Jesaja
Inleiding 1-2 Afgoden moeten gedragen worden 3-4 De HEERE draagt Zijn volk 5-7 De afgoden bespot 8-11 Er is geen andere God 12-13 Zijn gerechtigheid is nabij
Inleiding

Met dit hoofdstuk komt er een verandering van onderwerp. Er komen nu drie profetieën over de afgoderij in Babel. Toch is er wel een verbinding met het voorgaande, want de profeet heeft voorzegd wat Israël kan verwachten door het verwekken en de dienst van Kores. Nu gaat Jesaja aantonen wat Kores met Babel zal doen, waardoor de machteloosheid van Babel en zijn afgoden duidelijk wordt. Deze Perzische heerser zal het instrument in de hand van de HEERE zijn tot oordeel over de goden van Babel.

Terzelfder tijd bevatten de drie profetieën zaken die in verbinding met Israël nog toekomst zijn en die een vermaning inhouden voor Gods volk om zich volkomen vrij te houden van de afgoderij. De eerste profetie staat in dit hoofdstuk, de tweede is in Jesaja 47 en de derde in Jesaja 48. De eerste handelt met de goden, de tweede met Babel zelf en de derde met hen die bevrijd worden van Babel en eruit wegtrekken.

De derde en laatste profetie vindt zijn volle vervulling in de eindtijd, als Gods volk wordt opgeroepen weg te trekken uit het profetische Babel, het godsdienstige systeem in de eindtijd (Op 17-18). Dat systeem is voor ons herkenbaar in het naamchristendom met het pausdom aan het hoofd daarvan.


Afgoden moeten gedragen worden

1Bel is gekromd, Nebo neergebogen,
hun afgods[beelden] zijn geworden
voor de dieren en voor de beesten;
uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide [dieren].
2Tezamen zijn ze neergebogen, gekromd.
Ze hebben de last niet kunnen redden,
maar zijn zelf in gevangenschap gegaan.

De hoofdgoden van Babel – Bel en Nebo – worden voorgesteld als goden die bezwijken. “Bel” betekent ‘heer’. Het is de titel die Enlil heeft gedragen, de vader van de goden, en later van Marduk, de god van de stad Babel, vergelijkbaar met de afgod Jupiter van de Romeinen. Bel wordt voorgesteld door een groot menselijk beeld met de horens van een stier. Het beeld spreekt van ‘wereldse macht’. “Nebo” is een van de voornaamste afgoden, vergelijkbaar met de afgod Mercurius van de Romeinen. Het is de god van de schrijvers en de intelligentie. Hij is de zoon van Marduk en de beschermer van het koninklijk huis. Het spreekt van ‘wereldse wijsheid’. Hun namen vinden we terug in namen van personen zoals Belsazar en Nebukadnezar.

“De dieren” die hen dragen, zoals kamelen en olifanten, bezwijken, evenals “de beesten” waarop ze geladen worden, zoals paarden en ezels (vers 11Bel is gekromd, Nebo neergebogen,
hun afgods[beelden] zijn geworden
voor de dieren en voor de beesten;
uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide [dieren].
)
. Ondanks alle inspanningen komen deze goden niet op de plaats waar men hen in veiligheid denkt te brengen. In plaats van in een processie te hunner ere te worden rondgedragen – een ritueel dat jaarlijks met Nieuwjaar plaatsvindt – worden ze een buit van de veroveraar (vers 22Tezamen zijn ze neergebogen, gekromd.
Ze hebben de last niet kunnen redden,
maar zijn zelf in gevangenschap gegaan.
)
. Ze zijn in handen van hun vijand Kores gevallen en konden niet worden gered. Zo onmachtig zijn ze. Ze konden zichzelf niet redden, laat staan dat ze anderen zouden kunnen redden.


