Jesaja
Inleiding 1-7 De HEERE neemt elke steun weg 8-9 Aanleiding tot het oordeel 10-11 De rechtvaardige en de goddeloze 12-15 De leiders zijn verleiders 16-26 Oordeel over de trotse vrouwen
Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de beschrijving van de wantoestanden onder het volk voortgezet, die in het vorige hoofdstuk is begonnen. In het licht van God is duidelijk geworden hoe nietig de mens is (Js 2:2222Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?
)
, dit ondanks zijn trots en opgeblazenheid. Maar het volk van God weet dit nog niet. Om hun dat te laten weten neemt de HEERE nu al hun hulpmiddelen weg. Door dit oordeel, dat altijd “begint bij het huis van God” (1Pt 4:1717Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; als het echter eerst bij ons [begint], wat zal het einde zijn van hen die het evangelie van God niet gehoorzamen?), wordt Sion vernederd.

Zo algemeen als het neerhalen van de menselijke trots in het vorige hoofdstuk is, zo precies en diepgaand zal het oordeel over Sion zijn. Het oordeel komt over de stad en het volk, terwijl de aandacht daarbij speciaal wordt gericht op de leiders en de voorname vrouwen.

De HEERE laat zien hoe de oordelen plaatsvinden. De oordelen worden hier op een manier beschreven die alleen begrepen wordt als we er oog voor hebben. Dan ontdekken we dat Hij dingen wegneemt, zowel op materieel als op geestelijk gebied, met een doel. Hij wil Zijn volk daardoor als het ware dwingen weer naar Hem te vragen. De HEERE brengt hen naar de eenzame en troosteloze woestijn zonder hulpmiddelen om tot hun hart te kunnen spreken (Hs 2:1313Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken,
haar de woestijn in leiden,
en naar haar hart spreken.
)
.


De HEERE neemt elke steun weg

1Want zie, de Heere, de HEERE van de legermachten
gaat van Jeruzalem en Juda wegnemen
steun en stut:
elke steun van brood
en elke steun van water,
2held en strijdbare man,
rechter en profeet, waarzegger en oudste,
3hoofdman over vijftig en man van aanzien,
raadsman, kundig vakman en scherpzinnig bezweerder.
4Ik zal jongens aanstellen als hun vorsten,
willekeur zal onder hen heersen.
5Het volk zal elkaar in het nauw drijven, man tegen man,
en eenieder tegen zijn naaste;
jongens zullen de ouderen aanvallen,
de geminachte de geëerde.
6Ja, iemand zal zijn broer uit het huis van zijn vader vastgrijpen [met de woorden]:
Jij hebt [nog] een mantel, wees leider over ons,
en neem deze puinhoop onder je hoede.
7Dan zal hij op die dag [zijn stem] verheffen [en] zeggen:
Ik kan geen heelmeester zijn,
en er is in mijn huis geen brood en geen mantel;
stel mij [daarom] niet aan als leider van het volk.

De woorden “want zie” waarmee vers 11Want zie, de Heere, de HEERE van de legermachten
gaat van Jeruzalem en Juda wegnemen
steun en stut:
elke steun van brood
en elke steun van water,
begint, sluiten direct op het voorgaande aan. Ze zijn de inleiding op de oordelen die Jeruzalem en Juda zullen treffen vanwege de wantoestanden die in het vorige hoofdstuk beschreven worden. Deze oordelen worden voltrokken door “de Heere, de HEERE van de legermachten” (zie voor de betekenis van deze namen de toelichting bij Jesaja 1:24). Deze Namen van God combineren de verhevenheid, het absolute gezag en de almacht van God als soevereine Heerser en Rechter en houden een sterk dreigend oordeel in.

Het wegnemen van “steun en stut” wil zeggen dat de HEERE het volk – dat wil zeggen Jeruzalem en Juda – dat hun vertrouwen op de mens en niet op de HEERE stelt, elke vorm van ondersteuning zal ontnemen, zowel in natuurlijk als in geestelijk opzicht. Alles waarvan zij denken dat het hun steun geeft, zal worden weggenomen, zodat er niets overblijft om op te vertrouwen. De natuurlijke steun voor hun lichaam “van brood en … van water” zal wegvallen, zodat hun kracht zal vergaan. Er zal ook gebrek zijn aan geestelijke steun, want gevechtskracht, bekwame leiding, raadgever en vakmanschap zullen worden weggenomen (verzen 2-32held en strijdbare man,
rechter en profeet, waarzegger en oudste,
3hoofdman over vijftig en man van aanzien,
raadsman, kundig vakman en scherpzinnig bezweerder.
)
.

De HEERE neemt alles weg waarop het volk enig vertrouwen stelt, of het nu uit een goede of uit een kwade (de “waarzegger”) bron komt. Hij kan de steun wegnemen door de dood. Hij kan dat ook doen doordat de vijand niets eetbaars overlaat en de leiders gevangenneemt en wegvoert naar zijn eigen land. Het volk zal daardoor krachteloos worden vanwege gebrek aan voedsel en het zal stuurloos worden vanwege gebrek aan leiding (2Kn 24:1414Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap: al de vorsten, alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle ambachtslieden en smeden. Niemand werd overgelaten behalve de arme bevolking van het land.).

