Jesaja
1-5 Het overblijfsel looft de HEERE 6-9 De volken delen in de behoudenis 10-12 Moab vernederd tot in het stof
Het overblijfsel looft de HEERE

1HEERE, U bent mijn God,
ik zal U roemen, Uw Naam loof ik.
Want U hebt wonderen gedaan.
[Uw] raadsbesluiten zijn van oudsher vast en zeker.
2Want U hebt van de stad een steenhoop gemaakt,
van de versterkte stad een ruïne,
van de vesting van vreemden [iets wat] geen stad [mag heten];
in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.
3Daarom zal een sterk volk U eren,
de stad van gewelddadige volken zal U vrezen.
4Want U bent voor de geringe een vesting geweest,
een vesting voor de arme in zijn nood,
een toevlucht tegen de vloed, een schaduw tegen de hitte.
Want het razen van geweldplegers is als een vloed [tegen] een muur.
5Als de hitte in een dorre streek
zult U het gedruis van de vreemden onderdrukken;
[als] de hitte door de schaduw van een [dikke] wolk
zal het gezang van de geweldplegers worden gedempt.

Het is geen wonder dat na de openbaring van de heerlijkheid van de Heer Jezus in Zijn regering in het laatste vers van het vorige hoofdstuk er nu een lofzang volgt. Dit hoofdstuk en het grootste deel van het volgende bestaan uit een danklied. Het danklied in dit hoofdstuk komt uit de mond van Jesaja als de stem van ieder die tot het Godvrezende overblijfsel na de grote verdrukking behoort (vgl. Js 12:1-121Op die dag zult u zeggen:
Ik dank U, HEERE, dat U toornig op mij geweest bent,
maar Uw toorn is afgekeerd en U troost mij.
2Zie, God is mijn heil,
ik zal vertrouwen en geen angst hebben,
want mijn kracht en psalm is de HEERE HEERE,
en Hij is mij tot heil geworden.
3U zult met vreugde water scheppen
uit de bronnen van het heil.4Op die dag zult u zeggen:
Dank de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken,
roep in herinnering dat Zijn Naam hoogverheven is.
5Zing psalmen voor de HEERE, want Hij heeft zeer grote dingen gedaan.
Laat dit bekend worden over heel de aarde!
6Juich en zing vrolijk, inwoonster van Sion,
want groot in uw midden is de Heilige van Israël.
)
. Het is hier meer het getuigenis van persoonlijk geloof. In het volgende hoofdstuk is de lofzang niet meer individueel, maar horen we het hele overblijfsel zingen, met Jesaja als het ware als de voorzanger.

Het overgrote deel van het volk Israël, de ongelovige massa, is reeds geoordeeld door toedoen van de Assyriërs. De antichrist is onttroond. Dan komt de oogst van de profetische aarde (Js 24:1-41Zie, de HEERE maakt het land leeg en verwoest het;
het oppervlak ervan keert Hij ondersteboven, Hij verspreidt zijn inwoners.
2Het vergaat het volk dan net als de priester,
de knecht als zijn heer,
de slavin als haar meesteres,
de koper als de verkoper,
wie uitleent als wie te leen krijgt,
de schuldeiser als zijn schuldenaar.
3Het land zal volkomen leeggehaald
en leeggeplunderd worden,
want de HEERE heeft dit woord gesproken.4Het treurt, verwelkt – dat land;
hij verkommert, verwelkt – de [bewoonde] wereld;
zij verkommeren – de voornaamsten van de bevolking van het land.
; Op 14:14-2014En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk zat [Iemand, de] Zoon des mensen gelijk, Die op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel had.15En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tegen Hem Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai, want het uur om te maaien is gekomen, want de oogst van de aarde is overrijp geworden.16En Hij Die op de wolk zat, sloeg Zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid.17En een andere engel kwam uit de tempel die in de hemel is, en ook hij had een scherpe sikkel.18En een andere engel, die macht had over het vuur, <kwam> uit het altaar; en hij riep met luider stem tegen hem die de scherpe sikkel had en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.19En de engel sloeg zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijnstok van de aarde en wierp het in de grote wijnpersbak van de grimmigheid van God.20En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.)
. Wat overblijft in Israël, is gelouterd. Dit overblijfsel vormt de kern van het nieuwe Israël. Het zijn de honderdvierenveertigduizend verzegelden. Voor hen is “de zangtijd … aangebroken” (Hl 2:1212De bloemen laten zich zien op het land,
de zangtijd is aangebroken,
het koeren van de tortelduif wordt in ons land gehoord.
)
.

