Jesaja
Inleiding 1-3 Het oordeel treft de hele aarde 4-6 De aanleiding tot het oordeel 7-13 Alle vreugde is verdwenen 14-16 Heerlijkheid voor de Rechtvaardige 17-20 Nergens bescherming of houvast 21-22 Oordeel over hemel- en aardbewoners 23 De HEERE regeert in Jeruzalem
Inleiding

De vorige hoofdstukken geven het verslag van de handelingen van God met de afzonderlijke naties ten noorden, ten oosten en ten zuiden van Israël. Dit hoofdstuk beschrijft het oordeel van God over de westerse naties, inclusief Israël, in “de voleinding van de eeuw” (Mt 24:33Toen Hij nu op de Olijfberg zat, kwamen de discipelen afzonderlijk naar Hem toe en zeiden: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de eeuw?). Het is de tijd dat Hij, aan Wie “is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde” (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.), terugkomt om Zijn koninkrijk te zuiveren (Mt 13:4141De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen,), waarna Hij Zijn koninkrijk op aarde zal vestigen.

De afzonderlijke naties in Jesaja 13-23 laten de verschillende toestanden zien waarin de wereld als van God vervreemd zich heeft geopenbaard. Dit gebeurt onder invloed van en geleid door geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten.
1. Zo stelt Babel het (christelijke) godsdienstige systeem van verderf en verdrukking over de hele aarde voor. Het volk van God is daardoor gevangen.
2. In Assyrië zien we de (islamitische?) vijandschap tegenover Gods volk.
3. Filistea is de voortdurende vijand niet buiten, maar in het land. Zij staan voor naambelijdenis.
4. Moab staat voor menselijke trots en hoogmoed.
5. Damascus is de vijand van Gods volk, maar verbonden met het afvallige deel van dit volk tegen het trouwe deel.
6. In Duma of Edom zien we het zelfvertrouwen van de mens, zijn onafhankelijkheid, die vanuit die positie Gods volk bespot en ermee handelt.
7. Jeruzalem staat voor lippenbelijdenis.
8. Tyrus staat voor de heerlijkheid van de wereld.
9. Egypte is de wereld die zich op zijn wijsheid beroemt, maar waarvan de wijsheid verloren is gegaan.

Van al deze vijanden zal Gods volk worden bevrijd, evenals van alles wat op aarde is en ook van de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten en de koningen van de aarde. Maar eerst wordt de profetische aarde gezuiverd. Met ‘profetische aarde’ wordt dat deel van de aarde bedoeld dat in de profetieën wordt genoemd. De profetische aarde is het gedeelte van de aarde dat voor God het meest verantwoordelijk is, omdat daar het licht van het evangelie het langst en het helderst heeft geschenen. In onze tijd blijkt echter steeds duidelijker hoe dit evangelie juist daar verworpen wordt (2Th 2:1010en met allerlei bedrog van [de] ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden.). Het is het gedeelte van de aarde dat de Heer Zijn (aardse) koninkrijk noemt (Mt 13:4141De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen,), waarin tarwe en onkruid samen opgroeien.

We herkennen hierin de christelijke westerse wereld. Dit aardse koninkrijk wordt gezuiverd, alle ergernissen weggenomen, het onkruid verzameld en weggedaan (vgl. Mt 24:4040Dan zullen er twee op het veld zijn, één wordt meegenomen en één achtergelaten;). Op deze wijze wordt de profetische aarde in dit hoofdstuk gezuiverd en zal er ruimte worden gemaakt voor de vestiging van Gods rijk. Alle vijandige machten zullen de Goddelijke vergelding ondergaan op de dag van de HEERE, zoals die in dit hoofdstuk wordt aangekondigd.