Uiterste verwarring is het resultaat, een verwarring die nog toeneemt door een omkering van waarden en normen. De HEERE zal “jongens aanstellen als hun vorsten” (vers 44Ik zal jongens aanstellen als hun vorsten,
willekeur zal onder hen heersen.
)
. Hij zal Zijn volk tot een prooi maken van de “willekeur” van de onrijpe, gevoelloze jeugd, die meent de wijsheid in pacht te hebben (Pr 10:16a16Wee u, land, als uw koning een kind is, als uw vorsten 's morgens maaltijd houden.; 1Kn 12:8-118Maar hij verwierp de raad van de oudsten, die zij hem hadden gegeven, en pleegde overleg met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en bij hem in dienst waren.9Hij zei tegen hen: Wat raadt u aan dat wij dit volk zullen antwoorden, dat tot mij sprak: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?10De jonge mannen, die met hem waren opgegroeid, spraken tot hem: Dit moet u zeggen tegen dat volk, dat tot u heeft gesproken: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het voor ons lichter. Dit moet u tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader.11Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk [nog meer] toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.). De pas twaalfjarige koning Manasse is daarvan een voorbeeld (2Kr 33:1-111Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar in Jeruzalem.2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.3Hij herbouwde de [offer]hoogten die Hizkia, zijn vader, afgebroken had; hij richtte altaren op voor de Baäls, maakte gewijde palen, en boog zich neer voor heel het leger aan de hemel, en diende het.4Verder bouwde hij altaren in het huis van de HEERE, waarvan de HEERE gezegd had: In Jeruzalem zal Mijn Naam voor eeuwig zijn.5Verder bouwde hij altaren voor heel het leger aan de hemel in beide voorhoven van het huis van de HEERE.6Hij was het die zijn zonen door het vuur liet gaan in het dal Ben-Hinnom, hij duidde wolken, deed aan wichelarij, deed aan toverij, en stelde dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel slechts in de ogen van de HEERE, om Hem tot toorn te verwekken.7Hij zette ook een gesneden afgodsbeeld dat hij gemaakt had, in het huis van God, waarvan God tegen David en zijn zoon Salomo gezegd had: In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkozen heb, zal Ik voor eeuwig Mijn Naam vestigen.8Ik zal de voet van Israël nooit meer doen wijken uit dit land dat Ik voor hun vaderen bestemd heb, maar alleen als zij alles nauwlettend in acht nemen wat Ik hun geboden heb, overeenkomstig de hele wet, de verordeningen en de bepalingen door de hand van Mozes.9Manasse liet Juda en de inwoners van Jeruzalem dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten weggevaagd had.10De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk, maar zij sloegen er geen acht op.11Daarom bracht de HEERE over hen de bevelhebbers van het leger die de koning van Assyrië had. Zij namen Manasse met haken gevangen, bonden hem met twee bronzen ketenen en brachten hem naar Babel.).

De onbekwame leiding en willekeur van een kind als koning werken anarchie en verwarring in de hand. Ieder lid van het volk zal zijn eigen recht zoeken (vers 55Het volk zal elkaar in het nauw drijven, man tegen man,
en eenieder tegen zijn naaste;
jongens zullen de ouderen aanvallen,
de geminachte de geëerde.
)
. Ieder zal de ander in het nauw drijven om te krijgen waarop hij recht meent te hebben. Het gebod om de naaste lief te hebben is volledig in het tegendeel, egoïsme, omgeslagen. Het gevolg is het verdrukken van elkaar en het vertrappen van elkaars rechten.

Zij voor wie respect behoort te zijn vanwege hun leeftijd en levenservaring, “de ouderen”, zullen gewelddadig van hun plaats worden verdreven door onervaren “jongens” (vgl. 1Pt 5:5a5Evenzo u jongeren, weest aan [de] oudsten onderdanig. En weest allen tegenover elkaar met nederigheid omgord; want ‘God weerstaat [de] hoogmoedigen, maar [de] nederigen geeft Hij genade’.; Lv 19:3232U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE.). “De geminachte”, de man die niets presteert en niets bijdraagt aan het welzijn van de gemeenschap, maar daaraan slechts schade toebrengt, schroomt niet om “de geëerde”, de man die het goede voor de gemeenschap zoekt en zich daarvoor inzet, aan te vallen. Leeftijd en positie, waarbij een bepaald respect hoort, maken geen enkele indruk meer.

Dezelfde nivellering zien we vandaag in de maatschappij en onder Gods volk. Kinderen krijgen inspraak en maken de dienst uit. Respectloos benaderen en behandelen zij de ouderen. Dan is het gevolg dat de samenleving wordt ontwricht. Het geloof ziet hierin de hand van God Die de mens aan zichzelf overgeeft omdat de mens Hem niet wil.

Wel, misschien geeft de familieband nog enige hoop (vers 66Ja, iemand zal zijn broer uit het huis van zijn vader vastgrijpen [met de woorden]:
Jij hebt [nog] een mantel, wees leider over ons,
en neem deze puinhoop onder je hoede.
)
. Mensen zullen steun zoeken bij een familielid dat een schijn van aanzien heeft, wat in het dragen van een “mantel” gezien wordt. Iemand die een opvallend uiterlijk heeft, wordt aangeklampt door hen die wanhopig zoeken naar een persoon die een zekere mate van orde kan brengen in de “puinhoop”. Ze smeken hem zich over de puinhoop te ontfermen.

De hoop op een aanzienlijk familielid voor uitkomst is echter tevergeefs (vers 77Dan zal hij op die dag [zijn stem] verheffen [en] zeggen:
Ik kan geen heelmeester zijn,
en er is in mijn huis geen brood en geen mantel;
stel mij [daarom] niet aan als leider van het volk.
)
. Ook familieleden kunnen of willen elkaar niet helpen. Niemand wil de verantwoordelijkheid op zich nemen om “heelmeester” van de zieke samenleving te zijn. Ieder verschuilt zich achter het ontbreken van voedsel en leiderscapaciteiten en laat dat ook duidelijk horen. Hij heeft misschien wel een mantel aan, maar hij heeft die niet in huis. Zijn eigen belang verbiedt hem ook maar een poging te wagen om de chaos aan te pakken. Hij weigert om als leider te functioneren. Het geeft aan dat de samenleving is ingestort en volledig is ontredderd.


