Jesaja
Inleiding 1-5 Het komende vrederijk 6-9 De HEERE heeft Zijn volk verlaten 10-18 De HEERE tegen alle hoogmoed 19-21 De verschrikking van de HEERE 22 Zie af van de mens
Inleiding

De vier hoofdstukken die nu volgen, Jesaja 2-5, vormen een samenhangend geheel. Het is één rede tot Juda en Jeruzalem. Met Jesaja 6 begint een nieuw gedeelte, wat wordt aangegeven door een nieuwe tijdsaanduiding (Js 6:11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.). Jesaja 2-5 bevatten een nieuw visioen dat begint met het vrederijk.

Dit rijk komt echter alleen tot stand nadat de dag van de HEERE (Js 2:1212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
)
gekomen is. De dag van de HEERE is de periode dat de HEERE Zijn raadsbesluiten tot stand brengt met betrekking tot de verheerlijking van Christus, de SPRUIT van de HEERE (Js 4:22Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot een heerlijk sieraad zijn, en de vrucht van de aarde tot trots en luister voor hen in Israël die ontkomen zijn.), het herstel van Israël en het oordeel over en de zegen voor de volken.

Het eerste gedeelte van dit hoofdstuk (Js 2:1-51Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
2Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
5Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEERE.
)
is voor een groot deel woordelijk gelijk aan de beschrijving van het vrederijk door een tijdgenoot van Jesaja, de profeet Micha (Mi 4:1-51Het zal echter in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE
vast zal staan als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat de volken ernaartoe zullen stromen.2Vele heidenvolken zullen op weg gaan
en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.3Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.4Maar zij zullen zitten,
ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom,
niemand zal [ze] schrik aanjagen,
want de mond van de HEERE van de legermachten heeft [het] gesproken.5Want alle volken gaan [op weg],
elk in de naam van zijn god,
maar wij zullen [op weg] gaan
in de Naam van de HEERE, onze God,
voor eeuwig en altijd.
)
. Dat wil niet zeggen dat de een het van de ander heeft overgeschreven of dat één van de twee niet geïnspireerd zou zijn. De ene Geest van God heeft eenvoudig hen beiden geïnspireerd om hetzelfde te schrijven. Het is daardoor een tweevoudig getuigenis waardoor wordt onderstreept dat wat is gezegd, in vervulling zal gaan.


Het komende vrederijk

1Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
2Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
5Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEERE.

In vers 11Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
ziet Jesaja “het woord … over Juda en Jeruzalem” (vgl. Js 1:11Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij gezien heeft over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz [en] Hizkia, koningen van Juda. waar hij een visioen over Juda en Jeruzalem ziet). Hier ziet hij een woord ofwel een boodschap over Juda en Jeruzalem (vgl. Am 1:11De woorden van Amos, die behoorde tot de veehouders uit Tekoa, die hij gezien heeft over Israël in de dagen van Uzzia, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, twee jaar voor de aardbeving.). Dat geeft aan dat het een bovennatuurlijke mededeling betreft met daarin zowel zichtbare als hoorbare elementen.

Dit vers is tevens een inleiding op Jesaja 2-5 en geeft ook aan dat het daarin om de reiniging van Juda gaat. Daarop wijst “het woord”, want dat wordt in Gods Woord voorgesteld als een beeld van het water dat reinigt (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,). Deze reiniging vindt plaats op “de dag van de HEERE” (Js 2:1212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
)
door “de SPRUIT van de HEERE”, dat is de Heer Jezus (Js 4:22Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot een heerlijk sieraad zijn, en de vrucht van de aarde tot trots en luister voor hen in Israël die ontkomen zijn.).

Het geeft ook aan dat het Woord levend en krachtig werkzaam is. Dat zal worden gezien en gehoord door iemand die in gemeenschap met God leeft. Jesaja ziet als ‘ziener’ met de ogen van God en ziet “het Woord” van God aan het werk (1Th 2:1313En daarom ook danken wij God onophoudelijk, dat u, toen u van ons [het] Woord van [de] prediking van God hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, zoals het waarlijk is, als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft.). Wat hij doorgeeft, zijn dan ook de woorden van God en geen inbeelding of het weergeven van eigen gedachten.

