Jesaja
1-5 Jesaja om voorbede gevraagd 6-7 Het antwoord van Jesaja 8-13 Nog een keer de commandant 14-20 Het gebed van Hizkia 21-29 De HEERE over Assyrië 30-35 De HEERE voor Hizkia 36-38 De vijanden gedood
Jesaja om voorbede gevraagd

1Zodra koning Hizkia [dat] hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging. 2Verder stuurde hij Eljakim, het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, gehuld in rouwgewaden, naar Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz. 3Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren. 4Misschien zal de HEERE, uw God, de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is? 5Toen kwamen de dienaren van koning Hizkia bij Jesaja.

Bij het horen van het verslag maakt grote verslagenheid zich van Hizkia meester. Evenals de afgevaardigden hebben gedaan, scheurt Hizkia zijn kleren (vers 11Zodra koning Hizkia [dat] hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.). Hij geeft uiting aan zijn smart en verootmoediging door een rouwgewaad aan te doen. Zo gaat hij het huis van de HEERE binnen om in zijn nood het aangezicht van de HEERE te zoeken.

Hij voelt echter tegelijk behoefte aan de steun van Jesaja (vers 22Verder stuurde hij Eljakim, het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, gehuld in rouwgewaden, naar Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz.). Daarom stuurt hij een gezantschap naar Jesaja dat bestaat uit enkele hoge beambten en oudsten van de priesters. Zij zijn evenals Hizkia gekleed in een rouwgewaad. Hun uiterlijk past bij wat zij Jesaja te zeggen hebben. Zij vertellen hem van de zware nood waarin Jeruzalem zich bevindt.

De “benauwdheid” kunnen we verbinden met de gevoelens van personen, de “bestraffing” met wat de stad overkomt en de “belediging” met wat de HEERE wordt aangedaan. De nood drukt zo zwaar, dat er geen kracht is om te baren (vers 33Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.). Het betekent dat zij op dat kritische moment hulpeloos en krachteloos zijn, waardoor de ondergang vaststaat.

Maar met een voorzichtig “misschien” geven ze aan dat er mogelijk toch nog een sprankje hoop is (vers 44Misschien zal de HEERE, uw God, de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is?). Er is niets in hun verzoek wat wijst op een eis of dat ze menen recht te hebben op uitredding. Met dit verzoek erkennen ze dat ze alleen op genade hopen. Dit doet denken aan de werkzaamheid van "de Geest van de genade en van de gebeden" (Zc 12:1010Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.).

Hun hoop ligt in de trouw van de HEERE aan Zichzelf en aan een door Hem uitverkoren overblijfsel. De vijand heeft het gewaagd “om de levende God te honen” (vgl. 1Sm 17:2626Toen zei David tegen de mannen die bij hem stonden: Wat zal men de man doen die deze Filistijn verslaat en de smaad van Israël afwendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn [wel], dat hij de gelederen van de levende God durft te honen?). Zou Jesaja dan niet willen bidden dat de HEERE om de eer van Zijn Naam het overblijfsel uit de greep van deze vijand bevrijdt? Met deze boodschap komt de afvaardiging bij Jesaja (vers 55Toen kwamen de dienaren van koning Hizkia bij Jesaja.).


Het antwoord van Jesaja

6En Jesaja zei tegen hen: Dit moet u tegen uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Wees niet bevreesd voor de woorden die u gehoord hebt, [de woorden] waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij gelasterd hebben. 7Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen.

Het geloof van Hizkia blijft niet onbeantwoord. God verzuimt nooit iemand te antwoorden die Hem alles overgeeft. Hij heeft beloofd: “Roep Mij aan in de dag van benauwdheid; Ik zal u eruit helpen en u zult Mij eren” (Ps 50:1515Roep Mij aan in de dag van benauwdheid;
Ik zal u eruit helpen en u zult Mij eren.
)
. Het antwoord dat Jesaja heeft, is bemoedigend. Hij hoeft niet eerst te bidden, want de HEERE heeft hem al een woord gegeven dat hij mag meegeven aan dit gezantschap (vers 66En Jesaja zei tegen hen: Dit moet u tegen uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Wees niet bevreesd voor de woorden die u gehoord hebt, [de woorden] waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij gelasterd hebben.).

