Jesaja
1-8 Kores door de HEERE geroepen 9-13 De HEERE is de Formeerder 14 Alleen bij Israël is God 15-17 Schaamte bij de afgodenvereerders 18-19 Het werk van de HEERE 20-21 De afgoden en de HEERE 22-25 Bij de HEERE is gerechtigheid
Kores door de HEERE geroepen

1Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:
2Zelf zal Ik voor u uit gaan,
het oneffene zal Ik rechtmaken,
bronzen deuren zal Ik openbreken,
en ijzeren grendels stukbreken.
3En Ik zal u geven schatten die in het duister zijn,
verborgen rijkdommen,
opdat u zult weten dat Ik de HEERE ben, Die [u] bij uw naam roept,
de God van Israël.
4Ter wille van Jakob, Mijn dienaar,
Israël, Mijn uitverkorene,
riep Ik u bij uw naam;
Ik gaf u een erenaam, hoewel u Mij niet kende.
5Ik ben de HEERE, en niemand anders,
buiten Mij is er geen God.
Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende,
6opdat men zal weten, vanwaar de zon opkomt tot waar [hij] ondergaat,
dat er buiten Mij niets is.
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
7Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
8Druip, hemel van boven,
en laten de wolken gerechtigheid uitgieten,
laat de aarde zich openen.
Laten [de wolken] heil voortbrengen,
en laat [de aarde] tegelijk gerechtigheid doen opkomen.
Ík, de HEERE, heb het geschapen.

Dit hoofdstuk begint met een tweede boodschap van de HEERE over Kores (vers 11Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:
)
. De eerste boodschap is een profetie die zijn komst voorzegt (Js 44:2828Die over Kores zegt: Hij is Mijn herder,
en hij zal al Mijn welbehagen volbrengen,
door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd,
en [tegen] de tempel: Word gegrondvest.
)
. Nu is het een woord aan hem persoonlijk. Hij is een heidense heerser, maar de HEERE heeft zijn rechterhand gevat, wat aangeeft dat hij een instrument in de hand van de HEERE is, hoewel hij zich er helemaal niet van bewust is aan een hogere macht onderworpen te zijn (vers 55Ik ben de HEERE, en niemand anders,
buiten Mij is er geen God.
Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende,
)
. Dat is een wereld van verschil met Asaf, die zich ervan bewust is dat de HEERE zijn rechterhand heeft vastgegrepen (Ps 73:2323Ik zal echter voortdurend bij U zijn,
U hebt mijn rechterhand gegrepen.
)
.

De titels die hem worden verleend en de voorzieningen die voor hem worden getroffen, zijn uniek. Iets dergelijks is nooit van enige heidense heerser gezegd. Hij wordt de ‘gezalfde’ van de HEERE genoemd, dat is letterlijk ‘messias’. Eerder heeft de HEERE hem al “Mijn herder” genoemd (Js 44:2828Die over Kores zegt: Hij is Mijn herder,
en hij zal al Mijn welbehagen volbrengen,
door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd,
en [tegen] de tempel: Word gegrondvest.
)
. Dat Jesaja de titel ‘gezalfde’ gebruikt voor een heidense heerser, zal bij de Joden verbazing hebben gewekt. Het is immers een titel die is voorbehouden aan priesters, profeten en koningen van Israël. Maar, waarom nu iemand uit de heidenvolken? Dat is nu de boodschap van God, dat Hij niet alleen de God van Israël is, maar van de hele wereld. Hij kan gebruiken wie Hij wil en redden wie Hij wil.

De HEERE zal Kores gebruiken en zijn weg effenen door alle hindernissen voor hem weg te nemen. Hij zal overal kunnen binnendringen (vers 22Zelf zal Ik voor u uit gaan,
het oneffene zal Ik rechtmaken,
bronzen deuren zal Ik openbreken,
en ijzeren grendels stukbreken.
; vgl. Js 40:44Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
)
. Door zijn veroveringen zal hij een immense rijkdom verkrijgen (vers 33En Ik zal u geven schatten die in het duister zijn,
verborgen rijkdommen,
opdat u zult weten dat Ik de HEERE ben, Die [u] bij uw naam roept,
de God van Israël.
)
. De verlossing die Kores teweegbrengt, is een voorafschaduwing van de verlossing die de Heer Jezus, de ware Gezalfde van God, de Messias, zal teweegbrengen bij Zijn wederkomst.

