Jesaja
Inleiding 1-7 Het lied van de wijngaard 8-10 Het eerste wee 11-17 Het tweede wee 18-19 Het derde wee 20 Het vierde wee 21 Het vijfde wee 22-23 Het zesde wee 24-30 Het volk uit de verte
Inleiding

In dit hoofdstuk hebben we drie delen:
1. De HEERE en de mislukte wijngaard Israël (verzen 1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
;
2. een zesvoudig wee over het volk en zijn leiders (verzen 8-238Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
9De HEERE van de legermachten [heeft] tot mij persoonlijk [gesproken]:
Voorwaar, veel huizen zullen tot een woestenij worden,
grote en mooie zullen zonder bewoner zijn!
10Ja, tien bunders wijngaard zullen [slechts] één bath opleveren,
en een homer zaad zal [maar] een efa opleveren.11Wee hun die 's morgens vroeg opstaan
[en] op sterkedrank uit zijn,
daarmee doorgaan tot de schemering,
[totdat] de wijn hen heeft verhit.
12Harp en luit, tamboerijn en fluit,
en wijn – [dat] zijn hun drinkgelagen,
maar voor de daden van de HEERE hebben zij geen oog;
het werk van Zijn handen zien zij niet.
13Daarom zal Mijn volk in ballingschap gaan:
het heeft geen kennis.
Zijn hooggeplaatsten zullen verhongeren,
en zijn [mensen]menigte zal van dorst versmachten.
14Daarom zal het graf zijn keel wijd opensperren
en zijn muil wagenwijd opendoen,
zodat zijn adel en zijn [mensen]menigte erin neer zullen dalen
met hun gejoel en uitgelaten gehuppel.
15Dan zal de [gewone] man gebukt gaan,
de man [van aanzien] vernederd worden,
en de ogen van de hoogmoedigen zullen neergeslagen zijn.
16Maar de HEERE van de legermachten zal verhoogd worden door het recht,
en de heilige God zal geheiligd worden door gerechtigheid.
17En lammeren zullen er grazen als was het hun weide,
en [van] de puinhopen van de weldoorvoeden zullen vreemdelingen eten.18Wee hun die de ongerechtigheid [naar zich toe] trekken met koorden van valsheid,
en de zonde als [met] dikke wagentouwen,
19die zeggen: Laat Hij haast maken,
vaart zetten achter Zijn werk,
zodat we het zien.
Laat het naderen, laat het komen,
het raadsbesluit van de Heilige van Israël,
zodat wij er kennis mee maken.20Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.21Wee hun die in hun [eigen] oog wijs zijn
en naar hun eigen mening verstandig.22Wee hun die een held zijn in wijn drinken
en dappere mannen in het mengen van sterkedrank,
23die de goddelozen in het gelijk stellen voor een geschenk,
maar de rechtvaardigen hun recht ontnemen.
)
;
3. de oordelen van de HEERE over het volk (verzen 24-3024Daarom, zoals een vuurtong stoppels verteert
en stro door een vlam ineenzinkt,
zo zal hun wortel vermolmd zijn,
en hun bloesem opstuiven als stof,
omdat zij de wet van de HEERE van de legermachten afgewezen hebben
en het woord van de Heilige van Israël verworpen hebben.
25Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
26Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg.
Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;
en zie, daar komen zij, haastig [en] snel!
27Onder hen zal niemand vermoeid zijn of struikelen,
niemand zal sluimeren of slapen.
Bij niemand zal de gordel om zijn heupen losraken
of de riem van zijn schoen breken.
28Hun pijlen zullen scherp zijn,
al hun bogen gespannen,
de hoeven van hun paarden zullen als keisteen beschouwd worden,
de wielen [van] hun [wagens] als een wervelwind.
29Hun gebrul zal zijn als [dat] van een leeuwin,
zij zullen brullen als jonge leeuwen,
zij zullen grommen, hun prooi grijpen en wegslepen,
en er is niemand die redt.
30Op die dag zullen zij tegen het [volk] grommen
als het grommen van de zee.
Wanneer men naar de aarde kijkt, zie, duisternis [en] benauwdheid,
en het licht zal door haar rookwolken verduisterd zijn.
)
.


Het lied van de wijngaard

1Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.

Jesaja, in wie de Geest van Christus spreekt, gebruikt nu een nieuwe manier om Israël aan te spreken, namelijk door een lied. Het is een lied waarin hij de liefde van de HEERE voor Zijn volk bezingt (vers 11Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
)
. Hij wil graag voor zijn Beminde, de HEERE, zingen. Hij is als de vriend van de Bruidegom die zich over de Bruidegom verheugt (Jh 3:29-3029Hij Die de bruid heeft, is [de] Bruidegom; maar de vriend van de Bruidegom, die [daarbij] staat en Hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de Bruidegom. Deze blijdschap van mij dan is vervuld geworden.30Hij moet meer, maar ik minder worden.). De HEERE is het voorwerp van zijn lied.

Het is een liefdeslied, net als Hooglied, en gaat over een wijngaard (vgl. Hl 2:1515Vang voor ons de vossen,
de kleine vossen
die de wijngaarden te gronde richten,
nu onze wijngaarden bloeien.
)
. De identiteit van de betrokkenen blijft echter bedekt. Jesaja noemt geen namen. Deze verhullende verteltrant gebruikt Nathan ook in de geschiedenis die hij aan David vertelt (2Sm 12:1-41En de HEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.2De rijke had heel veel schapen en runderen.3Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at [mee] van zijn stuk [brood], dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem.4Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen [een] van zijn [eigen] schapen en runderen te nemen, om [een maaltijd] te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.). Er wordt niet gezegd wie de “Beminde” en “Geliefde” is en wie de “wijngaard” is. Hierdoor wordt de aandacht van de toehoorders vastgehouden. Naarmate het lied vordert, stijgt hun verontwaardiging over de wijngaard, totdat aan het einde van het gedeelte, in vers 77Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
, als een donderslag bij heldere hemel de ware identiteit van de Beminde en van de wijngaard wordt bekendgemaakt.

In het lied worden we naar een rechtszaal verplaatst (verzen 3-43Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
; vgl. Js 1:1818Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren,
zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken,
ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn,
ze zullen worden als [witte] wol.
; 3:14-1514De HEERE gaat in het gericht
met de oudsten van Zijn volk en de vorsten ervan.
Ú hebt immers [deze] wijngaard verbrand,
[en] wat u geroofd hebt van de armen, bevindt zich in uw huizen.
15Welk recht hebt u om Mijn volk te vertrappen
en de armen te vermorzelen?
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.
)
, waar het lied tot een aanklacht wordt vanwege het gebrek aan reactie op de liefde en het geduld van de Geliefde. Het lied eindigt met het verlaten van de figuurlijke beschrijving om het huis van Israël – want dat is de wijngaard – als het voorwerp van Gods toorn te identificeren (verzen 5-75Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
.

Jesaja zingt over wat de Beminde – dat is, zoals wij weten, de HEERE – voor Zijn volk heeft gedaan. In het beeld van de wijngaard bezingt hij Israël, zoals God het volk zag aan het begin van zijn geschiedenis in het beloofde land. De wijngaard stond op een “vruchtbare heuvel”, dus op vruchtbare grond (Dt 8:7-97Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;8een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing;9een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en [waarin] u uit zijn bergen koper kunt hakken.), dat is het land Kanaän.