Ze mogen naar Hizkia gaan met de bemoedigende boodschap: “Wees niet bevreesd.” Zo heeft Jesaja het eerder ook tegen Achaz gezegd (Js 7:44Zeg [dan] tegen hem: Beheers uzelf, blijf rustig, wees niet bevreesd, laat uw hart niet week worden voor die twee rokende stukken brandhout, voor de brandende toorn van Rezin en Syrië, en van de zoon van Remalia.), maar die heeft helaas met deze bemoediging niets gedaan. Het woord van de profeet heeft alleen een krachtige uitwerking voor wie wil geloven.

Hizkia hoeft niet bang te zijn voor alles wat de boodschappers van de koning van Assyrië hebben gezegd en waarmee ze de HEERE hebben gelasterd. “Ja, hij strekt zijn hand tegen God uit, en hij verheft zich tegen de Almachtige” (Jb 15:2525Ja, hij strekt zijn hand tegen God uit,
en hij verheft zich tegen de Almachtige.
)
. Hij zal spoedig leren hoe dwaas het is om tegen de Almachtige te strijden. De HEERE zal op eenvoudige wijze een einde maken aan het beleg. Hij zal er gewoon voor zorgen dat deze vijandige koning een gerucht zal horen dat hem naar zijn land zal doen terugkeren (vers 77Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen.; vgl. Sp 21:11Het hart van een koning is in de hand van de HEERE [als] waterbeken,
Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
)
. Daar zal hij aan zijn einde komen. Zo machtig is de HEERE en zo krachteloos is deze koning.


Nog een keer de commandant

8Toen keerde de commandant terug en trof de koning van Assyrië aan, in strijd gewikkeld met Libna. Hij had namelijk gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken. 9Toen [Sanherib] over Tirhaka, de koning van Cusj, hoorde zeggen: Hij is uitgetrokken om tegen u te strijden – toen hij dat hoorde, stuurde hij [opnieuw] gezanten naar Hizkia om te zeggen: 10Dit moet u tegen Hizkia, de koning van Juda, zeggen: Laat uw God, op Wie u vertrouwt, u niet bedriegen door te zeggen: Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden. 11Zie, u hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrië met al de landen hebben gedaan door ze met de ban te slaan. En zou ú [dan] gered worden? 12Hebben de goden van de volken die mijn vaderen te gronde gericht hebben, hen gered: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren? 13Waar is de koning van Hamath, de koning van Arpad, de koning van de stad Sefarvaïm, van Hena en van Ivva?

Na de, blijkbaar negatieve, reactie van Hizkia op de dreigende grootspraak van de commandant keert de commandant terug naar zijn heer om hem verslag te doen (vers 88Toen keerde de commandant terug en trof de koning van Assyrië aan, in strijd gewikkeld met Libna. Hij had namelijk gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken.). De koning van Assyrië bevindt zich dan met een leger te Libna. Na het verslag van de commandant zou de koning zeker tegen Jeruzalem zijn opgetrokken, ware het niet dat hij een gerucht hoort, waardoor hij niet optrekt (vers 99Toen [Sanherib] over Tirhaka, de koning van Cusj, hoorde zeggen: Hij is uitgetrokken om tegen u te strijden – toen hij dat hoorde, stuurde hij [opnieuw] gezanten naar Hizkia om te zeggen:) om, samen met de legermacht die al om Jeruzalem ligt, de stad in te nemen. Dit is een vervulling van het eerste deel van de toezegging van de HEERE in vers 77Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen..