In de verzen 2-42Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
hebben we een prachtige beschrijving van het begin van het duizendjarig vrederijk. Het is tevens het glorieuze einde van een droevige geschiedenis. Het woord dat Jesaja ziet, heeft betrekking op de eindtijd, “het laatste der dagen” (vers 22Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
).
Dit is een bijzondere uitdrukking die veertien keer voorkomt in het Oude Testament, hier de enige keer in Jesaja. Deze uitdrukking heeft betrekking op de periode dat de Messias zal verschijnen en Gods wegen tot voleinding zullen worden gebracht (Hb 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,; 1Pt 1:2020Hij is wel voorgekend vóór [de] grondlegging van [de] wereld, maar in [het] laatst van de tijden geopenbaard ter wille van u,). De uitdrukking wijst hier op de heerlijkheid van het duizendjarig vrederijk.

De tempel, “het huis van de HEERE”, staat op de tempelberg en zal hoogverheven zijn, zowel in letterlijke als in geestelijke zin (vgl. Js 66:2323En het zal geschieden dat van nieuwe maan tot nieuwe maan
en van sabbat tot sabbat
alle vlees zal komen
om zich neer te buigen voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
; Zc 14:1616Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren.)
. Het betreft hier de tempel die Ezechiël beschrijft (Ez 40-43). Bergen zijn vaak een beeld van machtige koninkrijken en heuvels van kleinere aardse machten. Dat de tempelberg hoger zal zijn dan alle andere bergen, wil ook zeggen dat Israël machtiger zal zijn dan de andere volken en hoofd zal zijn van alle volken (Dt 26:19a19en dat Hij u [een plaats] zal geven, hoog boven alle volken die Hij gemaakt heeft, tot lof, tot een naam en tot sieraad; en dat u een heilig volk zult zijn voor de HEERE, uw God, zoals Hij gesproken heeft.)

“Alle heidenvolken zullen” nu naar het berg van het huis van de HEERE “stromen”. Deze beschrijving roept het beeld op van een vredig stromende rivier. Het staat in tegenstelling tot het woeden van de volken van voor die tijd, wat wordt vergeleken met het woeden van een woeste zee. Aangezien de tempel op de berg Moria of Sion ligt, hier aangeduid “als de hoogste van de bergen”, ontstaat het opmerkelijke beeld van een omhoog stromende rivier.

De volken zullen in het vrederijk elkaar aansporen om op te trekken “naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob” (vers 33Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
)
. Die plaats is het centrum van het vrederijk. Daar zullen alle volken zich verzamelen. Ze trekken daarheen gemeenschappelijk op, nu niet om ertegen te strijden, maar om onderwijs van de HEERE te ontvangen. Door het bouwen van de toren van Babel (Gn 11:1-91Heel de aarde had één taal en eendere woorden.2En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.8Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.) heeft de mens een eigen verzamelpunt willen maken tot eer van zichzelf. God voorkomt dit en verstrooit de volken. Nu erkennen de volken Zijn heerschappij en vinden in Zijn huis hun centrum.

Het huis van de HEERE wordt hier veelzeggend “het huis van de God van Jakob” genoemd. Het laat zien hoe God dan openlijk zal hebben getriomfeerd over de egoïstische draaierijen die Jakob kenmerkten en die ook in zijn nageslacht zijn voortgezet en gebleken. Dit zal zo duidelijk zijn, dat alle volken naar Gods huis zullen gaan om van Hem te leren, zodat ze in Zijn wet zullen wandelen. Als de oordelen zijn uitgevoerd, zullen de mensen worden gekenmerkt door gehoorzaamheid aan God en als gevolg daarvan door vrede onder elkaar.

