Jesaja
1-5 De Geest uitgegoten 6-8 Er is geen andere God 9-20 De afgoden bespot 21-23 De HEERE vergeet Zijn volk niet 24-28 De HEERE belooft herstel
De Geest uitgegoten

1Maar nu, luister, Jakob, Mijn dienaar,
Israël, die Ik verkozen heb!
2Zo zegt de HEERE, uw Maker
en uw Formeerder van de [moeder]schoot af, Die u helpt:
Wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,
Jesjurun, die Ik verkozen heb.
3Want Ik zal water gieten op het dorstige
en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten
en Mijn zegen op uw nakomelingen.
4Zij zullen opkomen tussen het gras,
als wilgen aan de waterstromen.
5De een zal zeggen: Ik ben van de HEERE,
een ander zal [zich] noemen met de naam Jakob,
[weer] een ander zal [met] zijn hand schrijven: Van de HEERE,
en de erenaam Israël aannemen.

De onbegrensde genade van God wordt schitterend gedemonstreerd in de openingsverzen van dit hoofdstuk. De verwijten en aanklachten van Jesaja 43 worden direct gevolgd door zekerheid en belofte, gebaseerd op Gods voorgenomen raadsbesluiten en scheppingshandelingen met betrekking tot het volk. Het is een bewijs dat Hij in de toorn denkt aan ontferming (Hk 3:22HEERE, [toen] ik Uw tijding hoorde,
heb ik gevreesd.
HEERE, Uw werk, behoud het in het leven in het midden van de jaren,
maak [het] bekend in het midden van de jaren.
Denk in [Uw] toorn aan ontferming!
)
.

Het hoofdstuk begint met een Goddelijk “maar” (vers 11Maar nu, luister, Jakob, Mijn dienaar,
Israël, die Ik verkozen heb!
)
, nadat Hij in het laatste vers van het vorige hoofdstuk het oordeel heeft aangekondigd over de hardnekkige zondigheid van het volk (Js 43:2828Daarom zal Ik de leiders van het heiligdom ontheiligen,
Jakob prijsgeven aan de ban
en Israël aan beschimpingen.
)
. Dit komt opmerkelijk overeen met het “maar” van het begin van Jesaja 43 (Js 43:11Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
)
dat in dezelfde zin aansluit op het laatste vers van het daaraan voorafgaande hoofdstuk (Js 42:2525Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn
en het geweld van de oorlog.
Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op;
het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.
)
.

De HEERE herhaalt hier Zijn genadige uitspraken van het begin van Jesaja 43, waaraan Hij toevoegt dat Hij Israël heeft “verkozen”. In beide gedeelten gebruikt Hij voor de geboorte van Zijn volk woorden die ook in het verslag van de schepping van de mens voorkomen: scheppen (Gn 1:2727En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.), maken (Gn 1:1616En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.) en formeren (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.). Het maakt Zijn voornemen en belofte aan Jakob onveranderlijk, ondanks het grote verval van Zijn volk.

Hij noemt hen zelfs “Jesjurun” (vers 22Zo zegt de HEERE, uw Maker
en uw Formeerder van de [moeder]schoot af, Die u helpt:
Wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,
Jesjurun, die Ik verkozen heb.
)
, een Hebreeuws woord dat ‘oprecht’ betekent en in de Septuaginta – de Griekse vertaling van het Oude Testament – vertaald is met ‘geliefde’. Het is een benaming die eerder door Mozes is gebruikt (Dt 32:1515Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
; 33:5,265Hij was Koning in Jesjurun,
toen de hoofden van het volk zich verzamelden,
samen met de stammen van Israël.26Niemand is er als God, Jesjurun!
Hij rijdt op de hemel om u te helpen,
en in Zijn majesteit op de wolken.
)
en die vooruitziet naar de toekomstige toestand van gerechtigheid van Israël. Deze naam staat wel in groot contrast met de naam “Jakob” die ‘hielenlichter’ betekent, dat wil zeggen bedrieger (Gn 27:3636Hij zei daarop: Wordt hij niet terecht Jakob genoemd, omdat hij mij nu twee keer bedrogen heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij [mij] afgenomen, en zie, nu heeft hij mij mijn zegen afgenomen. Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij overgehouden?; 32:2828Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.). De HEERE maakt van hen de ‘oprechte’ en daarom kan Hij hen uitredden.

De beloften die volgen, zijn doortrokken van Goddelijke verrukking. De dorstigen worden verzadigd, het zaad van Jakob wordt gezegend door de uitstorting van de Geest – in het beeld van de uitstorting van water (vgl. Jh 7:38-3938Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.) –, met als resultaat nationale en geestelijke vruchtbaarheid (verzen 3-43Want Ik zal water gieten op het dorstige
en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten
en Mijn zegen op uw nakomelingen.
4Zij zullen opkomen tussen het gras,
als wilgen aan de waterstromen.
)
. Die tijd is nabij. De genade zal triomferen. Het is ook een vertroosting voor ons nu. Laten wij als Gods ‘Jesjurun’ wandelen en vervuld zijn met de Geest. Dan brengen wij vrucht voort.