Veel ervan doet denken aan de oordelen in het boek Openbaring. Vandaar dat het gedeelte van Jesaja 24-27 ook wel ‘de Openbaring in het klein’ of ‘de Apocalyps van Jesaja’ zijn genoemd. Er is ook een duidelijk verband met Jeremia 4, waar deze oordelen ook worden beschreven (Jr 4:23-3123Ik zag het land, en zie, het was woest en leeg,
en [keek] naar de hemel – zijn licht was er niet.
24Ik zag de bergen, en zie, zij beefden,
en alle heuvels schudden door elkaar.
25Ik zag, en zie, er was geen mens,
en alle vogels in de lucht waren weggevlogen.
26Ik zag, en zie, het vruchtbare land was woestijn,
en al zijn steden waren afgebroken,
door de HEERE,
door Zijn brandende toorn.27Want zo zegt de HEERE:
Heel het land zal een woestenij worden –
toch zal Ik er geen [vernietigend] einde aan maken.
28Hierom zal de aarde treuren
en de hemel daarboven in zwart gehuld worden,
want Ik heb gesproken, Ik heb [het] Mij voorgenomen,
en Ik zal geen berouw krijgen en er niet op terugkomen.
29Voor het geroep van ruiters en boogschutters
slaat heel de stad op de vlucht.
Ze gaan de struiken in
of klimmen op de rotsen.
Elke stad is verlaten –
niemand die er [nog] in woont.
30U, verwoeste, wat gaat u nu doen?
Al zou u zich kleden in karmozijn,
al zou u zich tooien met een gouden sieraad,
al zou u uw ogen opmaken met oogschaduw,
tevergeefs zou u zich mooi maken.
Uw minnaars verwerpen u,
staan u naar het leven.
31Want ik hoor een geluid als [van een vrouw] in barensnood,
benauwdheid als van een die haar eerste kind aan het baren is.
Het is het geluid van de dochter van Sion, zij snakt naar adem,
zij spreidt haar handen uit:
Wee mij toch! Want mijn ziel is uitgeput,
vanwege de moordenaars.
)
.


Het oordeel treft de hele aarde

1Zie, de HEERE maakt het land leeg en verwoest het;
het oppervlak ervan keert Hij ondersteboven, Hij verspreidt zijn inwoners.
2Het vergaat het volk dan net als de priester,
de knecht als zijn heer,
de slavin als haar meesteres,
de koper als de verkoper,
wie uitleent als wie te leen krijgt,
de schuldeiser als zijn schuldenaar.
3Het land zal volkomen leeggehaald
en leeggeplunderd worden,
want de HEERE heeft dit woord gesproken.

De uitleg van dit gedeelte hangt af van de vertaling van het Hebreeuwse woord eretz. Het kan worden vertaald door ‘land’, dat wil zeggen het land Israël. Het kan ook worden vertaald door ‘aarde’. In het tweede geval gaat het om het oordeel over de aarde. Daar Mattheüs 24:38-41 (Mt 24:38-4138Want zoals zij waren in die dagen vóór de zondvloed, etend en drinkend, trouwend en uithuwelijkend, tot op de dag dat Noach in de ark ging,39en zij het niet merkten, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zó zal <ook> de komst van de Zoon des mensen zijn.40Dan zullen er twee op het veld zijn, één wordt meegenomen en één achtergelaten;41twee [vrouwen] zullen met de molensteen malen, één wordt meegenomen en één achtergelaten.) dit gedeelte verbindt met de zondvloed, kiezen we voor de uitleg voor de vertaling door ‘aarde’. De parallel tussen ‘aarde’ en ‘[bewoonde] wereld’ in Jesaja 24:4 (Js 24:44Het treurt, verwelkt – dat land;
hij verkommert, verwelkt – de [bewoonde] wereld;
zij verkommeren – de voornaamsten van de bevolking van het land.
)
in de vertaling die wij gebruiken, de HSV, steunt deze keuze.

Wel moeten we bedenken, dat het hier gaat om de profetische aarde in tegenstelling tot de profetische zee van de volken. We moeten bij de profetische aarde denken aan hen die de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen, dat wil zeggen de westerse, (ex)christelijke wereld, met name Europa. Bij de profetische zee van de volken gaat het om volken die geen verbinding met God hebben, maar zich tegen Hem en Zijn volk keren.

Alles waardoor de wereld wordt gekarakteriseerd, zal in de eindtijd het oordeel ervaren dat in de openingsverzen van dit hoofdstuk wordt voorzegd. Hier maakt de HEERE geen gebruik van menselijke instrumenten, maar voert Hij het oordeel Zelf uit (vgl. Js 13:9-129Zie, de dag van de HEERE komt, meedogenloos,
met verbolgenheid en brandende toorn,
om van het land een woestenij te maken
en zijn zondaars eruit weg te vagen.
10Ja, de sterren aan de hemel en hun sterrenbeelden
zullen hun licht niet laten schijnen,
de zon zal verduisterd worden wanneer zij opkomt,
en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
11Ik zal de wereld [haar] slechtheid vergelden,
en de goddelozen hun ongerechtigheid.
Ik zal de trots van de hoogmoedigen doen ophouden,
en de hooghartigheid van de geweldplegers zal Ik vernederen.
12Ik zal stervelingen schaarser maken dan zuiver goud
en mensen [zeldzamer] dan het fijne goud van Ofir.
; Jd 1:14-1514En ook Henoch, [de] zevende van Adam af, heeft van dezen geprofeteerd door te zeggen: Zie, [de] Heer is gekomen te midden van Zijn heilige tienduizenden,15om oordeel uit te oefenen tegen allen en elke ziel te bestraffen om al hun werken van goddeloosheid die zij goddeloos bedreven hebben, en om alle harde [woorden] die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.)
en door Zijn engelen (vgl. Mt 13:41,4941De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen,49Zo zal het zijn in de voleinding van de eeuw: de engelen zullen uitgaan en de bozen uit [het] midden van de rechtvaardigen afscheiden). Alles wordt ondersteboven gekeerd (vers 11Zie, de HEERE maakt het land leeg en verwoest het;
het oppervlak ervan keert Hij ondersteboven, Hij verspreidt zijn inwoners.
)
.

