisteren is het kenmerk van het gelovig overblijfsel. De Heer Jezus zegt van Zijn schapen dat zij naar Zijn stem horen (Jh 10:1616En Ik heb [nog] andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar Mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.; vgl. Am 3:1212Zo zegt de HEERE:
Zoals een herder uit de muil van de leeuw
twee pootjes redt
of een stukje van het oor,
zo zullen de Israëlieten gered worden:
Zij die in Samaria zitten
op de hoek van een bed
en op het kussen van een rustbank.
)
. In Openbaring 2-3 wordt tot zeven keer toe gezegd: “Wie een oor (enkelvoud) heeft, laat hij horen.” Daarin wordt het voorbeeld van de Heiland gevolgd Die Zelf gezegd heeft: “De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend” (Js 50:55De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend,
en Zelf ben Ik niet ongehoorzaam,
Ik wijk niet terug.
)
. Voordat het zaad van het Woord echter kan ontkiemen, moet de grond worden geploegd, dat wil zeggen dat zij, voordat zij luisteren naar het Woord, eerst door moeite en verdrukking moeten gaan.

De HEERE richt Zich tot het gelovig overblijfsel onder Zijn volk dat gerechtigheid najaagt en Hem zoekt. Het ongelovige deel is trots van hart en ver van de gerechtigheid (Js 46:1212Luister naar Mij, onbuigzamen van hart,
u die ver bent van gerechtigheid:
)
. Het overblijfsel hongert en dorst naar de gerechtigheid. Tegen hen kan de Heer Jezus zeggen dat ze “gelukkig” zijn (Mt 5:66Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.). Dit verlangen naar gerechtigheid komt voort uit een innerlijke verbinding met Christus, Die de gerechtigheid van God is (1Ko 1:3030Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing;).

In het vrederijk hoeft er niet naar gerechtigheid te worden gejaagd (Js 32:11Zie, een Koning zal regeren in gerechtigheid,
en vorsten zullen heersen overeenkomstig het recht.
)
, maar nu nog wel. Dat moeten wij doen in de tijd van verval waarin wij leven en daartoe worden wij dan ook aangespoord (2Tm 2:22a22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.). De getrouwen delen in de geest van het geloof door zich te onthouden van aardse genoegens om de voorwerpen van hun verlangens na te jagen.

Abraham is de rots waarin de stenen uitgehakt zijn waarmee het huis van Israël is gebouwd. Sara is de holte van de put waaruit zij gegraven zijn. De verwijzing is hier naar het feit dat Abraham en Sara eenlingen zijn. God heeft Abraham alleen geroepen en hem weten te zegenen en vermenigvuldigen. Dat kan Hij op dezelfde wijze doen met het overblijfsel, dat zich ook als een eenling tussen de massa voelt.

Wat hier als een bemoediging voor het volk is bedoeld, wordt door het ongelovige volk misbruikt om zich in ongehoorzaamheid het land toe te eigenen (Ez 33:2424Mensenkind, de bewoners van die puinhopen in het land van Israël zeggen: Abraham was alleen en kreeg het land in erfelijk bezit, maar wij zijn [met] velen. Het land is ons als erfelijk bezit gegeven.). Het overblijfsel wordt nu bemoedigd om als een eenling niet mee te doen aan de verering van het beeld van het beest die in de tijd van de grote verdrukking algemeen zal zijn. Alleen dan kan de HEERE Zijn zegen geven.

Voor het gelovig overblijfsel is de verwijzing naar Abraham ook nog in andere zin van betekenis. Die heeft te maken met de hoge ouderdom en de onvruchtbare toestand van het huwelijk van Abraham en Sara. In die toestand heeft de HEERE door Zijn eigen bovennatuurlijke kracht in antwoord op het geloof van Abraham gewerkt (vers 22Aanschouw Abraham, uw vader,
en Sara, [die] u gebaard heeft.
Want toen hij [nog] alleen was, riep Ik hem,
Ik zegende hem en maakte hem talrijk.
; Rm 4:19-2119En niet zwak in het geloof lette hij <niet> op zijn eigen <al> afgestorven lichaam, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en <niet> op het afgestorven zijn van de moederschoot van Sara;20en hij twijfelde niet aan de belofte van God door het ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God heerlijkheid gaf21en ten volle verzekerd was, dat wat Hij beloofd heeft, Hij ook machtig is te doen.)
. Israël heeft er oorspronkelijk ook zo onvruchtbaar en troosteloos uitgezien. Dit is de oorsprong van het volk Israël, en de HEERE roept hen op, in het beeld van de rots en de put, zich dit te herinneren. Zoals de HEERE met de eenling Abraham en de onvruchtbare Sara heeft gedaan, zo zal Hij doen met het verwoeste en eenzame Sion (vers 33Want de HEERE zal Sion troosten,
Hij zal al haar puinhopen troosten.
Hij zal haar woestijn maken als Eden,
haar wildernis als de hof van de HEERE.
Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,
dank[zegging] en luid psalmgezang.
)
.

