Jesaja
1-7 De liefhebbende God 8-13 Niemand is met God te vergelijken 14-15 Het instrument tot verlossing 16-21 Een weg voor Gods volk 22-25 Israël en zijn ongerechtigheden 26-28 Waarom het oordeel moet komen
De liefhebbende God

1Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
2Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
3Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.
4Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,
bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.
Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats
en volken in plaats van uw ziel.
5Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.
7Ieder die genoemd is naar Mijn Naam,
die heb Ik tot Mijn eer geschapen, die heb Ik geformeerd, ja, die heb Ik gemaakt.

Met de woorden “maar nu” gaat de HEERE ineens van het oordeel over naar de troost (vers 11Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
)
. Deze uitdrukking is typerend voor Jesaja, hij gebruikt hem vijftien keer, en ook voor Jeremia, die hem twaalf keer gebruikt. De HEERE verlaat Zijn klacht over de verblinde, verharde en onbekeerlijke toestand van Israël om Zijn handelingen in verbinding met Zijn verbond in verleden, heden en toekomst te ontvouwen. In deze en de volgende verzen komt het Goddelijke “Ik” rond de vijfendertig keer voor, wat sterke nadruk legt op het persoonlijk handelen van God.

Die handelingen zijn allemaal gebaseerd op Zijn scheppingsmacht en Zijn verlossende genade. Voor ons, die staan in de vervulling van het verzoenend offer van Christus en de bediening daarvan aan ons door Zijn Heilige Geest, zijn Gods onherroepelijke zekerheden en beloften in dit gedeelte dubbel kostbaar.

Het handelen van God wordt in de verzen 1-71Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
2Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
3Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.
4Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,
bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.
Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats
en volken in plaats van uw ziel.
5Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.
7Ieder die genoemd is naar Mijn Naam,
die heb Ik tot Mijn eer geschapen, die heb Ik geformeerd, ja, die heb Ik gemaakt.
chiastisch weergegeven. Chiasme is een Hebreeuwse dichtvorm die een symmetrisch spiegelbeeld geeft met nadruk op het middelste gedeelte. De chiastische structuur in deze verzen is als volgt:

a. Vers 11Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.

   b. Vers 22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.

      c. Vers 33Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.

      c. Vers 44Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,
bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.
Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats
en volken in plaats van uw ziel.

   b. Verzen 5-65Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.

a. Vers 77Ieder die genoemd is naar Mijn Naam,
die heb Ik tot Mijn eer geschapen, die heb Ik geformeerd, ja, die heb Ik gemaakt.

1. Het eerste en het laatste deel van dit gedicht, vers 11Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
en vers 77Ieder die genoemd is naar Mijn Naam,
die heb Ik tot Mijn eer geschapen, die heb Ik geformeerd, ja, die heb Ik gemaakt.
(2xa.)
, maken duidelijk dat Israël vanwege zijn speciale band met God Zijn genade zal ervaren. Hij is zijn Schepper en zal hem dus nooit verlaten.
2. Vers 22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
en de parallelle verzen 5-65Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.
(2x b.) geven de bemoediging te mogen weten dat geen macht ooit het uitverkoren volk zal kunnen verdelgen.
3. Ten slotte maken vers 33Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.
en vers 44Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,
bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.
Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats
en volken in plaats van uw ziel.
(2x c.) als middelpunt duidelijk hoe kostbaar Israël is voor God. God zal altijd de losprijs betalen die nodig is om Zijn volk te verlossen. Wat een bemoediging!

De verandering van rechtvaardige verontwaardiging naar liefdevolle vertroosting en vertroostende beloften en verzekeringen is buitengewoon betekenisvol. Het laat zien dat het herstel niet kan worden bewerkt door enige verdienstelijke inspanning van de kant van het dwalende volk. Aan hun verschrikkelijke nood kan alleen worden tegemoetgekomen door Goddelijke genade.

De liefde van God is niet sentimenteel. Zijn liefde wordt nooit uitgeoefend ten koste van Zijn heiligheid en gooit het nooit op een akkoordje met Zijn gerechtigheid. De liefde die kastijdt, is van eerdere datum dan de kastijding. Hij heeft Zijn volk lief, voordat het afdwaalt waardoor Zijn kastijding nodig wordt.