We gaan als het ware terug naar het begin van de schepping, dat de aarde woest en leeg is (Gn 1:22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.). De wereld wordt opnieuw leeg en woest, nu door het oordeel van God. Hierdoor kan er, net als in het begin, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde door Hem worden geschapen (Js 65:1717Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet [meer] gedacht worden,
ze zullen niet [meer] opkomen in het hart.
)
. Dat is het vrederijk.

Het is “het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen” (Op 3:1010Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen.). Wat bij de zondvloed is gebeurd (Gn 6:7,177En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.17En Ik, zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen, om alle vlees waarin een levensgeest is, van onder de hemel te gronde te richten; alles wat op de aarde is, zal de geest geven.), zal weer gebeuren als de HEERE het aardrijk oordeelt. De mensen zullen geen steun bij elkaar vinden om Gods oordelen te weerstaan of te verdragen. Ieder zal alleen zijn in zijn ellende.

Alle aardbewoners zullen geoordeeld worden. Er zal geen onderscheid zijn in geestelijke of sociale status (vers 22Het vergaat het volk dan net als de priester,
de knecht als zijn heer,
de slavin als haar meesteres,
de koper als de verkoper,
wie uitleent als wie te leen krijgt,
de schuldeiser als zijn schuldenaar.
; Rm 2:1111want er is geen aanzien des persoons bij God.)
, alle lagen van de bevolking worden getroffen. De aarde zal van al haar schoonheid worden ontdaan. Er wordt als het ware een rouwkleed overheen gelegd (vers 33Het land zal volkomen leeggehaald
en leeggeplunderd worden,
want de HEERE heeft dit woord gesproken.
)
. Dat dit oordeel de hele aarde zeker zal treffen, wordt nog eens bekrachtigd met de woorden “de HEERE heeft dit woord gesproken”.


De aanleiding tot het oordeel

4Het treurt, verwelkt – dat land;
hij verkommert, verwelkt – de [bewoonde] wereld;
zij verkommeren – de voornaamsten van de bevolking van het land.
5Want het land is ontheiligd door zijn inwoners:
zij overtreden de wetten, zij veranderen [elke] verordening,
zij verbreken het eeuwige verbond.
6Daarom verteert de vervloeking het land
en moeten zijn inwoners boeten.
Daarom zullen de inwoners van het land verbrand worden,
zodat er weinig stervelingen zullen overblijven.

Dan wordt zichtbaar wat voor het geloof nu al waar is, “dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is” (vers 44Het treurt, verwelkt – dat land;
hij verkommert, verwelkt – de [bewoonde] wereld;
zij verkommeren – de voornaamsten van de bevolking van het land.
; Rm 8:2222Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.)
. Ook de mensen, en onder hen speciaal de hooggeplaatsten, zullen al hun heerlijkheid verliezen.

Er is sprake van “land” en “wereld”. Met ‘land’ wordt meestal het terrein bedoeld waar Gods regering zichtbaar wordt. Dat terrein wordt ook wel de ‘profetische aarde’ genoemd omdat daar de profetieën betrekking op hebben. Met ‘wereld’ wordt hier hetzelfde terrein bedoeld, maar dan als het terrein waarop de mens zich openbaart in zijn toestand van vervreemding van God.