Vers 55De een zal zeggen: Ik ben van de HEERE,
een ander zal [zich] noemen met de naam Jakob,
[weer] een ander zal [met] zijn hand schrijven: Van de HEERE,
en de erenaam Israël aannemen.
voorzegt het gevolg voor de heidenen van het herstel van Israël. Het drievoudige getuigenis moet worden gelezen in het licht van Psalm 87 (Ps 87:4-54Ik noem Rahab en Babel onder wie Mij kennen;
zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet:
die zijn daar geboren.
5Van Sion wordt gezegd:
Man voor man is erin geboren.
De Allerhoogste Zelf doet haar standhouden.
)
. Daar worden enkele volken genoemd die zullen delen in het voorrecht de HEERE te kennen en die worden opgeschreven als geboren in Sion.

1. Onder de heidenen die in de zegen van het vrederijk zijn, zal de een zeggen dat hij de HEERE toebehoort.
2. Een ander zal de naam van Jakob uitspreken op een wijze die van grote eerbied getuigt. Het is dan niet langer de naam van smaad, van de bedrieger, maar de naam van een volk waaraan de HEERE Zich heeft verbonden als Zijn uitverkoren volk.
3. Weer een ander zal schriftelijk verklaren, “[met] zijn hand schrijven”, dat hij alleen aan de HEERE toebehoort en de naam ‘Israël’ als erenaam aannemen. Door het aannemen van de naam Israël geeft hij aan dat het dragen van die naam een grote eer betekent (vgl. Rm 11:1212En als hun overtreding [de] rijkdom van [de] wereld is en hun verlies [de] rijkdom van [de] volken, hoeveel te meer hun volheid!).
4. Er is een treffende parallel tussen dit vers en het resultaat van het evangelie dat wij prediken. Zoals in de toekomstige dag een heiden zal erkennen dat hij de HEERE toebehoort, zal iemand die zich vandaag bekeert, leren erkennen dat hij het eigendom van de Heer is (1Ko 3:2323en u bent van Christus, en Christus is van God.; Gl 3:2929En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht [en] volgens belofte erfgenamen.) en zo noemt hij ook de Naam van de Heer (2Tm 2:1919Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.).


Er is geen andere God

6Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël,
zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten:
Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste,
en buiten Mij is er geen God.
7En wie kan, zoals Ik, roepen,
het bekendmaken en het voor Mij uiteenzetten,
sinds Ik een eeuwig volk een plaats gegeven heb?
En laten zij de toekomstige dingen, dat wat komen zal, hun bekendmaken.
8Wees niet angstig en wees niet bevreesd.
Heb Ik het u van toen af niet doen horen en bekendgemaakt?
Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God buiten Mij?
Er ís geen [andere] rots, Ik ken er geen.

In vers 66Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël,
zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten:
Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste,
en buiten Mij is er geen God.
spreekt de HEERE er voor de derde keer over dat Hij de “Verlosser” (of: Losser) van Israël is (Js 41:1414Wees niet bevreesd, wormpje Jakob,
volkje Israël,
Ík help u, spreekt de HEERE,
uw Verlosser is de Heilige van Israël.
; 43:1414Zo zegt de HEERE,
uw Verlosser, de Heilige van Israël:
Ter wille van u heb Ik [iemand] naar Babel gezonden
en Ik heb hen allen vluchtend doen afdalen,
namelijk de Chaldeeën, in de schepen waarover zij [voorheen] juichten.
)
. Dan stelt Hij Zichzelf op weer andere wijzen voor, die tegelijk nieuwe verwijten betekenen voor hun dwaze afgoderij. Hij zegt van Zichzelf: “Ik ben de eerste en Ik ben de laatste.” Dat doet Hij drie keer in Jesaja (Js 41:44Wie heeft [dit] bewerkt en gedaan?
[Hij] Die de generaties riep vanaf het begin!
Ik, de HEERE, Die de Eerste ben,
en bij de laatsten ben Ik Dezelfde.
; 44:66Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël,
zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten:
Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste,
en buiten Mij is er geen God.
; 48:1212Luister naar Mij, Jakob,
Israël, Mijn geroepene:
Ik ben Dezelfde, Ik ben de Eerste,
ook ben Ik de Laatste.
)
. Ook de Heer Jezus noemt Zichzelf drie keer zo (Op 1:1717En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste,; 2:88En schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is en [weer] levend geworden:; 22:1313Ik ben de Alfa en de Oméga, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde.), waarmee Hij Zijn Godheid laat zien en tevens de eenheid in de Godheid, het eeuwig voorbestaan en de absolute verhevenheid.

Het geeft aan dat alles wat geschapen is, bezield en onbezield, het bestaan aan Hem te danken heeft en dat het begin, de loop en het einde onder Zijn verheven controle staan. Daardoor mag Israël er zeker van zijn dat alle Goddelijke beloften en toezeggingen vervuld zullen worden, want ze zijn gedaan door Hem, Die hun “Koning”, “de HEERE van de legermachten” is.