Eerst is er de dankbare erkenning dat de HEERE hun God is (Hs 2:2222En Ik zal haar voor Mij in de aarde zaaien
en Mij ontfermen over Lo-Ruchama.
Ik zal zeggen tegen Lo-Ammi: U bent Mijn volk,
en hij zal zeggen: Mijn God!
; Zc 13:99Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
)
. Het is de uiting van de gelovige die zich verheugt over zijn persoonlijke relatie met Hem. Het is tegelijk de geest van dankbaarheid die het hele overblijfsel kenmerkt. Zij loven Gods trouw aan Zijn verbond met Zijn aardse volk (vers 11HEERE, U bent mijn God,
ik zal U roemen, Uw Naam loof ik.
Want U hebt wonderen gedaan.
[Uw] raadsbesluiten zijn van oudsher vast en zeker.
)
. Het loven van Zijn Naam is Hem prijzen voor de openbaring van Zijn Wezen.

Die openbaring is te zien in het wonder van het oordeel over Zijn vijanden. Hij heeft de vijandige stad omvergeworpen, de hoofdstad van het wereldrijk, Babel, ofwel het herstelde Romeinse rijk (vers 22Want U hebt van de stad een steenhoop gemaakt,
van de versterkte stad een ruïne,
van de vesting van vreemden [iets wat] geen stad [mag heten];
in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.
)
. “De versterkte stad” staat symbolisch voor alles wat de mens in zijn hoogmoed op aarde heeft opgebouwd. God zal dat hele systeem oordelen. Het gevolg van Zijn oordelen, “daarom”, is dat “een sterk volk, de stad van gewelddadige volken” – Babel ofwel het herstelde Romeinse rijk – vol ontzag zal zijn voor wat de HEERE heeft gedaan en Hem gedwongen zal eren (vers 33Daarom zal een sterk volk U eren,
de stad van gewelddadige volken zal U vrezen.
)
. Alle trotse organisaties van mensen zullen ten onder zijn gegaan. En opnieuw klinkt de verzekering dat Babel nooit meer opgebouwd zal worden.

Het verloste overblijfsel herinnert zich met dankbaarheid hoe de HEERE in de tijd van de grote verdrukking en de heerschappij van de antichrist een sterkte en schuilplaats is geweest (vers 44Want U bent voor de geringe een vesting geweest,
een vesting voor de arme in zijn nood,
een toevlucht tegen de vloed, een schaduw tegen de hitte.
Want het razen van geweldplegers is als een vloed [tegen] een muur.
; Js 32:22[Die] Man zal zijn als een beschutting tegen de wind,
een schuilplaats tegen de vloed,
als waterbeken in een dorre streek,
als de schaduw van een zware rots in een dorstig land.
; Ps 61:44Want U bent een toevlucht voor mij geweest,
een sterke toren tegen de vijand.
)
. Dit vers is voor veel gelovigen in beproevingen tot vertroosting geweest en is het nog steeds voor hen die beproefd worden. Als wij door een tijd van grote beproeving zijn gegaan, kunnen wij ook danken voor Zijn bewaring. Er is geen bitterheid bij het overblijfsel voor wat hun is aangedaan. Dat moet bij ons ook niet zo zijn.

De HEERE heeft het woeden van de vijand onderdrukt, hun overwinningsgezang heeft Hij doen verstommen (vers 55Als de hitte in een dorre streek
zult U het gedruis van de vreemden onderdrukken;
[als] de hitte door de schaduw van een [dikke] wolk
zal het gezang van de geweldplegers worden gedempt.
)
. Hij heeft hun op Zijn tijd een halt toegeroepen. Daarom is niet het hele volk omgekomen en zijn er enkelen gespaard gebleven (Mt 24:2222En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.).


De volken delen in de behoudenis

6De HEERE van de legermachten zal
op deze berg voor alle volken
een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,
een feestmaal met gerijpte wijnen,
met uitgelezen gerechten vol merg,
met gezuiverde gerijpte wijnen.
7En Hij zal op deze berg verslinden
de sluier waarmee het gezicht van alle volken omsluierd is,
en de bedekking waarmee alle naties bedekt zijn.
8Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.
9Op die dag zal men zeggen:
Zie, Dit is onze God;
wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen.
Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht,
wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.

De overgebleven heidense volken zullen tot de berg Sion komen en mogen delen in het feestmaal dat de HEERE voor Israël heeft bereid (vers 66De HEERE van de legermachten zal
op deze berg voor alle volken
een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,
een feestmaal met gerijpte wijnen,
met uitgelezen gerechten vol merg,
met gezuiverde gerijpte wijnen.
)
. De berg is tot een enorme voorhof geworden, waar een grote mensenmassa kan samenkomen. Dat grote platform zal mogelijk zijn ontstaan door de grote aardverschuivingen die tijdens de oordelen de aarde hebben getroffen (Op 6:1414En de hemel week terug als een boek dat wordt opgerold, en elke berg en elk eiland werden van hun plaatsen gerukt.; Zc 14:44Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.).