In vers 55Want het land is ontheiligd door zijn inwoners:
zij overtreden de wetten, zij veranderen [elke] verordening,
zij verbreken het eeuwige verbond.
staat de reden van de oordelen. De mens is er de oorzaak van (Rm 8:2020Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),). God heeft Zijn schepping aan algemene wetten en inzettingen onderworpen die als een eeuwig verbond tussen Hem en Zijn schepping gelden (Gn 9:8-10,168En God zei tegen Noach en zijn zonen met hem:9En Ik, zie, Ik maak Mijn verbond met u, met uw nageslacht na u,10en met alle levende wezens die bij u zijn: de vogels, het vee en alle dieren van de aarde met u; van alles wat uit de ark is gegaan, tot alle dieren van de aarde toe.16Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en aan het eeuwig verbond denken tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.). De mens kan die wetten en inzettingen nooit ongestraft negeren. Bovenal geldt dit voor Israël, Gods volk, dat Hij op een bijzondere manier heeft duidelijk gemaakt op welke wijze het Zijn zegen kan ontvangen. Maar Israël heeft Zijn wet overtreden en Zijn verbond verbroken (Jr 11:1010Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die geweigerd hebben naar Mijn woorden te luisteren. Wat hen betreft, zij zijn andere goden achternagegaan om die te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken, dat Ik met hun vaderen gesloten had.; Dt 31:16,2016En de HEERE zei tegen Mozes: Zie, u gaat bij uw vaderen te ruste; en dit volk zal opstaan en als in hoererij achter de vreemde goden van het land waar het naartoe gaat, aangaan, in het midden van [dat land]. Het zal Mij verlaten en Mijn verbond, dat Ik ermee gesloten heb, verbreken.20Want Ik zal dit [volk] brengen in het land dat Ik zijn vaderen onder ede beloofd heb, [een land] dat overvloeit van melk en honing, en het zal eten en verzadigd en vet worden. Dan zal het zich tot andere goden wenden en hen dienen, en zij zullen Mij verwerpen en Mijn verbond verbreken.).

De mens maakt zich drukker om bodem- en luchtverontreiniging dan om de veel tragischere en diepgaandere verontreiniging van zijn eigen moraliteit. Die laatste verontreiniging is minstens zo wijdverspreid en ernstig als in de achtste eeuw voor Christus, in de dagen van Jesaja. Gods algemene instellingen voor het samenleven van de mensen worden stuk voor stuk afgebroken. De oordelen, waarvan het “verbrand worden” een beeld is (Op 19:2020En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.; 21:88Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood.), die op al dit verlaten van de HEERE en Zijn verordeningen volgen, zullen de bevolking van de aarde uitdunnen (vers 66Daarom verteert de vervloeking het land
en moeten zijn inwoners boeten.
Daarom zullen de inwoners van het land verbrand worden,
zodat er weinig stervelingen zullen overblijven.
; vgl. Mt 24:2222En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.)
.


Alle vreugde is verdwenen

7De nieuwe wijn treurt,
de wijnstok verkommert,
allen die blij zijn van hart, zuchten.
8De vreugde[muziek] van tamboerijnen houdt op,
het gejoel van uitgelaten [mensen] verstomt,
de vreugde[muziek] van de harp houdt op.
9Zij zullen geen wijn [meer] drinken onder gezang,
sterkedrank zal bitter zijn voor wie hem drinken.
10Gebroken is Chaos-stad,
gesloten zijn alle huizen, niemand kan erin.
11Op straat is er gejammer over de wijn;
alle blijdschap is ondergegaan,
de vreugde uit het land is verdwenen.
12In de stad is verwoesting overgebleven,
een ruïne; de poort is verbrijzeld.
13Want het zal op de aarde,
te midden van de volken, zo gaan
als bij het afschudden van een olijfboom,
als bij de nalezing wanneer de wijnoogst ten einde is.

“Nieuwe wijn” en “wijnstok”, symbolen van blijdschap, leveren geen vrucht. Er is geen enkele oorzaak van vreugde, elke blijdschap is verdwenen (verzen 7-97De nieuwe wijn treurt,
de wijnstok verkommert,
allen die blij zijn van hart, zuchten.
8De vreugde[muziek] van tamboerijnen houdt op,
het gejoel van uitgelaten [mensen] verstomt,
de vreugde[muziek] van de harp houdt op.
9Zij zullen geen wijn [meer] drinken onder gezang,
sterkedrank zal bitter zijn voor wie hem drinken.
)
. De muziekinstrumenten, die aan de blijdschap uiting geven, zwijgen (vgl. Op 18:2222En geluid van harpspelers, toonkunstenaars, fluitspelers en bazuinblazers zal geenszins meer in u gehoord worden, en geen enkele beoefenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden, en geluid van een molen zal geenszins meer in u gehoord worden,). De stad – waarschijnlijk Babel – biedt een aanblik van troosteloze verlatenheid (vers 1010Gebroken is Chaos-stad,
gesloten zijn alle huizen, niemand kan erin.
)
. Als je door de straten loopt, hoor je slechts gejammer omdat vreugde en vrolijkheid door de oordelen ten onder zijn gegaan (vers 1111Op straat is er gejammer over de wijn;
alle blijdschap is ondergegaan,
de vreugde uit het land is verdwenen.
)
.