Wat de koning nog wel doet, is Hizkia nog een keer duidelijk voorhouden dat hij niet de illusie moet koesteren dat Jeruzalem gespaard blijft (vers 1010Dit moet u tegen Hizkia, de koning van Juda, zeggen: Laat uw God, op Wie u vertrouwt, u niet bedriegen door te zeggen: Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden.). In het vorig hoofdstuk beschuldigt hij Hizkia ervan dat deze zijn volk bedriegt; nu gaat hij een stap verder en beschuldigt hij God ervan dat Hij Hizkia bedriegt. Hij probeert nu nog een keer het geloof van Hizkia te ondermijnen, door hem te schrijven dat zijn vertrouwen op zijn God ijdel zal blijken te zijn. Hizkia heeft toch zeker wel gehoord dat niemand voor de koningen van Assyrië heeft kunnen standhouden (vers 1111Zie, u hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrië met al de landen hebben gedaan door ze met de ban te slaan. En zou ú [dan] gered worden?)? Hij moet niet denken dat hij dan wel gered zal worden.

Het woord “zie” wil zeggen dat wat de koning nu zegt, feiten zijn die iedereen weet. Het sterke argument van de koning bestaat uit concrete feiten die allemaal na te trekken zijn. Al de goden van die volken hebben die volken niets gebaat (vers 1212Hebben de goden van de volken die mijn vaderen te gronde gericht hebben, hen gered: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren?). Voor Sanherib is de God van Israël niet anders dan alle andere goden. Laat Hizkia maar eens vertellen waar al de koningen van die overwonnen volken zijn (vers 1313Waar is de koning van Hamath, de koning van Arpad, de koning van de stad Sefarvaïm, van Hena en van Ivva?). Hizkia zal in hun lot delen.

Met uitzondering van de levende God is de argumentatie van Sanherib sterk en onweerlegbaar. Maar de uitzondering is geen kleinigheid. Dat de God van Israël, de levende God Die hemel en aarde geschapen heeft, niet meer is dan de afgoden van andere volken, is de grootste vergissing die Sanherib en met hem de rest van de wereld kan maken. De koning van Assyrië zal spoedig het verschil leren kennen tussen de dode afgoden van de heidenen en de levende God op Wie Hizkia vertrouwt.


Het gebed van Hizkia

14Toen Hizkia de brieven uit de hand van de gezanten had ontvangen en die had gelezen, ging hij op naar het huis van de HEERE. Vervolgens spreidde Hizkia die [brieven] uit voor het aangezicht van de HEERE, 15en Hizkia bad tot de HEERE: 16HEERE van de legermachten, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt. 17Neig, HEERE, Uw oor, en luister; open, HEERE, Uw ogen en zie. Hoor al de woorden van Sanherib die hij gestuurd heeft om de levende God te honen. 18Het is waar, HEERE, de koningen van Assyrië hebben al die landen met hun grondgebied verwoest, 19en hun goden hebben zij prijsgegeven aan het vuur. Het waren immers geen goden, maar het was het werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom hebben zij die vernield. 20Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U de HEERE bent, U alleen.

De koning van Assyrië heeft de boodschap van de vorige verzen schriftelijk aan Hizkia gezonden. Als Hizkia de inhoud ervan tot zich heeft genomen, gaat hij weer naar de tempel (vers 1414Toen Hizkia de brieven uit de hand van de gezanten had ontvangen en die had gelezen, ging hij op naar het huis van de HEERE. Vervolgens spreidde Hizkia die [brieven] uit voor het aangezicht van de HEERE,; vers 11Zodra koning Hizkia [dat] hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.). In het begin van de dreiging is Hizkia ook naar de tempel gegaan, maar dan om het goud eruit weg te nemen en dat aan Sanherib te geven om de dreiging af te kopen (2Kn 18:15-1615Hizkia gaf al het zilver dat in het huis van de HEERE gevonden werd, en in de schatkamers van het huis van de koning.16In die tijd sneed Hizkia [het goud] af van de deuren en de deurposten van de tempel van de HEERE. Hizkia, de koning van Juda, had die [met goud laten] overtrekken. Hij gaf dat [goud] aan de koning van Assyrië.). Nu staat er dat hij ‘opgaat naar het huis van de HEERE’ om zijn nood aan de HEERE voor te leggen.