De HEERE draagt Zijn volk

3Luister naar Mij, huis van Jakob,
en heel het overblijfsel van het huis van Israël,
u, die [door Mij] gedragen bent vanaf de [moeder]schoot,
gedragen vanaf de baarmoeder.
4Tot [uw] ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn,
ja, tot [uw] grijsheid toe zal Ík [u] dragen;
Ík heb het gedaan en Ík zal [u] opnemen,
Ík zal dragen en redden.

De rest van het hoofdstuk bestaat uit drie vermaningen. De eerste is tot Israël (verzen 3-73Luister naar Mij, huis van Jakob,
en heel het overblijfsel van het huis van Israël,
u, die [door Mij] gedragen bent vanaf de [moeder]schoot,
gedragen vanaf de baarmoeder.
4Tot [uw] ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn,
ja, tot [uw] grijsheid toe zal Ík [u] dragen;
Ík heb het gedaan en Ík zal [u] opnemen,
Ík zal dragen en redden.5Met wie wilt u Mij vergelijken en [met wie] op één lijn stellen?
[Met wie] wilt u Mij meten, dat wij elkaars gelijken zouden zijn?
6Zij schudden goud uit [hun] beurs
en wegen zilver op een weegschaal.
Zij huren een edelsmid, en die maakt er een god van.
Zij knielen, ook buigen zij zich [ervoor] neer.
7Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem
en zetten hem op zijn plaats.
Daar staat hij [en] van zijn plaats wijkt hij niet.
Ja, roept [iemand] tot hem, hij antwoordt niet,
hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
)
, de tweede tot de afvalligen van het volk, zij die verbonden zijn met de afgodendienaars (verzen 8-118Denk hieraan en wees flink;
neem het weer ter harte, overtreders.
9Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af,
dat Ik God ben en niemand anders.
[Ik ben] God, en er is er geen als Ik,
10Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
11Die een roofvogel roept uit het oosten,
een man van Mijn raad uit een ver land.
Ja, Ik heb gesproken, Ik zal het ook doen komen;
Ik heb [het] geformeerd, Ik zal het ook doen.
)
, de derde tot de opstandigen (verzen 12-1312Luister naar Mij, onbuigzamen van hart,
u die ver bent van gerechtigheid:
13Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver zijn,
en Mijn heil zal niet uitblijven,
maar Ik zal heil geven in Sion,
aan Israël Mijn luister.
)
.

In de eerste vermaning wordt het volk herinnerd aan hun unieke oorsprong en ondersteuning. Als het zaad van Abraham zijn ze door God gevormd en gedragen (Dt 1:3131en in de woestijn, waar u gezien hebt dat de HEERE, uw God, u gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt, op heel de weg die u gegaan bent, totdat u op deze plaats gekomen bent.; 32:11-1211Zoals een arend zijn nest opwekt,
boven zijn jongen zweeft,
zijn vleugels uitspreidt, ze pakt
en ze draagt op zijn vlerken,
12[zo] heeft alleen de HEERE hem geleid,
er was geen vreemde god bij hem.
)
en heeft Hij voor hen gezorgd vanaf hun prilste bestaan (vers 33Luister naar Mij, huis van Jakob,
en heel het overblijfsel van het huis van Israël,
u, die [door Mij] gedragen bent vanaf de [moeder]schoot,
gedragen vanaf de baarmoeder.
)
. Dat is het verleden. Wat de toekomst betreft, is Hij de Onveranderlijke. Hij belooft dat Hij hen zal dragen (vers 44Tot [uw] ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn,
ja, tot [uw] grijsheid toe zal Ík [u] dragen;
Ík heb het gedaan en Ík zal [u] opnemen,
Ík zal dragen en redden.
)
, een groot contrast met de goden van Babel die gedragen moeten worden (verzen 1-21Bel is gekromd, Nebo neergebogen,
hun afgods[beelden] zijn geworden
voor de dieren en voor de beesten;
uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide [dieren].
2Tezamen zijn ze neergebogen, gekromd.
Ze hebben de last niet kunnen redden,
maar zijn zelf in gevangenschap gegaan.
)
en die niet in staat zijn om hun dienaren te helpen en te dragen.