De details van de verzen 1-31Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:
2Zelf zal Ik voor u uit gaan,
het oneffene zal Ik rechtmaken,
bronzen deuren zal Ik openbreken,
en ijzeren grendels stukbreken.
3En Ik zal u geven schatten die in het duister zijn,
verborgen rijkdommen,
opdat u zult weten dat Ik de HEERE ben, Die [u] bij uw naam roept,
de God van Israël.
worden gegeven in de profetie van de profeet Daniël. Daar is het wel Darius die Babel inneemt, maar achter hem zien we de rijzende macht van Kores. We zien hoe Belsazar alle kracht wordt ontnomen, hoe de poorten van Babel worden opengebroken, met als resultaat dat alle verborgen schatten in de handen van Kores terechtkomen (Dn 5:25-3025Dit is het schrift dat werd geschreven: MENE, MENE, TEKEL, UFARSIN.26Dit is de uitleg van deze woorden. MENE: God heeft [de dagen van] uw koningschap geteld en Hij heeft er een einde aan gemaakt.27TEKEL: u bent gewogen in de weegschaal en u bent te licht bevonden.28PERES: uw koninkrijk is verdeeld en het is aan de Meden en de Perzen gegeven.29Toen gaf Belsazar bevel dat zij Daniël in purper moesten kleden, met een gouden keten om zijn hals, en dat zij van hem moesten uitroepen dat hij de derde heerser in het koninkrijk zou zijn.30In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.).

De HEERE zal dat ook doen, opdat Kores tot de erkenning zal komen dat Híj hem heeft geleid en hem die voorspoed heeft gegeven. Tot die erkenning lijkt hij niet gekomen te zijn. Toch zal hij al die rijkdom en voorspoed krijgen omdat hij, zonder het zelf te weten, de bevrijder van Gods volk is die hen uit de ballingschap in Babel verlost (vers 44Ter wille van Jakob, Mijn dienaar,
Israël, Mijn uitverkorene,
riep Ik u bij uw naam;
Ik gaf u een erenaam, hoewel u Mij niet kende.
; Ea 1:1-41In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].4En ieder die achtergebleven is, uit alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft, laten zijn plaatsgenoten hem helpen met zilver, met goud, met [allerlei] bezittingen en met vee, naast de vrijwillige gave voor het huis van God, Die in Jeruzalem [woont].)
. De bevestiging dat het de HEERE is en niemand anders (vgl. 1Ko 8:4b-64wat dan het eten van de afgodenoffers betreft, wij weten dat een afgod niets is in [de] wereld, en dat er geen God is dan Eén.5Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in [de] hemel, hetzij op aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn),6dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.) aan wie hij zijn voorspoed te danken heeft, staat in vers 55Ik ben de HEERE, en niemand anders,
buiten Mij is er geen God.
Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende,
. Het doel dat de HEERE daarbij voor ogen staat, is dat men op de hele aarde zal weten dat alleen Hij de ware en enige God is (vers 66opdat men zal weten, vanwaar de zon opkomt tot waar [hij] ondergaat,
dat er buiten Mij niets is.
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
)
. Het herstel dat Kores aan Gods volk zal verlenen, moet dit resultaat hebben.

“Het licht” en “de duisternis” zijn in Gods hand (vers 77Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
)
. Bij de schepping van het licht (Gn 1:33En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.) is die van de duisternis, hoewel dat niet uitdrukkelijk zo wordt gezegd, begrepen. Van het licht wordt gezegd dat het goed was (Gn 1:44En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.). Dat wordt niet van de duisternis gezegd. Wel lezen we dat God, als Hij alles ziet wat Hij heeft gemaakt, waaronder ook de duisternis, zag dat het zeer goed was (Gn 1:2-5,312De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.3En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.4En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.5En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.31En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.). Dat veronderstelt dat de duisternis niet iets negatiefs is, want de duisternis heeft van God een functie gekregen (vgl. Ps 104:19-2419Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden,
de zon weet wanneer hij ondergaat.
20U brengt de duisternis teweeg en het wordt nacht;
daarin gaan alle dieren in het woud naar buiten.
21De jonge leeuwen brullen om een prooi
en verlangen van God hun voedsel.
22Wanneer de zon opgaat, trekken ze zich terug
en leggen zich neer in hun holen.
23De mens gaat [dan] op weg naar zijn werk,
naar zijn dienstwerk, tot de avond toe.24Hoe groot zijn Uw werken, HEERE,
U hebt alles met wijsheid gemaakt,
de aarde is vol van Uw rijkdommen.
)
. God, Die in Zijn schepping de duisternis, die in zichzelf niet kwaad is, een plaats heeft gegeven, kan na de zondeval de duisternis wel gebruiken om er iets wat kwaad is, mee te symboliseren. Zo kan Hij, Die boven alles verheven is, “de vrede” maken waar onvrede is, maar ook “het onheil” scheppen en die als straf over de zonde brengen (vgl. Js 10:5-125Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
)
.