Eerst legt hij de brieven open voor het aangezicht van de HEERE neer, als het ware om Hem de brieven te laten lezen. Dan bidt hij en legt zijn nood aan de HEERE voor (vers 1515en Hizkia bad tot de HEERE:). Hij maakt zijn probleem tot een probleem van de HEERE. Het gebed dat Hizkia uitspreekt, is een van de mooiste uitingen van een bezwaard hart die we in de Schrift opgetekend vinden. Het gebed is kort en doelgericht. Het is zuiver in zijn bewoordingen.

Hij begint met de grootheid van de HEERE uit te spreken (vers 1616HEERE van de legermachten, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt.). Bij die grootheid moet elke aardse tegenstand in het niet verdwijnen. Niet dat Hizkia nu geen moeilijkheden meer ziet. Hij vraagt aan die grote God Zich niet blind en doof te houden voor zijn smeking. Hij vraagt de HEERE om al de snoevende woorden die Sanherib over Hem heeft gesproken niet langs Zich heen te laten gaan. Het zijn immers woorden waarmee “de levende God” is gehoond (vers 1717Neig, HEERE, Uw oor, en luister; open, HEERE, Uw ogen en zie. Hoor al de woorden van Sanherib die hij gestuurd heeft om de levende God te honen.)? Het gaat Hizkia niet om wat tegen hem persoonlijk is gezegd, maar om wat tegen de HEERE is gezegd. Hizkia kent de HEERE als de levende God (vgl. vers 44Misschien zal de HEERE, uw God, de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is?). Dat maakt het grote verschil met de goden van de volken, want dat zijn allemaal dode afgoden.

Hizkia doet niet kleinerend over de overwinningen die de koningen van Assyrië hebben behaald (vers 1818Het is waar, HEERE, de koningen van Assyrië hebben al die landen met hun grondgebied verwoest,). Hij sluit zijn ogen niet voor de feiten en erkent wat waar is in de woorden van de vijand. Dat hun goden hen niet hebben kunnen redden, is voor hem echter geen wonder. Het zijn goden die je in het vuur kunt gooien, omdat het goden zijn die door mensenhanden zijn gemaakt (vers 1919en hun goden hebben zij prijsgegeven aan het vuur. Het waren immers geen goden, maar het was het werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom hebben zij die vernield.). Dat God toch nu Zijn majesteit zal tonen door Zijn hulpeloos volk te verlossen uit de macht van de koning van Assyrië (vers 2020Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U de HEERE bent, U alleen.). Dat zal een getuigenis zijn voor alle koninkrijken van de aarde dat de HEERE alleen God is! Hizkia zoekt de behoudenis van de volken.


De HEERE over Assyrië

21Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amoz, [deze boodschap] naar Hizkia: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Wat u tot Mij gebeden hebt met betrekking tot Sanherib, de koning van Assyrië, [heb Ik gehoord].
22Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft:
De maagd, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u,
de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
23Wie hebt u gehoond en gelasterd?
Tegen Wie hebt u de stem verheven
en uw ogen hoog[moedig] opgeheven?
Tegen de Heilige van Israël!
24Door uw dienaren hebt u de Heere gehoond
en gezegd: Met mijn talrijke strijdwagens
heb ík de hoge bergen bestegen,
de flanken van de Libanon.
Ik hak zijn statige ceders, zijn mooiste cipressen om.
Ik kom tot op zijn hoogste top, [tot in] zijn weelderig groeiend woud.
25Ík heb gegraven en water gedronken,
ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen drooggelegd.
26Hebt u [dan] niet gehoord dat Ik, [de Heere,] dit lang tevoren gedaan heb,
en dat Ik dit vanaf de dagen van weleer heb bewerkstelligd?
Nu heb Ik het doen komen:
u bent er om de versterkte steden tot puinhopen te verwoesten.
27Daarom waren hun inwoners machteloos,
waren zij ontsteld en beschaamd,
werden zij [als] gras op het veld
of groene grasscheutjes,
[als] gras op de daken, of een veld koren
voordat het overeind staat.
28Maar uw zitten,
uw uitgaan, uw [thuis]komen ken Ik,
en uw tekeergaan tegen Mij.
29Omdat u tegen Mij tekeer bent gegaan,
en uw hoogmoed is opgeklommen [tot] in Mijn oren –
zal Ik Mijn haak in uw neus slaan
en Mijn bit tussen uw lippen,
en Ik zal u doen terugkeren
langs de weg waarover u bent gekomen.