In Zijn liefde heeft de HEERE hen geschapen. De uitdrukkingen die hier worden gebruikt, brengen ons terug naar de schepping (Gn 1:11In het begin schiep God de hemel en de aarde.; 2:4-74Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam, toen zij geschapen werden. Op de dag dat de HEERE God aarde en hemel maakte –5er was nog geen enkele veldstruik op de aarde en er was nog geen enkel veldgewas opgekomen, want de HEERE God had het niet laten regenen op de aarde; en er was geen mens om de aardbodem te bewerken,6maar een damp steeg uit de aarde op en bevochtigde heel de aardbodem –7toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.). Dit maakt duidelijk dat dezelfde God Die de hemel en de aarde geschapen heeft, ook het volk Israël heeft geformeerd. Diezelfde God wil nu Zijn barmhartigheid betonen. Het ontstaan van Israël is een bovennatuurlijke handeling naar aanleiding van een voorgenomen raadsbesluit. Ook heeft Hij hen in Zijn liefde geformeerd.

Dit is een bovennatuurlijk proces dat Hij Zich eveneens had voorgenomen en waarvan Hij getuigt in Zijn handelingen met de aartsvaders en het nageslacht van Jakob. In Zijn liefde heeft Hij hen ook verlost. Steeds weer heeft Hij het volk eraan herinnerd dat niets anders dan Zijn directe macht hen uit Egypte heeft verlost. Ten slotte heeft Hij hen in Zijn liefde geroepen bij hun naam.

Het roepen bij de naam heeft in de Schrift de gedachte aan tederheid die zich verheugt in het bezit van de geroepene. Zo heeft Hij Zijn eigen schapen bij hun naam geroepen en uitgeleid (Jh 10:33Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten.). Schepping, verlossing en roeping zijn ook ons deel. Wij zijn geschapen in Christus Jezus (Ef 2:1010Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.), verlost door Zijn bloed (Ef 1:77in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,) en geroepen door Zijn genade (Gl 1:1515Maar toen het God, Die mij vanaf [de] schoot van mijn moeder afgezonderd en door Zijn genade geroepen heeft, behaagde). De bemoediging “wees niet bevreesd” is gebaseerd op de bewijzen van Gods barmhartigheid in het verleden.

De HEERE belooft hun Zijn tegenwoordigheid als zij door wateren en rivieren gaan, wat herinnert aan hun gaan door de Rode Zee en de Jordaan (vers 22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
)
. Vervolgens verzekert Hij hen ervan dat Hij bij hen zal zijn als ze door het vuur van de ballingschap (Js 42:2525Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn
en het geweld van de oorlog.
Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op;
het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.
)
en de grote verdrukking gaan (vgl. Dn 3:2525Hij antwoordde en zei: Zie, ik zie vier mannen midden in het vuur vrij rondlopen! Zij hebben geen letsel en de aanblik van de vierde lijkt op [die van] een zoon van de goden.; Ps 66:1212U had de sterveling over ons hoofd doen rijden.
Wij waren in het vuur en in het water gekomen,
maar U hebt ons uitgeleid naar de overvloed.
)
.

In dit verband spreekt water voor ons van gevaren die voortkomen uit omstandigheden van het dagelijkse leven, beproevingen van het geloof in de gewone dingen van het leven. Vuur spreekt van vervolging. Beide vormen kunnen in het leven van de gelovige voorkomen. Het zijn hindernissen die we op ons pad tegenkomen om ons in onze weg te blokkeren, maar waar de Heer ons doorheen helpt.

Het is Gods voornemen om de vrees uit ons hart te bannen en ons geloof te versterken door alles wat vervat is in de verzekering: “Want Ik ben de HEERE, uw God” (vers 33Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.
)
. Deze namen spreken van Zijn majesteit en de grootheid van Zijn oneindig Wezen en Zijn almachtige kracht. Hij is hun Verlosser. Maar als Hij hen verlost, doet Hij dat ook als “de Heilige van Israël”. Nooit handelt Hij in strijd met Zijn heiligheid en gerechtigheid; integendeel, Zijn handelen vloeit daaruit voort.

Voor de verlossing van Zijn volk betaalt Hij met andere volken. Als Kores Zijn volk laat gaan, geeft Hij hem er andere volken voor in de plaats. “Een goddeloze is losgeld voor de rechtvaardige” (Sp 21:1818Een goddeloze is losgeld voor de rechtvaardige,
en de trouweloze [komt] in de plaats van de oprechten.
)
. Daarvoor moet Israël wel eerst rechtvaardig voor God staan. Hoe God dat bewerkt, zien we in de volgende hoofdstukken. Nooit zal Hij iemand iets schuldig zijn. Hij handelt zo ten gunste van Zijn volk omdat dit volk kostbaar is in Zijn ogen (vers 44Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,
bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.
Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats
en volken in plaats van uw ziel.
)
. Hij schat het hoog in en heeft het lief boven andere volken. De gebruikte taal hier is die van een bruidegom tot zijn bruid.