Vervolgens staat er: ”Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen.” Dat wil zeggen dat Hij de heidenvolken met hun afgoden uit het land verdreef. Met de “edele wijnstokken” waarmee Hij hem beplantte, worden de Israëlieten bedoeld (Jr 2:2121Ík had u evenwel geplant, een edele wijnstok,
een volkomen betrouwbare stek.
Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd [in] wilde [ranken]
van een uitheemse wijnstok?
; Ps 80:9-109U hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven,
de heidenvolken verdreven en hém geplant.
10U hebt [een plaats] voor hem bereid
en hem wortel doen schieten,  
zodat hij [heel] het land vulde.
; Hs 10:11Israël is een weelderige wijnstok,
hij brengt zijn vrucht voort.
Hoe groter zijn vrucht is,
hoe meer er voor de altaren is.
Hoe beter zijn land,
hoe mooier de gewijde stenen.
)
. Verder bouwde Hij in het midden ervan “een toren”, wat ziet op de centrale stad Jeruzalem die Hij bouwde om Zijn Naam daar te vestigen (Sp 18:1010De Naam van de HEERE is een sterke toren,
een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
)
. Die toren was tevens een wachttoren waar de priesters woonden die moesten waken tegen het binnendringen van verkeerde invloeden.

De “perskuip” die Hij daarin uithakte, ziet op de tempel. Daar zou het volk Hem de vrucht van het land brengen, de offers, om daarmee, door de werking van Zijn Geest, hun aanbidding en lofprijzing tot uiting te brengen. Naar dat heerlijke resultaat zag Hij uit na al het werk dat Hij eraan had besteed. Het slot van het lied is echter een anticlimax. In plaats van goede druiven die Hij op grond van al Zijn inspanningen toch mocht verwachten, bracht de wijnstok stinkende druiven voort.

Nadat Jesaja in zijn lied de uitvoerige beschrijving van de inspanningen van de HEERE voor een optimaal resultaat heeft bezongen, zien we ons ineens verplaatst in een rechtszaal (vers 33Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
)
. De HEERE spreekt nu Zelf, een spreken dat doorloopt tot vers 77Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
. Hij vraagt “de inwoners van Jeruzalem en de mannen van Juda” in een rechtszaak om te oordelen tussen Hem en Zijn wijngaard. Hij vraagt hun om een uitspraak, waarmee hij hen dwingt de situatie goed op zich te laten inwerken.

Hij is de Aanklager, Die tegelijk Zichzelf verdedigt door hun te vragen wat Hij volgens hen nog meer had kunnen doen dan Hij gedaan heeft (vers 44Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
)
. Waren Zijn verwachtingen te hoog door goede druiven te verwachten na zoveel zorg eraan besteed te hebben, terwijl hij slechts stinkende druiven voortbracht? De vraag stellen is hem beantwoorden.

De wijze waarop de HEERE deze mensen aanspreekt, is opmerkelijk. Hij stelt Zich op als iemand die een klacht heeft tegen de wijngaard en hun oordeel vraagt. Alsof ze als rechtvaardige rechters bekwaam waren om daar een uitspraak over te doen! Maar de mannen van Juda zijn zelf de planten. Op subtiele wijze vraagt de HEERE eigenlijk om bereidheid tot zelfoordeel. In plaats van een beschuldiging te uiten wordt hun oordeel gevraagd, waardoor de liefde, die de bron is van deze benadering, hoopt op bereidheid tot zelfonderzoek. Maar er komt geen antwoord.

We horen hoe God Zich hardop afvraagt of de wijngaard de vrucht draagt die Hij ervan mocht verwachten na alles wat Hij eraan heeft gedaan. Dit is een beginsel dat algemeen toegepast kan worden, niet alleen op de Joden, maar ook op de gemeente en ook op ieder individueel. Als de gemeente meer heeft ontvangen dan de Joden, heeft God het recht te verwachten dat de gemeente meer voor Hem voortbrengt. Als iemand zegt de heerlijkheid van Christus te kennen, dan mag Hij verwachten dat zijn leven daaraan beantwoordt. Dat is het ware vrucht dragen waarvoor de gelovige op aarde is.

De Aanklager laat vervolgens weten wat Hij met Zijn wijngaard gaat doen (vers 55Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
)
. Voorafgegaan door een plechtig “nu dan” maakt Hij het vonnis over Zijn waardeloze wijngaard bekend. Een wijngaard die geen vruchten voortbrengt, is immers volledig waardeloos. Het enige waarvoor een wijnstok bruikbaar is, is juist het dragen van vrucht. Het hout ervan is zonder vrucht te waardeloos om ook maar voor iets anders geschikt te zijn dan voor brandhout (Ez 15:2-52Mensenkind, wat heeft het hout van de wijnstok vóór op elk [ander] rankendragend hout dat onder de bomen van het woud is?3Kan er hout uit gehaald worden om er een gebruiksvoorwerp van te maken? Kan men er een pin uit halen om er welk voorwerp dan ook aan op te hangen?4Zie, het wordt als brandstof aan het vuur overgegeven, het vuur verteert de beide uiteinden ervan en het midden ervan is zwartgeblakerd. Zou het voor een gebruiksvoorwerp geschikt zijn?5Zie, toen het gaaf was, kon er geen gebruiksvoorwerp van gemaakt worden. Hoeveel te minder nu het vuur het verteerd heeft, zodat het zwartgeblakerd is. Zal er dan nog een gebruiksvoorwerp van gemaakt kunnen worden?).

De Aanklager zal ook Zelf het vonnis voltrekken. Zijn vergelding van hun opstandigheid staat voor de deur en is onafwendbaar. Hij zal hun bescherming, “zijn omheining”, wegnemen, zodat zij een prooi worden voor de heidenen. Daardoor zal het land verwoest worden. Hij “zal een bres slaan in zijn muur”, zodat de vijand kan binnenkomen en hen zal vertrappen.

Hij zal van het hele land “een wildernis” maken (vers 66Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
)
. Dat zal Hij zo grondig doen, dat er niet “gesnoeid” of “geschoffeld” zal worden, wat betekent dat er geen enkele activiteit zal plaatsvinden met het oog op het dragen van vrucht. Daardoor zal het land in plaats van heerlijke vrucht slechts “dorens en distels” voortbrengen, de symbolen van de zonde (Gn 3:1818dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
)
.

In vers 6b6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
horen de toehoorders ineens dat de wijngaardenier, de beminde die over zijn wijngaard spreekt, de wolken zal gebieden dat er geen regen komt (vgl. Dt 11:17a17Anders zal de toorn van de HEERE tegen u ontbranden en zal Hij de hemel sluiten, zodat er geen regen [meer] zal zijn, de aardbodem zijn opbrengst niet [meer] zal geven en u spoedig verdwenen zult zijn uit het goede land dat de HEERE u geeft.). Tot nu tot hebben ze naar het lied geluisterd zonder eraan te denken dat de beminde of de wijngaard bepaalde personen voorstellen. Maar nu horen ze iets verbazingwekkends, iets wat hen achterdochtig maakt. Ze horen de wijngaardenier zeggen dat hij de wolken zal “gebieden geen regen erop te laten neerkomen”. Zoiets kan toch alleen de HEERE zeggen? Hoe zou een mens de wolken iets gebieden? Dat kan toch alleen God? En inderdaad, zo is het.