Kort na zijn gebed krijgt Hizkia het antwoord van de HEERE dat Hij aan de profeet Jesaja heeft bekendgemaakt (vers 2121Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amoz, [deze boodschap] naar Hizkia: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Wat u tot Mij gebeden hebt met betrekking tot Sanherib, de koning van Assyrië, [heb Ik gehoord].
)
. Jesaja brengt Hizkia niet zelf het antwoord, maar laat het door boden overbrengen. Dit antwoord wordt gegeven in de vorm van een spotlied, vergelijkbaar met het slot van het lied van Debora (Ri 5:24-3024Laat gezegend zijn boven de vrouwen
Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet,
laat zij boven de vrouwen in de tent gezegend zijn.
25Water vroeg hij, melk gaf zij.
In een schaal voor machtigen bracht zij boter.
26Haar hand strekte zij uit naar de pin,
en haar rechterhand naar de hamer van de arbeiders.
Zij sloeg Sisera, spleet zijn hoofd,
verbrijzelde en doorboorde zijn slaap.
27Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij, lag hij.
Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij.
Waar hij zich kromde,
daar viel hij, geschonden.28Door het venster keek zij uit;
de moeder van Sisera schreeuwde door het traliewerk:
Waarom duurt het zo lang voor zijn wagen komt?
Waarom blijft het geratel van zijn wagens uit?
29Haar meest wijze vorstinnen antwoordden –
en ook zíj beantwoordde haar woorden voor zichzelf:
30Zouden zij dan geen buit vinden en verdelen,
één meisje of twee meisjes voor elke man?
Een buit van gekleurde stoffen voor Sisera,
een buit van gekleurde stoffen,
geborduurde, gekleurde stoffen, aan beide zijden geborduurd,
voor [om] de halzen van de buit.
)
.

Het gebed van Hizkia is een gebed met een onderwerp. Het betreft “Sanherib, de koning van Assyrië”. Het is goed dat wij ook met concrete onderwerpen naar de Heer gaan en niet in algemene termen bidden. We mogen dan een concreet antwoord verwachten.

Het antwoord bevat dan ook een woord van de HEERE over Sanherib (vers 2222Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft:
De maagd, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u,
de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
)
. Het antwoord is in de vorm van een gedicht. We zien dat de HEERE niet onder de indruk is van de koning van Assyrië. Integendeel. Hij legt het door Sanherib verachte Jeruzalem woorden van verachting en bespotting in de mond voor deze koning. Meewarig zal Jeruzalem, de dochter Sion, achter hem het hoofd schudden over zijn smadelijke aftocht die de HEERE zal veroorzaken van troepen die zo onoverwinnelijk hebben geleken.

De HEERE neemt de zaak hoog op. De kern van de gehele situatie wordt opgetekend door twee vragen waarin het antwoord opgesloten ligt. Tegen wie zijn die lasterlijke woorden eigenlijk gericht? Tegen het machteloze, kleine overblijfsel? Tegen Hizkia? Nee, de koning van Assyrië heeft het gewaagd zich te verheffen tegen de Heilige van Israël, de driemaal heilige God (vers 2323Wie hebt u gehoond en gelasterd?
Tegen Wie hebt u de stem verheven
en uw ogen hoog[moedig] opgeheven?
Tegen de Heilige van Israël!
; Jb 15:2525Ja, hij strekt zijn hand tegen God uit,
en hij verheft zich tegen de Almachtige.
)
.