De Heer Jezus is het Die “alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht” (Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,). Hij is het “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout” (1Pt 2:2424Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, voor de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven: ‘door Zijn striemen bent u gezond geworden’.). En Hij is het ook Die als de Hogepriester ons nu op Zijn schouders en op Zijn borst draagt (vgl. Ex 28:12-2912Dan moet u de twee stenen op de schouderstukken van de efod bevestigen, [als] gedenkstenen voor de Israëlieten. Aäron moet hun namen namelijk ter gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE op zijn beide schouders dragen.13U moet ook gouden kassen maken14en twee kettinkjes van zuiver goud. U moet ze ineengedraaid maken, [als] vlechtwerk, en de gevlochten kettinkjes vastmaken aan de kassen.15Vervolgens moet u een borsttas van de beslissing maken, werk van een kunstenaar. U moet hem maken op dezelfde manier als de efod: van goud, van blauwpurperen, roodpurperen, en scharlakenrode [wol], en van dubbeldraads fijn linnen moet u hem maken.16Vierkant moet hij zijn [en] dubbel[gevouwen], zijn lengte moet een span zijn en zijn breedte een span.17Dan moet u hem opvullen met een [edel]steenvulling, vier rijen [edel]stenen: een rij van een robijn, een topaas en een karbonkel; [dit is] de eerste rij.18De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant.19De derde rij: een hyacint, een agaat en een amethist.20Ten slotte de vierde rij: een turkoois, een onyx en een jaspis; ze moeten in hun zettingen in goud gevat zijn.21En de stenen moeten twaalf [in getal] zijn, overeenkomstig de namen van de zonen van Israël, overeenkomend met hun namen. [De stenen] moeten zegelgraveringen krijgen, ieder met zijn naam. Zij zijn voor de twaalf stammen bestemd.22Verder moet u op de borsttas ineengedraaide kettinkjes maken, vlechtwerk van zuiver goud.23Vervolgens moet u op de borsttas twee gouden ringen maken, en de beide ringen vastmaken aan de twee uiteinden van de borsttas.24Dan moet u de beide gevlochten gouden [kettinkjes] vastmaken aan de twee ringen aan de uiteinden van de borsttas.25Dan moet u de twee [andere] uiteinden van de beide gevlochten [kettinkjes] vastmaken aan de twee kassen. U moet [ze] vastmaken aan de schouderstukken van de efod, aan de voorkant ervan.26U moet [nog] twee gouden ringen maken en ze bevestigen aan de beide [andere] uiteinden van de borsttas, op de zoom ervan, die aan de kant van de efod, aan de binnenkant ligt.27Daarna moet u [nogmaals] twee gouden ringen maken en ze vastmaken aan de beide schouderstukken van de efod, van onderen af, aan de voorkant, dicht bij zijn verbinding, boven op de kunstige band van de efod.28Men moet verder de borsttas met zijn [eigen] ringen aan de ringen van de efod vastbinden met een blauwpurperen koord, zodat hij boven de kunstige band van de efod [vast]zit en de borsttas niet van de efod kan losraken.29Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël op de borsttas van de beslissing, op zijn hart dragen, als hij in het heiligdom binnenkomt, tot een voortdurende gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE.). God heeft Zijn volk gedragen op arendsvleugels en het tot Zich gebracht (Ex 19:44U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en [hoe] Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb.). Het is een bemoediging voor het overblijfsel aan wie de HEERE verzekert dat Zijn zorg voor hen in hun oefeningen niet zal falen, hoe lang die ook nodig zal zijn, hoe oud ze ook zullen worden. Het is ook in onze tijd een bemoediging voor iedere oude gelovige.