De Heer Jezus is op aarde ook een Eenling. Hij heeft volmaakt naar gerechtigheid gejaagd en die vervuld, met als hoogtepunt en tegelijk dieptepunt Zijn werk aan het kruis. Het gevolg is een geweldige vrucht. Een ontelbaar aantal mensen is door Hem behouden omdat Hij als de tarwekorrel in de aarde is gevallen en is gestorven (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.).

Zoals er vreugde is gekomen bij Sara na een lange periode van onvruchtbaarheid, zo zal Israël na een lange tijd van moeite en verlaten zijn weer blijdschap en vreugde kennen. De vergelijking met Eden toont ook aan dat het om de toekomst gaat, want een dergelijke situatie heeft Israël nooit gekend, zelfs niet in de gloriedagen van Salomo, laat staan in de dagen van Jesaja.


Het heil van de HEERE is nabij

4Sla acht op Mij, Mijn volk,
Mijn natie, hoor Mij aan,
want een wet zal van Mij uitgaan
en Mijn recht zal Ik tot rust doen komen tot een licht voor de volken.
5Mijn gerechtigheid is nabij,
Mijn heil treedt tevoorschijn
en Mijn armen zullen de volken oordelen,
de kustlanden zullen op Mij wachten
en op Mijn arm zullen ze hopen.
6Sla uw ogen op naar de hemel
en aanschouw de aarde beneden,
want de hemel zal verdwijnen als rook,
de aarde zal verslijten als een kleed,
evenzo zullen haar bewoners sterven.
Maar Mijn heil zal voor eeuwig bestaan,
Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
7Luister naar Mij, u die de gerechtigheid kent,
volk dat Mijn wet in zijn hart heeft,
wees niet bevreesd voor de smaad van stervelingen,
wees niet ontsteld door hun beschimpingen.
8Want de mot zal hen opeten als een kleed,
de mottenlarve zal hen opeten als wol.
Maar Mijn gerechtigheid zal voor eeuwig bestaan,
en Mijn heil van generatie op generatie.

De HEERE spreekt Zijn volk hier aan met “Mijn volk” (vers 44Sla acht op Mij, Mijn volk,
Mijn natie, hoor Mij aan,
want een wet zal van Mij uitgaan
en Mijn recht zal Ik tot rust doen komen tot een licht voor de volken.
)
. Door het zo te noemen bemoedigt Hij het gelovig overblijfsel. Dan heet het volk niet langer “Lo-Ammi”, dat betekent ‘niet Mijn volk’ (Hs 1:99En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
en rust Gods oordeel er niet langer op. De band tussen Israël en de HEERE is hersteld. Het verbond, dat wil zeggen, het nieuwe verbond, wordt nu gesloten op grond van de prijs die de Middelaar heeft betaald. Dat krijgt Israël pas later in de gaten. Na een terugblik naar het verleden, laat Gods Woord hen nu al blikken naar de toekomst. Het zijn vergezichten die je krijgt als je door Gods Woord een hoogte gaat beklimmen. In deze vergezichten wordt de toestand van het vrederijk voor hun ogen ontvouwd (verzen 5-65Mijn gerechtigheid is nabij,
Mijn heil treedt tevoorschijn
en Mijn armen zullen de volken oordelen,
de kustlanden zullen op Mij wachten
en op Mijn arm zullen ze hopen.
6Sla uw ogen op naar de hemel
en aanschouw de aarde beneden,
want de hemel zal verdwijnen als rook,
de aarde zal verslijten als een kleed,
evenzo zullen haar bewoners sterven.
Maar Mijn heil zal voor eeuwig bestaan,
Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
)
.