Dit is het moment voor de verklaring van de beeldspraak (vers 77Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
. De Aanklager confronteert het huis van Israël plotseling met het feit dat zij de wijngaard van de vorige verzen zijn en dat Hij, de HEERE, de Beminde is over Wie het lied gaat. Het lijkt alsof we Nathan tot David horen spreken, nadat hij zijn gelijkenis heeft verteld: “U bent die man!” (2Sm 12:7a7Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.). De Aanklager is niet Jesaja, maar de HEERE Zelf!

Kortom, de wijngaard is Israël, de vreugde van de HEERE en het werk van Zijn handen tot Zijn verheerlijking (Js 60:2121Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn,
voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen.
Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant,
een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden.
; 61:33om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden
sieraad in plaats van as,
vreugdeolie in plaats van rouw,
een lofgewaad in plaats van een benauwde geest,
opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid,
een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.
)
. De vreugde die Hij in Zijn volk wilde vinden, heeft ook te maken met Zijn liefde voor hen. Zij zijn “Zijn lievelingsplant”. Hij heeft hen uit alle volken uitgekozen om Zijn volk te zijn, het speciale voorwerp van Zijn liefde. Daarom heeft Hij zoveel zorg aan hen besteed. Maar in plaats van recht en gerechtigheid te vinden die Hij als vrucht verwacht heeft, vindt Hij verdrukking en geweld. Daarom is het oordeel over Israël niet meer af te wenden.

Vers 7b7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
is in het Hebreeuws een prachtige woordspeling die in deze vertaling goed wordt weergegeven: “goed bestuur”“bloedbestuur” (Hebr. mispatmispach); “gerechtigheid” (of: “rechtsbetrachting”) “geschreeuw” (of: “rechtsverkrachting”) (Hebr. tsedakahtseakah = geschreeuw van onderdrukte personen). Zoals deze woorden op elkaar lijken, zo lijken in zeker opzicht ook de wilde druiven op de goede druiven. Zo lijken ook de boosdoeners godsdienstige mensen, terwijl ze in werkelijkheid vol ongerechtigheid zijn (vgl. Mt 23:2828Zo ook u, van buiten schijnt u de mensen wel rechtvaardig, maar van binnen bent u vol huichelarij en wetteloosheid.).

De les van dit gedeelte is duidelijk. Het is mogelijk om routinematig godsdienstige handelingen te verrichten, om uiterlijk conform de Schrift te leven, terwijl de werkelijke toewijding van het hart aan Christus ontbreekt. De eerste liefde is weg en daarmee de ware geestelijke kracht. Dit opent de deur naar steeds grovere vormen van kwaad. De Heer staat aan de deur en Hij klopt (Op 3:2020Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik <ook> bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij.). Hij wacht op een antwoord van ieder die er werkelijk naar verlangt om in waarachtigheid, in overeenstemming met Zijn wil en weg, gemeenschap met Hem te hebben.

De wijngaard wordt verwoest, maar niet voorgoed. Later vinden we de belofte dat de wijngaard hersteld zal worden (Js 27:2-62Op die dag
zal er een wijngaard zijn van bruisende wijn; zing ervan in beurtzang!
3Ik, de HEERE, bescherm hem,
elk ogenblik bevochtig Ik hem.
Opdat [de vijand] hem niet kan beschadigen,
bescherm Ik hem nacht en dag.
4Grimmigheid is er bij Mij niet:
wie zou Mij [als] een doorn [en] distel de strijd laten aanbinden,
zodat Ik hem zou aanvallen
[en] hem tegelijk zou verbranden?
5Laat men zich liever aan Mijn macht vastklampen,
laat men vrede met Mij sluiten;
vrede moet men met Mij sluiten.6In de [dagen] die komen, zal Jakob wortel schieten,
Israël zal bloeien en groeien
en zij zullen het wereldoppervlak met vruchten vervullen.
)
. Dat zal in de eindtijd gebeuren. Het betekent niet dat God tot die tijd zonder wijngaard en zonder vrucht uit de wijngaard is.

In de eerste plaats heeft de Heer Jezus als de ware wijnstok de plaats van het falende Israël ingenomen. Hij zegt van Zichzelf: “Ik ben de ware wijnstok” (Jh 15:11Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.). Zijn leven was een en al vreugde voor God. Hij is de ware ‘lievelingsplant’ van God, want in Hem vindt God al Zijn welgevallen.

In de tweede plaats laat de Heer Jezus in een gelijkenis zien dat de wijngaard, het koninkrijk van God, verbonden zal zijn met een ander volk, de christenheid (Mt 21:33-4333Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes die een wijngaard plantte, en hij zette er een omheining omheen, groef een persbak daarin en bouwde een toren; en hij verhuurde hem aan landlieden en ging buitenslands.34Toen nu de tijd van de vruchten was genaderd, zond hij zijn slaven naar de landlieden om zijn vruchten te ontvangen.35En de landlieden namen zijn slaven, sloegen de een, doodden de ander en stenigden de derde.36Opnieuw zond hij andere slaven, meer dan de eersten, en zij deden met hen hetzelfde.37Ten slotte nu zond hij tot hen zijn zoon en zei: Zij zullen mijn zoon ontzien.38Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.39En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.40Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die landlieden doen?41Zij zeiden tot Hem: Die kwaden zal hij een kwade dood laten sterven en de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen afgeven.42Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen; van [de] Heer is dit gebeurd en het is wonderlijk in onze ogen’?43Daarom zeg Ik u, dat het koninkrijk van God van u zal worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt. <). In de christenheid draagt ieder die met de ware wijnstok, Christus, verbonden is, vrucht voor God (Jh 15:2,82Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke [rank] die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt.8Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt, en u zult Mijn discipelen zijn.).


Het eerste wee

8Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
9De HEERE van de legermachten [heeft] tot mij persoonlijk [gesproken]:
Voorwaar, veel huizen zullen tot een woestenij worden,
grote en mooie zullen zonder bewoner zijn!
10Ja, tien bunders wijngaard zullen [slechts] één bath opleveren,
en een homer zaad zal [maar] een efa opleveren.

