Jesaja
1-2 Israëls belijdenis 3-11 Vroegere en nieuwe dingen 12-16 De HEERE in Zijn absolute Godheid 17-19 Luisteren naar Geest en Woord 20-21 Afzondering van het kwaad 22 Geen vrede voor de goddelozen
Israëls belijdenis

1Hoor dit, huis van Jakob,
u die genoemd wordt met de naam Israël,
en [die] uit de wateren van Juda bent voortgekomen,
die zweert bij de Naam van de HEERE
en [de Naam van] de God van Israël noemt,
[maar] niet in waarheid en niet in gerechtigheid.
2Ja, ‘van de heilige stad’ noemen zij zich
en zij steunen op de God van Israël,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

Dit hoofdstuk is speciaal gericht tot de gevangenen uit Juda, “u die … uit de wateren van Juda bent voortgekomen”, dat wil zeggen die hun bron, hun oorsprong, in Juda hebben (vers 11Hoor dit, huis van Jakob,
u die genoemd wordt met de naam Israël,
en [die] uit de wateren van Juda bent voortgekomen,
die zweert bij de Naam van de HEERE
en [de Naam van] de God van Israël noemt,
[maar] niet in waarheid en niet in gerechtigheid.
)
. Het duidt hun natuurlijke afstamming aan. Juda betekent ‘lofprijzing’ (Gn 49:88Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
)
, wat het doel van hun bestaan voor God aangeeft: een volk dat God prijst. Ze hebben een grote belijdenis – ze worden genoemd “met de naam Israël”, dat betekent ‘strijder Gods’ (Gn 32:2828Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.) –, maar hun wegen zijn daarmee niet in overeenstemming. Zij zweren “bij de Naam van de HEERE” en noemen Hem “de God van Israël”, maar ze zijn daarin onwaarachtig.

Ze beroemen zich erop dat ze “van de heilige stad” zijn, maar ze gedragen zich onheilig (vers 22Ja, ‘van de heilige stad’ noemen zij zich
en zij steunen op de God van Israël,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
. Ze denken er niet aan dat ze te maken hebben met “de HEERE van de legermachten”, een Naam die eerbied en onderwerping vraagt en niet een uiterlijke godsdienst. De apostel Paulus schrijft later: “Niet allen zijn Israël, die uit Israël zijn” (Rm 9:6b6Maar het is niet zo, dat het Woord van God vervallen zou zijn. Want niet allen zijn Israël die uit Israël zijn;). Hetzelfde geldt helaas ook van veel christenen die wel gedoopt zijn en kerkelijke samenkomsten bezoeken, maar niet wedergeboren zijn en dus geen persoonlijke relatie hebben met de levende God.


Vroegere en nieuwe dingen

3De dingen van vroeger heb Ik van oudsher verkondigd,
uit Mijn mond zijn ze voortgekomen en Ik heb ze doen horen.
Plotseling heb Ik ze gedaan en ze zijn gekomen.
4Omdat Ik wist dat u hard bent,
uw nek een ijzeren pees is,
en uw voorhoofd van brons,
5daarom heb Ik het u van oudsher verkondigd;
voordat het kwam, heb Ik het u doen horen,
anders zou u zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan,
mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze geboden.
6U hebt [het] gehoord, aanschouw dit alles,
en u, zou u het [dan] niet verkondigen?
Van nu af aan doe Ik u nieuwe dingen horen,
verborgen dingen, die u niet geweten hebt.
7Nu zijn ze geschapen en niet van oudsher;
vóór [deze] dag hebt u er ook niet van gehoord,
anders zou u zeggen: Zie, ik heb ze geweten.
8Nee, u hebt ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten,
ook is uw oor van oudsher niet geopend geweest,
want Ik wist dat u volkomen trouweloos handelen zou
en dat u van de [moeder]schoot af een overtreder wordt genoemd.
9Omwille van Mijn Naam stel Ik Mijn toorn uit,
[omwille van] Mijn roem zal Ik Mij bedwingen, u ten goede,
zodat Ik u niet zal uitroeien.
10Zie, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver;
Ik heb u beproefd in de smeltkroes van ellende.
11Omwille van Mij, omwille van Mij doe Ik [het],
want hoe zou [Mijn Naam] ontheiligd worden!
Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.