Wat de HEERE doet, is een daad van pure genade, want het volk heeft het niet verdiend. Het is in zichzelf niet beter dan andere volken. Zo mogen we ook aan onszelf denken. We zijn “gerechtvaardigd” en “aangenaam gemaakt” voor God. Dat zijn we niet in onszelf, maar “in de Geliefde” (Ef 1:6b6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). De Vader heeft ons lief, zoals Hij de Zoon liefheeft (Jh 17:2323Ik in hen en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn tot een, opdat de wereld erkent dat U Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad zoals U Mij hebt liefgehad.).

De verzen 5-65Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.
geven aan dat de HEERE Zijn volk vanuit alle windstreken zal verzamelen en hen in Zijn land zal brengen. Dit zal in de eindtijd gebeuren. De heidenvolken ten noorden en ten zuiden van Israël gebiedt Hij om hen, die Hij “Mijn zonen” en “Mijn dochters” noemt, vanuit de uiterste plaatsen naar Zijn land terug te brengen. Als reden voor dit handelen herhaalt Hij de vertroostende boodschap van vers 11Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
.

Hij vereenzelvigt Zich met hen door over hen te spreken als “ieder die genoemd is naar Mijn Naam” (vers 77Ieder die genoemd is naar Mijn Naam,
die heb Ik tot Mijn eer geschapen, die heb Ik geformeerd, ja, die heb Ik gemaakt.
)
. Het ziet zowel op identificatie in karakter met Hem Zelf als op bezit van Hem om Zijn heerlijkheid en genade tentoon te spreiden. Ze vormen Zijn bezit om Zijn eer uit te stralen.

Hij heeft hen “geschapen” in een daad van macht waardoor Hij hen als volk heeft doen ontstaan. Dat Hij hen heeft “geformeerd”, ziet op het proces van Zijn genade om wat Hij heeft geschapen zo te veranderen, dat het Zijn heerlijkheid weerspiegelt. Hij heeft hen ook “gemaakt” tot wat ze zijn, wat ziet op de voltooiing van Zijn Goddelijk werk. In deze drie handelingen zit een climax: scheppen, formeren, voleinden.

Deze drie aspecten zijn ook van toepassing op ons, christenen. Ze brengen de wonderen van Gods raadsbesluiten en macht en de rijkdom van Zijn genade tot uitdrukking. Hij heeft ons geschapen in Christus, Hij verandert ons door de werkzame kracht van de Heilige Geest en zal ons volmaken bij de komst van de Heer.


Niemand is met God te vergelijken

8Laat het volk dat blind is, al heeft het ogen,
en de doven, al hebben zij oren, uittrekken.
9Laten alle heidenvolken samenkomen
en de volken zich verzamelen.
Wie onder hen kan dit verkondigen?
Of laten zij ons de dingen van vroeger doen horen.
Laten zij hun getuigen naar voren brengen, opdat zij in het gelijk gesteld worden,
en men zal horen en zeggen: Het is de waarheid!
10U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,
opdat u het weet en Mij gelooft,
en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:
vóór Mij is er geen God geformeerd
en na Mij zal er geen zijn.
11Ik, Ik ben de HEERE,
buiten Mij is er geen Heiland.
12Ík heb verkondigd en Ik heb verlost, en Ik heb [het] doen horen,
en er was geen vreemde [god] onder u.
U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
dat Ik God ben.
13Ook voor de dag er was, ben Ik,
en er is niemand die uit Mijn hand kan redden.
Ik zal werken, en wie zal het keren?

Het bevel in vers 88Laat het volk dat blind is, al heeft het ogen,
en de doven, al hebben zij oren, uittrekken.
wordt niet gegeven om Israël uit ballingschap terug te brengen. Dat is het geval in vers 55Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
. Hier is het een algemene opdracht aan de volken om Zijn volk te laten gaan. Het volk is dan niet langer blind en doof (vgl. Js 42:1818Doven, hoor!
Blinden, kijk en zie!
)
.

De heidenvolken worden vergaderd in een rechtszitting (vers 99Laten alle heidenvolken samenkomen
en de volken zich verzamelen.
Wie onder hen kan dit verkondigen?
Of laten zij ons de dingen van vroeger doen horen.
Laten zij hun getuigen naar voren brengen, opdat zij in het gelijk gesteld worden,
en men zal horen en zeggen: Het is de waarheid!
)
. Voordat zij de rijkdom van het vrederijk zullen kunnen genieten, zullen zij gebracht moeten worden tot de erkenning van de feiten aangaande de ware God, in tegenstelling tot hun afgoden en bijgeloof. De uitdaging luidt dat de volken maar hun getuigen naar voren brengen, opdat zij gerechtvaardigd worden. Die zijn er natuurlijk niet. Het enige alternatief is de erkenning, “het is de waarheid” dat er maar één ware en levende God is.