Op de gelijkenis van de wijngaard volgt een zesvoudig wee over de “stinkende druiven” (vgl. vers 22Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
)
die het volk heeft voortgebracht. Hierin pleit God tegen het volk en toont Hij hun hun zonden, hun ‘stinkende druiven’, in bijzonderheden. Deze volgorde zien we ook in het evangelie naar Mattheüs. Eerst vertelt de Heer Jezus een gelijkenis van een wijngaard (Mt 21:33-4133Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes die een wijngaard plantte, en hij zette er een omheining omheen, groef een persbak daarin en bouwde een toren; en hij verhuurde hem aan landlieden en ging buitenslands.34Toen nu de tijd van de vruchten was genaderd, zond hij zijn slaven naar de landlieden om zijn vruchten te ontvangen.35En de landlieden namen zijn slaven, sloegen de een, doodden de ander en stenigden de derde.36Opnieuw zond hij andere slaven, meer dan de eersten, en zij deden met hen hetzelfde.37Ten slotte nu zond hij tot hen zijn zoon en zei: Zij zullen mijn zoon ontzien.38Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.39En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.40Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die landlieden doen?41Zij zeiden tot Hem: Die kwaden zal hij een kwade dood laten sterven en de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen afgeven.). Even verder spreekt Hij een zevenvoudig wee uit over de leiders van het volk (Mt 23:13-3613Wee u echter, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u sluit het koninkrijk der hemelen voor de mensen; want uzelf gaat niet naar binnen, en hun die willen binnengaan, laat u niet toe binnen te komen. [Vers 1414Daarom zal het graf zijn keel wijd opensperren
en zijn muil wagenwijd opendoen,
zodat zijn adel en zijn [mensen]menigte erin neer zullen dalen
met hun gejoel en uitgelaten gehuppel.
is als niet-authentiek weggelaten.]15Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u trekt de zee en het droge rond om één proseliet te maken; en wanneer hij het geworden is, maakt u van hem een zoon van [de] hel, tweemaal erger dan u.16Wee u, blinde leidslieden, die zegt: Wie bij het tempelhuis zweert – dat is niets; wie echter bij het goud van het tempelhuis zweert, is gebonden.17Dwazen en blinden, want wat is groter: het goud of het tempelhuis dat het goud heeft geheiligd?18En: Wie bij het altaar zweert – dat is niets; wie echter bij de gave die daarop is zweert, is gebonden.19<Dwazen en> blinden, want wat is groter: de gave of het altaar dat de gave heiligt?20Wie nu zweert bij het altaar, zweert daarbij en bij alles wat daarop is.21En wie zweert bij het tempelhuis, zweert daarbij en bij Hem Die daarin woont.22En wie zweert bij de hemel, zweert bij de troon van God en bij Hem Die daarop zit.23Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u geeft tienden van de munt, de dille en de komijn, en u laat het gewichtigste van de wet na: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw.24Deze dingen <nu> zou men moeten doen en de andere niet nalaten. Blinde leidslieden, die de mug uitzift maar de kameel doorzwelgt.25Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid.26Blinde farizeeër, reinig eerst de binnenkant van de drinkbeker <en de schotel>, opdat ook de buitenkant daarvan rein wordt.27Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u lijkt op witgepleisterde graven, die van buiten wel fraai schijnen, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn.28Zo ook u, van buiten schijnt u de mensen wel rechtvaardig, maar van binnen bent u vol huichelarij en wetteloosheid.29Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten en versiert de graftomben van de rechtvaardigen30en zegt: Als wij in de dagen van onze vaderen waren geweest, zouden wij niet hun deelgenoten geweest zijn in het bloed van de profeten.31U getuigt dus van uzelf, dat u zonen bent van hen die de profeten hebben vermoord.32Maakt ook u de maat van uw vaderen vol!33Slangen, adderengebroed, hoe zult u ontkomen aan het oordeel van de hel?34Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden; van hen zult u er doden en kruisigen, en van hen zult u er in uw synagogen geselen en van stad tot stad vervolgen;35opdat alle rechtvaardige bloed over u komt dat op de aarde is vergoten, van het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia, [de] zoon van Barachia, die u hebt vermoord tussen het tempelhuis en het altaar.36Voorwaar, Ik zeg u: dit alles zal over dit geslacht komen.
)
.

Het eerste wee van Jesaja betreft hebzucht en inhaligheid (vers 88Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
; vgl. Js 57:1717Ik was zeer toornig over de ongerechtigheid van hun winstbejag,
Ik sloeg [het volk], Ik verborg Mij en was zeer toornig.
Maar het ging afkerig verder op de weg van zijn hart.
; Mi 2:22Zij begeren akkers en roven die,
en huizen, en nemen die af.
Zo onderdrukken zij de man en zijn huis,
de mens en zijn erfelijk bezit.
)
. Deze ‘stinkende druif’ herkennen we in het ongebreidelde materialisme van onze dagen. Het is de drang naar altijd meer. Daarvoor worden zo nodig anderen beroofd van hun bezittingen. Het beeld is egoïsme in zijn hoogste vorm, iemand die zichzelf heeft omgeven met alles wat hij wil en daarin geen ander laat delen. Dit gaat in tegen Gods geboden om niet te stelen en niet te begeren (Ex 20:15,1715U zult niet stelen.17U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is.), waarmee Hij het privébezit van de leden van Zijn volk beschermt. Het is het bezit dat Hij elk lid heeft toevertrouwd.

Zij die zich aan deze inhaligheid schuldig maken, doen de inzetting van de HEERE geweld aan (Nm 36:77Dan zal het erfelijk bezit van de Israëlieten niet van de [ene] stam op de [andere] stam overgaan, want de Israëlieten moeten ieder vasthouden aan het erfelijk bezit van de stam van zijn vaderen.; 1Kn 21:1-31Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!), want het land blijft altijd eigendom van de HEERE (Lv 25:2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.). Aan het teruggeven van het bezit aan de oorspronkelijke eigenaar in het jubeljaar denken ze niet (Lv 25:10,1310U moet het vijftigste jaar heiligen en vrijlating in het land uitroepen voor alle bewoners ervan. Het is jubeljaar voor u: ieder zal terugkeren naar zijn [eigen] bezit en ieder zal terugkeren naar zijn familie.13In dit jubeljaar mag u terugkeren, ieder naar zijn [eigen] bezit.). Als ze dat wel hadden gedaan, zouden ze rijke vrucht hebben gekregen (Lv 25:18-1918U moet Mijn verordeningen houden en Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden. Dan zult u onbezorgd in het land wonen.19En het land zal zijn vruchten geven, zodat u tot verzadiging toe kunt eten. U zult er onbezorgd kunnen wonen.).

De HEERE heeft het oordeel over deze handelwijze aan Jesaja persoonlijk meegedeeld – “persoonlijk” is letterlijk “in mijn oren”. Hij heeft te horen gekregen dat de HEERE ervoor zal zorgen dat ze geen profijt van hun inhaligheid zullen hebben (vgl. Hg 1:6,96U zaait veel maar brengt weinig binnen.
U eet maar niet tot verzadiging.
U drinkt maar wordt niet dronken.
U kleedt u, maar wordt niet warm.
De dagloner ontvangt zijn loon in een doorboorde buidel.9U rekent op veel, maar zie, het wordt weinig.
Wat u in huis bracht, daar blies Ik in.
Waarom? spreekt de HEERE van de legermachten.
Vanwege Mijn huis, dat verwoest ligt,
terwijl u zich uitslooft, ieder voor zijn eigen huis.
)
. Hun mooie huizen zullen worden verwoest en het leven zal eruit verdwijnen omdat de bewoners omkomen (vers 99De HEERE van de legermachten [heeft] tot mij persoonlijk [gesproken]:
Voorwaar, veel huizen zullen tot een woestenij worden,
grote en mooie zullen zonder bewoner zijn!
)
. Een huis kan nog zo mooi zijn, maar als het leven eruit is verdwenen, is het dood.