Door zijn dienaren heeft hij uiting gegeven aan zijn minachting van de Almachtige door te doen alsof de HEERE niet bestaat (vers 2424Door uw dienaren hebt u de Heere gehoond
en gezegd: Met mijn talrijke strijdwagens
heb ík de hoge bergen bestegen,
de flanken van de Libanon.
Ik hak zijn statige ceders, zijn mooiste cipressen om.
Ik kom tot op zijn hoogste top, [tot in] zijn weelderig groeiend woud.
)
. Hij heeft gehandeld in vertrouwen op eigen kracht en inzicht, vol als hij is van zijn eigen ‘ik’. Vol eigendunk spreekt hij over ‘ik zal dit’ en ‘ik zal dat’ (verzen 24-2524Door uw dienaren hebt u de Heere gehoond
en gezegd: Met mijn talrijke strijdwagens
heb ík de hoge bergen bestegen,
de flanken van de Libanon.
Ik hak zijn statige ceders, zijn mooiste cipressen om.
Ik kom tot op zijn hoogste top, [tot in] zijn weelderig groeiend woud.
25Ík heb gegraven en water gedronken,
ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen drooggelegd.
)
. Hij somt op wat hij allemaal heeft gepresteerd.

Al dit hoogmoedige spreken verschrompelt, als het “Ik” van de HEERE klinkt (vers 2626Hebt u [dan] niet gehoord dat Ik, [de Heere,] dit lang tevoren gedaan heb,
en dat Ik dit vanaf de dagen van weleer heb bewerkstelligd?
Nu heb Ik het doen komen:
u bent er om de versterkte steden tot puinhopen te verwoesten.
)
. De vraag “hebt u het niet gehoord?” benadrukt de onwetendheid over wat de HEERE doet. Deze vraagt stelt Hij hier aan de heidense koning van Assyrië. Straks zal Hij diezelfde vraag aan Zijn volk stellen (Js 40:21,2821Weet u het niet? Hoort u het niet?
Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?
28Weet u het niet?
Hebt u het niet gehoord?
De eeuwige God, de HEERE,
de Schepper van de einden der aarde,
wordt niet moe en niet afgemat.
Er is geen doorgronding van Zijn inzicht.
)
. Mensen menen in hun hoogmoed de wereldgeschiedenis te kunnen besturen. Ze zullen ontdekken dat God alles bestuurt.

De HEERE heeft doen komen wat Hij langgeleden al van plan was. Daarmee doelt Hij op het gebruik van de Assyriërs voor de uitvoering van Zijn plan. Dat degradeert de machtige koning van Assyrië tot slechts een werktuig in Gods hand dat niets anders doet dan Gods plan uitvoeren (verzen 26-2726Hebt u [dan] niet gehoord dat Ik, [de Heere,] dit lang tevoren gedaan heb,
en dat Ik dit vanaf de dagen van weleer heb bewerkstelligd?
Nu heb Ik het doen komen:
u bent er om de versterkte steden tot puinhopen te verwoesten.
27Daarom waren hun inwoners machteloos,
waren zij ontsteld en beschaamd,
werden zij [als] gras op het veld
of groene grasscheutjes,
[als] gras op de daken, of een veld koren
voordat het overeind staat.
)
. Daardoor heeft hij succes in zijn ondernemingen gehad, heeft hij steden kunnen verwoesten en de inwoners ervan kunnen doden. Maar hij heeft niet gedacht aan God Die hem daartoe in staat heeft gesteld.