Zo maakt God de mens ook niet goddeloos, maar als hij zich zo openbaart, weet God hem te gebruiken voor zijn doel (Sp 16:44De HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf,
ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het onheil.
; Am 3:6b6Of wordt in een stad de bazuin geblazen
zonder dat het volk beeft?
Of komt er kwaad in de stad voor
zonder dat de HEERE dat doet?
)
. Hier gaat het om oorlogen met zijn vreselijke gevolgen, zoals Kores die zal voeren, en om de vrede die daaruit voor Israël zal voortkomen.

In vers 88Druip, hemel van boven,
en laten de wolken gerechtigheid uitgieten,
laat de aarde zich openen.
Laten [de wolken] heil voortbrengen,
en laat [de aarde] tegelijk gerechtigheid doen opkomen.
Ík, de HEERE, heb het geschapen.
wordt de verklaring van vers 77Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
toegespitst op de behoudenis en volgt de verzekering dat de HEERE gerechtigheid op aarde zal vestigen als een zegen van de hemel. Daardoor zal ook gerechtigheid op aarde worden voortgebracht. Hierin kunnen we opnieuw in Kores een type herkennen van Christus, de Koning van de gerechtigheid, de ware Melchizedek Die komen zal.


De HEERE is de Formeerder

9Wee hem die het tegen zijn Formeerder opneemt
– een potscherf tussen aarden scherven.
Zal het leem soms tegen zijn formeerder zeggen: Wat maakt u?
Of [zal] uw werk [zeggen]: Hij heeft geen handen?
10Wee hem die tegen [zijn] vader zegt: Wat verwekt u?
Of tegen [diens] vrouw: Wat baart u?
11Zo zegt de HEERE,
de Heilige van Israël, zijn Formeerder:
Zij hebben Mij naar de toekomstige dingen gevraagd, aangaande Mijn kinderen –
zou u Mij bevel geven aangaande het werk van Mijn handen?
12Ik heb de aarde gemaakt
en Ik heb de mens daarop geschapen.
Ik ben het, Mijn handen hebben de hemel uitgespannen
en aan heel zijn [sterren]leger geef Ik Mijn bevelen.
13Ík heb [Kores] doen opstaan in gerechtigheid,
en al zijn wegen zal Ik rechtmaken.
Híj zal Mijn stad bouwen
en hij zal Mijn ballingen vrijlaten,
zonder betaling en zonder geschenk,
zegt de HEERE van de legermachten.

In vers 99Wee hem die het tegen zijn Formeerder opneemt
– een potscherf tussen aarden scherven.
Zal het leem soms tegen zijn formeerder zeggen: Wat maakt u?
Of [zal] uw werk [zeggen]: Hij heeft geen handen?
wordt het woord niet meer gericht tot Kores, maar tot hen die kritiek uitoefenen op het handelen van de HEERE. Zij zijn niet tevreden over de gang van zaken. Hoe kan God nu een man als Kores gebruiken? Maar God zegt: ‘Wee, hoe wagen jullie het om aanmerkingen te maken op Mijn bestuur?’ “Wee” is een kreet die bij begrafenissen wordt uitgeroepen, een kreet die de ernst van de zaak laat zien. Hij die over God klaagt, is niet meer dan een scherf onder andere scherven. Het doet denken aan een kom of kruik van aardewerk die kapot is gegaan en waarvan de scherven alleen maar bij elkaar geveegd kunnen worden om weggegooid te worden.

Het is toch opperste dwaasheid dat een pottenbakker van zijn maaksel te horen zou krijgen dat hij niet goed bezig is (Rm 9:20-2120Ja maar, mens, wie bent u, dat u tegen God het woord opneemt? Zal het maaksel tegen zijn maker zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?21Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem om uit dezelfde klomp te maken het ene vat tot eer en het andere tot oneer?)? Even dwaas is het als iemand zijn vader en moeder verwijten maakt over een geboorte waaraan hij zelf niets heeft bijgedragen of kunnen bijdragen (vers 1010Wee hem die tegen [zijn] vader zegt: Wat verwekt u?
Of tegen [diens] vrouw: Wat baart u?
)
. God is niet alleen de Schepper van alle materie, Hij is ook de Oorsprong van het leven van de mens. Zulke dwazen zouden er beter aan doen echt alles in de handen van de HEERE te leggen en zonder tegenspreken Hem te vertrouwen Die alleen te vertrouwen is, zowel voor het heden als voor de toekomst (vers 1111Zo zegt de HEERE,
de Heilige van Israël, zijn Formeerder:
Zij hebben Mij naar de toekomstige dingen gevraagd, aangaande Mijn kinderen –
zou u Mij bevel geven aangaande het werk van Mijn handen?
)
.