Nu volgt een hernieuwde verklaring van de kracht die God alleen heeft om zonder falen toekomstige dingen te verkondigen (verzen 3-6a3De dingen van vroeger heb Ik van oudsher verkondigd,
uit Mijn mond zijn ze voortgekomen en Ik heb ze doen horen.
Plotseling heb Ik ze gedaan en ze zijn gekomen.
4Omdat Ik wist dat u hard bent,
uw nek een ijzeren pees is,
en uw voorhoofd van brons,
5daarom heb Ik het u van oudsher verkondigd;
voordat het kwam, heb Ik het u doen horen,
anders zou u zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan,
mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze geboden.
6U hebt [het] gehoord, aanschouw dit alles,
en u, zou u het [dan] niet verkondigen?
Van nu af aan doe Ik u nieuwe dingen horen,
verborgen dingen, die u niet geweten hebt.
)
. Maar er is een verschil met eerdere verklaringen van dit unieke kenmerk van God. In eerdere verklaringen (Js 41:2222Laten zij naar voren brengen en ons bekendmaken
de dingen die zullen gebeuren.
De dingen van vroeger – wat waren ze? Maak het bekend,
en wij zullen het ter harte nemen
en het einde ervan weten,
of doe ons de komende dingen horen.
; 42:99De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!
Nieuwe dingen verkondig Ik;
voordat ze ontkiemen,
doe Ik [ze] u horen.
; 43:99Laten alle heidenvolken samenkomen
en de volken zich verzamelen.
Wie onder hen kan dit verkondigen?
Of laten zij ons de dingen van vroeger doen horen.
Laten zij hun getuigen naar voren brengen, opdat zij in het gelijk gesteld worden,
en men zal horen en zeggen: Het is de waarheid!
)
is die verklaring een tegenstelling met de afgoden en de afgodendienaren in Israël (Js 46:9-109Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af,
dat Ik God ben en niemand anders.
[Ik ben] God, en er is er geen als Ik,
10Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
)
. Hier gaat het om de voorzegging van de HEERE met het oog op de afval en verharding van Israël.

Hij heeft verkondigd dat Hij de verlossing zal brengen (vers 33De dingen van vroeger heb Ik van oudsher verkondigd,
uit Mijn mond zijn ze voortgekomen en Ik heb ze doen horen.
Plotseling heb Ik ze gedaan en ze zijn gekomen.
)
. Maar het volk heeft de nek niet willen buigen om Hem te gehoorzamen. In hun gedachten is geen plaats voor Hem (vers 44Omdat Ik wist dat u hard bent,
uw nek een ijzeren pees is,
en uw voorhoofd van brons,
)
. Als Hij, terwijl het volk in zo’n toestand is, toch de aangekondigde verlossing zou volbrengen, zou het nog kunnen gebeuren dat het volk die zou toeschrijven aan de afgoden van Babel (vers 55daarom heb Ik het u van oudsher verkondigd;
voordat het kwam, heb Ik het u doen horen,
anders zou u zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan,
mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze geboden.
)
.

Wat voor de getrouwen een bemoediging is, dat Hij hen zal verlossen, is voor de hardnekkigen een waarschuwing. God zegt de hardnekkigen wat Hij gaat doen, opdat ze het niet in hun hoofd zullen halen de verlossing aan de afgoden toe te schrijven. Hij waakt voor Zijn eer. Hij wil dat ze erkennen dat Hij het is Die het doet (vers 6a6U hebt [het] gehoord, aanschouw dit alles,
en u, zou u het [dan] niet verkondigen?
Van nu af aan doe Ik u nieuwe dingen horen,
verborgen dingen, die u niet geweten hebt.
)
.

Verder zal de HEERE hun dingen laten zien die Hij nieuw schept, niet dingen die Hij lang geleden geschapen heeft (verzen 6b-86U hebt [het] gehoord, aanschouw dit alles,
en u, zou u het [dan] niet verkondigen?
Van nu af aan doe Ik u nieuwe dingen horen,
verborgen dingen, die u niet geweten hebt.
7Nu zijn ze geschapen en niet van oudsher;
vóór [deze] dag hebt u er ook niet van gehoord,
anders zou u zeggen: Zie, ik heb ze geweten.
8Nee, u hebt ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten,
ook is uw oor van oudsher niet geopend geweest,
want Ik wist dat u volkomen trouweloos handelen zou
en dat u van de [moeder]schoot af een overtreder wordt genoemd.
)
. De mens is zo boos, dat hij de kennis die God hem geeft van wat Hij gaat doen, kan misbruiken om wat Hij doet alsnog aan de afgoden toe te schrijven. Die nieuwe dingen hebben betrekking op de bevrijding van Israël uit de macht van Babel. Hij zal die plotseling bewerken.