De HEERE legt het hart en de overleggingen van de koning van Assyrië bloot (vers 2828Maar uw zitten,
uw uitgaan, uw [thuis]komen ken Ik,
en uw tekeergaan tegen Mij.
; vgl. Ps 139:2-42Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
3U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.
4Al is er [nog] geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
; Hb 4:1212Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.)
. De HEERE is de Alwetende. Hij toont aan dat de koning van Assyrië veeleer tegen Hem tekeer is gegaan. Daarmee heeft deze verwaten koning zijn eigen oordeel bezegeld. De HEERE heeft zijn hoogmoed gehoord (Ps 94:9a9Zou Hij Die het oor plant, niet horen?
Zou Hij Die het oog vormt, niet zien?
)
. Hij zal ervoor zorgen dat zijn kracht verbroken zal worden en dat hij de aftocht zal blazen (vers 2929Omdat u tegen Mij tekeer bent gegaan,
en uw hoogmoed is opgeklommen [tot] in Mijn oren –
zal Ik Mijn haak in uw neus slaan
en Mijn bit tussen uw lippen,
en Ik zal u doen terugkeren
langs de weg waarover u bent gekomen.
)
.


De HEERE voor Hizkia

30En dit zal voor u het teken zijn:
men zal dit jaar eten wat vanzelf gegroeid is,
in het tweede jaar wat daarvan weer opkomt;
in het derde jaar moet u zaaien en maaien,
en wijngaarden planten en de vruchten daarvan eten,
31want opnieuw zal wat ontkomen, wat overgebleven is van het huis van Juda,
wortel schieten naar beneden toe en vrucht dragen de hoogte in,
32want van Jeruzalem zal uitgaan wat overgebleven is,
en wat ontkomen is, van de berg Sion.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.
33Daarom, zo zegt de HEERE over de koning van Assyrië:
Hij zal deze stad niet binnenkomen,
daar geen pijl in schieten,
haar met geen schild tegemoetkomen,
en tegen haar geen belegeringsdam opwerpen.
34Langs de weg waarover hij gekomen is, zal hij terugkeren, maar deze stad zal hij niet binnenkomen, spreekt de HEERE. 35Want Ik zal deze stad beschermen door haar te verlossen, omwille van Mijzelf en omwille van David, Mijn dienaar.

In het vorige gedeelte heeft de HEERE over en tot de koning van Assyrië gesproken (vers 2222Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft:
De maagd, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u,
de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
)
. In vers 3030En dit zal voor u het teken zijn:
men zal dit jaar eten wat vanzelf gegroeid is,
in het tweede jaar wat daarvan weer opkomt;
in het derde jaar moet u zaaien en maaien,
en wijngaarden planten en de vruchten daarvan eten,
richt Hij Zich tot Hizkia en belooft hem een teken van de bevrijding. Dit teken komt niet vóór, maar ná de bevrijding. Als het teken in vervulling gaat, is het bewijs geleverd dat de HEERE de verlossing heeft bewerkt. Door de belegering hebben ze niet kunnen oogsten en ook niet kunnen zaaien. Na de bevrijding zullen ze eten wat vanzelf is opgekomen uit de uitgevallen korrels van het voorgaande jaar. Daarna zullen ze weer kunnen zaaien en op de gestelde tijd van de vrucht kunnen eten.

De profeet gebruikt dit als een beeld van het volk zelf. Zoals er een oogst zal overblijven voor het volk, zo zal er van het volk na de oordelen een nieuwe bloeitijd aanbreken (vers 3131want opnieuw zal wat ontkomen, wat overgebleven is van het huis van Juda,
wortel schieten naar beneden toe en vrucht dragen de hoogte in,
)
. Dit zal gebeuren door een overblijfsel, “wat overgebleven is” (vers 3131want opnieuw zal wat ontkomen, wat overgebleven is van het huis van Juda,
wortel schieten naar beneden toe en vrucht dragen de hoogte in,
; vers 3232want van Jeruzalem zal uitgaan wat overgebleven is,
en wat ontkomen is, van de berg Sion.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.
)
, dat uit Jeruzalem zal uitgaan (vers 3232want van Jeruzalem zal uitgaan wat overgebleven is,
en wat ontkomen is, van de berg Sion.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.
)
. De HEERE zal daar in Zijn na-ijver voor Zijn volk voor zorgen. Dat zal gebeuren nadat de gemeente is opgenomen.