Aanleiding tot het oordeel

8Want Jeruzalem is gestruikeld
en Juda is gevallen,
omdat hun woorden en daden tegen de HEERE zijn,
doordat zij de blik van Zijn heerlijkheid tergen.
9Hun gelaatsuitdrukking getuigt tegen hen.
Zoals Sodom maken zij hun zonden [openlijk] bekend,
zij verbergen [ze] niet.
Wee hun ziel,
want zij doen zichzelf kwaad aan.

De profeet herinnert zijn lezers aan de geestelijke en morele oorzaken van deze anarchie in Jeruzalem en Juda (vers 88Want Jeruzalem is gestruikeld
en Juda is gevallen,
omdat hun woorden en daden tegen de HEERE zijn,
doordat zij de blik van Zijn heerlijkheid tergen.
)
. Deze situatie is het gevolg van hun brutale en schaamteloze opstand tegen de HEERE die in “hun woorden en daden” tot uiting komt. Er is niet alleen onvrede, mopperen, maar een regelrecht tergen. Het is een algemeen beginsel dat wie in woord en daad tegen de HEERE opstaat, struikelt en valt. Uitdagend en brutaal tergen zij de heerlijkheid van de HEERE (vgl. Jd 1:9-109De aartsengel Michaël echter durfde, toen hij met de duivel redeneerde en redetwistte over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uitbrengen, maar zei: Moge [de] Heer u bestraffen!10Maar dezen, alles wat zij niet kennen, lasteren zij, en in alles wat zij van nature weten, zoals de redeloze levende wezens, daarin verderven zij zich.). Deze heerlijkheid wordt hier voorgesteld als een heerlijkheid die "ogen als een vuurvlam" heeft en alles ziet wat zij doen (Op 1:1414en Zijn hoofd en haar als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen als een vuurvlam). Ook hun motieven doorgrondt Hij. Het is die heerlijkheid die de heidenen in het vorige gedeelte heeft doen vluchten (Js 2:1919Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
)
.

En zij kennen toch Zijn heerlijkheid, want Hij heeft Zich vele eeuwen als de heilige en genadige God geopenbaard. Hoewel zij Zijn heerlijkheid kennen, geven ze de voorkeur aan de zonde. In plaats van Zijn heerlijkheid tot onderwerp van hun gesprek te maken, spreken zij zonder enige schaamte openlijk over hun zonden (vers 99Hun gelaatsuitdrukking getuigt tegen hen.
Zoals Sodom maken zij hun zonden [openlijk] bekend,
zij verbergen [ze] niet.
Wee hun ziel,
want zij doen zichzelf kwaad aan.
; vgl. Hs 5:55De trots van Israël getuigt openlijk tegen hem.
En Israël en Efraïm zullen struikelen om hun ongerechtigheid,
en met hen zal ook Juda struikelen.
; 7:1010Hoewel de trots van Israël tegen hem getuigde,
hebben zij zich niet bekeerd tot de HEERE, hun God.
In dit alles zochten zij Hem niet.
; Rm 1:3232die, hoewel zij de eis van het recht van God kennen – dat zij die zulke dingen bedrijven, [de] dood verdienen –, ze niet alleen doen, maar ook een welgevallen hebben aan hen die ze bedrijven.)
. Vrij weergegeven luidt vers 9a9Hun gelaatsuitdrukking getuigt tegen hen.
Zoals Sodom maken zij hun zonden [openlijk] bekend,
zij verbergen [ze] niet.
Wee hun ziel,
want zij doen zichzelf kwaad aan.
: ‘Hun gelaatsuitdrukking spreekt boekdelen.’ Ze hebben “het voorhoofd van een hoer” en weigeren “beschaamd te zijn” (Jr 3:33Daarom werden de regendruppels ingehouden
en is er geen late regen geweest.
U hebt het voorhoofd van een hoer,
u weigert [daarvoor] beschaamd te zijn.
)
, “ja, zij weten van geen blozen” (Jr 6:1515Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen;
ten tijde dat Ik hen zal straffen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
)
.

Ze kunnen “niet ophouden te zondigen” (2Pt 2:1414Zij hebben overspelige ogen, die niet ophouden te zondigen; zij verlokken onstandvastige zielen en hebben een hart geoefend in hebzucht, kinderen van [de] vervloeking.). Daarom spreekt Jesaja het “wee hun ziel” over hen uit. Wie door een dergelijke schaamteloosheid gekenmerkt wordt, doet “zichzelf kwaad aan”. Zo iemand haalt het oordeel over zichzelf, hij bewerkt zijn eigen ondergang.

We zien het ook vandaag in de wereld om ons heen en in de christenheid. Homofilie (de geaardheid) en homoseksualiteit (de praktijk), de zonden van Sodom, gelden niet meer als zonde, maar worden steeds meer als een normale uiting van het leven gezien. Zelfs in wat eens bolwerken van orthodoxie waren, wordt tegen homoseksuele stellen gezegd: ‘We respecteren jullie trouw in de relatie. En ook al kunnen we dat niet inzegenen, er blijft plaats voor jullie in de kerk.’ Eens te meer tonen zij hun gelijkenis met Sodom en roepen zo het oordeel over zichzelf af (Gn 18:2020Verder zei de HEERE: De roep van Sodom en Gomorra is groot en hun zonde heel zwaar.).

In feite is dit de maat van de zonde van de wereld. Ze doen deze zonden niet alleen, maar ze hebben ook een welgevallen aan hen die ze doen (Rm 1:3232die, hoewel zij de eis van het recht van God kennen – dat zij die zulke dingen bedrijven, [de] dood verdienen –, ze niet alleen doen, maar ook een welgevallen hebben aan hen die ze bedrijven.). Dat laatste blijkt ook uit hun afwijzing en verdrukken van mensen die voor hen andersdenkenden zijn. Zie hiervoor de praktijk van onze antidiscriminatiewetten.


De rechtvaardige en de goddeloze

10Zeg de rechtvaardige dat het [hem] goed zal gaan,
dat hij de vrucht van zijn daden zal eten.
11Wee de goddeloze, het zal [hem] slecht vergaan,
want wat zijn handen verdienen, zal hem aangedaan worden.