Hij heeft alles gemaakt en alles is volledig afhankelijk van Hem (vers 1212Ik heb de aarde gemaakt
en Ik heb de mens daarop geschapen.
Ik ben het, Mijn handen hebben de hemel uitgespannen
en aan heel zijn [sterren]leger geef Ik Mijn bevelen.
)
. Evenzo heeft Hij ook Kores verwekt en de weg voor hem bepaald en gebaand met het oog op het doel dat Hij Zichzelf heeft gesteld (vers 1313Ík heb [Kores] doen opstaan in gerechtigheid,
en al zijn wegen zal Ik rechtmaken.
Híj zal Mijn stad bouwen
en hij zal Mijn ballingen vrijlaten,
zonder betaling en zonder geschenk,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Kores zal de stad Jeruzalem herbouwen en niemand anders. Hij zal dat doen omdat de HEERE het wil en niet omdat er een overeenkomst is gesloten waarbij de HEERE voor de verlossing van Zijn volk zou moeten betalen. Aan het voornemen van de HEERE zullen alle hoogmoedige, domme tegenwerpingen niets veranderen. Door Kores zal de HEERE Zijn volk daar brengen.

De Heer geeft ook aan ons herstel om als gemeente te functioneren op de manier die Hem voor ogen staat en met de middelen die Hij verkiest en niet op onze dwaze manier. Wij mogen uit dit gedeelte de bevestiging voor onze harten vinden van het feit dat alles onder de controle staat van de Maker van hemel en aarde en dat Zijn voornemens ten aanzien van de volken onaantastbaar zijn. Deze bevestiging zal ook nuttig zijn om anderen te helpen die zich afvragen of God ten slotte wel sterker zal zijn dan Zijn vijanden en of Hij nog wel uitkomst zal geven.


Alleen bij Israël is God

14Zo zegt de HEERE:
De arbeids[opbrengst] van de Egyptenaren en de koophandel van de Cusjieten,
en de Sabeeërs, mannen van grote lengte,
zullen naar u overgaan en zullen van u zijn.
Zíj zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen
en voor u zullen zij zich buigen,
zij zullen u smeken en zeggen:
Voorzeker, God is bij u, en niemand anders;
 er is geen [andere] God.

In vers 1414Zo zegt de HEERE:
De arbeids[opbrengst] van de Egyptenaren en de koophandel van de Cusjieten,
en de Sabeeërs, mannen van grote lengte,
zullen naar u overgaan en zullen van u zijn.
Zíj zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen
en voor u zullen zij zich buigen,
zij zullen u smeken en zeggen:
Voorzeker, God is bij u, en niemand anders;
 er is geen [andere] God.
gaat de boodschap van de HEERE van de nabije toekomst met betrekking tot Kores over naar het herstel van Israël in de eindtijd. De verlossing door Kores is, zoals we eerder hebben gezien, een voorafschaduwing van de verlossing van Israël door Christus in de toekomst, aan het einde van de grote verdrukking. De hier genoemde feiten hebben niet plaatsgevonden in het verleden. Ze zullen pas plaatsvinden bij de wederkomst van Christus. Heidense volken zullen zich vrijwillig aan Israël onderwerpen en hun afgoderij opgeven. Dit zal gebeuren doordat zij erkennen dat alleen bij hen God is en dat er geen andere God is. Dan zal ook de belofte van het verbond vervuld worden dat Israël het hoofd zal zijn van de volken in de wereld (Dt 28:1313De HEERE zal u tot een hoofd maken en niet tot een staart, en u zult uitsluitend omhoog gaan en niet omlaag, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de HEERE, uw God, waarvan ik u heden gebied [dat u ze] in acht neemt en houdt,).

Dit vers vindt voor ons zijn parallel in 1 Korinthiërs 14 (1Ko 14:2525het verborgene van zijn hart wordt openbaar, en dus zal hij op zijn aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is.; vgl. Op 3:99Zie, Ik geef [enigen] uit de synagoge van de satan, die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen; zie, Ik zal maken dat zij komen en zich neerbuigen voor uw voeten en erkennen dat Ik u heb liefgehad.), waar de apostel Paulus waarschijnlijk deze woorden van Jesaja in gedachten heeft. De Heer wil, dat wat waar zal zijn voor Israël in de toekomstige dag, nu al waar is voor ons. Het doel van ons getuigenis is op te bouwen, te bevestigen. Het is Gods goede welbehagen voor plaatselijke gemeenten om de zielen van onwetende en ongelovige mensen tot Christus te trekken. De Geest van God wil in en door ons gemeenschappelijk werken dat zulke mensen zich bewust worden van de tegenwoordigheid van God en ware aanbidders worden.