Ook het land zal nauwelijks iets opbrengen (vers 1010Ja, tien bunders wijngaard zullen [slechts] één bath opleveren,
en een homer zaad zal [maar] een efa opleveren.
)
. Een wijngaard van “tien bunders” – een bunder is een hectare – zal slechts tussen de twintig en vijfenveertig liter wijn opleveren – een bath is vermoedelijk tussen de twintig en vijfenveertig liter. En een homer zaad – een homer is vermoedelijk tussen de tweehonderd en vierhonderdvijftig liter – zal slechts een efa opleveren – een efa is vermoedelijk tussen de twintig en vijfenveertig liter. Dat wil zeggen dat het gezaaide slechts tien procent of minder oplevert.

Hierop kunnen we het bekende gezegde toepassen: gestolen goed gedijt niet. De les is: als we vergeten dat alles wat we hebben, toebehoort aan Christus en dat onszelf toe-eigenen, zullen geestelijke dorheid en gebrek ons treffen (vgl. Ps 106:1515Toen gaf Hij hun wat zij begeerden,
maar henzelf deed Hij uitteren.
)
.


Het tweede wee

11Wee hun die 's morgens vroeg opstaan
[en] op sterkedrank uit zijn,
daarmee doorgaan tot de schemering,
[totdat] de wijn hen heeft verhit.
12Harp en luit, tamboerijn en fluit,
en wijn – [dat] zijn hun drinkgelagen,
maar voor de daden van de HEERE hebben zij geen oog;
het werk van Zijn handen zien zij niet.
13Daarom zal Mijn volk in ballingschap gaan:
het heeft geen kennis.
Zijn hooggeplaatsten zullen verhongeren,
en zijn [mensen]menigte zal van dorst versmachten.
14Daarom zal het graf zijn keel wijd opensperren
en zijn muil wagenwijd opendoen,
zodat zijn adel en zijn [mensen]menigte erin neer zullen dalen
met hun gejoel en uitgelaten gehuppel.
15Dan zal de [gewone] man gebukt gaan,
de man [van aanzien] vernederd worden,
en de ogen van de hoogmoedigen zullen neergeslagen zijn.
16Maar de HEERE van de legermachten zal verhoogd worden door het recht,
en de heilige God zal geheiligd worden door gerechtigheid.
17En lammeren zullen er grazen als was het hun weide,
en [van] de puinhopen van de weldoorvoeden zullen vreemdelingen eten.

Het tweede wee (vers 1111Wee hun die 's morgens vroeg opstaan
[en] op sterkedrank uit zijn,
daarmee doorgaan tot de schemering,
[totdat] de wijn hen heeft verhit.
)
komt over de hedonisten, mensen die verslaafd zijn aan genot, de “liefhebbers van genot” (2Tm 3:44verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God.). Zij zien het leven als een groot feest en gieten zich de hele dag door vol met bedwelmende “sterkedrank”, die in die tijd werd gemaakt van gegiste dadels, honing en gerst. Een dergelijk leven stinkt, het is te vergelijken met stinkende druiven. In hun leven is niets waarin God vreugde kan vinden. Integendeel, Hij walgt ervan. Mensen die zo leven, zijn aan die manier van leven verslaafd. Iemand die ‘s morgens als hij wakker wordt als eerste naar de fles grijpt, is zeker drankverslaafd (vgl. Pr 10:16b16Wee u, land, als uw koning een kind is, als uw vorsten 's morgens maaltijd houden.; Hd 2:13-1513Anderen echter zeiden spottend: Zij zijn vol zoete wijn.14Petrus echter stond op met de elf, verhief zijn stem en sprak hen toe: Joodse mannen en u allen die in Jeruzalem woont, dit zij u bekend en leent het oor aan mijn woorden.15Want dezen zijn niet dronken, zoals u veronderstelt; want het is [het] derde uur van de dag.). Als je bedwelmd bent, vergeet je tenminste de nare dingen van het leven. Het is als opium.

Vanbinnen, innerlijk, bedwelmd en vanbuiten omgeven en verdoofd door lawaai is de ‘ideale’ situatie om ervoor te zorgen dat ze geen oog hebben voor de daden van de HEERE, dat ze daarvoor geen interesse hebben (vers 1212Harp en luit, tamboerijn en fluit,
en wijn – [dat] zijn hun drinkgelagen,
maar voor de daden van de HEERE hebben zij geen oog;
het werk van Zijn handen zien zij niet.
; vgl. Am 6:4-54[u,] die op bedden van ivoor ligt,
die op uw rustbanken hangt,
die lammeren uit het kleinvee eet,
kalveren uit het midden van de stal;5[u,] die vrolijk zingt onder het geklank van de luit
– zoals David hebben zij voor zichzelf muziekinstrumenten uitgedacht –
)
. “Het werk van Zijn handen zien ze niet.” Wat de HEERE doet, gaat volledig aan hen voorbij.

We zien het vandaag hoe mensen volledig opgaan in alcohol en drugs, in heavy metal en death metal muziek die hen ongevoelig maken voor elk signaal dat hen waarschuwt voor de dodelijke gevolgen. Hierdoor zakken zij lager dan de beesten die instinctief nog goede keuzes maken (Js 1:33Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,
[maar] Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.
)
. Daarbij moet het goed tot ons doordringen dat deze dingen ook te vinden zijn bij hen die zich christen noemen. Het gebruik van sterkedrank en drugs is niet slechts praktijk van de ons omringende wereld, maar komt uitgebreid voor onder christelijke jongeren.

Dit gebrek aan begrip van de daden van de HEERE, het gebrek aan kennis van Hem, wordt hun fataal (vers 1313Daarom zal Mijn volk in ballingschap gaan:
het heeft geen kennis.
Zijn hooggeplaatsten zullen verhongeren,
en zijn [mensen]menigte zal van dorst versmachten.
; Hs 4:6a6Mijn volk is uitgeroeid,
omdat het zonder kennis is.
Omdat ú de kennis verworpen hebt,
heb Ik u verworpen om als priester voor Mij te dienen.
Omdat u de wet van uw God hebt vergeten,
zal Ik ook uw kinderen vergeten.
)
. Zij hebben daardoor niet in de gaten dat ze zullen worden weggevoerd in ballingschap. De elite met een hoog inkomen zal “verhongeren”. De “menigte”, de goddeloze ‘gewone’ bevolking, zal van dorst omkomen.

Ze zullen magere Hein ontmoeten, die beeldend met wijd opengesperde keel en een wagenwijd geopende muil als een gulzig monster klaarstaat om hen te verslinden (vers 1414Daarom zal het graf zijn keel wijd opensperren
en zijn muil wagenwijd opendoen,
zodat zijn adel en zijn [mensen]menigte erin neer zullen dalen
met hun gejoel en uitgelaten gehuppel.
)
. Zonder dat ze het in de gaten hebben, begeven de adel en de doorsnee mens zich al joelend en uitgelaten huppelend naar dat alles en iedereen verslindende monster. Zo dalen ze dansend en swingend neer in het peilloos diepe zwarte gat.