De vraag vandaag is ook: Dragen wij de dingen die wij verafgoden of draagt God ons? Afgoden als geld en plezier geven geen steun en uitkomst als het leven eindigt. Zij kunnen ons ook niet door de moeilijkheden heen dragen. Maar wie God kent, geopenbaard in Jezus Christus, wordt door Hem naar en over het einde van het leven gedragen om eeuwig bij Hem te zijn.


De afgoden bespot

5Met wie wilt u Mij vergelijken en [met wie] op één lijn stellen?
[Met wie] wilt u Mij meten, dat wij elkaars gelijken zouden zijn?
6Zij schudden goud uit [hun] beurs
en wegen zilver op een weegschaal.
Zij huren een edelsmid, en die maakt er een god van.
Zij knielen, ook buigen zij zich [ervoor] neer.
7Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem
en zetten hem op zijn plaats.
Daar staat hij [en] van zijn plaats wijkt hij niet.
Ja, roept [iemand] tot hem, hij antwoordt niet,
hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.

Is deze God met iemand te vergelijken of is er iets met Hem gelijk te stellen (vers 55Met wie wilt u Mij vergelijken en [met wie] op één lijn stellen?
[Met wie] wilt u Mij meten, dat wij elkaars gelijken zouden zijn?
)
? De vraag stellen is haar beantwoorden. Stel elke willekeurige afgod naast Hem en de dwaasheid om in die god geld te investeren en hem aan te roepen zal duidelijk worden (verzen 6-76Zij schudden goud uit [hun] beurs
en wegen zilver op een weegschaal.
Zij huren een edelsmid, en die maakt er een god van.
Zij knielen, ook buigen zij zich [ervoor] neer.
7Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem
en zetten hem op zijn plaats.
Daar staat hij [en] van zijn plaats wijkt hij niet.
Ja, roept [iemand] tot hem, hij antwoordt niet,
hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
)
. Het maakt niet uit of het een god van goud voor de rijke of een god van hout voor de arme is, want waar dient een god toe, die je met je mee moet dragen en rondsjouwen? God maakt de goden en hen die daarmee rondsjouwen belachelijk. Je hoop op zulke goden stellen, is wel het domste wat je kunt doen.


Er is geen andere God

8Denk hieraan en wees flink;
neem het weer ter harte, overtreders.
9Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af,
dat Ik God ben en niemand anders.
[Ik ben] God, en er is er geen als Ik,
10Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
11Die een roofvogel roept uit het oosten,
een man van Mijn raad uit een ver land.
Ja, Ik heb gesproken, Ik zal het ook doen komen;
Ik heb [het] geformeerd, Ik zal het ook doen.

De tweede vermaning begint met een oproep die is gebaseerd op het voorgaande. Hij is gericht aan hen die zich aan afgoderij overgeven. Laten zij mannen zijn, dat wil zeggen laten ze krachtig zijn in plaats van wankelend (vers 88Denk hieraan en wees flink;
neem het weer ter harte, overtreders.
)
. Laten ze denken aan wat vroeger is gebeurd, aan de grote waarheden met betrekking tot Zijn Persoon, Hij Die volstrekt uniek is, aan Wie niemand gelijk is (vers 99Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af,
dat Ik God ben en niemand anders.
[Ik ben] God, en er is er geen als Ik,
)
. Hij bepaalt de loop van de geschiedenis (vers 1010Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
)
. Daarom kan Hij die voorzeggen. Steeds heeft Hij voorzegd hoe het zal gaan. Heeft Hij hen daarin ooit beschaamd? Wat Hij in het verleden heeft gezegd, is allemaal uitgekomen. Laten ze daarom de les van de geschiedenis leren en ter harte nemen.

Dat Hij volmaakt te vertrouwen is, hebben Zijn handelingen in de hele geschiedenis van het volk bewezen. Dat zal ook in de toekomst bewezen worden, als Hij de man van Zijn raadsbesluit ten tonele voert (vers 1111Die een roofvogel roept uit het oosten,
een man van Mijn raad uit een ver land.
Ja, Ik heb gesproken, Ik zal het ook doen komen;
Ik heb [het] geformeerd, Ik zal het ook doen.
)
. Het gaat hier over Kores. Hij is de “roofvogel” uit het oosten, dat is Perzië. Hij is op zoek naar prooi, dat is Babel. Door deze man zal de HEERE het oordeel over de vijanden van Israël brengen en daardoor tevens Zijn volk bevrijden.

