Jesaja
1-4 Het oordeel aangezegd 5-7 Aanleiding tot het oordeel 8-10 Het goddeloze karakter van Babel 11-15 Het onheil is door niets af te weren
Het oordeel aangezegd

1Daal af en zit neer in het stof,
maagd, dochter van Babel;
zit neer op de grond, er is geen troon [meer],
dochter van de Chaldeeën.
Want men zal u niet meer noemen:
weekhartig en teergevoelig.
2Neem de handmolen en maal meel,
neem uw sluier af,
schort de rokken op, maak de benen bloot,
ga door de rivieren.
3Uw schaamte zal ontbloot worden,
ja, uw schande zal gezien worden.
Ik zal wraak nemen,
en Ik zal [u] niet [als] een mens aanvallen.
4Onze Verlosser,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
de Heilige van Israël.

Het vorige hoofdstuk geeft het oordeel over de goden van Babel. Dit hoofdstuk verklaart het oordeel over Babel zelf. De HEERE spreekt Babel rechtstreeks aan. Hij laat haar zien hoe enorm ze zal worden vernederd. Haar trots zal tot in het stof vernederd worden (vers 11Daal af en zit neer in het stof,
maagd, dochter van Babel;
zit neer op de grond, er is geen troon [meer],
dochter van de Chaldeeën.
Want men zal u niet meer noemen:
weekhartig en teergevoelig.
)
. Zij die eerst een koningin en gebiedster is, moet nu het vermoeiende handwerk van een slavin doen. Als een gevangene zal ze worden gedwongen haar zedigheid op te geven en door rivieren te waden (verzen 2-32Neem de handmolen en maal meel,
neem uw sluier af,
schort de rokken op, maak de benen bloot,
ga door de rivieren.
3Uw schaamte zal ontbloot worden,
ja, uw schande zal gezien worden.
Ik zal wraak nemen,
en Ik zal [u] niet [als] een mens aanvallen.
)
.

Al deze vernedering heeft Babel te wijten aan zichzelf door haar wrede behandeling van Gods volk. De HEERE wreekt Zich aan hen en bewijst Zich als de Verlosser van Zijn volk (vers 44Onze Verlosser,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
de Heilige van Israël.
)
. Als de “HEERE van de legermachten” bezit Hij absoluut gezag. Als “de Heilige van Israël” geeft Hij aan wat het karakter van Zijn volk moet zijn in hun verbinding met Hem. Ook geeft het de tegenstelling aan met het onheilige karakter van Babel.

Hoewel de HEERE hier tot Babel spreekt, is de boodschap gericht tot Israël, tot hen die ook in de zonde van afgoderij zijn gevallen. Door het einde te zien van de weg van afgoderij moet Israël leren om dit kwaad grondig te veroordelen in hun eigen hart. Zoals vaker gebeurt, wordt ook hier het oordeel beschreven in de voltooid verleden tijd, alsof alles reeds heeft plaatsgevonden.

In de nabije toekomst zal het loflied van vers 44Onze Verlosser,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
de Heilige van Israël.
opnieuw klinken uit de mond van Israël, als de val van Babylon wordt aangekondigd (Op 19:1-31Hierna hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja! De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God!2Want waarachtig en rechtvaardig zijn Zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde heeft verdorven met haar hoererij, en Hij heeft het bloed van Zijn slaven van haar hand gewroken.3En voor de tweede maal zeiden zij: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheid.). Babylon is daar in beeld het naamchristendom van Europa, het pausdom, dat eerst macht heeft over het beest, de dictator van het herstelde Romeinse rijk, het verenigd Europa, maar daarna door het beest wordt vernietigd (Op 17:3-4,163En hij voerde mij weg in [de] Geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was [en] zeven koppen en tien horens had.4En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij.16En de tien horens die u hebt gezien en het beest, dezen zullen de hoer haten en haar eenzaam en naakt maken, en haar vlees eten en haar met vuur verbranden.).