In vers 1010U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,
opdat u het weet en Mij gelooft,
en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:
vóór Mij is er geen God geformeerd
en na Mij zal er geen zijn.
verklaart de HEERE dat het volk Israël Zijn “getuigen” zijn (vgl. Js 44:88Wees niet angstig en wees niet bevreesd.
Heb Ik het u van toen af niet doen horen en bekendgemaakt?
Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God buiten Mij?
Er ís geen [andere] rots, Ik ken er geen.
)
. Het volk is altijd Zijn getuige geweest aangaande het bestaan van de HEERE, maar als zij hersteld zijn, zullen zij zowel getuige als dienaar zijn. Zij getuigen van de niet begonnen en zelfstandig bestaande natuur van Zijn Wezen. “Dat Ik Dezelfde ben” of ‘Ik ben Hij’ is de verklaring dat Hij exclusief en eeuwig in het verleden en de toekomst God is.

We zien hier ook het wonder dat een blinde en dove dienaar als getuige geroepen kan worden in deze hemelse rechtszaal. Dit is een aanwijzing dat God een wonder gaat verrichten aan deze dienaar. Aan ons is dit wonder gebeurd, waardoor de Heer tegen ons zegt: “U zult Mijn getuigen zijn” (Hd 1:88Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als <in> heel Judéa en Samaria en tot aan [het] einde van de aarde.).

Omdat Zijn Wezen geen begin en geen einde heeft, is de gedachte aan een ander wezen los van Hem met kenmerken van een godheid een tegenspraak in zichzelf. Hoe leeg en nutteloos zijn dan ook de pogingen van de heidenen om aan te tonen dat de voorwerpen van hun aanbidding ware goden zijn. En dat niet alleen, maar hoe volkomen gedoemd tot falen zal de poging van de mens van de zonde zijn om de onder hem staande volken te dwingen hem als God te vereren (2Th 2:33Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,). Het oordeel over deze godslasterlijke arrogantie zal door de Zoon van God Zelf worden voltrokken (2Th 2:88En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst;).

De tweede verklaring dat Zijn aardse volk Zijn getuigen zijn, wordt verbonden met de feiten dat Hij alleen de Heiland is en dat niemand uit Zijn hand kan redden (verzen 11-1311Ik, Ik ben de HEERE,
buiten Mij is er geen Heiland.
12Ík heb verkondigd en Ik heb verlost, en Ik heb [het] doen horen,
en er was geen vreemde [god] onder u.
U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
dat Ik God ben.
13Ook voor de dag er was, ben Ik,
en er is niemand die uit Mijn hand kan redden.
Ik zal werken, en wie zal het keren?
)
. Het feit van het ontstaan van Israël en dat Israël nog steeds bestaat, is het bewijs en getuigenis van het feit dat de God van Israël de enige God is.

Hij is niet alleen de Eeuwige, Hij is ook de Almachtige. Niet alleen kan niemand Hem verhinderen iets te vestigen, maar niemand kan ook veranderen wat Hij heeft gevestigd. Als dit waar is met betrekking tot Zijn aardse, nationale getuigen, laten wij er dan moed en nieuwe kracht uit putten als degenen die Hij heeft geroepen om Zijn getuigen te zijn door het evangelie.


Het instrument tot verlossing

14Zo zegt de HEERE,
uw Verlosser, de Heilige van Israël:
Ter wille van u heb Ik [iemand] naar Babel gezonden
en Ik heb hen allen vluchtend doen afdalen,
namelijk de Chaldeeën, in de schepen waarover zij [voorheen] juichten.
15Ik ben de HEERE, uw Heilige,
de Schepper van Israël, uw Koning.