Te midden van al deze goddeloosheid is er een woord voor “de rechtvaardige”, dat is hij die God vreest en dat in zijn leven laat zien (vers 1010Zeg de rechtvaardige dat het [hem] goed zal gaan,
dat hij de vrucht van zijn daden zal eten.
; vgl. Js 1:1919Als u gewillig bent en luistert,
zult u het goede van het land eten,
)
. Hoe moeilijk het voor hem in deze situatie ook is, hij mag weten dat zijn leven vrucht zal voortbrengen waarvan hij zelf zal mogen genieten. Dat is voor hem een bemoedigende wetenschap die staat tegenover het lot dat “de goddeloze” zal ondergaan (vgl. Js 1:2020maar als u weigert en ongehoorzaam bent,
zult u door het zwaard gegeten worden;
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
)
. De laatste zal het slecht vergaan, omdat hij slecht heeft geleefd (vers 1111Wee de goddeloze, het zal [hem] slecht vergaan,
want wat zijn handen verdienen, zal hem aangedaan worden.
)
. Het oordeel als het loon over de zonde is door hemzelf verdiend. Hij heeft er door zijn zonden om gevraagd en hij zal het krijgen.

Deze twee wegen en waar zij eindigen, vinden we vele keren in het boek Spreuken. Het is de wetmatigheid: “Wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten” (Gl 6:77Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.). Dat geldt voor ieder mens van elke tijd, ook voor ons nu.


De leiders zijn verleiders

12De onderdrukkers van Mijn volk zijn kinderen,
en vrouwen heersen over hen.
Mijn volk, wie u leiden, misleiden [u,]
en zij brengen de richting van uw paden in de war.
13De HEERE staat gereed om [Zijn] rechtszaak te voeren,
en Hij staat klaar om over de volken recht te spreken.
14De HEERE gaat in het gericht
met de oudsten van Zijn volk en de vorsten ervan.
Ú hebt immers [deze] wijngaard verbrand,
[en] wat u geroofd hebt van de armen, bevindt zich in uw huizen.
15Welk recht hebt u om Mijn volk te vertrappen
en de armen te vermorzelen?
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.

Een verdere ontaarding van de toestand van het volk zien we in het gedeelte dat hier begint en doorloopt tot Jesaja 4:1.

Het volk krijgt de leiders die het verdient. Deze leiders zijn er in twee soorten: “kinderen” en “vrouwen” (vers 1212De onderdrukkers van Mijn volk zijn kinderen,
en vrouwen heersen over hen.
Mijn volk, wie u leiden, misleiden [u,]
en zij brengen de richting van uw paden in de war.
; vgl. 1Kn 15:1313Ja, zelfs zijn [groot]moeder Maächa zette hij af, zodat zij geen koningin meer was, omdat zij een gruwelijk beeld van Asjera had gemaakt. Asa hakte haar gruwelijke beeld om, en verbrandde [het] bij de beek Kidron.; 2Kn 11:1,131Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, stond zij op en bracht zij heel het koninklijk nageslacht om.13Toen Athalia het geluid van de lijfwacht [en] het volk hoorde, kwam zij naar het volk in het huis van de HEERE.)
. In de verzen 12-1512De onderdrukkers van Mijn volk zijn kinderen,
en vrouwen heersen over hen.
Mijn volk, wie u leiden, misleiden [u,]
en zij brengen de richting van uw paden in de war.
13De HEERE staat gereed om [Zijn] rechtszaak te voeren,
en Hij staat klaar om over de volken recht te spreken.
14De HEERE gaat in het gericht
met de oudsten van Zijn volk en de vorsten ervan.
Ú hebt immers [deze] wijngaard verbrand,
[en] wat u geroofd hebt van de armen, bevindt zich in uw huizen.
15Welk recht hebt u om Mijn volk te vertrappen
en de armen te vermorzelen?
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.
worden de leiders beschreven als kinderen die onbekwaam zijn om te regeren (vgl. 1Tm 3:2,62De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,6geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.). In het gedeelte van Jesaja 3:16-4:1 worden zij beschreven als vrouwen die onbevoegd zijn om te regeren (vgl. 1Tm 2:1212maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn.).

In beide gevallen gaat het om leiders aan wie geen plaats van gezag toekomt, maar zich die aanmatigen. Nemen zij die plaats in, dan blijken zij tirannen te zijn. Het kan ook zijn dat de man formeel regeert, maar de vrouw de touwtjes in handen heeft, zoals we zien bij Achab en Izebel (1Kn 21:77Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet ú nu het koningschap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.).

Kinderen laten zich in het algemeen leiden door hun lusten en begeerten, zonder enig gevoel van mededogen. Kinderen kunnen heel teerhartig zijn, maar ook heel hard. Ze zijn in staat om hen die zij in hun macht hebben te mishandelen en te onderdrukken. Vrouwen laten zich in het algemeen door hun gevoelens leiden. Ook zij kunnen heel teerhartig, maar ook heel wreed zijn. In hun geldingsdrang gaan ze over lijken. In beide gevallen ontbreekt het vermogen om het volk uit de toestand van verwarring te bevrijden.

Wat voor soort leiders geeft leiding in de christenheid? Veel leiders voeren Gods volk van Christus af. Zij menen gekwalificeerd te zijn, maar zijn verleiders. Als vrouwen de leiding nemen (of krijgen!), kan er slechts misleiding volgen. Zij kunnen het volk van God alleen maar voorgaan in een verkeerde richting. Een duidelijke koers ontbreekt bij hen, omdat zij een plaats innemen die hun niet door God is gegeven.

Met het aanspreken van hen als “Mijn volk” wil de HEERE hun harten bereiken, opdat ze inzien hoe ze eraan toe zijn en zich tot Hem bekeren. Hij wijst hen erop dat deze leiders hen misleiden. In plaats van het volk voor te gaan op de goede weg nemen zij het volk mee op een dwaalweg.