Wat er nog over is, is een puinhoop. De poort die vroeger bewaakt werd, is verbrijzeld (vers 1212In de stad is verwoesting overgebleven,
een ruïne; de poort is verbrijzeld.
)
. De stad biedt geen enkele bescherming meer. Wat voor de stad geldt, geldt voor de hele (profetische) aarde, de huidige westerse beschaving. De oordelen hebben hun lugubere oogst binnengehaald (vgl. Op 14:14-2014En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk zat [Iemand, de] Zoon des mensen gelijk, Die op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel had.15En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tegen Hem Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai, want het uur om te maaien is gekomen, want de oogst van de aarde is overrijp geworden.16En Hij Die op de wolk zat, sloeg Zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid.17En een andere engel kwam uit de tempel die in de hemel is, en ook hij had een scherpe sikkel.18En een andere engel, die macht had over het vuur, <kwam> uit het altaar; en hij riep met luider stem tegen hem die de scherpe sikkel had en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.19En de engel sloeg zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijnstok van de aarde en wierp het in de grote wijnpersbak van de grimmigheid van God.20En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.). De wijnoogst komt overeen met het eindoordeel. Wat overblijft, is slechts hier en daar nog een mens, net zoals er na een oogst nog slechts hier en daar een olijf of een druif is blijven hangen (vers 1313Want het zal op de aarde,
te midden van de volken, zo gaan
als bij het afschudden van een olijfboom,
als bij de nalezing wanneer de wijnoogst ten einde is.
; Js 17:66Maar een nalezing zal daarvan overblijven, zoals bij het afschudden van een olijfboom:
twee, drie vruchten aan het eind van de bovenste tak,
vier, vijf aan de vruchtdragende takken,
spreekt de HEERE, de God van Israël.
)
.


Heerlijkheid voor de Rechtvaardige

14Zíj zullen hun stem verheffen,
zij zullen vrolijk zingen;
om de majesteit van de HEERE
zullen zij juichen, van de zee af.
15Eer daarom de HEERE
in [de landen van] het licht,
op de eilanden in de zee
de Naam van de HEERE,
de God van Israël.
16Vanaf het uiterste einde der aarde
horen wij psalmen
[tot] verheerlijking van de Rechtvaardige.
Maar ik zeg: Ik kwijn weg, ik kwijn weg, wee mij!
De trouwelozen handelen trouweloos,
in ontrouw handelen de trouwelozen trouweloos.

Te midden van de intens trieste aanblik van de oordelen die de aarde zullen treffen, hoort Jesaja ineens gejubel (vers 1414Zíj zullen hun stem verheffen,
zij zullen vrolijk zingen;
om de majesteit van de HEERE
zullen zij juichen, van de zee af.
)
. Het is de jubel van het overblijfsel van vers 1313Want het zal op de aarde,
te midden van de volken, zo gaan
als bij het afschudden van een olijfboom,
als bij de nalezing wanneer de wijnoogst ten einde is.
. Dit is het overblijfsel uit de tien stammen dat uit alle volken terugkeert naar Israël. Zíj hebben zich in die tijd bekeerd en bezingen de majesteit van de HEERE die in de oordelen te zien is. Hij is de Rechtvaardige in alles wat Hij doet, ook in de oordelen. Alles wat Hij doet, is aanleiding voor lofprijzing.

De HEERE wordt geëerd “in [de landen van] het licht”, dat zijn de landen waar het vuur van Zijn oordeel oplicht (vers 1515Eer daarom de HEERE
in [de landen van] het licht,
op de eilanden in de zee
de Naam van de HEERE,
de God van Israël.
)
. Daarmee wordt vooral het oosten (van de profetische aarde) bedoeld, terwijl met “de eilanden van de zee” het westen wordt bedoeld. Zijn oordelen zijn te bejubelen vanwege het reinigende werk dat zij doen. Daardoor wordt de aarde van zondaren bevrijd en kan de Heer Jezus Zijn vrederijk vestigen.

Om zijn geloof te ondersteunen mag Jesaja even over de oordelen heen zien naar het heerlijke eindresultaat. De hele aarde tot het uiterste einde ervan, zal de “verheerlijking van de Rechtvaardige”, dat is de Heer Jezus, met psalmen bezingen (vers 16a16Vanaf het uiterste einde der aarde
horen wij psalmen
[tot] verheerlijking van de Rechtvaardige.
Maar ik zeg: Ik kwijn weg, ik kwijn weg, wee mij!
De trouwelozen handelen trouweloos,
in ontrouw handelen de trouwelozen trouweloos.
; vgl. Op 15:3-43En zij zingen het lied van Mozes, de slaaf van God, en het lied van het Lam en zeggen: Groot en wonderbaar zijn Uw werken, Heer, God de Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de naties!4Wie toch zou <U> niet vrezen, Heer, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U alleen bent heilig, want alle naties zullen komen en zich voor U neerbuigen, omdat Uw gerechtigheden openbaar zijn geworden.)
. Niet alleen Zijn oordelen zijn rechtvaardig, maar ook het daaropvolgende vrederijk is gegrond op gerechtigheid.