Met vers 1414Zo zegt de HEERE,
uw Verlosser, de Heilige van Israël:
Ter wille van u heb Ik [iemand] naar Babel gezonden
en Ik heb hen allen vluchtend doen afdalen,
namelijk de Chaldeeën, in de schepen waarover zij [voorheen] juichten.
begint een nieuw gedeelte dat doorloopt tot Jesaja 44:5. In dit gedeelte laat de HEERE aan de volken zien dat Hij de Verlosser van Israël is. Dat ziet niet alleen op Zijn werk van verlossing in het verleden (vers 1818Denk niet aan de dingen van vroeger,
let niet op de dingen van het verleden.
)
, maar Hij kondigt ook een nieuw werk van verlossing aan (vers 1919Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
)
. De onderwerpen in dit nieuwe gedeelte zijn oordeel (Js 43:14-2114Zo zegt de HEERE,
uw Verlosser, de Heilige van Israël:
Ter wille van u heb Ik [iemand] naar Babel gezonden
en Ik heb hen allen vluchtend doen afdalen,
namelijk de Chaldeeën, in de schepen waarover zij [voorheen] juichten.
15Ik ben de HEERE, uw Heilige,
de Schepper van Israël, uw Koning.16Zo zegt de HEERE,
Die een weg maakte in de zee
en een pad in machtige wateren,
17Die strijdwagens en paarden deed uitrukken,
leger en macht,
zij liggen tezamen neer, zij zullen niet meer opstaan,
uitgedoofd zijn zij, uitgeblust als een vlaspit.
18Denk niet aan de dingen van vroeger,
let niet op de dingen van het verleden.
19Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
20De dieren van het veld zullen Mij eren –
jakhalzen en struisvogels –
want Ik zal water geven in de woestijn,
in de wildernis rivieren,
om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te drinken te geven.
21Dit volk heb Ik Mij geformeerd.
Zij zullen Mijn lof vertellen.
)
, bevrijding (Js 43:22-2822U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob,
maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël.
23U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee
en [met] uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u [Mij] niet laten dienen met het graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
24U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht,
en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd.
Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden,
u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
25Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.26Breng [het] Mij in herinnering, laten wij samen een rechtszaak voeren;
vertelt u [maar], opdat u in het gelijk gesteld wordt.
27Uw eerste vader heeft gezondigd,
en uw uitleggers [van de wet] zijn tegen Mij in opstand gekomen.
28Daarom zal Ik de leiders van het heiligdom ontheiligen,
Jakob prijsgeven aan de ban
en Israël aan beschimpingen.
)
en de uitstorting van de Geest (Js 44:1-51Maar nu, luister, Jakob, Mijn dienaar,
Israël, die Ik verkozen heb!
2Zo zegt de HEERE, uw Maker
en uw Formeerder van de [moeder]schoot af, Die u helpt:
Wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,
Jesjurun, die Ik verkozen heb.
3Want Ik zal water gieten op het dorstige
en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten
en Mijn zegen op uw nakomelingen.
4Zij zullen opkomen tussen het gras,
als wilgen aan de waterstromen.
5De een zal zeggen: Ik ben van de HEERE,
een ander zal [zich] noemen met de naam Jakob,
[weer] een ander zal [met] zijn hand schrijven: Van de HEERE,
en de erenaam Israël aannemen.
)
.

Het eerste deel gaat over de uitoefening van de toorn van God over de Chaldeeën die zij over zich hebben afgeroepen door hun mishandeling van Gods volk. “Ter wille van u”, dat wil zeggen ter wille van het voornemen om Zijn volk te verlossen, heeft Hij iemand als voltrekker van Zijn oordeel naar Babel gezonden. Dat blijkt Kores te zijn. Het optreden van deze Kores zal tot gevolg hebben dat hun oorlogsvloot waarover ze jubelen en waarop ze trots zijn, zal worden gedegradeerd tot een vluchtvloot.

Met het oog op hun bevrijding geeft God een viervoudige herinnering aan Zijn volk van Wie Hij is (vers 1515Ik ben de HEERE, uw Heilige,
de Schepper van Israël, uw Koning.
)
:

1. Als de “HEERE” is Hij de God van het verbond.
2. Als “uw Heilige” staat Hij in contrast met hun onheilige verlaten van Hem en het onheilige karakter van hun heidense overheersers. Zijn Naam wordt ontheiligd door de ballingschap, maar die Naam zal weer geheiligd worden door de verlossing van Israël (Ez 36:20-2420Toen zij aankwamen bij de heidenvolken waarheen zij gegaan waren, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze [mensen] zijn het volk van de HEERE en [toch] zijn zij uit Zijn land vertrokken.21Maar Ik spaarde [hen] vanwege Mijn heilige Naam. Het huis van Israël had die ontheiligd onder de heidenvolken waarheen zij gegaan waren.22Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe [het] niet om u, huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenvolken waarheen u gegaan bent.23Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word.24Ik zal u uit de heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik u naar uw land brengen.).
3. Als “de Schepper van Israël” heeft Hij hen geschapen tot Zijn eer en zal Hij nooit toelaten dat zij definitief verworpen worden.
4. Als “uw Koning” zal Hij regeren tot zegen voor Zijn volk, in tegenstelling tot de altijd weer falende koningen van Israël en Juda en de volken van wie zij slaven zijn geworden, en vooral in tegenstelling tot de antichrist, de valse koning van Israël.