Aanleiding tot het oordeel

5Zit neer in stilzwijgen, ga het duister in,
dochter van de Chaldeeën;
want men zal u niet meer noemen:
gebiedster van de koninkrijken.
6Ik was zeer toornig op Mijn volk,
Ik ontheiligde Mijn eigendom
en Ik gaf hen over in uw hand,
[maar] u bewees hun geen barmhartigheid,
[ja, zelfs] voor de oude maakte u
uw juk zeer zwaar.
7U zei: Ik zal voor eeuwig gebiedster zijn.
Tot nog toe hebt u deze dingen niet ter harte genomen,
u hebt niet aan het einde ervan gedacht.

De koning van Babel is wel “koning der koningen” genoemd (Ez 26:77Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning der koningen, uit het noorden naar Tyrus brengen, met paarden, strijdwagens en ruiters, en een verzamelde [strijdmacht] en veel volk.; Dn 2:3737U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven.), iemand die andere koninkrijken gebiedt. Maar daarmee zal het afgelopen zijn (vers 55Zit neer in stilzwijgen, ga het duister in,
dochter van de Chaldeeën;
want men zal u niet meer noemen:
gebiedster van de koninkrijken.
)
. Babel zal in de duisternis gaan om zichzelf te verbergen vanwege de schande waaraan zij ten prooi is gevallen. Dit is haar lot omdat zij haar taak – om in de hand van de HEERE als een tuchtroede te dienen voor Zijn volk – te buiten is gegaan (vers 66Ik was zeer toornig op Mijn volk,
Ik ontheiligde Mijn eigendom
en Ik gaf hen over in uw hand,
[maar] u bewees hun geen barmhartigheid,
[ja, zelfs] voor de oude maakte u
uw juk zeer zwaar.
)
. In Zijn toorn heeft God Babel gebruikt om Zijn volk te tuchtigen. Hij heeft zelfs Zijn heiligdom laten ontheiligen. Maar Babel heeft haar eigen beweegredenen gehad in de onderwerping van Israël. Babel zal door God geoordeeld worden vanwege haar behandeling van Zijn volk en Zijn heiligdom (Jr 50:2828Hoor hen die gevlucht zijn en die ontkomen zijn
uit het land Babel,
om in Sion te verkondigen
de wraak van de HEERE, onze God, de wraak voor Zijn tempel:
)
.

Dit is ook voor ons van belang bij het uitoefenen van tucht in de gemeente. Dat mag slechts in nederigheid gebeuren, in het besef niet beter te zijn dan degene over wie tucht moet worden uitgeoefend. Anders zal Gods tucht zich tegen ons keren en Zijn oordeel ons treffen.

Babel heeft haar macht misbruikt en geen barmhartigheid bewezen aan de grijsaard. Ze is bijzonder gewelddadig tegen Gods volk opgetreden, veel harder dan God heeft gewild. Er is bij haar geen gedachte aan God, maar slechts een op zichzelf gericht zijn (vers 77U zei: Ik zal voor eeuwig gebiedster zijn.
Tot nog toe hebt u deze dingen niet ter harte genomen,
u hebt niet aan het einde ervan gedacht.
)
. Er is ook geen gedachte aan de eindigheid van haar taak, maar ze eigent zich eeuwig gezag toe. In het uitoefenen van macht laat de mens zijn ware aard zien. Hierover kan alleen Gods oordeel komen.


Het goddeloze karakter van Babel

8Nu dan, hoor dit, genotzuchtige,
die zo onbezorgd woont,
die in haar hart zegt:
Ik ben het, en niemand anders dan ik,
ik zal niet als weduwe neerzitten
of verlies van kinderen kennen.
9Maar deze beide dingen zullen u overkomen
in een ogenblik, op één dag:
verlies van kinderen en weduwschap.
Ze zullen in volle omvang over u komen,
vanwege uw vele toverijen
en uw zeer talrijke bezweringen.
10Want u hebt op uw slechtheid vertrouwd.
U hebt gezegd: Niemand ziet mij.
Uw wijsheid, uw wetenschap,
die heeft u afvallig gemaakt.
U zei in uw hart:
Ik ben het, en niemand anders dan ik.