Het gedeelte dat met vers 44Sla acht op Mij, Mijn volk,
Mijn natie, hoor Mij aan,
want een wet zal van Mij uitgaan
en Mijn recht zal Ik tot rust doen komen tot een licht voor de volken.
begint, spreekt van de tijden dat het herstel van Israël zal uitmonden in een zegen voor de hele wereld en later in het verdwijnen van de hele wereld van de oude schepping. De wet hier is niet die van Sinaï, maar staat voor het onderwijs dat God de volken wil geven door middel van Israël. Daardoor wordt Zijn gerechtigheid nabij de volken gebracht en zullen de volken hun hoop stellen op Zijn arm, dat is Zijn kracht, en niet meer vertrouwen op eigen kracht (vers 55Mijn gerechtigheid is nabij,
Mijn heil treedt tevoorschijn
en Mijn armen zullen de volken oordelen,
de kustlanden zullen op Mij wachten
en op Mijn arm zullen ze hopen.
; vgl. Js 40:1111Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn arm[en] bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
)
. “Mijn armen” die volken zullen oordelen, ziet mogelijk op de regering van God die Hij door de verheerlijkte heiligen zal uitoefenen (Mt 19:2828Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.).

De macht, “Mijn armen”, die Hij heeft betoond in de uitoefening van Zijn oordeel (Js 51:99Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,
arm van de HEERE!
Ontwaak als in de dagen van weleer,
[als bij] de generaties van [vroeger] eeuwen!
Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,
het zeemonster doorboord?
; 52:1010De HEERE heeft Zijn heilige arm ontbloot
voor de ogen van alle heidenvolken;
en alle einden der aarde zien
het heil van onze God.
)
, zal Hij voor de overgebleven volken, ook die verafgelegen zijn, gebruiken tot zegen en heil (Js 40:1010Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke,
en Zijn arm zal heersen.
Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich,
Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.
)
. Niet alleen zal de zonde in het vrederijk nog bestaan, ook is de hele oude schepping erdoor aangetast. De hemelen moeten daarom verdwijnen als rook, de aarde zal in stukken vallen als een kleed dat door de mot is aangetast en de bewoners zullen als muggen sterven (vers 66Sla uw ogen op naar de hemel
en aanschouw de aarde beneden,
want de hemel zal verdwijnen als rook,
de aarde zal verslijten als een kleed,
evenzo zullen haar bewoners sterven.
Maar Mijn heil zal voor eeuwig bestaan,
Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
; vgl. 2Pt 3:1313Wij echter verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.)
. Daarvan is ook niets vervuld in de dagen van Kores. Zij die behouden zijn, zullen nooit omkomen en Gods gerechtigheid zal eeuwig standhouden.

Voor hen die Gods gerechtigheid kennen, volgt de oproep niet te vrezen voor de smaad van stervelingen (vers 77Luister naar Mij, u die de gerechtigheid kent,
volk dat Mijn wet in zijn hart heeft,
wees niet bevreesd voor de smaad van stervelingen,
wees niet ontsteld door hun beschimpingen.
)
, want deze verdrukkers zullen omkomen als een kleed dat door de mot en de mottenlarve is verteerd (vers 88Want de mot zal hen opeten als een kleed,
de mottenlarve zal hen opeten als wol.
Maar Mijn gerechtigheid zal voor eeuwig bestaan,
en Mijn heil van generatie op generatie.
)
. De beeldspraak laat zien dat God kleine, verachtelijke dingen gebruikt om grote voornemens te vervullen. De volgorde hier is redding of heil en gerechtigheid, terwijl in vers 66Sla uw ogen op naar de hemel
en aanschouw de aarde beneden,
want de hemel zal verdwijnen als rook,
de aarde zal verslijten als een kleed,
evenzo zullen haar bewoners sterven.
Maar Mijn heil zal voor eeuwig bestaan,
Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
de volgorde gerechtigheid en heil is.

Het gelovig overblijfsel zal geweldig lijden onder de macht van het beest. Maar terwijl de mensen zeggen: “Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?” (Op 13:44En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?), zegt de HEERE: ‘Het zijn slechts stervelingen, je hoeft voor hen niet te vrezen.’ Vrees voor mensen verdwijnt alleen als wij voor het aangezicht van de Heer staan.