Een weg voor Gods volk

16Zo zegt de HEERE,
Die een weg maakte in de zee
en een pad in machtige wateren,
17Die strijdwagens en paarden deed uitrukken,
leger en macht,
zij liggen tezamen neer, zij zullen niet meer opstaan,
uitgedoofd zijn zij, uitgeblust als een vlaspit.
18Denk niet aan de dingen van vroeger,
let niet op de dingen van het verleden.
19Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
20De dieren van het veld zullen Mij eren –
jakhalzen en struisvogels –
want Ik zal water geven in de woestijn,
in de wildernis rivieren,
om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te drinken te geven.
21Dit volk heb Ik Mij geformeerd.
Zij zullen Mijn lof vertellen.

Hij zal voor hen een weg in de zee banen en een pad door machtige wateren (vers 1616Zo zegt de HEERE,
Die een weg maakte in de zee
en een pad in machtige wateren,
)
. Zo heeft Hij dat vroeger gedaan, toen Hij in de Schelfzee voor hen een pad maakte (Ex 14:21-2221Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten.22Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur.). Dit is ook de ervaring van alle heiligen. De wateren van de naties woeden en gaan tekeer, de vijandschap en vervolging nemen toe, maar God heeft een pad voor Zijn volk. Dit pad heeft niet alleen betrekking op bevrijding uit moeilijkheden, maar ook op de verkondiging van het evangelie dat zijn weg gaat tot het vastgestelde einde.

Vers 1717Die strijdwagens en paarden deed uitrukken,
leger en macht,
zij liggen tezamen neer, zij zullen niet meer opstaan,
uitgedoofd zijn zij, uitgeblust als een vlaspit.
geeft een herinnering, die ook geldt voor de huidige tijd, aan de alles omverwerpende macht van God met betrekking tot de legers van de volken. Wat de heersers ook bedenken, het is de HEERE die “strijdwagen en paarden deed uitrukken”. De rampspoeden van de oorlog zijn Zijn oordelen. Hierdoor wil Hij de harten van de mensen tot bekering brengen. Tevens zal Hij Zijn nationale voornemens vervullen en zal Hij het vuur van de strijd van de vijanden van Zijn aardse volk uitblussen en uitdoven. Zo is het met de farao en zijn ruiters gebeurd (Ex 14:23-3123De Egyptenaren achtervolgden hen en kwamen hen achterna, [met] al de paarden van de farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters, tot in het midden van de zee.24Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.25Hij liet de wielen van hun wagens wegzakken en liet ze met moeite vooruitkomen. Toen zeiden de Egyptenaren: Laten wij voor Israël vluchten, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaren.26Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee, zodat het water terugkeert over de Egyptenaren, over hun strijdwagens en over hun ruiters.27Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.28Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.29Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee [liggen].31Toen zag Israël de machtige hand die de HEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde de HEERE en geloofde in de HEERE en in Mozes, Zijn dienaar.).

Dan mogen ze de droevige tijd van ontrouw en verdrukking vergeten (vers 1818Denk niet aan de dingen van vroeger,
let niet op de dingen van het verleden.
)
. Het kan ook betekenen dat ze niet meer aan vroeger moeten denken alsof God alleen in die tijd handelend voor Zijn volk is opgetreden. Ze mogen zich richten op het nieuwe dat Hij gaat geven (vers 1919Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
)
. Hij is niet alleen de God van het verleden, Hij is ook de God van het heden en van de toekomst.

Laten we deze beloften toepassen op onze eigen ervaringen en de vier zinnen samennemen die bedoeld zijn tot onze troost in tijden van beproeving en moeiten:
1. door de wateren (vers 22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
)
– zij zijn in zichzelf een middel om ons de ervaring te geven van de tegenwoordigheid van de Heer;
2. door het vuur (vers 22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
)
– we worden verzekerd dat Hij ons bewaart;
3. in de zee en in de machtige wateren (vers 1616Zo zegt de HEERE,
Die een weg maakte in de zee
en een pad in machtige wateren,
)
– hier voorziet God in een weg; moeilijke omstandigheden zijn een middel om ons het bewustzijn te geven van de leiding van God;
4. in de wildernis en in de woestijn (vers 1919Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
)
– leiding en verkwikking zijn hier ons deel.

De wateren spreken van overweldigende beproevingen; de wildernis en de woestijn spreken van de toestand van de wereld om ons heen die ons, als we ons daar ongevraagd mee bezighouden, geestelijk zal doen lijden en terneerdrukken. Maar God heeft een weg te midden van zulke omstandigheden, een pad van gemeenschap met Hem, een pad van blijdschap en vruchtbaarheid.