Schaamte bij de afgodenvereerders

15Voorwaar, U bent een God Die Zich verborgen houdt,
de God van Israël, de Heiland.
16Zij allen zullen beschaamd en ook te schande worden,
tezamen zullen zij met smaad weggaan, de makers van afgodsbeelden.
17Israël [echter] wordt door de HEERE verlost:
een eeuwige verlossing.
U zult niet beschaamd en niet te schande worden,
voor eeuwig [niet], nooit!

In vers 1515Voorwaar, U bent een God Die Zich verborgen houdt,
de God van Israël, de Heiland.
is Israël aan het woord en niet de heidenen zoals in het vorige vers. Het is geen uiting van een zoekend tasten naar een God Die niet te vinden is omdat Hij Zich van hen heeft afgewend (vgl. Js 57:1717Ik was zeer toornig over de ongerechtigheid van hun winstbejag,
Ik sloeg [het volk], Ik verborg Mij en was zeer toornig.
Maar het ging afkerig verder op de weg van zijn hart.
)
, maar dat God in Zijn handelingen en bestuur van wat de volken betreft vaak niet na te gaan is. Hij doet dingen die voor mensen verborgen zijn, maar die Hij aan Zijn volk bekendmaakt. Het menselijk verstand kan Hem hierin niet begrijpen.

Israël zal hoogst verbaasd zijn als ze zullen zien dat volken die in heidense duisternis hebben gewandeld hun zullen smeken in de erkenning dat God bij hen is. Het is alsof Israël zegt: ‘Werkelijk, U hebt op wonderbare wijze gehandeld, op een manier die ons denken ver te boven gaat.’ Het herinnert aan de uitroep van de apostel over de diepten van de rijkdom van Gods kennis en wijsheid die volgt op het bewijzen van barmhartigheid aan zowel Israël als de heidenen (Rm 11:32-3332Want God heeft allen onder [het] ongeloof besloten, opdat Hij aan allen barmhartigheid zou bewijzen.33O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!). Israël spreekt Hem aan met “Heiland” omdat ze in Hem in het vrederijk de Heiland zullen zien Die zowel Israël als de heidenen heeft verlost.

Tot besluit van het gedeelte dat in Jesaja 44:6 is begonnen, volgt nog het grote verschil tussen het lot van de makers van afgoden en de oneindige zegen van Israël (verzen 16-1716Zij allen zullen beschaamd en ook te schande worden,
tezamen zullen zij met smaad weggaan, de makers van afgodsbeelden.
17Israël [echter] wordt door de HEERE verlost:
een eeuwige verlossing.
U zult niet beschaamd en niet te schande worden,
voor eeuwig [niet], nooit!
)
. Van alles wat God doet, hebben de afgodendienaars en afgodenmakers en waarzeggers niets geweten. Ze staan allemaal beschaamd. Het eindigt met het grote resultaat van al Gods handelingen waar de profeten naar hebben heen gewezen: de bevrijding, heerlijkheid en blijdschap van Israël zonder einde. Hier wijst de profeet weer vooruit naar de verre toekomst, want de verlossing uit Babel is geen eeuwige verlossing.


Het werk van de HEERE

18Want zo zegt de HEERE,
Die de hemel geschapen heeft,
die God
Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft.
Hij heeft haar gegrondvest,
Hij heeft haar niet geschapen opdat zij woest zou zijn,
[maar] Hij heeft haar geformeerd opdat men erop zou wonen:
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
19Ik heb niet in het verborgene gesproken,
in een duistere plaats op aarde.
Ik heb tegen het nageslacht van Jakob niet gezegd:
Zoek Mij tevergeefs.
Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt,
Die bekendmaakt wat billijk is.

In vers 1818Want zo zegt de HEERE,
Die de hemel geschapen heeft,
die God
Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft.
Hij heeft haar gegrondvest,
Hij heeft haar niet geschapen opdat zij woest zou zijn,
[maar] Hij heeft haar geformeerd opdat men erop zou wonen:
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
wordt de HEERE als Spreker geïntroduceerd. Eerst wordt nog eens naar voren gebracht dat Hij de Schepper van hemel en aarde is. Hij is vormend met de aarde bezig geweest, “geformeerd”, en heeft Zijn werk afgemaakt, “gemaakt”. Hij heeft de aarde niet geschapen, opdat die woest en leeg zou blijven (Gn 1:22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.). God schept orde in de woestheid en ledigheid. Hij doet geen half werk, maar voltooit wat Hij eenmaal begonnen is (vgl. Fp 1:66in dit vertrouwen, dat Hij Die een goed werk in u begonnen is, het ook zal voltooien tot op [de] dag van Christus Jezus.).