Roep om tussenkomst van de HEERE

9Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,
arm van de HEERE!
Ontwaak als in de dagen van weleer,
[als bij] de generaties van [vroeger] eeuwen!
Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,
het zeemonster doorboord?
10Bent u het niet die de zee heeft drooggelegd,
de wateren van de grote watervloed,
die de diepten van de zee gemaakt heeft tot een weg,
zodat de verlosten erdoor konden gaan?

De voorgaande oproep om te luisteren met daarbij de belofte van redding moet in het hart van de getrouwen een verlangen naar de beloofde redding hebben wakker gemaakt (vers 99Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,
arm van de HEERE!
Ontwaak als in de dagen van weleer,
[als bij] de generaties van [vroeger] eeuwen!
Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,
het zeemonster doorboord?
)
. Zij weten dat de arm van de HEERE die kan bewerken. Daarom roepen ze Hem op om te ontwaken om hen te hulp te komen. Ze vragen hier om de openbaring van Zijn arm (vers 55Mijn gerechtigheid is nabij,
Mijn heil treedt tevoorschijn
en Mijn armen zullen de volken oordelen,
de kustlanden zullen op Mij wachten
en op Mijn arm zullen ze hopen.
)
, Zijn kracht (Js 53:11Wie heeft onze prediking geloofd,
en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?
)
. Heeft Zijn arm niet de farao en zijn bende neergeslagen?

Rahab is niet slechts een dichterlijke naam voor Egypte, maar is ook de monsterlijke macht achter Egypte (Ps 87:44Ik noem Rahab en Babel onder wie Mij kennen;
zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet:
die zijn daar geboren.
; 89:1111Ú hebt Rahab als een dodelijk gewonde verbrijzeld,
U hebt Uw vijanden verstrooid met Uw sterke arm.
)
. De draak ziet op de farao als instrument van de satan. De HEERE heeft Zijn volk toen bevrijd en de zee als vluchtweg drooggelegd (vers 1010Bent u het niet die de zee heeft drooggelegd,
de wateren van de grote watervloed,
die de diepten van de zee gemaakt heeft tot een weg,
zodat de verlosten erdoor konden gaan?
)
. Deze herinnering aan de bevrijding in het verleden en de zekerheid van de bevrijding in de toekomst brengen tot de drievoudige uitroep aan de arm van de HEERE om te ontwaken. Rahab is een beeld van het beest in de toekomst (Op 13:1-81En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.) met de draak (de satan) op de achtergrond (Op 12:3-53En er werd een ander teken gezien in de hemel; en zie, een grote, vuurrode draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen.4En zijn staart sleepte het derde deel van de sterren van de hemel mee en wierp ze op de aarde. En de draak stond vóór de vrouw die zou baren, om zodra zij haar Kind zou baren, [Het] te verslinden.5En zij baarde een Zoon, een mannelijk [Kind], Die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar Kind werd weggerukt naar God en naar Zijn troon.). Maar de HEERE zal Israël helpen (Op 12:66En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat men haar twaalfhonderdzestig dagen voedde.).

Het is goed voor de gelovige om zich de vroegere barmhartigheden van de Heer te herinneren. Ook is het nodig om niet alleen met het verleden bezig te zijn, maar om de kracht van de hoop zijn reinigend werk te laten doen. Deze dubbele benadering – van verleden en toekomst – levert de kracht om te bidden, niet alleen om te worden bevrijd, maar vooral voor wat dient tot heerlijkheid van God. Dit zal een antwoord van Gods kant geven dat de verwachting van verlossing ver te boven zal gaan.


De zekere toekomst voor Gods volk

11Zo zullen wie door de HEERE zijn vrijgekocht, terugkeren
en met gejuich in Sion komen.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.

Wat in dit vers volgt, wordt in de Schrift nauwelijks overtroffen in de schoonheid van de taal en in de weldadigheid van de verzekering die aan Gods volk wordt gegeven met betrekking tot hun toekomst. Het spreekt alles op een heerlijke wijze van de duizendjarige zegen die door Israël genoten zal worden. Dit vooruitzicht wordt vergroot en versterkt door de terugblik op de beproevingen en het lijden waarin ze zijn geweest.