De HEERE zegt dit alles omdat Hij het hart van Zijn volk kent. Als Hij Zijn volk het loon zou hebben gegeven dat ze verdienen, zou Hij hen hebben verdelgd. Maar Hij kan Zijn barmhartigheid niet verloochenen. Ter wille van Zichzelf heeft Hij Zich bedwongen en hen niet uitgeroeid (vers 99Omwille van Mijn Naam stel Ik Mijn toorn uit,
[omwille van] Mijn roem zal Ik Mij bedwingen, u ten goede,
zodat Ik u niet zal uitroeien.
)
. De zware ballingschap, evengoed als de nog toekomstige grote verdrukking en de tegenwoordige bittere ervaringen, zijn een louteringsproces (vers 1010Zie, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver;
Ik heb u beproefd in de smeltkroes van ellende.
)
. Hij heeft hen “gelouterd, maar niet als zilver”, want hun waarde gaat die van zilver ver te boven.

De ballingschap heeft hen gezuiverd van afgoderij. Maar daar hun hart niet gereinigd is, hebben zij Christus verworpen. Het huis van Israël is leeg en geveegd en versierd, waarin de demon van de afgoderij zal terugkeren met “zeven andere geesten, … bozer dan hijzelf” (Mt 12:43-4543Wanneer nu de onreine geest van de mens is uitgegaan, gaat hij door dorre plaatsen, op zoek naar rust, en vindt die niet.44Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis waar ik ben uitgegaan. En als hij komt, vindt hij het leegstaan, geveegd en geordend.45Dan gaat hij heen en neemt zeven andere geesten met zich mee, bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook zijn met dit boos geslacht.). Ook daarvan moet Israël gereinigd worden. Daartoe zendt God de grote verdrukking. Ook moet de prijs voor de verlossing worden betaald. Het betalen van die prijs is wat de HEERE in dit gedeelte als nieuwe dingen heeft aangekondigd. Dat zal in het volgende deel, Jesaja 49-57, worden toegelicht.

Dit genadige doel staat de Heer voor ogen in de beproevingen die ons deel zijn. Het zal ons in staat stellen om Zijn liefde en genade te waarderen die we daarin ervaren en Hem ervoor te prijzen. We blijven dan bewaard voor wanhoop. Hij wil slechts alle ‘slakken’, het vuil, uit ons geloofsleven verwijderen en ons geloof, dat met goud wordt vergeleken, zuiver goud maken (1Pt 1:77opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.; Zc 13:99Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
)
.

Aan dit reinigingsproces zal een einde komen en een gezegend resultaat laten zien. Hij zal het doen “omwille van Mij, omwille van Mij”, waarbij de herhaling het grote belang van dit feit onderstreept (vers 1111Omwille van Mij, omwille van Mij doe Ik [het],
want hoe zou [Mijn Naam] ontheiligd worden!
Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.
)
. En wat zal Hij doen? Hij zal Zijn volk bevrijden. De tegenstanders van de HEERE en Zijn volk zullen nooit enige grond vinden om God en Zijn handelingen te beschimpen. Zijn wegen en Zijn handelingen vormen Zijn heerlijkheid die nooit zal worden opgegeven. Alle eer zal alleen aan Hem toekomen en gegeven worden.


De HEERE in Zijn absolute Godheid

12Luister naar Mij, Jakob,
Israël, Mijn geroepene:
Ik ben Dezelfde, Ik ben de Eerste,
ook ben Ik de Laatste.
13Ook heeft Mijn hand de aarde gegrondvest,
en Mijn rechterhand heeft de hemel uitgespannen.
Roep Ik ze,
dan staan ze er tezamen.
14Kom bijeen, u allen, en luister.
Wie onder hen heeft deze dingen verkondigd?
De HEERE heeft [Kores] lief, hij doet Zijn welbehagen
tegen Babel, en Zijn arm zal [tegen] de Chaldeeën zijn.
15Ik, Ik heb gesproken, ook heb Ik hem geroepen.
Ik zal hem doen komen, en zijn weg zal voorspoedig zijn.
16Kom nader tot mij, hoor dit:
Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;
vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.
En nu, de Heere HEERE
heeft mij gezonden, en Zijn Geest.