In onze omstandigheden is Hij, Die ons heeft verlost, ook de Eerste en de Laatste, want Hij is God de Zoon (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.). Hij staat aan het begin en aan het einde, want Hij is de Schepper (Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.). Hij is ook “de Alfa en de Oméga” (Op 22:1313Ik ben de Alfa en de Oméga, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde.), de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet, want Hij is het Woord van God (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.). Hij staat aan het begin van ons nieuwe leven in Christus, Hij zal met ons zijn en zal al Zijn raadsbesluiten ten aanzien van ons vervullen. Zo is Hij ook het begin, de loop en de voleinding van onze speciale dienst die Hij ons heeft toevertrouwd.

In de verzen 7-87En wie kan, zoals Ik, roepen,
het bekendmaken en het voor Mij uiteenzetten,
sinds Ik een eeuwig volk een plaats gegeven heb?
En laten zij de toekomstige dingen, dat wat komen zal, hun bekendmaken.
8Wees niet angstig en wees niet bevreesd.
Heb Ik het u van toen af niet doen horen en bekendgemaakt?
Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God buiten Mij?
Er ís geen [andere] rots, Ik ken er geen.
herhaalt de HEERE wat Hij ook al eerder heeft gezegd (Js 41:22-2322Laten zij naar voren brengen en ons bekendmaken
de dingen die zullen gebeuren.
De dingen van vroeger – wat waren ze? Maak het bekend,
en wij zullen het ter harte nemen
en het einde ervan weten,
of doe ons de komende dingen horen.
23Maak de dingen bekend die hierna zullen komen,
en wij zullen weten dat u goden bent.
Doe tenminste iets, goed of kwaad,
en wij zullen verschrikt zijn en het tezamen inzien.
; 43:9-109Laten alle heidenvolken samenkomen
en de volken zich verzamelen.
Wie onder hen kan dit verkondigen?
Of laten zij ons de dingen van vroeger doen horen.
Laten zij hun getuigen naar voren brengen, opdat zij in het gelijk gesteld worden,
en men zal horen en zeggen: Het is de waarheid!
10U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,
opdat u het weet en Mij gelooft,
en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:
vóór Mij is er geen God geformeerd
en na Mij zal er geen zijn.
)
. Er is maar één God, de Eerste en de Laatste, de ene ware God van het verleden, Die in staat is om de toekomst te bepalen en dus ook te verkondigen. Opnieuw spreekt Hij de uitdaging uit of er iemand is die dingen kan verkondigen of verklaren zoals Hij dat doet, en dat in geregelde orde. Hij heeft dat Zelf wel gedaan sinds Hij “een eeuwig volk een plaats gegeven” heeft. Hij heeft profeten onder hen verwekt die “de toekomstige dingen, dat wat komen zal”, hebben verkondigd. Laat de goden en profeten van de heidenvolken zulke dingen maar eens verklaren.

Geen god van de heidenen kan deze uitdaging beantwoorden. Daarom kan Israël vrij van angst zijn en op God vertrouwen, naast Wie er geen andere is. Ondanks alle aanvallen van de satan zijn zij getuigen van Wie Hij is en van het onveranderlijke karakter van Zijn raadsbesluiten. Waarom zouden ze verschrikt zijn en vrezen als Hij hun Rots is (Dt 32:4,15,18,30,314Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.15Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
18De Rots Die u verwekt heeft, hebt u veronachtzaamd,
en u hebt de God Die u gebaard heeft, vergeten.30Hoe zou één [man] er duizend kunnen achtervolgen,
en twee [mannen] er tienduizend laten vluchten,
tenzij hun Rots hen verkocht
en de HEERE hen uitleverde?
31Want hun rots is niet zoals onze Rots,
zelfs onze vijanden kunnen [hierover] oordelen.
; 1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.))
? De rots stelt onbeweeglijkheid, kracht en bescherming voor.

Laten wij, die Hij als Zijn getuigen hier heeft gelaten, daar onze steun in vinden. De dingen om ons heen zijn in beweging en onzeker. Alles verandert, regeringen wisselen, maar Hij blijft Dezelfde (Hb 1:1212en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’.; 13:88Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.).