Dan is het over en uit met al dat gejoel en gehuppel. Van alle hoogmoed van zowel de gewone man als de man van aanzien blijft niets over. Beiden buigen zij hun knieën onder het oordeel. De gewone man heeft net als de aanzienlijke man alleen voor zichzelf geleefd en daarin niet voor de aanzienlijke ondergedaan. Beiden hebben ze in hoogmoed de ogen open gehad voor alles, behalve voor de HEERE. Hun ogen zullen voorgoed neergeslagen zijn (vers 1515Dan zal de [gewone] man gebukt gaan,
de man [van aanzien] vernederd worden,
en de ogen van de hoogmoedigen zullen neergeslagen zijn.
)
.

God zal erkenning van Zijn eigenschappen en rechten afdwingen (Fp 2:9-119Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,10opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.). De neergang van de hoogmoedige mens is het gevolg van het recht van “de HEERE van de legermachten” (vers 1616Maar de HEERE van de legermachten zal verhoogd worden door het recht,
en de heilige God zal geheiligd worden door gerechtigheid.
)
. Hij zal door de uitoefening van het recht worden verhoogd, wat het contrast met de vernedering van de mens scherp doet uitkomen. Dit scherpe contrast is er ook tussen het onheilige gedrag van de mens en de heiligheid van God, Die hier met nadruk “de heilige God” wordt genoemd. Zijn heiligheid komt tot uiting in het handhaven van Zijn gerechtigheid.

Gerechtigheid en heiligheid zijn de kenmerken van de nieuwe mens, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid” (Ef 4:2424en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.). Daardoor is de gelovige die bij de gemeente hoort in staat om recht te doen te midden van het kwaad. Terwijl hij door het kwaad omgeven is, kan hij in heiligheid, dat is voor God afgezonderd, leven.

Als het volk is weggevoerd in ballingschap, zullen herders van vreemde volken hun schapen in het verlaten land laten grazen alsof het hun eigen land is (vers 1717En lammeren zullen er grazen als was het hun weide,
en [van] de puinhopen van de weldoorvoeden zullen vreemdelingen eten.
)
. Vreemdelingen zullen zich tegoed doen aan wat God voor Zijn eigen volk had bedoeld, maar waaraan Zijn volk zichzelf in onbeteugelde hebzucht tegoed heeft gedaan. Na het oordeel laten ze alles achter en zullen vreemdelingen het opeten. Dit is letterlijk vervuld door de Arabieren die daar eeuwenlang hebben gewoond, terwijl Jeruzalem in handen van islamitische volken was.


Het derde wee

18Wee hun die de ongerechtigheid [naar zich toe] trekken met koorden van valsheid,
en de zonde als [met] dikke wagentouwen,
19die zeggen: Laat Hij haast maken,
vaart zetten achter Zijn werk,
zodat we het zien.
Laat het naderen, laat het komen,
het raadsbesluit van de Heilige van Israël,
zodat wij er kennis mee maken.

Het derde wee wordt uitgesproken over een volgende ‘stinkende druif’ en wel over hen die verslaafd zijn aan ongerechtigheid. Met leugenachtige trucs plegen ze ongerechtigheid (vers 1818Wee hun die de ongerechtigheid [naar zich toe] trekken met koorden van valsheid,
en de zonde als [met] dikke wagentouwen,
)
. Niet zonder sarcasme zet Jesaja het beeld neer van dieren die een last voorttrekken. De last van de ongerechtigheid ligt hoog opgetast op de wagen van de zonde waaraan deze mensen met touwen lopen te trekken. De onderliggende gedachte is dat het bedrijven van kleine ongerechtigheden, “koorden van valsheid”, geleidelijk zal leiden tot grovere ongerechtigheden, “zonde als met dikke wagentouwen”. Ze menen dat zij hun zondige activiteiten zelf in de hand hebben. Maar het is andersom: “Met de banden van zijn zonde wordt hij vastgehouden” (Sp 5:2222Zijn ongerechtigheden nemen de goddeloze gevangen:
met de banden van zijn zonde wordt hij vastgehouden.
)
.

Terwijl ze zo, als slaven van de zonde, in de richting van het oordeel voortploeteren, dagen ze God uit (vers 1919die zeggen: Laat Hij haast maken,
vaart zetten achter Zijn werk,
zodat we het zien.
Laat het naderen, laat het komen,
het raadsbesluit van de Heilige van Israël,
zodat wij er kennis mee maken.
)
. Met snoevende taal tarten ze Hem om Zijn waarschuwingen eens in daden om te zetten: ‘Als je er bent, laat jezelf dan eens zien, doe eens iets!’ Dit is het toppunt van vermetelheid en Godslastering (vgl. Mt 27:4242Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Hij is Koning van Israël – laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen in Hem geloven.; 2Pt 3:2-32opdat u terugdenkt aan de woorden die tevoren door de heilige profeten gesproken zijn en aan het gebod van de Heer en Heiland, door uw apostelen [verkondigd].3Weet dit eerst, dat er in [het] laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen; Pr 8:1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.; Jr 17:1515Zie, zij zeggen tegen mij:
 Waar is het woord van de HEERE? Laat het toch uitkomen!
)
. Ze schromen niet de Naam van “de Heilige van Israël” te misbruiken en te honen, de Naam die Jesaja steeds gebruikt om Gods heiligheid tegenover de onheiligheid van het volk te laten uitkomen. Het toont hun verharding aan, die Jesaja in het volgende hoofdstuk moet verzegelen (Js 6:9-109Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
.


Het vierde wee

20Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.

Over het op zijn kop zetten van morele beginselen (vers 2020Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.
, de vierde ‘stinkende druif’) komt het vierde wee. Willens en wetens keren ze waarden en normen om. Ze draaien alles om wat God heeft gezegd. Wat God kwaad noemt, noemen zij goed en omgekeerd. Dat is een gruwel voor de HEERE (Sp 17:1515Wie de goddeloze vrijspreekt en wie de rechtvaardige schuldig verklaart,
zijn voor de HEERE een gruwel, allebei.
)
. Zo doen ze ook met duisternis en licht en met bitter en zoet. Valse leringen worden voorgesteld als waarheid en de waarheid wordt voor leugen uitgemaakt.

Dit is hoogst actueel in onze dagen. Zo moeten homo’s kunnen trouwen en wordt het huwelijk als zodanig als een knellend juk voorgesteld. Abortus, dat wil zeggen moord in de moederschoot, moet kunnen, maar de doodstraf – die God ingeval van moord voorschrijft – wordt als moord en onmenselijk afgeschaft. Het is de dwaze omkering van zaken door de mens zonder God.

Eerst komt steeds het negatieve, waaraan zij een positieve betekenis toekennen. Het gevolg kan niet anders zijn dan dat zij het positieve veranderen in iets negatiefs. We zien dit sterk bij de farizeeën die het werk van de Heer Jezus dat Hij door de Heilige Geest doet, toeschrijven aan Beëlzebub (Mk 3:22-2922En de schriftgeleerden die van Jeruzalem waren afgedaald, zeiden: Hij heeft Beëlzebul; en: Door de overste van de demonen drijft Hij de demonen uit.23En Hij riep hen bij Zich en zei tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitdrijven?24En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden.25En als een huis tegen zichzelf verdeeld is, zal dat huis niet kunnen standhouden.26En als de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij niet standhouden, maar is het met hem ten einde.27Maar niemand die het huis van de sterke binnengaat, kan zijn huisraad roven, als hij niet eerst de sterke bindt; en dan zal hij zijn huis beroven.28Voorwaar, Ik zeg u, dat alles de zonen der mensen zal worden vergeven, alle zonden en lasteringen waarmee zij ook maar lasteren;29maar wie zal lasteren tegen de Heilige Geest, heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar is schuldig aan een eeuwige zonde).