In deze verzen wordt het goddeloze karakter van Babel verder beschreven. Het is een wellustige, zichzelf verheffende stad die zichzelf goddelijke eigenschappen heeft aangematigd. De uitspraak “ik ben het” (vers 88Nu dan, hoor dit, genotzuchtige,
die zo onbezorgd woont,
die in haar hart zegt:
Ik ben het, en niemand anders dan ik,
ik zal niet als weduwe neerzitten
of verlies van kinderen kennen.
)
kan alleen de HEERE doen, want het geldt alleen voor Hem (Ex 3:1414En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.). In het Nieuwe Testament blijkt duidelijk dat alles wat hier over Babel wordt gezegd, in onze tijd moet worden toegepast op de afvallige christenheid, met name de rooms-katholieke kerk (Op 18:77Naarmate zij zichzelf verheerlijkt heeft en weelderig geleefd heeft, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want zij zegt in haar hart: Ik zit als koningin en ben geen weduwe en zal helemaal geen rouw zien.). Zij voelt zich geen weduwe, terwijl de ware gemeente zich wel zo voelt. De ware gemeente leeft in het besef van de afwezigheid van haar Man, de Heer Jezus. Ze mist Hem. Hij is immers niet zichtbaar aanwezig.

De roomse kerk echter matigt zich in de persoon van de paus aan dat zij Christus op aarde vervangt, dat Hij aanwezig is. Ze mist Hem niet. Door haar valse voorstelling van zaken houdt ze geen rekening met Hem. In haar verdorvenheid wil ze invloed uitoefenen over de hele aarde. “Daarom zullen haar plagen op één dag komen” (Op 18:88Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is [de] Heer, God, Die haar geoordeeld heeft.).

Babel meent dat haar toverijen haar zullen beschermen tegen rampspoed (vers 99Maar deze beide dingen zullen u overkomen
in een ogenblik, op één dag:
verlies van kinderen en weduwschap.
Ze zullen in volle omvang over u komen,
vanwege uw vele toverijen
en uw zeer talrijke bezweringen.
)
. Maar de HEERE lacht erom en spot ermee. Plotseling zal het onheil haar treffen. Kores heeft het land wel geleidelijk ingenomen, maar de stad is op één dag gevallen en ze is alles kwijtgeraakt: man, kinderen en heerlijkheid.

In haar dwaasheid meent ze ook dat niemand haar ziet (vers 1010Want u hebt op uw slechtheid vertrouwd.
U hebt gezegd: Niemand ziet mij.
Uw wijsheid, uw wetenschap,
die heeft u afvallig gemaakt.
U zei in uw hart:
Ik ben het, en niemand anders dan ik.
)
. Nog eens zegt ze in haar aanmatiging goddelijke eigenschappen te bezitten: “Ik ben het.”


Het onheil is door niets af te weren

11Daarom zal er onheil over u komen.
Wanneer het aan de dag treedt, zult u niet weten;
rampspoed zal u treffen,
u zult die niet kunnen afkopen;
er zal plotseling verwoesting over u komen,
zonder dat u een vermoeden hebt.
12Blijf maar bij uw bezweringen
en uw vele toverijen,
waarmee u zich vermoeid hebt vanaf uw jeugd.
Misschien kunt u er baat bij hebben,
misschien zult u zich sterk maken.
13U bent moe geworden van uw vele plannen.
Laten zij toch opstaan
die de hemel waarnemen,
die naar de sterren kijken,
die bij nieuwe maan voorspellingen doen;
laten zij u verlossen van de dingen die over u zullen komen!
14Zie, zij zijn als stoppels,
vuur verbrandt hen,
zij kunnen zichzelf niet redden
uit de greep van de vlammen.
Het is geen kolen[gloed] om er zich [bij] te warmen,
[geen] vuur om erbij te zitten.
15Zó zijn zij voor u [met] wie u zich hebt vermoeid,
[zij met wie] u vanaf uw jeugd zaken gedaan hebt;
ieder dwaalt zijn [eigen] kant uit,
niemand zal u verlossen.