De afgoden bespot

9De makers van beelden, allen zijn zij leegheid,
hun geliefde voorwerpen doen geen nut.
Ja, zijzelf zijn hun getuigen: zij zien niet
en zij weten niet. Daarom zullen zij beschaamd worden.
10Wie maakt er [nu] een god en giet een beeld
dat geen nut doet?
11Zie, al hun metgezellen zullen beschaamd worden,
want vaklieden zijn slechts mensen.
Laten zij bijeenkomen, laten zij allen opstaan;
zij zullen angstig zijn, samen zullen zij beschaamd worden.
12De ijzersmid [smeedt] een bijl,
werkt in de vuurgloed,
vormt het [beeld] met hamers,
bewerkt het met zijn sterke arm;
hij lijdt zelfs honger en heeft geen kracht meer,
hij drinkt geen water en raakt afgemat.
13De timmerman spant een meetlint uit,
tekent het [hout] af met een krijtstift,
maakt het [glad] met schaven,
tekent het af met een passer
en maakt het naar de vorm van een man,
naar de schoonheid van een mens, om het in een huis te laten wonen.
14Hij hakt voor zichzelf ceders om,
neemt een cipres of een eik,
en kweekt [die] voor zichzelf op tussen de bomen van het woud;
hij plant een olm en de regen maakt [die] groot.
15Ze dienen de mens tot brandhout,
hij neemt ervan en warmt zich erbij,
hij steekt het ook aan en bakt brood.
Ook maakt hij er een god van en buigt zich [ervoor],
hij maakt er een gesneden beeld van en knielt ervoor neer.
16De helft ervan verbrandt hij in het vuur.
Bij die helft eet hij vlees,
braadt een braadstuk en wordt verzadigd.
Ook warmt hij zich en zegt: Ha,
ik word warm, ik zie vuur!
17Van de rest ervan maakt hij een god, zijn gesneden beeld.
Hij knielt ervoor neer, buigt zich,
bidt het aan en zegt:
Red mij, want u bent mijn god.
18Zij weten niet en begrijpen niet,
want hun ogen zijn dichtgesmeerd, zodat zij niet zien,
[en] hun harten, zodat zij niet begrijpen.
19Niemand neemt het ter harte,
er is geen kennis en geen inzicht om te zeggen:
De helft ervan heb ik verbrand in het vuur,
ook heb ik brood gebakken op de houtskool ervan,
ik heb vlees gebraden en gegeten –
en zou ik van het overgebleven [hout] iets gruwelijks maken,
zou ik knielen voor een stuk hout?
20Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem op een dwaalspoor gebracht,
zodat hij zijn ziel niet redden kan en niet kan zeggen:
Is er geen bedrog in mijn rechterhand?

De hele boodschap van het voorgaande gedeelte is: ‘Vertrouw op Mij, de Rots, en niet op de afgoden.’ Steeds is het volk geneigd maar weer te gaan vertrouwen op de afgoden van de volken. In dit licht volgt in deze verzen in bloemrijke taal een van de treffendste van alle Goddelijke protesten tegen de afgoden en hun makers (vgl. Jr 10:1-161Hoor het woord dat de HEERE tot u spreekt, huis van Israël.2Zo zegt de HEERE:
U mag u de weg van de heidenvolken niet aanleren,
en u niet ontstellen door de tekenen aan de hemel,
omdat de heidenvolken zich daardoor ontstellen.
3Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig:
het is immers een stuk hout, [iemand] heeft het uit het bos gekapt,
vakwerk met de bijl.
4Met zilver en met goud maken ze het mooi,
met spijkers en met hamers zetten ze het vast,
zodat het niet kan wiebelen.
5Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet.
Ze moeten helemaal gedragen worden, want ze kunnen geen stap verzetten.
Wees niet bevreesd voor hen, want kwaad kunnen ze niet doen,
maar ook goeddoen is er bij hen niet bij.6Niemand, HEERE, is U gelijk,
groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte.
7Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?
Want [dat] komt U toe.
Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken
en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.
8In één ding zijn zij toch dom en dwaas:
onderwijs in onzinnigheid, hout is het!
9Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz;
werk van een vakman, en van de handen van een edelsmid
– blauwpurper en roodpurper is hun gewaad –
alles is het werk van kundige [mensen].
10De HEERE God is echter de Waarheid,
Hij is de levende God, een eeuwig Koning.
Voor Zijn grote toorn beeft de aarde,
de heidenvolken kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
11Dit moet u tegen hen zeggen:
De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben,
die zullen van de aarde en van onder deze hemel vergaan.
12Hij maakte de aarde door Zijn kracht,
grondvestte de wereld door Zijn wijsheid,
Hij heeft de hemel door Zijn inzicht uitgespannen.
13Als Hij Zijn stem laat klinken, [dan] is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
14Ieder mens is dom geworden, zonder kennis,
elke edelsmid is beschaamd over [zijn] beeld.
Zijn gegoten beeld is immers bedrog:
er zit in hen geen adem.
15Nietig zijn zij,
bespottelijk werk,
ten tijde van hun vergelding zullen zij vergaan.
16[Maar] het Deel van Jakob is niet als zij,
want Hij is Formeerder van alles,
en Israël is de stam [die] Zijn eigendom is,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
.

Er zijn twee dingen op te merken bij het onderwerp ‘afgoden’. Het ene is dat achter de afgoden demonen schuilgaan (Dt 32:17a17Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God;
aan goden die zij niet kenden,
aan nieuwe [goden], die kortgeleden gekomen zijn,
voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben.
; 1Ko 10:19-2019Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?20[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.; Op 9:2020En de overigen van de mensen, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich zelfs niet van de werken van hun handen, dat zij niet aanbaden de demonen en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen kijken, niet horen en niet lopen;)
. Dat betekent dat het dienen van afgoden in werkelijkheid het dienen van demonen is. De beelden stellen concrete demonische machten, engelen van de satan, voor. Dit geldt ook en vooral voor het beeld dat de antichrist zal maken (Op 13:14-1514En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.).

Het andere is dat afgoden ‘niets’ zijn. Het zijn ‘ijdelheden’, ‘nietigheden’, dat wil zeggen ze stellen niets voor. Wie meent dat het beeld, het maaksel van mensenhanden, kan helpen, is een grote dwaas. Wie de hulp zoekt van de afgoden, zal zelf ook in chaos vervallen. Het wijzen op die dwaasheid, het aantonen van de bespottelijkheid ervan, zal voor hem die dat inziet, ook bevrijding uit de macht van de demonen bewerken.