Hier is Kores weer een beeld van de Heer Jezus, Die ook uit het oosten zal komen om de vijanden van Zijn volk te oordelen en daardoor Zijn volk te bevrijden en in de zegen te brengen. Met een dubbele toezegging, “Ik zal het ook doen komen” en “Ik zal het ook doen”, stelt de HEERE de vervulling ervan vast.

Het is goed voor de gelovige als hij zich de vroegere dingen herinnert, dat hij van het verleden leert hoe de Heer hem heeft geholpen en geleid en bevrijd. Het wekt de ziel op om Hem te prijzen en het stimuleert het geloof en de hoop voor de toekomst.


Zijn gerechtigheid is nabij

12Luister naar Mij, onbuigzamen van hart,
u die ver bent van gerechtigheid:
13Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver zijn,
en Mijn heil zal niet uitblijven,
maar Ik zal heil geven in Sion,
aan Israël Mijn luister.

De derde vermaning is gericht tot hen die Gods wil weerstaan. Zij zijn de “onbuigzamen van hart”, de hardnekkigen (vers 1212Luister naar Mij, onbuigzamen van hart,
u die ver bent van gerechtigheid:
)
. Hun ongeloof heeft twijfel aan de beloften van God voortgebracht en het verlangen weggenomen om er kennis van te nemen. Als gevolg daarvan zijn zij zonder de redding die Hij geeft op de grondslag van gerechtigheid. Maar er is redding voor hen die Zijn voorwaarden aanvaarden (vers 1313Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver zijn,
en Mijn heil zal niet uitblijven,
maar Ik zal heil geven in Sion,
aan Israël Mijn luister.
)
. Jesaja is hier weer evangelisch. Hij biedt Gods gerechtigheid aan. Ze kunnen die zo aannemen, zonder daarvoor bepaalde inspanningen te verrichten of een verre reis te maken (vgl. Dt 30:11-1411Want dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg.12Het is niet in de hemel, zodat [u] zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?13Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat [u] zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en [het] ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?14Want dit woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.; Rm 10:6-106Maar de gerechtigheid die op grond van geloof is, spreekt zo: Zeg niet in uw hart: ‘Wie zal in de hemel opklimmen?’ – dat is Christus doen afdalen;7of: ‘Wie zal in de afgrond neerdalen?’ – dat is Christus uit [de] doden doen opkomen.8Maar wat zegt zij? ‘Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart’. Dit is het woord van het geloof dat wij prediken:9dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit [de] doden heeft opgewekt, u behouden zult worden.10Want met [het] hart gelooft men tot gerechtigheid en met [de] mond belijdt men tot behoudenis.).

Gerechtigheid is de basis voor redding. God zal aan Sion heil of behoudenis geven en Zijn luister (of: heerlijkheid) zal tot Israël komen. Zijn “heil” is een duidelijke verwijzing naar de komst van de Heer Jezus. Heil of behoudenis is verbonden aan Zijn Naam en Zijn werk. In Hem geeft God behoudenis aan Sion en Zijn luister aan Israël.

Dat zal gebeuren op de grondslag van Zijn gerechtigheid die Hij voor Israël heeft gevestigd. Die grondslag is, net als voor ons, de dood van Christus. De heerlijkheid van de HEERE die het volk zal verlaten (Ez 9:33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.; 11:2323Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.), zal naar hen terugkeren. Dat zal in de volle maat gebeuren, zodat Israël, dat in Goddelijke glans straalt, Zijn heerlijkheid op waardige wijze zal weerspiegelen.


Lees verder