De HEERE kan de houding van de leiders niet verdragen. Hij staat op en maakt Zich op voor een rechtszaak tegen hen (vers 1313De HEERE staat gereed om [Zijn] rechtszaak te voeren,
en Hij staat klaar om over de volken recht te spreken.
)
. Hij is verontwaardigd over hun houding en handelwijze en neemt tegenover “de volken”, dat zijn de stammen van Israël, dat is heel Israël, de houding van Rechter aan. [De Septuaginta – de Griekse vertaling van het Oude Testament – vertaalt “de volken” met ‘Zijn volk’.]

Nadat de HEERE Zich voor de rechtszaak heeft opgemaakt, gaat Hij daadwerkelijk met de leiders, “de oudsten van Zijn volk en de vorsten ervan”, in het gericht (vers 1414De HEERE gaat in het gericht
met de oudsten van Zijn volk en de vorsten ervan.
Ú hebt immers [deze] wijngaard verbrand,
[en] wat u geroofd hebt van de armen, bevindt zich in uw huizen.
)
. Hij neemt het hun bijzonder kwalijk dat zij zich in de wijngaard (waarover in Jesaja 5 meer), die zij tegen wilde beesten hadden moeten bewaken, zelf als wilde beesten hebben gedragen. Ze hebben de wijngaard verwoest, zodat Hij er geen vrucht, dat wil zeggen geen vreugde, waarvan de wijn spreekt, van krijgt. Zijn vreugde is een ongestoorde gemeenschap met hen. De leiders hebben dat onmogelijk gemaakt. Zij hebben Gods volk uitgeplunderd, vertrapt en mishandeld en hun eigen huizen met het geroofde gevuld (vers 1515Welk recht hebt u om Mijn volk te vertrappen
en de armen te vermorzelen?
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.
; vgl. Ps 94:55HEERE, zij verbrijzelen Uw volk,
zij verdrukken Uw eigendom.
)
.

In de uitroep “welk recht hebt u …?” komt de verbazing van de HEERE tot uiting, alsof Hij niet kan begrijpen dat de leiders zich zo onbarmhartig tegenover hun volksgenoten gedragen (vgl. Mt 18:21-3521Toen kwam Petrus bij Hem en zei tot Hem: Heer, hoe vaak zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven?22Tot zevenmaal? Jezus zei tot hem: Ik zeg je, niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zeven.23Daarom is het koninkrijk der hemelen gelijk geworden aan een koning die met zijn slaven afrekening wilde houden.24Toen hij nu begon af te rekenen, werd er een bij hem gebracht die tienduizend talenten schuldig was.25Daar hij echter niets had om te betalen, beval zijn heer hem te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles wat hij had, en dat er betaald moest worden.26De slaaf dan viel smekend voor hem neer en zei: <Heer,> heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.27De heer van die slaaf nu werd met ontferming bewogen, liet hem vrij en schold hem de lening kwijt.28Toen die slaaf echter naar buiten ging, vond hij een van zijn medeslaven, die hem honderd denaren schuldig was; en hij pakte hem beet, greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent.29Zijn medeslaaf dan viel neer en smeekte hem aldus: Heb geduld met mij en ik zal je betalen.30Hij wilde echter niet, maar ging weg en wierp hem in [de] gevangenis, totdat hij zou betalen wat hij schuldig was.31Toen zijn medeslaven dan zagen wat er was gebeurd, werden zij zeer bedroefd; en zij gingen hun heer alles wat er gebeurd was uiteenzetten.32Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tot hem: Boze slaaf, die hele schuld heb ik je kwijtgescholden, daar je mij gesmeekt hebt;33had ook jij je niet moeten erbarmen over je medeslaaf, zoals ook ik mij over jou erbarmd heb?34En zijn heer werd toornig en leverde hem over aan de folteraars, totdat hij alles zou betalen wat hij <hem> schuldig was.35Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet ieder zijn broeder van harte vergeeft.). Zelf heeft Hij hen met zoveel barmhartigheid behandeld. Vanwaar dan deze handelwijze? Hij verzwaart de aanklacht door over hen die zij zo mishandelen als “Mijn volk” te spreken. Wat Zijn volk wordt aangedaan, treft Hem in het hart. Tegelijk stelt Hij Zich, net als in vers 11Want zie, de Heere, de HEERE van de legermachten
gaat van Jeruzalem en Juda wegnemen
steun en stut:
elke steun van brood
en elke steun van water,
, voor als “de Heere, de HEERE van de legermachten”. Met Hem hebben ze te maken.


Oordeel over de trotse vrouwen

16Verder zegt de HEERE:
Omdat de dochters van Sion uit de hoogte doen,
met uitgestrekte hals lopen,
met de ogen lonken,
met kleine pasjes lopen,
en hun enkelringen laten rinkelen,
17daarom zal de Heere de schedel van de dochters van Sion schurftig maken,
en hun schaamdelen zal de HEERE ontbloten.
18Op die dag zal de Heere de [mooiste] sieraden wegnemen: de enkelringen, de voorhoofdbanden, de maantjes, 19de oorhangers, de armbanden, de sluiers, 20de hoofddoeken, de enkelkettinkjes, de gordels, de reukflesjes, de amuletten, 21de ringen, de neusringen, 22de feestkleren, de mantels, de omslagdoeken, de tasjes, 23de handspiegels, de onderkleding, de mutsen en de sluiers.
24Dan zal er in plaats van balsemgeur stank zijn,
en er zal een touw zijn in plaats van een gordel,
kaalheid in plaats van haarvlechten,
het aandoen van een rouwgewaad in plaats van een pronkgewaad,
een brandmerk in plaats van schoonheid.
25Uw mannen zullen door het zwaard vallen
en uw helden in de strijd.
26Haar poorten zullen treuren en rouwen.
Als alles haar ontnomen is, zal zij neerzitten op de aarde.