In het verleden heeft God tijdens de uittocht een weg door de zee gemaakt en Hij heeft in de woestijn, vanuit de rots, een stroom, een rivier van water gegeven (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)). In de toekomst zal Hij iets nieuws geven. Hij zal een weg in de woestijn maken en rivieren (meervoud) in de wildernis. Het nieuwe houdt een zegen in voor de hele aarde, wanneer Gods aardse volk de zegeningen geniet van Zijn verlossingswerk.

Als het lijden van Israël tot een einde is gekomen, is er ook een einde gekomen aan het lijden van de schepping (Rm 8:2121in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.). Omdat God water in de wildernis geeft, zal het gedierte van het veld Hem eren (vers 2020De dieren van het veld zullen Mij eren –
jakhalzen en struisvogels –
want Ik zal water geven in de woestijn,
in de wildernis rivieren,
om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te drinken te geven.
; Js 35:1-71De woestijn en de dorre plaatsen zullen vrolijk zijn,
de wildernis zal zich verheugen en in bloei staan
als een roos.
2Zij zal welig in bloei staan en zich verheugen,
ja, zij zal zich verheugen en juichen.
De luister van de Libanon is haar gegeven,
de glorie van de Karmel en de Saron.
Ze zullen zien de heerlijkheid van de HEERE,
de glorie van onze God.
3Versterk de slappe handen,
verstevig de wankele knieën;
4zeg tegen onbedachtzamen van hart:
Wees sterk, wees niet bevreesd!
Zie, uw God!
De wraak zal komen,
de vergelding van God;
Híj zal komen en u verlossen.
5Dan zullen de ogen van de blinden worden opengedaan,
de oren van de doven zullen worden geopend.
6Dan zal de kreupele springen als een hert,
de tong van de stomme zal juichen.
Want in de woestijn zullen wateren zich een weg banen
en beken in de wildernis.
7Het dorre land zal tot een [water]poel worden,
het dorstige land tot waterbronnen;
op de woonplaats van jakhalzen, [waar] hun rustplaats was,
zal gras zijn, met riet en biezen.
)
. Maar de zegeningen worden niet alleen verleend tot welzijn van mensen en dieren. Het hoofddoel is de eer van God Zelf (vers 2121Dit volk heb Ik Mij geformeerd.
Zij zullen Mijn lof vertellen.
)
.


Israël en zijn ongerechtigheden

22U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob,
maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël.
23U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee
en [met] uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u [Mij] niet laten dienen met het graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
24U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht,
en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd.
Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden,
u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
25Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.

Het verschil tussen de aanklachten in de verzen 22-2422U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob,
maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël.
23U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee
en [met] uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u [Mij] niet laten dienen met het graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
24U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht,
en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd.
Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden,
u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
en de genade en barmhartigheid in vers 2525Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.
is groot en opvallend. Het eerste deel verhaalt de ongerechtigheden van Israël die bestaan uit vijf dingen die ze niet hebben gedaan en drie dingen die ze wel hebben gedaan. Hieruit blijkt dat de komende verlossing niet de verdienste van Israël is, noch vanwege hun trouw noch vanwege hun waardigheid. Geestelijk bevinden ze zich op een dieptepunt. In plaats van Hem aan te roepen zijn ze moe van Hem geworden (vers 2222U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob,
maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël.
)
. In plaats van offers aan Hem te brengen zijn ze Hem lastiggevallen met hun zonden en hebben ze Hem vermoeid met hun ongerechtigheden.

Vers 2323U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee
en [met] uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u [Mij] niet laten dienen met het graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
zegt dat God hun geen last heeft opgelegd, maar in vers 2424U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht,
en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd.
Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden,
u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
zegt Hij dat hun zonden Hem zwaar wegen, als de last op een knecht. Hierbij denken we onwillekeurig aan het kruis. Ten koste van hoeveel heeft de Heer Jezus de last van de zonden van mensen op Zich genomen. We zullen nooit in staat zijn te beseffen hoe groot het gewicht voor God is geweest om Zijn Zoon niet te sparen, maar Hem voor ons over te geven (Rm 8:3232Hoe zal Hij Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?).

In het licht hiervan kunnen we beter het contrast met vers 2525Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.
begrijpen. De liefde die hierin is geopenbaard, is niet ten koste gegaan van Goddelijke heiligheid en gerechtigheid, maar zij vormen er juist de basis van. “Omwille van Mijzelf” drukt de vrije genade uit waardoor onze zonden zijn verwijderd, want er is niets in de zondaar wat dit verdient. Door de soevereine handeling van Gods genade in de dood van Christus heeft Zijn gerechtigheid met de zonde afgerekend. Zijn genade en liefde hebben de zonde uitgewist.