Het is “kwaad en bitter … de HEERE … te verlaten” (Jr 2:1919Uw [eigen] kwaad straft u
en uw [eigen] afdwalingen bestraffen u.
Erken en zie in, dat het kwaad en bitter is
de HEERE, uw God, te verlaten,
en dat er geen vreze voor Mij bij u is,
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.
)
, maar zij zeggen dat het goed is. Zij spreken de duivel na die Eva wijsmaakte dat het niet kwaad was, maar goed om van de verboden boom te eten. Het is “goed dicht bij God te zijn” (Ps 73:2828Maar wat mij betreft, het is voor mij goed dicht bij God te zijn.
Ik neem mijn toevlucht tot de Heere HEERE,
om al Uw werken te vertellen.
)
, maar zij verklaren dat tot kwaad. In alles spreken zij de voorschriften en de geopenbaarde wil van de HEERE bewust tegen. Zij verklaren Zijn wil niet alleen als ongeldig, maar zij verdraaien die en gaan er willens en wetens tegenin. Dit is een van de kenmerken van de eindtijd (Rm 1:3232die, hoewel zij de eis van het recht van God kennen – dat zij die zulke dingen bedrijven, [de] dood verdienen –, ze niet alleen doen, maar ook een welgevallen hebben aan hen die ze bedrijven.).


Het vijfde wee

21Wee hun die in hun [eigen] oog wijs zijn
en naar hun eigen mening verstandig.

Het vijfde wee treft de trots en zelfgenoegzaamheid van hen die wijs zijn in eigen ogen (vers 2121Wee hun die in hun [eigen] oog wijs zijn
en naar hun eigen mening verstandig.
; vgl. Sp 3:77Wees niet wijs in je [eigen] ogen:
vrees de HEERE en keer je af van het kwade.
)
. Ook dit is zo’n ‘stinkende druif’. Iemand die de waarden omkeert, vindt zichzelf wijs en zijn eigen mening verstandig. Iemand die zich beroemt op zijn eigen wijsheid en verstand, produceert een niet te harden stank. Deze houding vloeit voort uit de houding die we onder de twee voorgaande weeën zien. Het is een poging tot zelfrechtvaardiging, die leidt tot het dichtschroeien van het geweten.


Het zesde wee

22Wee hun die een held zijn in wijn drinken
en dappere mannen in het mengen van sterkedrank,
23die de goddelozen in het gelijk stellen voor een geschenk,
maar de rechtvaardigen hun recht ontnemen.

Het zesde wee komt over de leiders van het volk. Ook zij zijn totaal verziekt. Ze worden nu beschreven als de liefhebbers van wijn, de mannen die zich erop beroemen verstand te hebben van het bereiden ervan (vers 2222Wee hun die een held zijn in wijn drinken
en dappere mannen in het mengen van sterkedrank,
)
. Wat zij doen, stinkt ook. Met een ondertoon van sarcasme vergelijkt Jesaja deze leiders met “een held” en noemt hij hen “dappere mannen”.

Het zijn de grootdoeners, de branieschoppers, mensen die gemakkelijk omkoopbaar zijn, want ze houden er geen principes op na (vers 2323die de goddelozen in het gelijk stellen voor een geschenk,
maar de rechtvaardigen hun recht ontnemen.
)
. Door hun benevelde blik hebben ze geen zicht op het recht. Ze nemen het niet zo nauw met het recht en verdraaien het als ze er beter van kunnen worden. Ze zijn verslaafd aan macht en verrijken zichzelf ten koste van de armen. We zien dat bij allerlei heersers door de eeuwen heen. We zien het ook bij de valse herders (Ez 34:1-61Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet.4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt.) en in de kenmerken van de antichrist (Zc 11:15-1715De HEERE zei tegen mij: Neem u nogmaals de uitrusting van een dwaze herder.16Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat [dreigt] uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge [dieren] zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat [nog] overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette [dieren] eten en hun hoeven zal hij afrukken.
17Wee de herder van niets,
die de kudde in de steek laat!
Het zwaard zal zijn arm [treffen]
en zijn rechteroog.
Zijn arm zal helemaal verstijven,
zijn rechteroog zal helemaal dof worden.
)
.

De geestelijke tegenhanger van “een held zijn in wijn drinken” is het vervuld zijn met de Heilige Geest (Ef 5:1818En wordt niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vervuld met [de] Geest,). Dat leidt tot een helder onderscheidingsvermogen tussen wat van God is en wat niet.


Het volk uit de verte

24Daarom, zoals een vuurtong stoppels verteert
en stro door een vlam ineenzinkt,
zo zal hun wortel vermolmd zijn,
en hun bloesem opstuiven als stof,
omdat zij de wet van de HEERE van de legermachten afgewezen hebben
en het woord van de Heilige van Israël verworpen hebben.
25Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
26Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg.
Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;
en zie, daar komen zij, haastig [en] snel!
27Onder hen zal niemand vermoeid zijn of struikelen,
niemand zal sluimeren of slapen.
Bij niemand zal de gordel om zijn heupen losraken
of de riem van zijn schoen breken.
28Hun pijlen zullen scherp zijn,
al hun bogen gespannen,
de hoeven van hun paarden zullen als keisteen beschouwd worden,
de wielen [van] hun [wagens] als een wervelwind.
29Hun gebrul zal zijn als [dat] van een leeuwin,
zij zullen brullen als jonge leeuwen,
zij zullen grommen, hun prooi grijpen en wegslepen,
en er is niemand die redt.
30Op die dag zullen zij tegen het [volk] grommen
als het grommen van de zee.
Wanneer men naar de aarde kijkt, zie, duisternis [en] benauwdheid,
en het licht zal door haar rookwolken verduisterd zijn.

Met een tweevoudig “daarom” (verzen 24-2524Daarom, zoals een vuurtong stoppels verteert
en stro door een vlam ineenzinkt,
zo zal hun wortel vermolmd zijn,
en hun bloesem opstuiven als stof,
omdat zij de wet van de HEERE van de legermachten afgewezen hebben
en het woord van de Heilige van Israël verworpen hebben.
25Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
volgt Gods onherroepelijke oordeel. De wijngaard (verzen 1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
blijkt totaal verdorven te zijn. Er is maar één remedie: het totale oordeel. Het Goddelijk oordeel over dit alles wordt vergeleken met een “vuurtong” (vers 2424Daarom, zoals een vuurtong stoppels verteert
en stro door een vlam ineenzinkt,
zo zal hun wortel vermolmd zijn,
en hun bloesem opstuiven als stof,
omdat zij de wet van de HEERE van de legermachten afgewezen hebben
en het woord van de Heilige van Israël verworpen hebben.
)
, een tong van vuur die alles waarop zij zich beroemen, zal oplikken alsof het “stoppels” en “stro” is. In dezelfde zin “zal hun wortel vermolmd zijn” en geen levenskracht bezitten om de vruchtboom boven de grond vrucht te laten dragen. Daardoor zal “hun bloesem”, hun pracht en de belofte van vrucht, “opstuiven als stof”. Er komt geen vrucht tevoorschijn en er blijft niets over van wat leek een oogst te gaan worden.