De profetie eindigt met de verzekering dat de koning van Assyrië op geen enkele wijze een bedreiging zal vormen (vers 3333Daarom, zo zegt de HEERE over de koning van Assyrië:
Hij zal deze stad niet binnenkomen,
daar geen pijl in schieten,
haar met geen schild tegemoetkomen,
en tegen haar geen belegeringsdam opwerpen.
)
. Hij zal geen enkele poging tot verovering kunnen ondernemen, maar van de stad wegtrekken (vers 3434Langs de weg waarover hij gekomen is, zal hij terugkeren, maar deze stad zal hij niet binnenkomen, spreekt de HEERE.). De HEERE neemt de stad in bescherming en zal haar verlossen (vers 3535Want Ik zal deze stad beschermen door haar te verlossen, omwille van Mijzelf en omwille van David, Mijn dienaar.). Daarvoor heeft Hij twee redenen. De eerste reden is Zijn eigen verbinding met de stad. Hij heeft Zijn eer aan haar verbonden en daarom beschermt Hij haar. De tweede reden is Zijn belofte aan Zijn knecht David, de man naar Zijn hart.

Hij heeft Jeruzalem aan David gegeven en in David aan de ware David, de Messias, de komende Koning, Die eenmaal in gerechtigheid in de stad van de vrede zal regeren. De HEERE geeft hier profetisch de belofte van het herstel van Israël in het duizendjarig rijk, onmiddellijk na de bovennatuurlijke vernietiging van de Assyriër.


De vijanden gedood

36Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen. 37Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde [naar zijn land] terug; en hij bleef in Ninevé. 38Het gebeurde nu, toen hij zich in het huis van Nisroch, zijn god, neerboog, dat Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard doodden. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Na het uitvoerige antwoord op het gebed van Hizkia doodt de Engel van de HEERE in de volgende nacht honderdvijfentachtigduizend man (vers 3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.; Js 31:8a8Assyrië zal vallen door het zwaard, [maar] niet [door dat van] een man;
en het zwaard, [maar] niet [van] een mens, zal hem verslinden.
Hij zal vluchten voor het zwaard
en zijn jongemannen zullen herendienst verrichten.
)
. Dit oordeel moet in alle stilte door de HEERE zijn voltrokken. Pas als het morgen wordt, zien de overlevenden het drama dat zich in de nacht heeft afgespeeld en de omvang ervan. De aanblik van dit enorme aantal lijken moet ontzagwekkend zijn geweest. Na dit immense verlies ziet Sanherib zich genoodzaakt de aftocht te blazen en in Ninevé neer te strijken (vers 3737Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde [naar zijn land] terug; en hij bleef in Ninevé.).

Deze geweldige slag heeft ook een profetische betekenis. De Engel van de HEERE is de Heer Jezus. Hij voltrekt hier het oordeel. Zo zal Hij dat ook in de eindtijd doen met de koning van het noorden en andere vijandelijke machten (Op 19:19-2119En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.). Het wordt zonder omhaal van woorden vermeld.

Van de manier waarop de koning van Assyrië aan zijn einde komt, gaat een luide boodschap uit. Wie God negeert ondanks de vele bewijzen die hij heeft gekregen van Zijn bestaan, vindt zijn einde op het terrein dat hij in plaats van God vereert. De dwaas zoekt zijn heil in de tempel van zijn zelfbedachte en zelfgemaakte god (vers 3838Het gebeurde nu, toen hij zich in het huis van Nisroch, zijn god, neerboog, dat Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard doodden. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.). Terwijl hij die dode god in die tempel aanbidt, treft op diezelfde plaats de wraak van de levende God hem door middel van het zwaard waarmee zijn zonen hem vermoorden. Een afgod is zelfs in zijn eigen tempel volkomen machteloos. Niet alleen het Assyrische leger, maar ook de koning ervan valt aan het oordeel van de levende God ten prooi.


Lees verder