Vers 66De HEERE van de legermachten zal
op deze berg voor alle volken
een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,
een feestmaal met gerijpte wijnen,
met uitgelezen gerechten vol merg,
met gezuiverde gerijpte wijnen.
sluit aan op het laatste vers van Jesaja 24 (Js 24:2323De volle maan zal rood worden van schaamte,
de gloeiende zon zal beschaamd worden,
als de HEERE van de legermachten zal regeren
op de berg Sion, en in Jeruzalem;
en voor Zijn oudsten
zal er heerlijkheid zijn.
)
. Deze maaltijd herinnert aan het dank- of vredeoffer, vooral in verbinding met de feestmaaltijden die worden gehouden ter gelegenheid van het aanstellen van een koning (1Sm 11:1515Toen ging heel het volk naar Gilgal en stelde Saul daar in Gilgal aan tot koning, voor het aangezicht van de HEERE; en zij brachten daar dankoffers voor het aangezicht van de HEERE. En Saul verheugde zich daar buitengewoon, met al de mannen van Israël.; 2Sm 6:18-1918Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten.19Hij deelde aan heel het volk, aan heel de menigte van Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder één broodkoek, één klomp dadels en één rozijnenkoek uit. Toen ging al het volk [zijns weegs], ieder naar zijn huis.). De wijn is een beeld van de vreugde (Ps 104:1515wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. Er is voedsel en vreugde van de beste soort en in overvloed.

We kunnen hier een geestelijke toepassing maken. “De uitgelezen gerechten vol merg” spreken van de rijke zegeningen die wij in Christus hebben ontvangen, de “onnaspeurlijke rijkdom van Christus” (Ef 3:88Mij, de allergeringste van alle heiligen, is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus onder de volken te verkondigen,). We mogen ons daarmee geestelijk voeden door de Heilige Geest Die deze rijkdom voor ons hart werkelijkheid doet zijn. Als we ons zo voeden met Christus, kan dat niet anders dan blijdschap bewerken, waarvan de “gezuiverde gerijpte wijnen” spreken.

God geeft niet alleen, Hij neemt ook weg. De sluier van ongeloof, die de satan over de volken en over Israël heeft geworpen waardoor ze verblind zijn (2Ko 4:3-43Als dan ons evangelie al bedekt is, is het bedekt in hen die verloren gaan;4in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die [het] beeld van God is, [hen] niet zou bestralen.; 3:13-1613en [doen] niet zoals Mozes, die een bedekking voor zijn gezicht deed; opdat de zonen van Israël hun ogen niet vestigden op het einde van wat tenietgedaan moest worden.14Maar hun gedachten zijn verhard geworden; want tot op heden blijft dezelfde bedekking bij het lezen van het oude testament, zonder weggenomen te worden, die in Christus tenietgedaan wordt.15Maar tot heden toe ligt er, wanneer Mozes wordt gelezen, een bedekking over hun hart;16maar wanneer het tot [de] Heer zal terugkeren, wordt de bedekking weggenomen.)), zal worden vernietigd (vers 77En Hij zal op deze berg verslinden
de sluier waarmee het gezicht van alle volken omsluierd is,
en de bedekking waarmee alle naties bedekt zijn.
)
. De raad van God, die vele eeuwen verborgen is geweest voor de mensen, is nu voor altijd ontsluierd, geopenbaard. Deze raad houdt in dat God in Christus Zijn voornemen vervult om de volken te zegenen door middel van Israël (Ko 1:2020en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.; Rm 11:11-1511Ik zeg dan: Zijn zij gestruikeld, opdat zij zouden vallen? Volstrekt niet! Maar door hun overtreding is de behoudenis tot de volken [gekomen], om hun jaloersheid op te wekken.12En als hun overtreding [de] rijkdom van [de] wereld is en hun verlies [de] rijkdom van [de] volken, hoeveel te meer hun volheid!13Tot u dan, de volken, zeg ik: Voor zover ik [de] apostel van [de] volken ben, verheerlijk ik mijn bediening,14of ik op enigerlei wijze de jaloersheid mocht opwekken van mijn [verwanten naar het] vlees en enigen uit hen mocht behouden.15Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?). Verblind door de satan geloven de volken nu nog steeds allerlei onzin, bijvoorbeeld de dwaasheid van de evolutietheorie. De volken wandelen nog steeds “in [de] vruchteloosheid van hun denken, verduisterd in hun verstand” (Ef 4:17-1817Dit nu zeg en betuig ik in [de] Heer, dat u niet meer moet wandelen evenals de volken wandelen in [de] vruchteloosheid van hun denken,18verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.).