De HEERE maakt die afgoden belachelijk. In tegenstelling tot Israël als Gods getuige geven de afgodsbeelden getuigenis van hun eigen onmacht (vers 99De makers van beelden, allen zijn zij leegheid,
hun geliefde voorwerpen doen geen nut.
Ja, zijzelf zijn hun getuigen: zij zien niet
en zij weten niet. Daarom zullen zij beschaamd worden.
)
. Vanuit dit zelfgetuigenis wordt een vernietigende bespotting over de makers ervan uitgegoten. Wat een dwaasheid is het om je eigen god te fabriceren en daar dan iets van te verwachten (vers 1010Wie maakt er [nu] een god en giet een beeld
dat geen nut doet?
)
. Het is toch voor ieder weldenkend mens duidelijk dat een dood stuk materiaal niets kan bewerken (vers 1111Zie, al hun metgezellen zullen beschaamd worden,
want vaklieden zijn slechts mensen.
Laten zij bijeenkomen, laten zij allen opstaan;
zij zullen angstig zijn, samen zullen zij beschaamd worden.
)
? God schept de mens, maar deze mensen stellen het andersom: de mens schept met verspilling van al zijn krachten een god – een beeld van metaal of van hout – waarvoor hij het materiaal zelf bewerkt (verzen 12-1412De ijzersmid [smeedt] een bijl,
werkt in de vuurgloed,
vormt het [beeld] met hamers,
bewerkt het met zijn sterke arm;
hij lijdt zelfs honger en heeft geen kracht meer,
hij drinkt geen water en raakt afgemat.
13De timmerman spant een meetlint uit,
tekent het [hout] af met een krijtstift,
maakt het [glad] met schaven,
tekent het af met een passer
en maakt het naar de vorm van een man,
naar de schoonheid van een mens, om het in een huis te laten wonen.
14Hij hakt voor zichzelf ceders om,
neemt een cipres of een eik,
en kweekt [die] voor zichzelf op tussen de bomen van het woud;
hij plant een olm en de regen maakt [die] groot.
)
.

Zo is de mens ook vandaag bezig zich een god te creëren naar eigen ‘afmetingen’. Niet de Bijbel is norm, maar de eigen beoordeling. De mens wil een god die aan zijn wensen beantwoordt, die zo handelt als hij voor juist houdt. Aan deze afgoderij maken we ons misschien meer schuldig dan we ons bewust zijn. Een god die alleen liefdevol is en het met het kwaad niet zo nauw neemt, is zo’n god van eigen makelij. Hetzelfde geldt voor een god die alleen kan oordelen en van wie geen medelijden te verwachten is.

God veroordeelt hier Israël, dat zich van zijn Maker heeft afgewend om te vervallen tot het heidense gebruik van afgoden. In de verzen 15-1715Ze dienen de mens tot brandhout,
hij neemt ervan en warmt zich erbij,
hij steekt het ook aan en bakt brood.
Ook maakt hij er een god van en buigt zich [ervoor],
hij maakt er een gesneden beeld van en knielt ervoor neer.
16De helft ervan verbrandt hij in het vuur.
Bij die helft eet hij vlees,
braadt een braadstuk en wordt verzadigd.
Ook warmt hij zich en zegt: Ha,
ik word warm, ik zie vuur!
17Van de rest ervan maakt hij een god, zijn gesneden beeld.
Hij knielt ervoor neer, buigt zich,
bidt het aan en zegt:
Red mij, want u bent mijn god.
zien we hoe hetzelfde stuk hout dient tot het voldoen aan zowel de natuurlijke als de godsdienstige behoeften van een mens. Het toont aan dat de zondige mens in zijn dwaasheid de bevrediging van beide behoeften op dezelfde manier najaagt. Het hele gedeelte staat vol van de activiteit van de mens. Ze werken hard, maar zonder verstand, want ze zijn “verduisterd in hun verstand” (verzen 18-1918Zij weten niet en begrijpen niet,
want hun ogen zijn dichtgesmeerd, zodat zij niet zien,
[en] hun harten, zodat zij niet begrijpen.
19Niemand neemt het ter harte,
er is geen kennis en geen inzicht om te zeggen:
De helft ervan heb ik verbrand in het vuur,
ook heb ik brood gebakken op de houtskool ervan,
ik heb vlees gebraden en gegeten –
en zou ik van het overgebleven [hout] iets gruwelijks maken,
zou ik knielen voor een stuk hout?
; Ef 4:17-1817Dit nu zeg en betuig ik in [de] Heer, dat u niet meer moet wandelen evenals de volken wandelen in [de] vruchteloosheid van hun denken,18verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.)
.