Te midden van de grote verdrukking zal het overblijfsel in geloof een loflied aanheffen, nog voordat de vijand verbroken is. Het doet denken aan koning Josafat die een loflied aanheft voordat de vijand verslagen is door de HEERE (2Kr 20:21-2221Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en [mensen] die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende [mannen] uit trokken en zeiden:
Loof de HEERE,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!
22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.
)
en aan Paulus en Silas die een loflied zingen voordat de aardbeving en de verlossing komen (Hd 16:25-2625Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.26En plotseling ontstond er een grote aardbeving, zodat de fundamenten van de kerker schudden; en onmiddellijk gingen alle deuren open en van allen gingen de boeien los.). Zo is het met het nog veel heerlijker vooruitzicht dat wij mogen genieten als leden van de gemeente. Onze tegenwoordige ervaringen van diepe beproevingen en verdrukking worden verlicht door de hoop, een hoop die ‘elk leed verzacht’.


De HEERE is voor Zijn volk

12Ik, Ik ben het Die u troost.
Wie bent u dat u bevreesd bent voor een sterveling, [die] sterven moet,
voor een mensenkind, gras, dat vergaat,
13en dat u de HEERE vergeet, Die u gemaakt heeft,
Die de hemel uitgespannen heeft
en de aarde gegrondvest,
en dat u voortdurend, de hele dag, angstig bent
vanwege de woede van de onderdrukker,
wanneer hij zich gereedmaakt om [u] te gronde te richten?
Waar is dan de woede van de onderdrukker?
14De geknevelde zal snel worden losgelaten,
hij zal niet sterven in de put [van ellende],
zijn brood zal [hem] niet ontbreken.
15Want Ik ben de HEERE, uw God,
Die de zee opzweept, zodat zijn golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
16Ik leg Mijn woorden in uw mond,
en bedek u onder de schaduw van Mijn hand,
om de hemel te planten en de aarde te grondvesten,
om te zeggen tegen Sion: U bent Mijn volk.

Deze verzen vervolgen op een andere manier de troost die de HEERE verleent. Velen van Zijn volk zijn in angst voor de verdrukker (Babel) en ongetwijfeld zal de verdrukking door de antichrist, de mens van de zonde in de komende dag (2Th 2:3-43Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,4die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.), in de tijd van ‘Jakobs benauwdheid’, hetzelfde gevolg hebben. Op die tijd lijkt dit gedeelte vooral te slaan. Maar als de mens van de zonde er is, is de HEERE er ook met Zijn troost. Daarom spreekt Hij over Zichzelf als hun Vertrooster (vers 1212Ik, Ik ben het Die u troost.
Wie bent u dat u bevreesd bent voor een sterveling, [die] sterven moet,
voor een mensenkind, gras, dat vergaat,
)
. Als dat zo is, waarom zouden ze dan bang zijn voor een sterfelijk mens?

De tirannie van de antichrist zal van korte duur zijn. De HEERE heeft altijd Zijn eigen wijze en tijd gehad voor de bevrijding van Zijn aardse volk. Vrees is er de oorzaak van dat God wordt vergeten (vers 1313en dat u de HEERE vergeet, Die u gemaakt heeft,
Die de hemel uitgespannen heeft
en de aarde gegrondvest,
en dat u voortdurend, de hele dag, angstig bent
vanwege de woede van de onderdrukker,
wanneer hij zich gereedmaakt om [u] te gronde te richten?
Waar is dan de woede van de onderdrukker?
)
. Het zich bewust zijn van de tegenwoordigheid en de kracht van de HEERE is het afdoende afweermiddel voor vrees. Steeds weer herinnert de HEERE Israël eraan dat Hij hun Maker is en dat Hij met Zijn kracht de hemelen heeft uitgebreid en de aarde heeft gegrondvest. Waarom zouden ze dan telkens bang zijn voor de dreiging van de verdrukker, zelfs als hij op hun verderf uit is?

De verdrukker, Babel, zal binnenkort door Kores, de Pers, worden verslagen. Dan zullen de gevangenen vrijgelaten worden (vers 1414De geknevelde zal snel worden losgelaten,
hij zal niet sterven in de put [van ellende],
zijn brood zal [hem] niet ontbreken.
)
. Het gaat hier om de direct aanstaande bevrijding uit de Babylonische ballingschap. Deze profetie zal daarnaast zijn uiteindelijke vervulling hebben als de Joden in de toekomst bevrijd zullen worden van het lijden onder de volken vanwege het beest en de antichrist en zij naar hun land zullen terugkeren in de erkenning van hun Verlosser Messias. Kores kunnen we hier weer zien als een beeld van Christus Die als Overwinnaar zal komen.