Een tweede keer wordt het volk opgeroepen om te luisteren (vers 1212Luister naar Mij, Jakob,
Israël, Mijn geroepene:
Ik ben Dezelfde, Ik ben de Eerste,
ook ben Ik de Laatste.
; vers 11Hoor dit, huis van Jakob,
u die genoemd wordt met de naam Israël,
en [die] uit de wateren van Juda bent voortgekomen,
die zweert bij de Naam van de HEERE
en [de Naam van] de God van Israël noemt,
[maar] niet in waarheid en niet in gerechtigheid.
)
, en ook nog een derde en een vierde keer (verzen 14,1614Kom bijeen, u allen, en luister.
Wie onder hen heeft deze dingen verkondigd?
De HEERE heeft [Kores] lief, hij doet Zijn welbehagen
tegen Babel, en Zijn arm zal [tegen] de Chaldeeën zijn.
16Kom nader tot mij, hoor dit:
Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;
vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.
En nu, de Heere HEERE
heeft mij gezonden, en Zijn Geest.
)
. Bij Zijn tweede oproep stelt de HEERE Zich voor in Zijn absolute Godheid. Hij is “Dezelfde”, de Eeuwige, de Onveranderlijke (Js 41:44Wie heeft [dit] bewerkt en gedaan?
[Hij] Die de generaties riep vanaf het begin!
Ik, de HEERE, Die de Eerste ben,
en bij de laatsten ben Ik Dezelfde.
; 44:66Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël,
zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten:
Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste,
en buiten Mij is er geen God.
)
. Wat hier van de HEERE wordt gezegd, wordt ook van Christus gezegd (Op 1:8,178Ik ben de Alfa en de Oméga, zegt [de] Heer, God, Hij Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.17En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste,; 22:1313Ik ben de Alfa en de Oméga, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde.) en bevestigt opnieuw dat de Heer Jezus God is. Hij is “de Eerste”, dat wil zeggen dat Hij aan het begin van de geschiedenis staat. Hij is ook “de Laatste”, wat wil zeggen dat Hij aan het einde van de geschiedenis er nog steeds is.

Ook wijst Hij op Zijn indrukwekkende macht als Schepper (vers 1313Ook heeft Mijn hand de aarde gegrondvest,
en Mijn rechterhand heeft de hemel uitgespannen.
Roep Ik ze,
dan staan ze er tezamen.
)
. Christus is de Schepper (Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.; Jh 1:33Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.). Hij is de God Die alles tot stand brengt. Zo stuurt God met Zijn machtswoord de hele geschiedenis naar haar voleinding in Christus.

Zijn derde oproep aan het volk om te luisteren is verbonden aan de macht waarmee Hij de gebeurtenissen bestuurt (verzen 14-1514Kom bijeen, u allen, en luister.
Wie onder hen heeft deze dingen verkondigd?
De HEERE heeft [Kores] lief, hij doet Zijn welbehagen
tegen Babel, en Zijn arm zal [tegen] de Chaldeeën zijn.
15Ik, Ik heb gesproken, ook heb Ik hem geroepen.
Ik zal hem doen komen, en zijn weg zal voorspoedig zijn.
)
. Wie onder alle afgoden is Hem daarin gelijk? Zij hebben het niet kunnen voorzeggen en nog minder kunnen bewerken. Hij heeft Kores lief om het werk dat deze voor Hem zal doen. Hiermee wijst Hij weer op de Heer Jezus en Zijn werk. Kores is door de HEERE als de verwoester van Babel geroepen en Hij zal zijn weg voorspoedig maken.