Om Zijn volk hun zonden duidelijk voor ogen te stellen beschrijft de HEERE de pronkzucht van de vrouwen. Daarom staat er dat Hij “verder” gaat met spreken (vers 1616Verder zegt de HEERE:
Omdat de dochters van Sion uit de hoogte doen,
met uitgestrekte hals lopen,
met de ogen lonken,
met kleine pasjes lopen,
en hun enkelringen laten rinkelen,
)
. Hij vervolgt Zijn onderwerp. De ijdelheid van de leiders wordt geïllustreerd door en zichtbaar gemaakt in hun vrouwen, “de dochters van Sion”. Innerlijke verdorvenheid komt altijd naar buiten. Zo wordt ook de hoogmoed van het hart zichtbaar in iemands levenswandel.

De oorzaak van de verdorven handelwijze van Zijn volk is te zien in de verlangens van deze “dochters van Sion” naar de levensstijl van de wereld. Vrouwen hebben een grote invloed op de ontwikkeling van hun kinderen, die zij de hele dag bij zich hebben. Daarom zijn zij mede de oorzaak van de dramatische afwijking van de HEERE. Als er nog enig besef bij deze vrouwen zou zijn van wat passend is voor God, zou de situatie niet helemaal hopeloos zijn.

Deze vrouwen zijn echter van een heel andere soort. De arrogante trots van de leiders van Juda is evenzeer aanwezig in deze vrouwen, “de dochters van Sion”. Ze doen “uit de hoogte” en kijken minachtend op anderen neer. De “uitgerekte hals”, dat is de nek naar achter strekken om langer en groter te lijken, waarmee ze lopen, spreekt van trots. “Met de ogen lonken” ziet op hun manier van kijken. Hun onschuldig lijkende blik is een uitgesproken sensuele blik, een blik om seksuele begeerten op te wekken. Zo lopen ze rond, “met kleine pasjes”, terwijl ze onder het lopen “hun enkelringen laten rinkelen”.

Ze lopen, kijken en versieren zich op een manier die hun de zekerheid geeft dat iedereen wel naar hen moet kijken. Met de grootste zelfgenoegzaamheid willen ze alle aandacht op zichzelf vestigen. God neemt hun dat bijzonder kwalijk. Het is Hem niet onverschillig hoe en waarom een vrouw zich kleedt en versiert zoals ze doet. Ook in het Nieuwe Testament staan daarover duidelijke aanwijzingen (1Pt 3:3-43Laat uw versiering niet de uiterlijke zijn: [het] vlechten van [het] haar en [het] omhangen van gouden [dingen] of [het] aantrekken van kleren,4maar de verborgen mens van het hart, in de onvergankelijke [versiering] van de zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God.; 1Tm 2:9-109Evenzo dat <ook> vrouwen zich tooien in waardige kleding met bescheidenheid en ingetogenheid, niet met haarvlechten en goud of parels of kostbare kleding;10maar – zoals het vrouwen past die belijden Godvrezend te zijn – door goede werken.). Christinnen doen er goed aan daarop te letten, als ze tenminste vrouwen zijn die belijden Godvrezend te zijn.

Het is ook duidelijk dat vrouwen die zich net zo gedragen als deze dochters van Sion, vrouwen die net zo met zichzelf en hun uiterlijk bezig zijn als zij, geen goede bestuurders van hun huis zijn (vgl. 1Tm 5:1414Ik wil dan dat jongere [weduwen] trouwen, kinderen krijgen, hun huis besturen, de tegenstander geen enkele aanleiding tot lasteren geven.). Als ze alleen aandacht aan zichzelf geven en hun best doen die van hun omgeving te trekken, zullen ze weinig tijd besteden aan de opvoeding van hun kinderen. Een maatschappij waarin vrouwen zich posities aanmatigen die hun niet toekomen en daarin zelfs door de overheid worden gestimuleerd, zal een onbestuurbare maatschappij worden met een overvloed aan probleemjongeren.

Het letterlijke gedrag van de dochters van Sion is een weerspiegeling van de geestelijke toestand van het volk als geheel. De HEERE beschrijft het gedrag van de vrouwen in beeldende taal en drijft de spot met hun verwaandheid (vers 1717daarom zal de Heere de schedel van de dochters van Sion schurftig maken,
en hun schaamdelen zal de HEERE ontbloten.
)
. Een afschuwelijke vergelding moet plaatsvinden. Hun wuftheid of lichtzinnigheid zal veranderen in schurft, die aan melaatsheid doet denken (Lv 13:30-3730en heeft de priester die aangetaste plek bezien, en zie, ze ligt zichtbaar dieper dan de huid en er [groeit] geelachtig dun haar op, dan moet de priester hem onrein verklaren. Het is schurft, het is melaatsheid van het hoofd of van de baard.31Maar wanneer de priester de ziekte van de schurft beziet, en zie, de schurft ligt zichtbaar niet dieper dan de huid en er [groeit] geen zwart haar op, dan moet de priester hem die de ziekte van de schurft heeft, zeven dagen afzonderen.32Daarna moet de priester die aangetaste plek op de zevende dag bezien. En zie, als de schurft zich niet heeft uitgebreid, er geen geelachtig haar gekomen is en de schurft zichtbaar niet dieper dan de huid ligt,33dan moet hij zich laten scheren, maar de schurft mag hij niet scheren. De priester moet hem die de schurft heeft, opnieuw zeven dagen afzonderen.34Heeft de priester vervolgens de schurft op de zevende dag gezien, en zie, de schurft heeft zich op de huid niet uitgebreid en ligt zichtbaar niet dieper dan de huid, dan moet de priester hem rein verklaren. Hij moet dan zijn kleren wassen en is rein.35Maar als de schurft zich na zijn reiniging verder over de huid uitbreidt,36en heeft de priester die gezien, en zie, de schurft heeft zich op de huid uitgebreid, [dan] hoeft de priester niet te zoeken naar geelachtig haar; hij is onrein.37Maar als de schurft in zijn ogen onveranderd gebleven is en er zwart haar op gegroeid is, dan is de schurft genezen; hij is rein. De priester moet hem rein verklaren.; 14:5454Dit is de wet voor elke [vorm van] de ziekte van de melaatsheid: voor schurft,). Die schurft zal door het oordeel van de HEERE hun schedel bedekken.