De HEERE laat zien dat Hij daartoe de macht heeft door erop te wijzen dat Hij de zee opzweept en deze dus in Zijn macht is (vers 1515Want Ik ben de HEERE, uw God,
Die de zee opzweept, zodat zijn golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
. Het is het beeld van de volkenzee die woedend tekeergaat tegen Zijn volk, wat tevens verwijst naar de komst van het beest uit de zee (Op 13:11En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.). Evenals de letterlijke zee kan Hij ook de volken tot zwijgen brengen (Ps 65:88Die het bruisen van de zeeën stilt,
het bruisen van hun golven
en het rumoer van de volken.
; Js 17:12-1312Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
)
. In de eindtijd zal de Heer Jezus alle volken oordelen en het zwijgen opleggen door Zijn persoonlijke tussenkomst bij Zijn verschijning.

Vers 1616Ik leg Mijn woorden in uw mond,
en bedek u onder de schaduw van Mijn hand,
om de hemel te planten en de aarde te grondvesten,
om te zeggen tegen Sion: U bent Mijn volk.
vertelt hoe de Joden de boodschappers van de HEERE zullen worden. Zij zullen het evangelie van het koninkrijk verkondigen (Mt 24:1414En dit evangelie van het koninkrijk zal over het hele aardrijk worden gepredikt tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen.). Hij heeft Zijn woorden in hun mond gelegd – hier wordt profetisch de voltooide tijd gebruikt (vgl. Mt 10:19-2019Wanneer zij u echter overleveren, weest niet bezorgd hoe of wat u moet spreken, want het zal u op dat uur gegeven worden wat u moet spreken;20want niet u bent het die spreekt, maar de Geest van uw Vader is het Die in u spreekt.). Het resultaat van hun prediking zien wij dan ook in de bekering van vele Joden (Op 7:1-81Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom.2En ik zag een andere engel opkomen van [de] opgang van [de] zon, die [het] zegel van [de] levende God had; en hij riep met luider stem tegen de vier engelen wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen,3en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld.4En ik hoorde het getal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van [de] zonen van Israël –5uit [de] stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit [de] stam Ruben twaalfduizend, uit [de] stam Gad twaalfduizend,6uit [de] stam Aser twaalfduizend, uit [de] stam Nafthali twaalfduizend, uit [de] stam Manasse twaalfduizend,7uit [de] stam Simeon twaalfduizend, uit [de] stam Levi twaalfduizend, uit [de] stam Issaschar twaalfduizend,8uit [de] stam Zebulon twaalfduizend, uit [de] stam Jozef twaalfduizend, uit [de] stam Benjamin twaalfduizend verzegelden.) en velen uit de heidenvolken (Op 7:9-179Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en [alle] geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met lange witte kleren en [met] palmtakken in hun handen.10En zij riepen met luider stem de woorden: Het heil aan onze God Die op de troon zit en aan het Lam.11En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer voor de troon en aanbaden God12en zeiden: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheid! Amen.13En een van de oudsten antwoordde en zei tegen mij: Dezen die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen?14En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.15Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit zal Zijn tent over hen uitbreiden.16Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte;17want het Lam Dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.).

Hij zal hen bedekken met de schaduw van Zijn hand, zoals Hij ook met de Messias heeft gedaan (Js 49:22Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,
in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.
Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,
Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.
)
. Dat doet Hij niet alleen om hen te beschermen, maar ook om hen geschikt te maken voor het doel dat Hem voor ogen staat. Dat doel is de hemel en de aarde in een toestand te brengen waar Zijn koninkrijk van gerechtigheid en vrede kan worden gevestigd en Zijn volk werkelijk Zijn volk zal zijn. Dan zullen de krachten van de natuur, zowel van de hemel als van de aarde, niet meer gebruikt worden tot uitvoering van de Goddelijke oordelen, zoals zo vaak het geval is geweest en nog zijn zal voordat de Heer in heerlijkheid verschijnt.