Vers 2525Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.
is dan ook niet slechts een eenvoudige belofte, maar is een onderdeel van een argument. De verlossing van Israël is niet alleen een verlossing van de verdrukking door andere volken, het is ook en vooral een verlossing door vergeving van hun zonden en overtredingen.

Het ziet vooruit naar wat in de brief aan de Romeinen als het evangelie naar voren wordt gebracht, namelijk dat er van de kant van de mens geen enkele verdienste is, dat rechtvaardiging door genade plaatsvindt en dat de voorwaarden berouw en geloof zijn. Door deze oudtestamentische voorbeelden krijgen we een dieper inzicht in de wegen van God met de mens.


Waarom het oordeel moet komen

26Breng [het] Mij in herinnering, laten wij samen een rechtszaak voeren;
vertelt u [maar], opdat u in het gelijk gesteld wordt.
27Uw eerste vader heeft gezondigd,
en uw uitleggers [van de wet] zijn tegen Mij in opstand gekomen.
28Daarom zal Ik de leiders van het heiligdom ontheiligen,
Jakob prijsgeven aan de ban
en Israël aan beschimpingen.

Met Zijn oproep in vers 2626Breng [het] Mij in herinnering, laten wij samen een rechtszaak voeren;
vertelt u [maar], opdat u in het gelijk gesteld wordt.
beveelt de HEERE Zijn volk na te gaan of zij zich kunnen herinneren of er een verdienste van hun kant is, waardoor Hij hen zou kunnen rechtvaardigen. Hij heeft zojuist gesteld dat Hij, en Hij alleen, hun overtredingen kan en wil uitdelgen en hen van hun schuld kan zuiveren. En verder dat, waar dit hun schuld is, Hij dat zal doen niet ter wille van hen, maar ter wille van Zichzelf.

Vereffening van de schuld kan alleen op de grondslag van genade. Het aanbod van genade is vernederend voor de hoogmoed van de mens. Het veronderstelt het totale onvermogen van de mens om zichzelf te redden. Als ze daar anders over denken, laat ze dan hun zaak, als in een gerechtshof, tegenover die van Hem naar voren brengen. Maar Israël kan geen antwoord geven en zwijgt.

Onmiddellijk aansluitend laat de HEERE de onmogelijkheid van hun succes zien. Hun eerste vader heeft gezondigd, waarbij we aan Jakob als de stamvader van het volk moeten denken (verzen 22,2822U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob,
maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël.
28Daarom zal Ik de leiders van het heiligdom ontheiligen,
Jakob prijsgeven aan de ban
en Israël aan beschimpingen.
)
. Hun woordvoerders, tussenpersonen tussen het volk en de HEERE, hebben tegen Hem overtreden (vers 2727Uw eerste vader heeft gezondigd,
en uw uitleggers [van de wet] zijn tegen Mij in opstand gekomen.
)
. We kunnen daarbij denken aan koningen, priesters en profeten. Het volk en ook hun leiders zijn zondaars vanaf het begin en hun hele geschiedenis door. Met het oog op hun volhardende onbekeerlijkheid, vooral van de oversten van het heiligdom, de priesters, is het oordeel onvermijdelijk (vers 2828Daarom zal Ik de leiders van het heiligdom ontheiligen,
Jakob prijsgeven aan de ban
en Israël aan beschimpingen.
)
.

De uitdrukking “prijsgeven aan de ban” betekent de vernietiging van een volk dat zo diep in de zonde gezonken is, dat het geen bestaansrecht meer heeft (vgl. Jz 6:17-18,2117Maar de stad moet met de ban aan de HEERE gewijd zijn, [de stad] zelf en alles wat erin is. Alleen Rachab, de hoer, zal in leven blijven, zij en allen die bij haar in huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgestuurd hadden, verborgen heeft.18Past ú echter op voor wat met de ban gewijd is. Anders slaat u zichzelf met de ban, als u neemt van wat met de ban gewijd is; en dan maakt u van het leger van Israël [een] met de ban geslagen [leger] en stort u het in het ongeluk.21En zij sloegen alles wat in de stad was, met de ban, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot het rund, het schaap en de ezel toe.; 1Sm 15:33Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, [en] van kameel tot ezel.). De heilige plaats is onheilig geworden en Israël is als Kanaän en Amalek geworden. Zonde betekent het doel missen ofwel het niet bereiken van Gods heerlijkheid. In plaats van tot eer van God te zijn is het volk tot totale oneer van God geworden. Alleen genade is hun hoop.


Lees verder