Niemand van hen komt op het idee dat ze met opperste dwaasheid bezig zijn. Ze voeden zich met as, met iets waar alle leven uit verdwenen is, waar niets nuttigs meer in aanwezig is (vers 2020Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem op een dwaalspoor gebracht,
zodat hij zijn ziel niet redden kan en niet kan zeggen:
Is er geen bedrog in mijn rechterhand?
)
. Ze merken niet dat ze zich met bedrog bezighouden. Het is duidelijk dat bidden tot deze beelden, die makelij van mensenhanden zijn, ijdel en nutteloos is.

Het is ermee als met zoveel mensen vandaag die zich ook gewillig door horoscopen en occultisme laten bedriegen, liever dan met de waarheid in aanraking te komen. Ze vragen zich eenvoudig niet af of het ook bedrog zou kunnen zijn. Als ze niet tot bekering komen, zullen ze hun leven niet redden en reddeloos en voor eeuwig verloren gaan.

Het gevaar van afgoderij is ook niet beperkt tot ongelovigen, want ook gelovigen worden gewaarschuwd voor dit gevaar: “Kinderen, wacht u voor de afgoden” (1Jh 5:2121Kinderen, wacht u voor de afgoden.). Naast beeldendienst zijn er nog veel zaken die de plaats van de enige ware God kunnen innemen, bijvoorbeeld de Mammon, de god van het geld (Mt 6:2424Niemand kan twee heren dienen, want hij zal òf de een haten en de ander liefhebben, òf zich aan de een hechten en de ander verachten. U kunt niet God dienen en Mammon.). Daarom klinkt de oproep de geldzucht te ontvluchten (1Tm 6:10-1110Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.11Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, Godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.).


De HEERE vergeet Zijn volk niet

21Denk aan deze dingen, Jakob,
Israël, want u bent Mijn dienaar.
Ik heb u geformeerd, u bent Mijn dienaar,
Israël, u zult door Mij niet vergeten worden.
22Ik delg uw overtredingen uit als een nevel,
en uw zonden als een wolk.
Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost.
23Zing vrolijk, hemel, want de HEERE heeft het gedaan!
Juich, diepten van de aarde!
Breek uit, bergen, in gejuich,
bossen en elke boom daarin!
Want de HEERE heeft Jakob verlost
en Zich verheerlijkt in Israël.

Dan komen vanaf vers 2121Denk aan deze dingen, Jakob,
Israël, want u bent Mijn dienaar.
Ik heb u geformeerd, u bent Mijn dienaar,
Israël, u zult door Mij niet vergeten worden.
, na de activiteiten van de mens in de vorige verzen, de activiteiten van de HEERE. Hij herinnert Zijn volk eraan in gedachten te houden dat Hij, de HEERE, de enige ware God is en dat de afgoden nietigheden zijn. Hij baseert Zijn vermaning op de feiten dat zij hun bestaan als volk te danken hebben aan Zijn bovennatuurlijke werkzaamheid en dat zij als Zijn volk Zijn “dienaar” zijn. Dit tweede feit is een direct contrast met de afgodische slaven van een stuk hout van een boom, als in de vorige verzen beschreven.

Dat brengt Gods hart tot een uiting van oneindige genade. Zijn volk zal niet door Hem worden vergeten. Hij zal hun overtredingen wegvagen als een nevel en hun zonden als een wolk (vers 2222Ik delg uw overtredingen uit als een nevel,
en uw zonden als een wolk.
Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost.
)
. Laten zij tot Hem terugkeren, want Hij heeft hen toch verlost?! Het woord voor ‘uitdelgen’ wordt gebruikt voor het uitdelgen van
1. een naam uit een boek (Ex 32:32-3332Nu dan, of U toch hun zonden wilde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt.33Toen zei de HEERE tegen Mozes: Wie tegen Mij zondigt, zal Ik uit Mijn boek schrappen.; Ps 69:2929Laat hen uitgewist worden uit het boek des levens,
laat hen bij de rechtvaardigen niet opgeschreven worden.
)
;
2. een vloek (Nm 5:2323Daarna moet de priester deze vervloekingen op een briefje schrijven, en hij moet het in het bittere water uitwissen.);
3. de gedachtenis aan een volk (Dt 25:1919Als de HEERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden van rondom, in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het [zó] zijn dat u de gedachtenis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!);
4. zonde of zonden (Ne 4:55Bedek hun ongerechtigheid niet en laat hun zonde niet uitgewist worden van voor Uw aangezicht, want zij hebben [U] getergd tegenover de bouwers.; Ps 51:1,91Een psalm van David, voor de koorleider;9Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn,
was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.
; 109:1414Laat de ongerechtigheid van zijn vaderen bij de HEERE in gedachtenis blijven,
de zonde van zijn moeder niet worden uitgedelgd.
; Jr 18:2323Maar U, HEERE, U kent
heel hun plan tegen mij om [mij] te doden.
Doe geen verzoening over hun ongerechtigheid,
delg hun zonde van voor Uw aangezicht niet uit.
Doe hen struikelen voor Uw aangezicht.
Doe [zo] met hen in de tijd van Uw toorn.
; Js 43:2525Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.
; 44:2323Zing vrolijk, hemel, want de HEERE heeft het gedaan!
Juich, diepten van de aarde!
Breek uit, bergen, in gejuich,
bossen en elke boom daarin!
Want de HEERE heeft Jakob verlost
en Zich verheerlijkt in Israël.
)
.