We zien hier Kores weer als een type van de Heer Jezus. De liefde van God voor Kores herkennen we in de liefde van God de Vader voor Zijn Zoon, die duidelijk beschreven wordt in het evangelie naar Johannes (Jh 3:3535De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in Zijn hand gegeven.; 5:2020Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles wat Hijzelf doet; en Hij zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat u zich verwondert.; 10:1717Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem.; 15:99Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in Mijn liefde.; 17:23-2623Ik in hen en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn tot een, opdat de wereld erkent dat U Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad zoals U Mij hebt liefgehad.24Vader, wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad voor [de] grondlegging van [de] wereld.25Rechtvaardige Vader, – en de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat U Mij hebt gezonden.26En Ik heb hun Uw Naam bekendgemaakt en zal die bekendmaken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is en Ik in hen.). Zoals Kores destijds Babel heeft geoordeeld en Israël heeft doen terugkeren naar zijn eigen land, zo zal de Heer Jezus Christus het Babylon van de eindtijd oordelen en het gelovig overblijfsel van Israël redden.

De vierde keer dat Hij het volk zegt dat ze moeten horen, is omdat Hij als God Zijn macht heeft bewezen om toekomstige dingen aan te zeggen en die ook te vervullen (vers 16a16Kom nader tot mij, hoor dit:
Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;
vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.
En nu, de Heere HEERE
heeft mij gezonden, en Zijn Geest.
)
. Dat heeft God altijd op een duidelijke en open wijze gedaan, in tegenstelling tot het onduidelijke gemompel en gefluister van de afgoden.

De “mij” die in vers 16b16Kom nader tot mij, hoor dit:
Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;
vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.
En nu, de Heere HEERE
heeft mij gezonden, en Zijn Geest.
wordt genoemd, is een andere dan de “Mij” in het eerste deel van het vers. Daar gaat het om God en dat is altijd de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Het slot van vers 1616Kom nader tot mij, hoor dit:
Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;
vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.
En nu, de Heere HEERE
heeft mij gezonden, en Zijn Geest.
voert ineens de Knecht van de HEERE sprekend in. De “mij” in vers 16b16Kom nader tot mij, hoor dit:
Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;
vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.
En nu, de Heere HEERE
heeft mij gezonden, en Zijn Geest.
moet dus in feite ook met een hoofdletter worden geschreven. Dat Christus aan het woord is, kunnen we concluderen uit een vergelijking met het eerste vers uit Jesaja 61 (Js 61:11De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart,
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
)
.

Dit slot levert opnieuw een treffend bewijs van de drie-eenheid van God (vgl. Js 6:88Daarna hoorde ik de stem van de Heere. Hij zei: Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij.). Er is sprake van de HEERE, dat is God Die wij als Vader mogen kennen, van “Mij”, dat is de Knecht, en van de Geest. Ook in Jesaja 11 en Jesaja 42 vinden we de drie Personen van de Godheid: de HEERE, de Knecht en de Geest (Js 11:22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
; 42:11Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
)
. De woorden van de Knecht zijn ongetwijfeld een inleiding op wat Hij over Zichzelf zal verklaren in het volgende hoofdstuk (Js 49:5-65En nu zegt de HEERE,
Die Zich Mij vanaf de [moeder]schoot tot Knecht heeft geformeerd
om Jakob tot Hem terug te brengen
– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.
Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,
en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
)
.


Luisteren naar Geest en Woord

17Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,
de Heilige van Israël:
Ik ben de HEERE, uw God,
Die u leert wat nuttig is,
Die u leidt op de weg [die] u gaan moet.
18Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!
Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier
en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
19Dan zou uw nageslacht geweest zijn als het zand
en uw nakomelingen als de korrels ervan.
Hun naam zou niet worden uitgeroeid of verdelgd
van voor Mijn aangezicht.

De HEERE, Die alles heeft klaargemaakt voor de bevrijding van Zijn volk door Kores, heeft Zijn Knecht gezonden (vers 16b16Kom nader tot mij, hoor dit:
Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;
vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.
En nu, de Heere HEERE
heeft mij gezonden, en Zijn Geest.
)
, Die handelt door de Heilige Geest om een grote verlossing te bewerken voor Zijn volk (vers 1717Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,
de Heilige van Israël:
Ik ben de HEERE, uw God,
Die u leert wat nuttig is,
Die u leidt op de weg [die] u gaan moet.
)
. Hij wil hen onderwijzen, hun inzicht geven in de weg die ze gaan, opdat het hun goed zal gaan, opdat ze met vreugde en in vertrouwen die weg mogen betreden.