De schepping van de aarde, zijn vorming en voltooiing, is geen doel op zichzelf. Met de schepping ervan heeft God de mens op het oog. Zo is het ook met de vorming en verlossing van Zijn volk. De HEERE is eenmaal begonnen met de vorming van het volk Israël, Hij zal dat werk ook voltooien. Dat doet Hij door Israël te gaan verlossen. In Babel is het een puinhoop en velen uit de Joden zijn aan die puinhoop en afgodendienst deel gaan nemen. Daar gaat de HEERE verandering in brengen. Hij wil Zijn volk in het volle genot van de zegen brengen. De aarde zal dan bewoond worden op de wijze die God bij de schepping voor ogen heeft gestaan. Dit zal in het vrederijk worden vervuld.

Vanaf het eind van vers 1818Want zo zegt de HEERE,
Die de hemel geschapen heeft,
die God
Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft.
Hij heeft haar gegrondvest,
Hij heeft haar niet geschapen opdat zij woest zou zijn,
[maar] Hij heeft haar geformeerd opdat men erop zou wonen:
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
tot het eind van het hoofdstuk is de HEERE aan het woord. Hij begint met de bevestiging van wat zojuist is gezegd, dat Hij en uitsluitend Hij God is. Hij heeft niet in het verborgen gesproken, zoals de waarzeggers en tovenaars dat doen vanuit het duistere gebied van de afgrond waar spiritisten en dodenbezweerders zich ophouden (vers 1919Ik heb niet in het verborgene gesproken,
in een duistere plaats op aarde.
Ik heb tegen het nageslacht van Jakob niet gezegd:
Zoek Mij tevergeefs.
Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt,
Die bekendmaakt wat billijk is.
)
. God vraagt niet Hem te zoeken zonder er iets van te verwachten. Integendeel, als Hij uitnodigt om Hem te zoeken, spreekt Hij wat recht is. Hij is volkomen betrouwbaar en niet onbetrouwbaar zoals de waarzeggers.

Hij geeft beloften aan hen die Hem zoeken. Hij is een “Beloner … van hen die Hem zoeken” (Hb 11:66Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.). Hij vervult Zijn beloften overeenkomstig Zijn gerechtigheid: Hij spreekt “gerechtigheid”. Hij houdt niemand voor de gek. Zijn woord is zeker, betrouwbaar, je kunt ervan op aan. Al Zijn beloften aan Zijn aardse volk zullen worden vervuld, evenals alle beloften die wij hebben gekregen (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.).


De afgoden en de HEERE

20Verzamel u, kom,
treed tezamen naar voren,
u die bent ontkomen aan de heidenvolken.
Zij weten niets,
zij die hun houten beelden [rond]dragen,
of een god aanbidden
[die] niet verlossen kan.
21Maak bekend en breng naar voren,
ja, beraadslaag samen:
Wie heeft dit van oudsher doen horen?
[Wie] heeft dat van toen af bekendgemaakt?
Ben Ik het niet, de HEERE?
Buiten Mij is er geen andere God,
een rechtvaardig God, een Heiland;
er is niemand behalve Ik.

Net als in de verzen 14-1714Zo zegt de HEERE:
De arbeids[opbrengst] van de Egyptenaren en de koophandel van de Cusjieten,
en de Sabeeërs, mannen van grote lengte,
zullen naar u overgaan en zullen van u zijn.
Zíj zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen
en voor u zullen zij zich buigen,
zij zullen u smeken en zeggen:
Voorzeker, God is bij u, en niemand anders;
 er is geen [andere] God.15Voorwaar, U bent een God Die Zich verborgen houdt,
de God van Israël, de Heiland.
16Zij allen zullen beschaamd en ook te schande worden,
tezamen zullen zij met smaad weggaan, de makers van afgodsbeelden.
17Israël [echter] wordt door de HEERE verlost:
een eeuwige verlossing.
U zult niet beschaamd en niet te schande worden,
voor eeuwig [niet], nooit!
wordt het herstel van Israël gevolgd door zegen voor de naties (vers 2020Verzamel u, kom,
treed tezamen naar voren,
u die bent ontkomen aan de heidenvolken.
Zij weten niets,
zij die hun houten beelden [rond]dragen,
of een god aanbidden
[die] niet verlossen kan.
)
. De volken die zijn ontkomen aan de oordelen over de wereld en in het vrederijk zijn gebracht, zijn geen aanbidders van het beest geweest want die zijn allen door het oordeel weggevaagd (Op 14:9-119En een andere, een derde engel volgde hen en zei met luider stem: Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en op zijn voorhoofd of zijn hand [het] merkteken ontvangt,10die zal ook drinken van de wijn van Gods grimmigheid, die ongemengd is ingeschonken in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van [de] heilige engelen en het Lam.11En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid; en zij hebben dag en nacht geen rust, zij die het beest en zijn beeld aanbidden, en ieder die het merkteken van zijn naam ontvangt.). Het gaat hier dus niet om Israëlieten die ontkomen zijn aan de heidenvolken – wat “ontkomen aan de heidenvolken” zou kunnen suggereren –, maar om heidenen die ontkomen zijn aan de oordelen die over hen zijn gegaan. Zij worden opnieuw door God opgeroepen in een rechtszaak om een uitspraak te doen.