Overtredingen en zonden worden hier duidelijk gezien als zaken die scheiding brengen tussen God en de mens (Js 59:22Maar uw ongerechtigheden maken scheiding
tussen u en uw God,
uw zonden doen [Zijn] aangezicht voor u verborgen zijn,
zodat Hij [u] niet hoort.
)
. Alleen de zuivering door Zijn wind (Jb 37:2121Nu ziet men het licht niet,
het schijnt in de wolken,
[maar] als de wind langsgaat, zuivert hij die.
)
en de zonneschijn van Zijn genade verdrijft de wolk. Alle verwijdering van schuld is alleen mogelijk door het bloed van Christus. Zijn werk ligt ten grondslag aan de toezeggingen die hier worden gedaan door de HEERE. Het onderwerp is hier herstel, het weer tot stand komen van gemeenschap, wat tot uiting komt in de uitnodiging: “Keer tot Mij terug.”

De verzen 21-2221Denk aan deze dingen, Jakob,
Israël, want u bent Mijn dienaar.
Ik heb u geformeerd, u bent Mijn dienaar,
Israël, u zult door Mij niet vergeten worden.
22Ik delg uw overtredingen uit als een nevel,
en uw zonden als een wolk.
Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost.
bevatten een zeer weldadige verzekering van de verlossing in het verleden, een belofte van het zich te zullen herinneren in de toekomst en een uitnodiging terug te keren tot de gemeenschap met God die ze in het verleden hadden. Met het oog op die heerlijke uitspraken wordt in een danklied de hele schepping opgeroepen tot vreugdebetoon en om te delen in de gevolgen van de vergeving van Israël (vers 2323Zing vrolijk, hemel, want de HEERE heeft het gedaan!
Juich, diepten van de aarde!
Breek uit, bergen, in gejuich,
bossen en elke boom daarin!
Want de HEERE heeft Jakob verlost
en Zich verheerlijkt in Israël.
)
. De schepping zal ook worden vrijgemaakt van de vloek die er door de zonde op is komen te liggen (Rm 8:2121in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.). Vrijheid zal het kenmerk van de heerlijkheid zijn. Het wezen van de heerlijkheid die door de naties zal worden genoten, ligt hierin dat de HEERE Zichzelf in Israël zal verheerlijken. In de komende gedeelten wordt deze gedachte verder toegelicht.


De HEERE belooft herstel

24Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,
Uw Formeerder van de [moeder]schoot af:
Ik ben de HEERE, Die alles doet:
Die de hemel uitspant, Ik alleen,
Die de aarde uitspreidt door Mijzelf;
25Die de tekenen van hen die leugens verzinnen verbreekt,
Die de waarzeggers waanzinnig maakt;
Die de wijzen doet terugdeinzen,
Die hun kennis tot dwaasheid maakt;
26Die het woord van Zijn knecht gestand doet,
en de raad van Zijn boden volbrengt;
Die tegen Jeruzalem zegt: U zult bewoond worden,
en tegen de steden van Juda: U zult herbouwd worden,
en: Ik doe hun puinhopen herrijzen;
27Die tegen de diepte zegt: Word droog,
uw rivieren zal Ik doen opdrogen;
28Die over Kores zegt: Hij is Mijn herder,
en hij zal al Mijn welbehagen volbrengen,
door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd,
en [tegen] de tempel: Word gegrondvest.

De Verlosser van Israël, Die Zijn aardse volk vanaf hun bestaan heeft geformeerd voor hun aardse bestaan, is de HEERE Die alles gemaakt heeft (vers 2424Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,
Uw Formeerder van de [moeder]schoot af:
Ik ben de HEERE, Die alles doet:
Die de hemel uitspant, Ik alleen,
Die de aarde uitspreidt door Mijzelf;
)
. Hij heeft Zijn volk geformeerd, maar ook hemel en aarde. Hij kan en wil Israël ook verlossen. Deze verlossing wordt nu toegelicht. Jeruzalem wordt herbouwd en Babel wordt geoordeeld. Deze toelichting begint met “zo zegt de HEERE” als aanduiding van een nieuw gedeelte.