Mogelijk kunnen we hierbij denken aan Jeruzalem op de berg Sion, waarbij Sion “de schedel” is en Jeruzalem het sieraad dat door de schurft zal worden aangetast. Een schedel die door de schurft is aangetast, moet worden kaalgeschoren. Zo zal Jeruzalem, de stad van schoonheid, worden verwoest en de inwoners worden weggevoerd. In plaats van de bewondering van de omgeving, waarop ze uit zijn, zal afschuw allen vervullen die hen waarnemen.

Het ontbloten van de schaamdelen wil zeggen dat de stad met de grond gelijkgemaakt zal worden, waardoor de fundamenten worden blootgelegd. De schande en smaad daarvan zal door iedereen worden gezien.

“Op die dag” (vers 1818Op die dag zal de Heere de [mooiste] sieraden wegnemen: de enkelringen, de voorhoofdbanden, de maantjes,) van uiterste schande en smaad zal “de Heere” (Adonai), de soevereine Gebieder en Meester, “de [mooiste] sieraden wegnemen”. Alles waarmee ze pronkt, zal haar worden afgenomen, zodat ze naakt staat.

Vervolgens somt Jesaja in het gedeelte van de verzen 18b-2318Op die dag zal de Heere de [mooiste] sieraden wegnemen: de enkelringen, de voorhoofdbanden, de maantjes,19de oorhangers, de armbanden, de sluiers,20de hoofddoeken, de enkelkettinkjes, de gordels, de reukflesjes, de amuletten,21de ringen, de neusringen,22de feestkleren, de mantels, de omslagdoeken, de tasjes,23de handspiegels, de onderkleding, de mutsen en de sluiers.
een overvloed aan toiletartikelen, versierselen en kledingstukken op. Jesaja is hier wel heel gedetailleerd. Hij doet dat om het enorme contrast te laten zien tussen de ongebreidelde pronkzucht van valse wereldse heerlijkheid en de geestelijke, verheven eenvoud van de innerlijke echte heerlijkheid die voor God aangenaam is. Het gaat Jesaja er immers om de weg te laten zien die via het oordeel over de valse heerlijkheid naar de ware heerlijkheid, die van de Messias en Zijn rijk, voert.

Het is voor ons niet mogelijk om over elke versiering iets te zeggen. Toch kunnen er wel enkele opmerkingen worden gemaakt die licht op dit gedeelte werpen. Het is opmerkelijk dat Jesaja in totaal eenentwintig versieringen noemt. Het getal eenentwintig is drie keer zeven, wat symbolisch de volheid (drie) en de volkomenheid (zeven) aangeeft van de lichtzinnigheid van de versiering van de vrouwen. Deze modepoppen zijn in hun verschijning een weerspiegeling van de geraamteloze weekheid van hun mannen.

De beschrijving van de versiering begint met de “enkelringen” (ook genoemd in vers 1616Verder zegt de HEERE:
Omdat de dochters van Sion uit de hoogte doen,
met uitgestrekte hals lopen,
met de ogen lonken,
met kleine pasjes lopen,
en hun enkelringen laten rinkelen,
) en de “voorhoofdbanden” (vers 1818Op die dag zal de Heere de [mooiste] sieraden wegnemen: de enkelringen, de voorhoofdbanden, de maantjes,), dus de versiering van de voeten en het hoofd. Dat herinnert aan Gods oordeel over Zijn volk dat Hij in het begin van dit boek uitspreekt: “Vanaf de voetzool tot het hoofd toe is er geen gezonde plek aan” (Js 1:6a6Vanaf de voetzool tot het hoofd toe
is er geen gezonde plek aan:
wonden en striemen
en gapende wonden,
niet uitgedrukt, niet verbonden,
en niet met olie verzacht.
)
. Het volk wil die zieke toestand niet inzien, maar die met allerlei versieringen over het hele lichaam, van top tot teen, bedekken om het daardoor in plaats van afstotelijk te zijn aantrekkelijk te maken.

Verder is de opsomming niet van onderen naar boven of omgekeerd en ook niet van buiten naar binnen. Er is geen bepaalde volgorde in te ontdekken. De opsomming is willekeurig en beantwoordt daarmee aan het wispelturige gedrag van de vrouwen.

De “maantjes” (vers 1818Op die dag zal de Heere de [mooiste] sieraden wegnemen: de enkelringen, de voorhoofdbanden, de maantjes,) zijn sieraden in de vorm van de maan, mogelijk een verwijzing naar de maan als een voorwerp van aanbidding. Ze worden in de dagen van Gideon op de Midianieten buitgemaakt, evenals “de oorhangers” (vers 1919de oorhangers, de armbanden, de sluiers,; Ri 8:2626Het gewicht van de gouden ringen, waar hij om gevraagd had, was zeventienhonderd [sikkel] goud, naast de maantjes, oorhangers en purperen kleding die de koningen van Midian gedragen hadden, en naast de kettingen om de halzen van hun kamelen.). Ze worden om de nek gedragen en worden ook wel gedragen door kamelen (Ri 8:2121Toen zeiden Zebah en Zalmuna: Staat u [zelf] op en steek ons dood, want zoals de man is, zo is zijn kracht. Daarom stond Gideon op, doodde Zebah en Zalmuna, en nam de maantjes die om de halzen van hun kamelen hingen.). De “sluiers” komen overeen met de tegenwoordige ‘nikab’, een soort boerka, maar dan als een los kledingstuk.