Dit oordeel zal hen treffen omdat ze “de wet van de HEERE van de legermachten afgewezen hebben en het woord van de Heilige van Israël verworpen hebben”. Ze hebben de wet, het geschreven woord van de HEERE, en de mondelinge uitspraken van de Heilige van Israël bij monde van Zijn profeten met verachting behandeld. De titel “de Heilige van Israël”, die door Jesaja regelmatig wordt genoemd, maakt op bijzondere wijze de enorme afstand duidelijk die er is tussen de zonde van de mens en de heiligheid van God.

Hun afwijzing van Hem heeft Zijn toorn doen ontbranden (vers 2525Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
. Omdat ze Hem hebben afgewezen, zal Hij een machtige vijand op hen, Zijn volk, afsturen. Door die vijand strekt Hij Zijn hand tegen hen uit om hen te slaan, dat is hen te tuchtigen. De doornhaag en de muren van de wijngaard worden verwijderd waardoor deze vijand ongehinderd kan komen om hen te verwoesten (vers 55Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
)
.

Het doormarcheren van deze vijand – Assyrië, profetisch de koning van het noorden – zal de bergen doen sidderen. Door zijn aanvallen zullen de straten vol lijken liggen alsof het vuilnis is. En dat is nog niet het einde van de oordelen. Het volk zal nog heftiger geslagen worden. Daarom “keert Zijn toorn zich niet af; en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt” (vers 25b25Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
, een uitdrukking die de voortgang van Gods oordeel beschrijft (Js 9:11,16,2011de Syriërs vanuit het oosten en de Filistijnen vanuit het westen,
zodat zij Israël verslinden met heel [hun] mond.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.16Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen,
en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen,
want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners
en elke mond spreekt dwaasheid.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.20Manasse [van] Efraïm, Efraïm [van] Manasse;
en die samen zijn tegen Juda.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
; 10:44Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken
en onder de gedoden te vallen!
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
.

In de verzen 26-3026Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg.
Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;
en zie, daar komen zij, haastig [en] snel!
27Onder hen zal niemand vermoeid zijn of struikelen,
niemand zal sluimeren of slapen.
Bij niemand zal de gordel om zijn heupen losraken
of de riem van zijn schoen breken.
28Hun pijlen zullen scherp zijn,
al hun bogen gespannen,
de hoeven van hun paarden zullen als keisteen beschouwd worden,
de wielen [van] hun [wagens] als een wervelwind.
29Hun gebrul zal zijn als [dat] van een leeuwin,
zij zullen brullen als jonge leeuwen,
zij zullen grommen, hun prooi grijpen en wegslepen,
en er is niemand die redt.
30Op die dag zullen zij tegen het [volk] grommen
als het grommen van de zee.
Wanneer men naar de aarde kijkt, zie, duisternis [en] benauwdheid,
en het licht zal door haar rookwolken verduisterd zijn.
volgt een beschrijving van het binnenvallen van de Assyriërs. De beschrijving ziet ook op de inval van de koning van het noorden in de eindtijd (Dn 11:4040Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.). De HEERE geeft het startsein voor het optrekken van de vijand. Hij heft een banier op als teken voor de vijand om naar Jeruzalem te trekken en als Zijn leger tegen Zijn afvallige volk te strijden (vers 2626Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg.
Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;
en zie, daar komen zij, haastig [en] snel!
)
. Wat een verandering vergeleken met de tijd dat Hij hun “Banier” (Ex 17:1515En Mozes bouwde een altaar en gaf het de naam: De HEERE is mijn Banier!) was! Zoals een bijenhouder zijn bijen tot zich fluit, zo zal de HEERE de legers van de vijand als Zijn bijen (Js 7:1818Op die dag zal het gebeuren
dat de HEERE de vliegen naar Zich toe zal fluiten
die zich aan het einde van de rivieren van Egypte bevinden,
en de bijen die in het land van Assyrië zijn.
)
bijeenverzamelen. Ze zullen komen, haastig en snel.

Het is een onvermoeibaar leger omdat het door de HEERE van bovenmenselijke kracht is voorzien (vers 2727Onder hen zal niemand vermoeid zijn of struikelen,
niemand zal sluimeren of slapen.
Bij niemand zal de gordel om zijn heupen losraken
of de riem van zijn schoen breken.
)
. Ze hebben geen behoefte aan slaap of rust. Van indutten is geen sprake. Materiaalpech zal niet voorkomen. Wat de HEERE bij Zijn volk in de woestijn deed, doet Hij hier bij het leger dat Hij op Zijn volk afstuurt (vgl. Dt 8:44De kleren die u [droeg] zijn niet versleten en uw voet raakte niet opgezwollen [in] deze veertig jaar.).

Het is een leger dat volledig op zijn taak berekend is, met soldaten die de wapens voor direct gebruik in de hand hebben (vers 2828Hun pijlen zullen scherp zijn,
al hun bogen gespannen,
de hoeven van hun paarden zullen als keisteen beschouwd worden,
de wielen [van] hun [wagens] als een wervelwind.
)
. Ze gaan razendsnel en zonder angst en zonder mededogen te werk. Het leger valt aan als een leeuw, brult, grijpt zijn prooi en sleept die weg (in gevangenschap) zonder dat er enige mogelijkheid is om te ontkomen en zonder dat iemand te hulp kan komen (vers 2929Hun gebrul zal zijn als [dat] van een leeuwin,
zij zullen brullen als jonge leeuwen,
zij zullen grommen, hun prooi grijpen en wegslepen,
en er is niemand die redt.
)
.

De uitdrukking “op die dag” laat zien dat de gebeurtenissen die toen aanstaande waren, zich in de toekomst zullen herhalen en dan tot een definitief resultaat zullen voeren. Het “grommen, als het grommen van de zee” is een aanduiding voor de voorttrekkende legers die als overstromende wateren het land in bezit nemen (Js 8:77daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen
de machtige, geweldige wateren van de rivier [de Eufraat],
[namelijk] de koning van Assyrië met al zijn luister.
Deze zal buiten al zijn stroom[beddingen] treden,
en over al zijn oevers heenstromen.
; Dn 9:2626Na de tweeënzestig weken
zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.
Een volk van een vorst, [een volk] dat komen zal,
zal de stad en het heiligdom te gronde richten.
Het einde ervan zal zijn in de [overstromende] vloed
en tot het einde toe zal er oorlog zijn,
verwoestingen [waartoe] vast besloten is.
)
. Voor Gods volk zal er in die dag alleen “duisternis [en] benauwdheid” zijn, zonder uitzicht op licht (vers 3030Op die dag zullen zij tegen het [volk] grommen
als het grommen van de zee.
Wanneer men naar de aarde kijkt, zie, duisternis [en] benauwdheid,
en het licht zal door haar rookwolken verduisterd zijn.
)
. “Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn? Duisternis zal hij zijn en geen licht!” (Am 5:1818Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!
)
.


Lees verder