Vers 2525Die de tekenen van hen die leugens verzinnen verbreekt,
Die de waarzeggers waanzinnig maakt;
Die de wijzen doet terugdeinzen,
Die hun kennis tot dwaasheid maakt;
slaat op de Babylonische waarzeggers. Misschien dat de Joden die daar leven ook wel eens in de verleiding komen deze waarzeggers te vragen hoe het allemaal zal gaan. De HEERE zal die weg afsnijden. Hij rekent met deze waarzeggers af met dezelfde macht als waarmee Hij hemel en aarde schiep en maakt hun zogenaamde kennis tot dwaasheid (vgl. 1Ko 1:20b20Waar is [de] wijze? Waar [de] schriftgeleerde? Waar [de] redetwister van deze eeuw? Heeft God niet de wijsheid van de wereld tot dwaasheid gemaakt?). De HEERE is de Enige Die de toekomst werkelijk voorzegt (Js 41:21-2921Kom naderbij [met] uw aanklacht,
zegt de HEERE,
kom [maar] naar voren met uw bewijzen,
zegt de Koning van Jakob.
22Laten zij naar voren brengen en ons bekendmaken
de dingen die zullen gebeuren.
De dingen van vroeger – wat waren ze? Maak het bekend,
en wij zullen het ter harte nemen
en het einde ervan weten,
of doe ons de komende dingen horen.
23Maak de dingen bekend die hierna zullen komen,
en wij zullen weten dat u goden bent.
Doe tenminste iets, goed of kwaad,
en wij zullen verschrikt zijn en het tezamen inzien.
24Zie, u bent minder dan niets,
en uw werk is minder dan een nietig ding;
een gruwel is hij die voor u kiest.25Ik doe [iemand] opstaan uit het noorden en hij zal komen:
vanwaar de zon opkomt zal hij Mijn Naam aanroepen;
Hij zal komen, de machthebbers als leem [vertreden]
en zoals een pottenbakker klei treedt.
26Wie heeft het van het begin af verkondigd, zodat wij het kunnen weten,
of van tevoren, dat wij kunnen zeggen: Het is terecht?
Maar er is niemand die het verkondigt, ook niemand die [iets] horen doet,
ook niemand die uw woorden hoort.
27[Ik,] de Eerste, [zeg] tegen Sion: Zie, zie ze [daar]!
en tegen Jeruzalem: Ik zal een [Vreugde]bode geven.
28Want Ik zag toe, maar er was niemand,
zelfs niet onder dezen, er was geen raadsman,
dat Ik hun [iets] zou vragen en zij Mij antwoord zouden geven.
29Zie, zij allen zijn nietigheid,
hun werken zijn niets,
hun gegoten beelden zijn wind en leegte.
)
, terwijl de waarzeggers worden ontmaskerd als bedenkers van leugens.

De HEERE verandert de wijsheid van de wereld in dwaasheid, terwijl Hij het woord van Zijn knecht gestand doet en de aankondiging van Zijn boden volvoert (vers 2626Die het woord van Zijn knecht gestand doet,
en de raad van Zijn boden volbrengt;
Die tegen Jeruzalem zegt: U zult bewoond worden,
en tegen de steden van Juda: U zult herbouwd worden,
en: Ik doe hun puinhopen herrijzen;
; 1Ko 1:21-2221Want daar in de wijsheid van God de wereld niet door de wijsheid tot kennis van God is gekomen, heeft het God behaagd door de dwaasheid van de prediking te behouden hen die geloven.22Immers, Joden begeren tekenen en Grieken zoeken wijsheid,)
. Laten wij, aan wie de boodschap van het evangelie is toevertrouwd, hieruit frisse moed putten. Te midden van godsdienstig bijgeloof en verschillende vormen van tegenstand weten wij dat Zijn Woord niet leeg tot Hem zal terugkeren (Js 55:1111zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat:
het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren,
maar het zal doen wat Mij behaagt,
en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend.
)
. Israël is hier de trouwe knecht, evenals alle trouwe profeten door wie God Zijn boodschap aan Zijn volk en aan de volken geeft. De knecht is ook nu degene door wie God spreekt. Als Zijn Woord getrouw wordt doorgegeven, zal Hij dat gestand doen, omdat het Zijn Woord is.

Om Zijn Woord ten aanzien van Zijn volk in vervulling te laten gaan doet Hij de rivieren van Babylon opdrogen (vers 2727Die tegen de diepte zegt: Word droog,
uw rivieren zal Ik doen opdrogen;
)
. Opnieuw (Js 41:2,252Wie heeft vanwaar [de zon] opkomt de rechtvaardige doen opstaan,
hem geroepen om te gaan?
[Wie] heeft heidenvolken aan hem overgeleverd
en doet hem koningen vertreden?
[Wie] heeft [hen] als stof overgeleverd aan zijn zwaard,
als wegwaaiende stoppels aan zijn boog?
25Ik doe [iemand] opstaan uit het noorden en hij zal komen:
vanwaar de zon opkomt zal hij Mijn Naam aanroepen;
Hij zal komen, de machthebbers als leem [vertreden]
en zoals een pottenbakker klei treedt.
)
wordt koning Kores bij name genoemd, zo’n honderdzestig jaar vóór zijn optreden. Dit is een bewijs dat alleen Hij, de enige ware God, Die hemel en aarde geschapen heeft, ertoe in staat is die vooraankondiging te doen.

Wat Kores zal doen in het droogleggen van de rivieren van Babel om het in te nemen, daartoe ontvangt hij van de HEERE het inzicht. Hierdoor krijgt hij de gelegenheid om de ondergang van Babel te bewerken en Jeruzalem te herstellen (vers 2828Die over Kores zegt: Hij is Mijn herder,
en hij zal al Mijn welbehagen volbrengen,
door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd,
en [tegen] de tempel: Word gegrondvest.
)
. De HEERE noemt Kores “Mijn herder” omdat hij hierin als werktuig in Zijn hand, hoe zwak ook, een beeld is van de Heer Jezus, Die op volmaakte en definitieve wijze Zijn volk zal bevrijden en zal invoeren in de zegen.


Lees verder