In het licht van die toekomstige zegen hervat God Zijn protest tegen hun afgoden en stelt opnieuw voor hoe dwaas het is om van een afgod verlossing te verwachten. Ook kunnen deze afgoden niets over toekomstige dingen zeggen, iets waartoe God hen weer uitdaagt om hun volkomen onvermogen daartoe duidelijk te maken (vers 2121Maak bekend en breng naar voren,
ja, beraadslaag samen:
Wie heeft dit van oudsher doen horen?
[Wie] heeft dat van toen af bekendgemaakt?
Ben Ik het niet, de HEERE?
Buiten Mij is er geen andere God,
een rechtvaardig God, een Heiland;
er is niemand behalve Ik.
)
. Alleen Hij is daartoe in staat en niemand anders.

Hij alleen is zowel de rechtvaardige als de verlossende God. Als de rechtvaardige God moet en zal Hij de zonde oordelen. Als de verlossende God verlost Hij door Zijn Zoon, Die aan Zijn rechtvaardige eisen heeft voldaan door het oordeel te ondergaan voor ieder die belijdt een zondaar te zijn.

De God van Israël is dus de God Die de hemel en de aarde heeft geschapen. Daarom is Hij de enige ware God. Daarom ook is Hij de Enige Die in staat is om Israël te verlossen. Voor de heidenvolken is dit opnieuw een oproep om de God van Israël te erkennen en daarmee deel te krijgen aan de zegeningen van het vrederijk samen met het volk Israël (Op 14:6-76En ik zag een andere engel vliegen in [het] midden van de hemel, die [het] eeuwig evangelie had, om het te verkondigen aan hen die op de aarde wonen en aan elke natie en geslacht en taal en volk,7en hij zei met luider stem: Vreest God en geeft Hem heerlijkheid, want het uur van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem Die de hemel en de aarde en [de] zee en [de] waterbronnen heeft gemaakt.).


Bij de HEERE is gerechtigheid

22Wend u tot Mij, word behouden,
alle einden der aarde,
want Ik ben God en niemand anders.
23Ik heb gezworen bij Mijzelf
– uit Mijn mond is in gerechtigheid
een woord uitgegaan en het zal niet terugkeren –
dat voor Mij elke knie zich zal buigen,
elke tong [bij Mij] zal zweren.
24Voorzeker, in de HEERE – zal men van Mij zeggen –
zijn rechtvaardige daden en kracht,
tot Hem zal men komen. Maar zij zullen beschaamd worden,
allen die tegen Hem [in woede] ontstoken zijn.
25[Echter] in de HEERE zal gerechtvaardigd worden en zich beroemen
heel het nageslacht van Israël.

De verklaring van God in de rechtszaak aangaande Zichzelf in het vorige vers wordt gevolgd door de bevelende uitnodiging aan de heidenvolken zich voor verlossing tot Hem te wenden (vgl. Mt 11:2828Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.). Daardoor zal men deel krijgen aan de zegeningen van het vrederijk (vers 2222Wend u tot Mij, word behouden,
alle einden der aarde,
want Ik ben God en niemand anders.
)
. Voor de derde keer verklaart Hij: “Ik ben God en niemand anders.” Na Zijn heerlijke voorstelling in vers 2121Maak bekend en breng naar voren,
ja, beraadslaag samen:
Wie heeft dit van oudsher doen horen?
[Wie] heeft dat van toen af bekendgemaakt?
Ben Ik het niet, de HEERE?
Buiten Mij is er geen andere God,
een rechtvaardig God, een Heiland;
er is niemand behalve Ik.
als “rechtvaardig God, een Heiland” Die Hij wil zijn voor Jood en heiden, verklaart Hij plechtig door het zweren van een eed dat het ogenblik komt dat Hij wereldwijd zal worden erkend als God (vers 2323Ik heb gezworen bij Mijzelf
– uit Mijn mond is in gerechtigheid
een woord uitgegaan en het zal niet terugkeren –
dat voor Mij elke knie zich zal buigen,
elke tong [bij Mij] zal zweren.
)
. Dat zal gebeuren in het duizendjarig vrederijk.