Na het bemoedigende intermezzo komt Jesaja weer onder de indruk van de ellende die zijn volk, ja, alle bewoners van de aarde zal overkomen, speciaal in de grote verdrukking onder het bewind van de antichrist. Daarover treurt Jesaja en is hij vol ontzetting (vers 16b16Vanaf het uiterste einde der aarde
horen wij psalmen
[tot] verheerlijking van de Rechtvaardige.
Maar ik zeg: Ik kwijn weg, ik kwijn weg, wee mij!
De trouwelozen handelen trouweloos,
in ontrouw handelen de trouwelozen trouweloos.
)
. Hij spreekt namens het gelovig overblijfsel van het tweestammenrijk dat in de grote verdrukking is geweest: “Ik kwijn weg, ik kwijn weg, wee mij.” Zo hevig zijn zij verdrukt door de “trouwelozen”, dat zijn de antichrist en de afvallige Joden.

Hij spreekt twee keer over “trouweloos” handelen. Het eerste trouweloze handelen is dat Israël zich van de HEERE afwendt en de antichrist aanneemt (Jh 5:43b43Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.). Het tweede trouweloze handelen is als de antichrist zijn masker afwerpt en tracht het overblijfsel, de gelovige Joden, uit te roeien. Zo maken zij de maat van hun zonden vol (vgl. 1Th 2:1616terwijl zij ons verhinderen tot de volken te spreken opdat zij behouden worden; zodat zij altijd [de maat van] hun zonden vol maken. Maar de toorn is over hen gekomen tot [het] einde toe.).


Nergens bescherming of houvast

17Angst, valkuil en strik
over u, bewoners van de aarde!
18En het zal gebeuren dat wie vlucht voor het beangstigende geluid,
neervallen zal in de valkuil;
en wie opklimt uit het midden van de valkuil,
gevangen zal worden in de strik.
Want de sluizen in de hoogte worden geopend
en de fundamenten van de aarde zullen beven.
19Scheuren, openscheuren zal de aarde,
splijten, opensplijten zal de aarde,
vervaarlijk wankelen zal de aarde,
20hevig waggelen zal de aarde, als een dronkaard.
Zij zal heen en weer slingeren als een nachthutje,
haar overtreding zal zwaar op haar drukken,
zij zal neervallen en niet meer opstaan.

In de verzen 17-2217Angst, valkuil en strik
over u, bewoners van de aarde!
18En het zal gebeuren dat wie vlucht voor het beangstigende geluid,
neervallen zal in de valkuil;
en wie opklimt uit het midden van de valkuil,
gevangen zal worden in de strik.
Want de sluizen in de hoogte worden geopend
en de fundamenten van de aarde zullen beven.
19Scheuren, openscheuren zal de aarde,
splijten, opensplijten zal de aarde,
vervaarlijk wankelen zal de aarde,
20hevig waggelen zal de aarde, als een dronkaard.
Zij zal heen en weer slingeren als een nachthutje,
haar overtreding zal zwaar op haar drukken,
zij zal neervallen en niet meer opstaan.21Op die dag zal het gebeuren dat de HEERE
de legermacht van de hoogte in de hoogte
en de koningen van de aardbodem op de aardbodem zal straffen.
22Zij zullen verzameld worden
[als] gevangenen in een kerker,
zij zullen opgesloten worden in een gevangenis,
maar na vele dagen zal er [weer] naar hen omgezien worden.
beschrijft Jesaja de weeën van de eindtijd en vergelijkt die met valkuilen waarin dieren terechtkomen. De slotoordelen worden voorzegd over de volken die onder de satanische heerschappij van het beest en de valse profeet zijn (Op 13:1,111En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.11En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.). Het oordeel komt over “de bewoners van de aarde”. Daarmee worden in Gods Woord steeds ongelovigen bedoeld (Op 3:1010Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen.) en wel speciaal die van de profetische aarde, het christelijke Westen. Het zijn mensen die de aarde als hun woning beschouwen, die zich thuis voelen op aarde, die als het ware kleven aan de aarde omdat ze daar al hun belangen hebben. Aan de hemel en aan God is geen enkele gedachte.