De boodschapper van het evangelie van de genade dat vandaag wordt verkondigd, mag deze woorden op zichzelf toepassen in de zekerheid dat de Heer ook hem Zijn woorden in de mond zal leggen. Hij is een boodschapper van de Heer met de boodschap van de Heer. Het ‘planten van de hemel’ wil zeggen dat er een toestand van hemelse zegen wordt bewerkt. Dat gebeurt als het evangelie wordt aangenomen. Het grondvesten van de aarde ziet op het leggen van een basis van gerechtigheid waarop het leven van het geloof zich kan ontwikkelen.

Het getuigenis van de boodschapper is alleen betrouwbaar en effectief als hij vasthoudt aan de waarheid van de Schrift. Ook mag de brenger van het evangelie zich onder Zijn bescherming weten, bedekt onder de schaduw van Zijn hand.


Einde aan het lijden van Gods volk

17Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.
18Er is niemand die haar zachtjes leidt
van al de kinderen [die] zij heeft gebaard;
er is niemand die haar hand grijpt
onder al de kinderen [die] zij heeft grootgebracht.
19Deze twee dingen zijn u overkomen.
Wie betuigt u zijn medeleven?
Er is verwoesting en ondergang, honger en zwaard.
[Door] wie zal Ik u troosten?
20Uw kinderen zijn uitgeput,
zij liggen op de hoeken van alle straten, als een antilope in een net;
zij zijn vol van de grimmigheid van de HEERE,
van de bestraffing door uw God.
21Daarom, luister toch hiernaar,
u die ellendig bent, dronken, maar niet van wijn.
22Zo zegt uw Heere, de HEERE en uw God,
Die voor Zijn volk een rechtszaak zal voeren:
Zie, Ik neem de beker van bedwelming uit uw hand,
de droesem van de beker van Mijn grimmigheid –
u zult die voortaan niet meer drinken.
23Maar Ik zal hem geven in de hand van hen die u bedroeven,
die tegen uw ziel zeiden:
Werp je neer, dan lopen wij over [je] heen.
En u legde uw rug neer als [was u] aarde,
als [was u] de straat voor wie daaroverheen gaan.

Dit laatste deel van het hoofdstuk beschrijft in levendige taal de gevolgen van de oordelen die door de inval van de koning van het noorden over het volk komen. Dit is het gevolg van hun volhardende opstand tegen God met als hoogtepunt de verwerping van Christus. Het volk roept tot de HEERE om te ontwaken en te handelen (vers 99Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,
arm van de HEERE!
Ontwaak als in de dagen van weleer,
[als bij] de generaties van [vroeger] eeuwen!
Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,
het zeemonster doorboord?
)
, waarop de HEERE als antwoord Zijn volk toeroept te ontwaken uit de doodsslaap van hun zonde.

Het volk moet ontwaken en zichzelf de vraag stellen waarom deze dingen hun zijn overkomen. Na tweeduizend jaar leed, met als dieptepunt de nazivernietigingskampen, zijn ze teruggekeerd naar het land. Een volgend dieptepunt is de toekomstige koning van de Joden, de antichrist. Hij zal de vreselijkste afgoderij in het land invoeren. Ten slotte zal het volk aangevallen worden door een coalitie onder leiding van de koning van het noorden met als bondgenoten diverse islamitische landen. Deze aanval zal Israël opnieuw miljoenen mensen kosten (Zc 13:88Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
)
.

Jeruzalem wordt voorgesteld als een vrouw die in bedwelmde toestand op de grond ligt, omdat ze de beker van de grimmigheid van de HEERE heeft gedronken. Niet een van al haar zonen is in staat haar te leiden, haar bij de hand te nemen, haar op te richten (vers 1818Er is niemand die haar zachtjes leidt
van al de kinderen [die] zij heeft gebaard;
er is niemand die haar hand grijpt
onder al de kinderen [die] zij heeft grootgebracht.
)
. Het is de tijd van Jakobs benauwdheid. In korte tijd zal tweede derde van het volk, dat is de goddeloze massa, omkomen (Zc 13:88Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
)
. De profeet ziet geen mogelijkheid haar te troosten in de verwoesting, het verderf, de honger en het zwaard die over haar zijn gekomen (vers 1919Deze twee dingen zijn u overkomen.
Wie betuigt u zijn medeleven?
Er is verwoesting en ondergang, honger en zwaard.
[Door] wie zal Ik u troosten?
)
. Hierin is een tweevoudig leed over haar gekomen: verlies van bezit door verwoesting en verderf, en verlies van leven door honger en zwaard.