Het buigen van de knie spreekt van de erkenning van en onderwerping aan het gezag van de HEERE in tegenstelling tot het buigen van de knie voor de afgoden en het erkennen van hun gezag. De namen van de afgoden zullen worden uitgeroeid (Zc 13:22Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik uit het land de namen van de afgoden zal uitroeien, zodat aan hen niet meer gedacht zal worden. Ja, ook de profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen.). De belijdenis met de tong geeft aan dat men instemt met de onfeilbaarheid en rechtvaardigheid van Zijn oordeel. Dat dit woord niet zal worden herroepen, wil zeggen dat er niet gefaald zal worden in het vervullen van wat is uitgesproken (vgl. Js 55:1111zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat:
het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren,
maar het zal doen wat Mij behaagt,
en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend.
)
.

Paulus haalt dit vers aan in verbinding met een kwalijke eigenschap van ons als gelovigen en wel dat wij anderen zo gemakkelijk beoordelen (Rm 14:10-1210Maar u, waarom oordeelt u uw broeder? Of ook u, waarom minacht u uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van God gesteld worden;11want er staat geschreven: ‘[Zo waar] Ik leef, zegt [de] Heer, voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal God belijden’.12Dus zal <dan> ieder van ons voor zichzelf rekenschap geven <aan God>.). Hij plaatst ons door dit vers van Jesaja als het ware nu al voor de rechterstoel van God. Als we denken aan de rechterstoel van God waar we straks voor zullen staan, zullen we graag nu leven alsof we er nu voor staan. Dan willen we graag nu, op dit moment, al rekenschap geven aan God.

Het resultaat van deze gedachte is dat we tot het oordeel zullen komen dat we elkaar niet (meer) moeten oordelen. Dat zullen we dan aan God overlaten. Ieder persoonlijk zal zich voor God buigen en Hem als God erkennen. Dat maakt ons erg klein. Uit een andere aanhaling die Paulus van dit vers doet, blijkt dat de Heer Jezus Degene is voor Wie elke knie zich zal buigen (Fp 2:1010opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,). Dit is weer een bewijs dat de Heer Jezus God is.

De grote erkenning in de toekomende dag is dat alles alleen bij en in de HEERE te vinden is (verzen 24-2524Voorzeker, in de HEERE – zal men van Mij zeggen –
zijn rechtvaardige daden en kracht,
tot Hem zal men komen. Maar zij zullen beschaamd worden,
allen die tegen Hem [in woede] ontstoken zijn.
25[Echter] in de HEERE zal gerechtvaardigd worden en zich beroemen
heel het nageslacht van Israël.
)
. Hij zal in al Zijn kenmerken, kracht en handelingen erkend en aanvaard worden. In deze verzen wordt herhaaldelijk de nadruk gelegd op Gods gerechtigheid als de basis van Zijn handelen. In vers 2121Maak bekend en breng naar voren,
ja, beraadslaag samen:
Wie heeft dit van oudsher doen horen?
[Wie] heeft dat van toen af bekendgemaakt?
Ben Ik het niet, de HEERE?
Buiten Mij is er geen andere God,
een rechtvaardig God, een Heiland;
er is niemand behalve Ik.
is het gerechtigheid en verlossing. Hier is het gerechtigheid en sterkte (vers 2424Voorzeker, in de HEERE – zal men van Mij zeggen –
zijn rechtvaardige daden en kracht,
tot Hem zal men komen. Maar zij zullen beschaamd worden,
allen die tegen Hem [in woede] ontstoken zijn.
)
. Sterkte komt alleen als we in gerechtigheid, op een rechtvaardige wijze voor Hem wandelen. Van alle kanten van de wereld zal men tot Hem komen, maar zij die tegen Hem zijn, zullen beschaamd staan.

Het nakroost van Israël zal gerechtvaardigd worden, niet door werken van de wet, maar “in de HEERE” (vers 2525[Echter] in de HEERE zal gerechtvaardigd worden en zich beroemen
heel het nageslacht van Israël.
)
. Zij zullen vol vreugde in Hem hun Messias erkennen door hun verbinding met Hem. In Hem zullen zij zich beroemen en niet in hun eigen verhevenheid en kracht. En Israël zal een geestelijk nageslacht hebben, nakomelingen die allemaal gerechtvaardigd zijn op grond van het verzoenend offer op Golgotha.


Lees verder