Ze is zo vol van zichzelf dat ze de gedachte aan de alomtegenwoordige God, voor Wie niets verborgen is, volkomen heeft verbannen. Haar natuurlijke wijsheid en kennis slaat ze zo hoog aan, dat ze niet in de gaten heeft dat ze blind is en dat haar eigen wijsheid en kennis haar tot deze dwaasheden voeren. Daarom zal er een kwaad over haar komen, waarvan ze geen vermoeden heeft en waartegen geen bezwering zal helpen (Dn 5:3030In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.). Al haar toverijen zullen nutteloos blijken te zijn (vers 1111Daarom zal er onheil over u komen.
Wanneer het aan de dag treedt, zult u niet weten;
rampspoed zal u treffen,
u zult die niet kunnen afkopen;
er zal plotseling verwoesting over u komen,
zonder dat u een vermoeden hebt.
)
.

De HEERE spot ermee (vers 1212Blijf maar bij uw bezweringen
en uw vele toverijen,
waarmee u zich vermoeid hebt vanaf uw jeugd.
Misschien kunt u er baat bij hebben,
misschien zult u zich sterk maken.
; vgl. 1Kn 18:26-2726Zij namen de jonge stier die hij hun had gegeven, en maakten [die] klaar. Ze riepen de naam van de Baäl aan, van de morgen tot de middag: O Baäl, antwoord ons! Maar er kwam geen stem en er was niemand die antwoordde. Zij sprongen tegen het altaar aan, dat men gemaakt had.27En het gebeurde tijdens de middag dat Elia met hen begon te spotten en zei: Roep met luide stem! Hij is immers een god. Hij is vast in gedachten! Of hij heeft zich vast afgezonderd! Of hij is vast op reis! Misschien slaapt hij [wel] en moet hij wakker worden!)
. Ze heeft immers al zo lang zwarte magie bedreven. Hij zegt: ‘Laat dan maar eens zien wat het waard is, misschien word Ik er wel bang van. Laat anders de sterrenkijkers maar eens voorzeggen hoe ze aan het onheil kan ontkomen (vers 1313U bent moe geworden van uw vele plannen.
Laten zij toch opstaan
die de hemel waarnemen,
die naar de sterren kijken,
die bij nieuwe maan voorspellingen doen;
laten zij u verlossen van de dingen die over u zullen komen!
)
. Zij beweren toch dat ze uit de stand van de sterren de toekomst kunnen aflezen en leveren elke maand de horoscoop?’ Hoeveel mensen lezen er regelmatig in en kennen er toch een zekere waarde aan toe.

Babylon is een stad met mensen die de duistere praktijken van spiritisme uitoefenen. Daar vertrouwt de stad ook op. De stad is de thuisbasis van de afgoderij, van de aanbidding van demonische machten. Dit is ook waar van het Babylon in de toekomst, de roomse-katholieke kerk, waarbij we ook het vrijzinnige naamchristendom kunnen betrekken: En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden” (Op 18:22En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.).

Laat het duidelijk zijn: ze zijn allemaal als stoppelen die het vuur verbrandt (vers 1414Zie, zij zijn als stoppels,
vuur verbrandt hen,
zij kunnen zichzelf niet redden
uit de greep van de vlammen.
Het is geen kolen[gloed] om er zich [bij] te warmen,
[geen] vuur om erbij te zitten.
)
. Het vuur van de hel is hun deel. Het is een vuur dat niet dient om je eraan te warmen, maar om er eeuwig pijn te lijden. Dat heb je ervan, als je je niet bekeert tot de ene en waarachtige God, maar je eigen dwaalweg volgt (vgl. Js 53:6a6Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.
)
. Dan is er niemand die redt. Alle handelaars zullen hun eigen plaatsen weer opzoeken en Babel aan haar lot overlaten (vers 1515Zó zijn zij voor u [met] wie u zich hebt vermoeid,
[zij met wie] u vanaf uw jeugd zaken gedaan hebt;
ieder dwaalt zijn [eigen] kant uit,
niemand zal u verlossen.
)
.


Lees verder