Het is alsof we de Heer Jezus tegen Zijn discipelen horen zeggen: “Leert van Mij” (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;), opdat ze rust zullen hebben in de moeilijkste omstandigheden. Wie zich door Hem laat leren, zal het goed gaan. Dat het goed met hen zal gaan, is het voornemen van de HEERE voor Zijn volk bij alle beproevingen en bittere ervaringen die zij in de ballingschap zullen hebben.

Dit is het genadige doel van de kastijdingen die God ons geeft. Hij geeft ze “tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen” (Hb 12:1010Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.). Het gaat hier niet slechts om leiding op zich, maar om tuchthandelingen die ons onderwijs geven. Daardoor houden we op met te doen wat geen nut heeft en zullen we onze dwalende voeten zetten op het pad naar het doel: gelijkvormigheid aan Zijn Zoon (Rm 8:28-2928Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar [Zijn] voornemen zijn geroepen.29Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.).

Daarom volgt het dringende beroep op een luisterend en gehoorzaam oor (vers 1818Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!
Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier
en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
)
. Het woord “och” is een emotionele uitspraak van de HEERE, een hartenkreet (vgl. Dt 5:28-2928Toen de HEERE uw woorden hoorde, toen u tot mij sprak, zei de HEERE tegen mij: Ik heb de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben, gehoord; alles wat zij gezegd hebben, is goed.29Och, hadden zij maar zo'n hart, om Mij te vrezen en Mijn geboden alle dagen in acht te nemen, opdat het hun en hun kinderen voor eeuwig goed zou gaan!), die we ook horen uit de mond van de Heiland ten aanzien van Jeruzalem (Lk 19:41-4241En toen Hij naderde en de stad zag, weende Hij over haar42en zei: Och, mocht op deze <uw> dag ook u erkennen wat tot <uw> vrede [dient]. Nu is het echter verborgen voor uw ogen.). Hij wil Zijn volk zo graag vrede geven, een vrede die stroomt als een rivier. Vrede en ware voorspoed zijn afhankelijk van een berouwvol hart en een geloof dat het Woord van God aanvaardt en uitvoert.

Vrede wordt vergeleken met het vredig stromen van een rivier, gerechtigheid met de machtige golven van de zee en het nageslacht met de overvloed van zandkorrels (vers 1919Dan zou uw nageslacht geweest zijn als het zand
en uw nakomelingen als de korrels ervan.
Hun naam zou niet worden uitgeroeid of verdelgd
van voor Mijn aangezicht.
)
. Dat zal in het vrederijk werkelijkheid zijn. Zijn vrede en gerechtigheid zijn daar hun deel.

Wat Israël als natie zal beleven, mogen wij geestelijk genieten. Geestelijke vruchtbaarheid is afhankelijk van vrede en gerechtigheid. Als wij bij Zijn Woord leven, zal Zijn vrede ons hart vervullen en kan niets onze gemoedsrust wegnemen (Fp 4:6-76Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God.7En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.).


Afzondering van het kwaad

20Ga weg uit Babel,
vlucht weg van de Chaldeeën,
verkondig met luide vreugdezang,
laat dit horen,
draag het uit
tot aan het einde der aarde,
zeg: De HEERE heeft
Zijn knecht Jakob verlost.
21En: Zij leden geen dorst,
[toen] Hij hen leidde door de woeste [plaatsen].
Water uit een rots
deed Hij voor hen stromen.
Toen Hij de rots kloofde,
stroomde het water eruit.

Bij het leven in die vrede hoort afzondering van het kwaad als een wezenlijke voorwaarde (vers 2020Ga weg uit Babel,
vlucht weg van de Chaldeeën,
verkondig met luide vreugdezang,
laat dit horen,
draag het uit
tot aan het einde der aarde,
zeg: De HEERE heeft
Zijn knecht Jakob verlost.
; Js 52:1111Vertrek, vertrek, ga daar weg,
raak het onreine niet aan,
ga uit haar midden weg, reinig u,
u die de [heilige] voorwerpen van de HEERE draagt!
)
. Het volk moet uit Babel vertrekken. Het is niet alleen een wegtrekken, maar ook een vlucht. Het gaat ook om een zich innerlijk losmaken van Babel en niet slechts een uiterlijk weggaan. Alle jaren in Babel hebben hen in veel gevallen ook innerlijk bezoedeld.