Er is nergens meer veiligheid te vinden. De mens zal zijn als opgejaagd wild. In zijn wilde vlucht valt hij in een valkuil. Weet hij zich daaruit te bevrijden, dan wacht hem een nieuwe verschrikking, de strik (verzen 17-1817Angst, valkuil en strik
over u, bewoners van de aarde!
18En het zal gebeuren dat wie vlucht voor het beangstigende geluid,
neervallen zal in de valkuil;
en wie opklimt uit het midden van de valkuil,
gevangen zal worden in de strik.
Want de sluizen in de hoogte worden geopend
en de fundamenten van de aarde zullen beven.
; vgl. Am 5:1919[Het is] zoals iemand die vlucht
voor een leeuw,
en een beer tegenkomt,
of die, [als hij] thuiskomt
en met zijn hand tegen de muur leunt,
door een slang wordt gebeten.
; 9:1-41Ik zag de Heere staan bij het altaar, en Hij zei:
Sla tegen het kapiteel,
zodat de drempels beven,
en breek ze stuk op het hoofd van hen allen.
En wie van hen overblijft, dood Ik met het zwaard.
Niemand van hen die vluchten, zal ontvluchten,
en niemand van hen die ontkomen, zal gered worden.2Al drongen zij door tot in de hel,
Mijn hand zou hen vandaar weghalen;
en al stegen zij naar de hemel op,
Ik zou hen vandaar doen neerdalen.3Al verscholen zij zich op de top van de Karmel,
Ik zou hen opsporen om hen daar weg te halen;
en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen op de zeebodem,
daar zou Ik een slang opdracht geven hen te bijten.4Al gingen zij voor hun vijanden uit in gevangenschap,
daar zou Ik het zwaard opdracht geven hen te doden.
Ik zal Mijn ogen op hen richten
ten kwade en niet ten goede.
)
. Evenals bij de zondvloed breekt de hemel open, zodat er ontzaglijke watermassa’s over de aarde uitstorten (Gn 7:1111In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op die dag zijn alle bronnen van de grote watervloed opengebarsten en de sluizen van de hemel opengezet.). De hemel boven hem ademt een en al dreiging en niets op aarde biedt enig houvast (verzen 19-2019Scheuren, openscheuren zal de aarde,
splijten, opensplijten zal de aarde,
vervaarlijk wankelen zal de aarde,
20hevig waggelen zal de aarde, als een dronkaard.
Zij zal heen en weer slingeren als een nachthutje,
haar overtreding zal zwaar op haar drukken,
zij zal neervallen en niet meer opstaan.
)
.

De aarde wordt in enorme beroering gebracht en zal vervaarlijk wankelen. We kunnen daarbij denken aan een enorme aardbeving (Op 16:17-1917En de zevende goot zijn schaal uit op de lucht, en er kwam een luide stem uit de tempel vanaf de troon, die zei: Het is gebeurd!18En er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen, en er kwam een grote aardbeving, zoals er niet geweest is sinds er een mens op de aarde is geweest: zo’n aardbeving, zo groot!19En de grote stad werd tot drie delen en de steden van de naties vielen. En het grote Babylon werd voor God in herinnering gebracht om haar de drinkbeker van de wijn van de grimmigheid van Zijn toorn te geven.), maar ook aan de politieke situatie, die enorm instabiel zal worden. Alle zekerheid en orde zijn dan verdwenen. Dat is het gevolg van de overtreding van de mens, waardoor op de schepping de zware last van de vloek is komen te liggen (Rm 8:2020Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),). Vers 2020hevig waggelen zal de aarde, als een dronkaard.
Zij zal heen en weer slingeren als een nachthutje,
haar overtreding zal zwaar op haar drukken,
zij zal neervallen en niet meer opstaan.
maakt duidelijk dat het christelijke Westen in het vrederijk nooit meer hersteld zal worden.


Oordeel over hemel- en aardbewoners

21Op die dag zal het gebeuren dat de HEERE
de legermacht van de hoogte in de hoogte
en de koningen van de aardbodem op de aardbodem zal straffen.
22Zij zullen verzameld worden
[als] gevangenen in een kerker,
zij zullen opgesloten worden in een gevangenis,
maar na vele dagen zal er [weer] naar hen omgezien worden.

In vers 2121Op die dag zal het gebeuren dat de HEERE
de legermacht van de hoogte in de hoogte
en de koningen van de aardbodem op de aardbodem zal straffen.
worden twee groepen genoemd over wie de HEERE bezoeking zal brengen. De ene groep bevindt zich “in de hoogte”, dat is de hemel (vgl. Jb 16:1919Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige,
en mijn Pleitbezorger is in de hoogten.
; Ps 68:1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
)
. De andere groep is “op de aardbodem”. De eerste groep bestaat uit de boze machten in de hemelse gewesten, de gevallen engelen (Lk 10:1818Hij nu zei tot hen: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen.; Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].). Zij hebben de volken aangezet tot hun opstand tegen God. Zij worden uit de hemel geworpen (Op 12:7-107En er kwam oorlog in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, en de draak voerde oorlog en zijn engelen;8en hij was niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.9En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.10En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van Zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht vóór onze God aanklaagde, is neergeworpen.).