“De enkelkettinkjes” (vers 2020de hoofddoeken, de enkelkettinkjes, de gordels, de reukflesjes, de amuletten,) zorgen ervoor dat ze kleine en sierlijke pasjes maken. “De gordels” zijn de sieraadgordels die de bruid op de dag van haar bruiloft draagt (Jr 2:3232Zou een jonge vrouw haar sieraad vergeten,
een bruid haar gordels?
Toch heeft Mijn volk Mij vergeten,
dagen, niet te tellen.
; vgl. Js 49:1818Sla uw ogen op, [kijk] om [u] heen en zie:
zij allen verzamelen zich, komen naar u toe.
[Zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE,
voorzeker, u zult zich met hen allen als met een sieraad tooien,
u zult ze ombinden zoals een bruid [doet].
)
. “De amuletten” tonen hun bijgeloof, want ze dragen die om hen te beschermen tegen bezweringen van tovenaars. “De omslagdoeken” (vers 2222de feestkleren, de mantels, de omslagdoeken, de tasjes,) zijn wijde omslagdoeken, zoals Ruth er een draagt als ze in haar mooiste kleren naar Boaz gaat (Ru 3:1515Verder zei hij: Geef de omslagdoek die u draagt, en houd hem [op]. En zij hield hem [op]. En hij mat zes [maten] gerst af en legde die op haar. Vervolgens ging hij de stad in.).

Uit de beschrijving van enkele genoemde kledingstukken blijkt een vermenging van elementen die ook in de priesterkleding zitten met elementen die bij de afgoderij horen. Zo worden “de hoofddoeken” (vers 2020de hoofddoeken, de enkelkettinkjes, de gordels, de reukflesjes, de amuletten,) en “de onderkleding” (vers 2323de handspiegels, de onderkleding, de mutsen en de sluiers.
)
ook genoemd als priesterkleding (Ex 39:2828de tulband van fijn linnen, de sierlijke hoofddoeken van fijn linnen, de linnen broeken van dubbeldraads fijn linnen,; 29:5,85Vervolgens moet u de kleding nemen en Aäron het onderkleed, het bovenkleed van de efod, de efod en de borsttas aantrekken en hem de kunstige band van de efod ombinden.8Vervolgens moet u zijn zonen naderbij laten komen en hen de onderkleren laten aantrekken.). Kleding spreekt in de Schrift van het gedrag dat we vertonen. Door hun kleding lijken de vrouwen van Jeruzalem op een versierde kerstboom. Ze kleden zich zo, om de aandacht en genegenheid van de volken om hen heen op zich te vestigen. Het komt niet in hen op om in hun gedrag de HEERE te behagen.

De HEERE zal een totale omkering bewerken (vers 2424Dan zal er in plaats van balsemgeur stank zijn,
en er zal een touw zijn in plaats van een gordel,
kaalheid in plaats van haarvlechten,
het aandoen van een rouwgewaad in plaats van een pronkgewaad,
een brandmerk in plaats van schoonheid.
)
. Hij zal alles waarmee de vrouwen zichzelf behangen als vuilnis van hen wegnemen. Hoe jammerlijk zullen ze er dan uitzien en zich voelen! Een vrouw die tot bekering kwam en haar opmaak niet meer op haar gezicht deed, vertelde dat ze zich in het begin als ‘naakt’ voelde. Zo zal het ook deze vrouwen gaan.

In bloemrijke, krachtige taal stelt de HEERE voor hoe Hij alles wat zij bedoelen om aantrekkelijk voor anderen te zijn, zal maken tot iets wat anderen zal afstoten. Ze zal er jammerlijk uitzien door mishandeling en te vies zijn om aan te pakken. Zo zal de geur van parfum, de “balsemgeur”, vervangen worden door “stank”, bijvoorbeeld van etterende wonden. De “gordel” waarmee zij pronken, zal veranderen in een “touw” waarmee ze in gevangenschap worden meegesleept.

Hun fraaie “haarvlechten” zullen worden afgeschoren. “Kaalheid” betekent voor een vrouw een grote smaad. Kaalscheren gebeurt bij gevangen vrouwen (Dt 21:1212dan moet u haar uw huis binnenbrengen. Zij moet vervolgens haar hoofd kaalscheren, haar nagels knippen). Hu “schoonheid” zal ontsierd worden door “een brandmerk” dat op hun lichaam met een brandijzer wordt aangebracht. Het is het onuitwisbare merkteken dat ze in slavernij zijn (vgl. Ne 9:3636Zie, vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten, zie, wij zijn slaven daarin.).

Hun “mannen” naar wie zij niet luisteren, maar over wie zij integendeel heersen en van wie zij zich bedienen (Am 4:1b1Luister naar dit woord,
koeien van Basan die op de berg van Samaria zijn,
u, die de geringen onderdrukt,
die de armen mishandelt,
die tegen hun heren zeggen:
Breng [ons iets], zodat wij kunnen drinken.
)
, zullen door het zwaard omkomen (vers 2525Uw mannen zullen door het zwaard vallen
en uw helden in de strijd.
)
. Hun “helden”, van wie ze denken dat die hen wel zullen beschermen, zullen in de strijd gedood worden. De “poorten” (vers 2626Haar poorten zullen treuren en rouwen.
Als alles haar ontnomen is, zal zij neerzitten op de aarde.
)
, de plaatsen van rechtspraak en bewaking, zullen geen veiligheid en bescherming meer bieden. De vijand zal er bezit van nemen. Dat zal ongeveer honderdvijftig jaar hierna gebeuren, als Juda door Babel wordt belegerd en veroverd en in ballingschap wordt weggevoerd. Als resultaat zal de stad “neerzitten op de aarde”, een toonbeeld van grote rouw en uiterste rampspoed (Jb 2:1313Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten. Niemand sprak een woord tot hem, want zij zagen dat het leed zeer hevig was.).


Lees verder