Ook de dood zal zijn prooi moeten teruggeven. Allen die na de opname van de gemeente en tijdens de grote verdrukking zijn omgekomen, zullen opstaan (vers 88Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.
; Op 20:44En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en [ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren.)
. Vers 88Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.
is een van de weinige verwijzingen in het Oude Testament naar de opstanding. Moderne theologen beschouwen dit als een latere toevoeging ten einde hun stelling te kunnen verdedigen dat de gedachte van opstanding pas later in de geschiedenis van Israël geëvolueerd en tot stand gekomen is.

Paulus trekt zich daar niets van aan. Hij verwijst naar dit vers om aan te tonen dat de dood eenmaal volledig zal worden afgeschaft en niet alleen zoals hier voor de gelovigen uit Israël en de volken (1Ko 15:5454En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’.). Ook andere gevolgen van de zonde als tranen en smaad zullen er voor Gods volk niet meer zijn (Op 21:44En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn, <want> de eerste dingen zijn voorbijgegaan.). Profetisch is dit een verwijzing naar het nationale en geestelijke herstel van Israël (Rm 11:1515Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?; Js 26:1919Uw doden zullen leven – [ook] mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn [als] dauw op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.
; Ez 37:1-141De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.11Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!12Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël.13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk.14Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.; Dn 12:2-32En velen van hen die slapen
in het stof van de aarde, zullen ontwaken,
sommigen tot eeuwig leven,
anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.3De verstandigen zullen blinken als de glans van het [hemel]gewelf,
en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren,
voor eeuwig en altijd.
; Hs 6:22Na twee dagen zal Hij ons levend maken,
op de derde dag zal Hij ons doen opstaan
en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
)
.

Het voorgaande is aanleiding voor een nieuwe lofzang. Ze eren de HEERE op Wie ze niet tevergeefs hebben gehoopt. Ze zullen tot de erkenning komen dat de Heer Jezus God is, dat Hij de Immanuel is, de ‘God met ons’. Er is alle reden om te juichen over de verlossing die Hij heeft gegeven (vers 99Op die dag zal men zeggen:
Zie, Dit is onze God;
wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen.
Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht,
wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.
)
. Hebben wij niet minstens zoveel reden om te juichen over onze verlossing uit de macht van de zonde? Waar is onze jubelzang van bevrijding?


Moab vernederd tot in het stof

10Want de hand van de HEERE zal rusten op deze berg.
Maar Moab zal onder Hem worden vertrapt,
zoals stro vertrapt wordt in de mest.
11Hij zal Zijn handen te midden van hem uitspreiden,
zoals een zwemmer [ze] uitspreidt om te zwemmen,
en Hij zal zijn hoogmoed vernederen, ondanks zijn listige handelingen.
12Hij zal uw hoge vestingmuren neerhalen,
neerwerpen, neerstorten ter aarde, tot in het stof.

De hand van de HEERE rust beschermend op “deze berg”, dat is de berg Sion (vers 10a10Want de hand van de HEERE zal rusten op deze berg.
Maar Moab zal onder Hem worden vertrapt,
zoals stro vertrapt wordt in de mest.
)
. Dat is niet het geval met Moab, dat hier de hele hoogmoedige en Godvijandige wereld vertegenwoordigt (Js 16:66Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;
zijn holle praat is niet gepast!
)
. Moab is altijd als een doorn in Israëls vlees geweest. Maar Moab gaat nu ten onder in Gods oordeel en zal geen enkele bedreiging meer voor Gods volk vormen (verzen 10b-1210Want de hand van de HEERE zal rusten op deze berg.
Maar Moab zal onder Hem worden vertrapt,
zoals stro vertrapt wordt in de mest.
11Hij zal Zijn handen te midden van hem uitspreiden,
zoals een zwemmer [ze] uitspreidt om te zwemmen,
en Hij zal zijn hoogmoed vernederen, ondanks zijn listige handelingen.
12Hij zal uw hoge vestingmuren neerhalen,
neerwerpen, neerstorten ter aarde, tot in het stof.
)
. De HEERE zal Zelf alles wegdoen wat de vreugde van die dag van zegen zou kunnen bederven.

Elke poging zich aan dat oordeel te onttrekken zal een diepere vernedering tot gevolg hebben, tot er van Moab ten slotte niets anders overblijft dan stof. Voor ons is dit oordeel over de hoogmoed een waarschuwing om niet hoogmoedig te worden.


Lees verder