De tweede groep zijn de leiders van de opstandige volken. Het zijn alle koningen van de aardbodem onder aanvoering van het beest uit de zee, de leider van het herstelde Romeinse rijk, en het beest uit de aarde, de antichrist, de valse koning van Israël (Op 13:1-10,11-181En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.11En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.). Zij hebben zich door hen laten misleiden en zijn daarvoor zelf ten volle verantwoordelijk. Ze komen in de “gevangenis”, dat is voor de demonen de afgrond (Op 20:1-31En ik zag een engel neerdalen uit de hemel, die de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand had.2En hij greep de draak, de oude slang, dat is [de] duivel en de satan, en bond hem duizend jaren;3en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de naties niet meer zou misleiden voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.) en voor de koningen van de aarde, de machthebbers die het nu voor het zeggen hebben, het dodenrijk.

Met die verantwoordelijkheid zullen ze worden geconfronteerd. “Na vele dagen zal er [weer] naar hen omgezien worden”, dat wil zeggen dat er na duizend jaar naar hen wordt omgezien om hen voor de grote, witte troon te laten verschijnen (vers 2222Zij zullen verzameld worden
[als] gevangenen in een kerker,
zij zullen opgesloten worden in een gevangenis,
maar na vele dagen zal er [weer] naar hen omgezien worden.
; Op 20:11-1211En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.12En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.)
. De demonen zullen zonder vorm van proces in de hel worden geworpen. Dit onderscheid in oordeel zien we in Openbaring 19 (Op 19:20-2120En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.).


De HEERE regeert in Jeruzalem

23De volle maan zal rood worden van schaamte,
de gloeiende zon zal beschaamd worden,
als de HEERE van de legermachten zal regeren
op de berg Sion, en in Jeruzalem;
en voor Zijn oudsten
zal er heerlijkheid zijn.

Alle hiervoor beschreven oordelen worden uitgevoerd door Christus bij Zijn tweede komst. Aan Hem heeft de Vader immers “macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is” (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.). Na de oordelen zal Hij Zijn rijk vestigen (vers 2323De volle maan zal rood worden van schaamte,
de gloeiende zon zal beschaamd worden,
als de HEERE van de legermachten zal regeren
op de berg Sion, en in Jeruzalem;
en voor Zijn oudsten
zal er heerlijkheid zijn.
)
. Hij zal regeren tot in alle eeuwigheid vanuit het nieuwe Jeruzalem (Op 21:2,102En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is.10En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God), waar zon en maan niet meer nodig zullen zijn (Op 21:23-2423En de stad heeft de zon of de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar en haar lamp is het Lam.24En de naties zullen door haar licht wandelen en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid tot haar.). Hij Die Zelf de “Zon der gerechtigheid” is (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
, zal de door Hem geschapen zon en maan doen verbleken (Mt 24:2929Terstond nu na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen.).

De “oudsten” zijn de aardse tegenhangers van de oudsten die we zo vaak in het boek Openbaring tegenkomen, de vierentwintig oudsten. Zij zijn in Openbaring een symbolische voorstelling van de gelovigen uit het Oude en het Nieuwe Testament. Zij zullen delen in de heerlijkheid van de Heer Jezus en met Hem regeren (Op 4:44en rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op de tronen zaten vierentwintig oudsten, bekleed met witte kleren en op hun hoofden gouden kronen.).

Het kan ook zijn dat met de uitdrukking “voor Zijn oudsten zal er heerlijkheid zijn” bedoeld wordt dat de oudsten de heerlijkheid van de Heer Jezus zullen zien, omdat Hij vóór hen staat (Op 5:11-1411En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,12en zij zeiden met luider stem: Het Lam Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof.13En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid.14En de vier levende wezens zeiden: Amen. En de oudsten vielen neer en aanbaden.). Ze zijn in dat geval getuigen van Zijn heerlijkheid, wanneer Hij als het Lam staat “op de berg Sion en met Hem de honderdvierenveertigduizend” die “uit de mensen gekocht” zijn (Op 14:1,31En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met hem honderdvierenveertigduizend, die Zijn Naam en de Naam van Zijn Vader hadden, geschreven op hun voorhoofden.3En zij zingen <als> een nieuw lied vóór de troon en vóór de vier levende wezens en de oudsten; en niemand kon het lied leren dan de honderdvierenveertigduizend die van de aarde gekocht waren.).


Lees verder