We herkennen dat in de boeken Ezra en Nehemia. Daarom klinkt door de profeten Haggaï, Zacharia en Maleachi de oproep tot innerlijke omkeer, tot het geestelijk vluchten uit Babel. Dit is ook de oproep tot de gelovigen in onze tijd met betrekking tot de kerk als een instituut waar mensen domineren over anderen.

Wij leven te midden van een christenheid die verontreinigd is door dwaalleer en moreel kwaad die als een kankergezwel voortwoekeren. Daarom moeten wij binnen de godsdienstige verwarring ons afzonderen van wat niet naar de wil en tot eer van de Heer is (Op 18:44En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt;). Het is ook goed erop te letten dat bevrijding het gevolg is van afzondering en dat die afzondering gepaard gaat met gejubel en een vreugdevol getuigenis.

Israël krijgt de instructie om het goede nieuws van hun bevrijding “tot aan het einde der aarde” te laten horen. Dit zal het Godvrezende overblijfsel doen in de komende dag. Tot die tijd is het wereldwijde getuigenis van het evangelie aan ons toevertrouwd. De elementen van het evangelie zien we in het water uit de rots voor de dorstigen (vers 2121En: Zij leden geen dorst,
[toen] Hij hen leidde door de woeste [plaatsen].
Water uit een rots
deed Hij voor hen stromen.
Toen Hij de rots kloofde,
stroomde het water eruit.
)
. Dit water wordt vrij aan allen ter beschikking gesteld (Js 55:11O, alle dorstigen, kom tot de wateren,
en u die geen geld hebt, kom,
koop en eet, ja, kom, koop zonder geld,
zonder prijs, wijn en melk.
; Op 22:17b17En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.)
. Het is het water dat Christus geeft (Jh 4:10,13-1410Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende en Wie Hij is Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.13Jezus antwoordde en zei tot haar: Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben;14maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.), terwijl Hij Zelf ook de rots is (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)).


Geen vrede voor de goddelozen

22Voor de goddelozen is er [echter] geen vrede, zegt de HEERE.

Dit deel van de profetie van Jesaja, Jesaja 40-48, eindigt met de ernstige verklaring van de HEERE dat de goddelozen geen vrede hebben (vers 2222Voor de goddelozen is er [echter] geen vrede, zegt de HEERE.). De vrede van de gehoorzamen (vers 1818Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!
Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier
en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
)
is de goddelozen onbekend. Vrede is het gevolg van gehoorzaamheid (Jh 14:15,21,23,2715Als u Mij liefhebt, bewaart Mijn geboden.21Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.23Jezus antwoordde en zei tot hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken.27Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden.). Het lijkt een anticlimax. Maar Jesaja verliest bij het heil en de heerlijke dingen die daarmee zijn verbonden de realiteit niet uit het oog. Hij verwijst naar de goddelozen in Israël. Het zijn de mensen die onverschillig zijn tegenover de wil van God, een toestand die een verhindering is om vrede te ervaren en de zegeningen te ontvangen die in vers 1818Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!
Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier
en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
aan de rechtvaardige zijn beloofd (vgl. Op 22:14-1514Gelukkig zij die hun lange kleren wassen, opdat zij recht hebben op de boom van het leven en zij door de poorten de stad binnengaan.15Buiten zijn de honden, de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die [de] leugen liefheeft en doet.).

Deze verklaring wordt, met een kleine variatie, aan het einde van Jesaja 57 herhaald als afsluiting van het volgende deel (Jesaja 49-57). Uitvoeriger vinden we deze verklaring aan het einde van het boek, aan het einde van Jesaja 66, als afsluiting van het laatste deel (Jesaja 58-66).

Hier sluit deze verklaring het getuigenis aangaande Babel af dat in Jesaja 46:1 is begonnen en meer in het algemeen het hele deel vanaf Jesaja 40. In het vervolg van het boek wordt er geen melding meer gemaakt van Kores of Babel of van de afgoderij die het onderwerp vormde van het protest van de HEERE. In het volgende deel, (Jesaja 49-57) gaat het niet om de eerste grote zonde van Israël, de afgoderij, maar om de tweede grote zonde van Israël, de verwerping van Christus, de ware Knecht van de HEERE.


Lees verder