Zo vergaat het ook de gemeente van God onder de tuchtiging die Hij over haar moet brengen. Haar geestelijke goederen, zoals het kennen van haar geestelijke zegeningen, worden van haar weggenomen. Ook het geestelijk leven verdwijnt, er is geen groei, geen toename, er zijn geen nieuwe bekeringen. In deze situatie is het belangrijk Gods hand daarin te herkennen.

De zonen van Jeruzalem liggen machteloos terneer, onbekwaam om te helpen, zoals een antilope uitgeput is door het vergeefse gevecht om vrij te komen uit het net van de jager waarin ze gevangenzit (vers 2020Uw kinderen zijn uitgeput,
zij liggen op de hoeken van alle straten, als een antilope in een net;
zij zijn vol van de grimmigheid van de HEERE,
van de bestraffing door uw God.
)
. Bevrijding kan alleen van God komen. In Zijn medelijden en barmhartigheid belooft Hij die te zullen geven (verzen 21-2321Daarom, luister toch hiernaar,
u die ellendig bent, dronken, maar niet van wijn.
22Zo zegt uw Heere, de HEERE en uw God,
Die voor Zijn volk een rechtszaak zal voeren:
Zie, Ik neem de beker van bedwelming uit uw hand,
de droesem van de beker van Mijn grimmigheid –
u zult die voortaan niet meer drinken.
23Maar Ik zal hem geven in de hand van hen die u bedroeven,
die tegen uw ziel zeiden:
Werp je neer, dan lopen wij over [je] heen.
En u legde uw rug neer als [was u] aarde,
als [was u] de straat voor wie daaroverheen gaan.
)
. Hij herinnert hen eraan dat zij Zijn volk zijn en Hij beschrijft Zichzelf als hun Pleitbezorger, Die hun zaak verdedigt (vers 2222Zo zegt uw Heere, de HEERE en uw God,
Die voor Zijn volk een rechtszaak zal voeren:
Zie, Ik neem de beker van bedwelming uit uw hand,
de droesem van de beker van Mijn grimmigheid –
u zult die voortaan niet meer drinken.
)
.

Ook zal Hij afrekenen met de volken die Hij heeft gebruikt en nog zal gebruiken tot tuchtroede voor Zijn volk. Die volken hebben daarbij de grenzen van de macht overschreden die hun zijn gesteld. Zij hebben zich in dienst van de vijand laten gebruiken om zijn grimmigheid over Gods volk te laten komen. Daarom zal God de beker van Zijn grimmigheid aan die volken te drinken geven (vers 2323Maar Ik zal hem geven in de hand van hen die u bedroeven,
die tegen uw ziel zeiden:
Werp je neer, dan lopen wij over [je] heen.
En u legde uw rug neer als [was u] aarde,
als [was u] de straat voor wie daaroverheen gaan.
)
. Zij hebben gedacht het volk als stof op de straten te kunnen vertreden. God zal die situatie omdraaien en de trots van de mens tot volkomen vernedering brengen. Dit zal in de toekomst gebeuren, als de pogingen van de satan om Israël te verdelgen hun hoogtepunt hebben bereikt.

Daarvoor zal Israël eerst – net als de verloren zoon (Lk 15:17-1917Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van honger.18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,19ik ben niet meer waard uw zoon te heten; maak mij als een van uw dagloners.) – in het reine moeten komen met zichzelf en met de HEERE. Zij moeten – net als Jesaja – zichzelf zien in het licht van een driemaal heilige God (Js 6:2-52Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
3De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
4De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook.5Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
)
, voordat de HEERE hen – net als toen Jesaja – in de toekomst zal kunnen gebruiken als knecht. Zij moeten – net als destijds de broers van Jozef ten aanzien van Jozef – tot erkenning komen dat het leed gekomen is door dat wat zij Christus hebben aangedaan. Dan pas zullen zij – net als de broers destijds – tot de ontdekking komen dat God hun zonde van de verwerping van Christus ten goede heeft gekeerd om een groot volk te redden (Gn 50:2020Jullie [weliswaar], jullie hebben kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals [het] op deze dag [is]: om een groot volk in leven te houden.).


Lees verder