Zij komen ook omdat ze ernaar verlangen om onderwijs van Hem te ontvangen “aangaande Zijn wegen”, zodat ze geen eigen wegen meer gaan, maar “Zijn paden bewandelen” zullen. Dan wordt de belofte vervuld die God in Genesis 22 doet (Gn 22:1414En Abraham gaf die plaats de naam: De HEERE zal erin voorzien. Daarom wordt heden ten dage gezegd: Op de berg van de HEERE zal erin voorzien worden.; Js 51:44Sla acht op Mij, Mijn volk,
Mijn natie, hoor Mij aan,
want een wet zal van Mij uitgaan
en Mijn recht zal Ik tot rust doen komen tot een licht voor de volken.
; Mi 4:22Vele heidenvolken zullen op weg gaan
en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
; Zc 8:33Zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HEERE van de legermachten ‘de heilige berg’.
)
. Deze vervulling vindt plaats op grond van het offer dat God Zelf geeft in Zijn Zoon en waarvan het offeren van Izak door Abraham een beeld is. Het onderwijs betreft de wet waarnaar het koninkrijk der hemelen geregeerd zal worden, zoals onder andere neergelegd in Mattheüs 5-7.

Uit Sion zal niet het evangelie van de genade uitgaan, maar het onderwijs van de wet. Dat onderstreept dat het niet over de gemeente gaat, maar over Israël. De wet zal volgens het nieuwe verbond in het hart van Israël zijn (Hb 8:1010Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.).

Honger naar Gods Woord, het verlangen naar geestelijk voedsel en onderwijs, is een van de bewijzen van de bekering. Ieder die tot geloof in de Heer Jezus is gekomen, zal Gods Woord willen leren kennen. De waarheid van Gods Woord is op aarde nergens anders te vinden dan in wat nu Zijn huis is, “[de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid” (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.).

Elk hart dat ernaar verlangt in Gods wegen te wandelen, zal daarom ook naar de samenkomst van de gemeente gaan om daarover te horen. Hij zal anderen daartoe aansporen met de woorden: “Kom, laten wij opgaan” (vgl. Hb 10:2525en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn, maar [elkaar] vermanen en dat zoveel temeer naarmate u de dag ziet naderen.). Dat betekent natuurlijk niet dat er geen persoonlijke bijbelstudie hoeft te gebeuren. Echte honger naar het Woord zal, gestimuleerd door het onderwijs in de gemeente, aanzetten tot dagelijkse persoonlijke bijbelstudie.

De HEERE, dat is de Heer Jezus, zal rechtspreken tussen de volken (vers 44Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
. De geschillen tussen de volken verdwijnen niet automatisch, maar worden door Hem opgelost. Het gevolg is vrede op aarde. Iedereen zal vrede hebben met Zijn beslissing. Het is geen onrustige, breekbare vrede, maar vrede gebaseerd op gerechtigheid.

Door het wegnemen van elke oorzaak van conflicten zullen er geen oorlogen meer uitbreken. Alle oorlogstuig, “zwaarden” en “speren”, kan worden omgezet in werktuigen die zegen voor de mens bewerken, “ploegscharen” en “snoeimessen” (vgl. Jl 3:1010Smeed uw ploegscharen tot zwaarden
en uw snoeimessen tot speren.
Laat de zwakke zeggen:
Ik ben een held.
)
. Niemand zal nog instructies krijgen hoe hij oorlog moet voeren. Er is geen aanleiding meer toe. Als er op de paden van de HEERE wordt gewandeld, is er vrede in het hart en vrede met alle medewandelaars die ook op die paden wandelen.

Dat zij niet meer zullen “leren” hoe er oorlog gevoerd moet worden, is vol betekenis. Nog steeds wordt de oorlog geleerd en ook nog eens zeer efficiënt. De angst die de mensen kenmerkt, drijft hen ertoe te vechten voor hun rechten. Zodra iemand meent tekort te worden gedaan, wordt er naar de wapens gegrepen, soms letterlijk, soms in een woordenstrijd. Het gaat de menselijke capaciteit te boven om de oorlog af te schaffen en uit te bannen. Er zal een periode komen dat de mensen menen dit doel te hebben bereikt en dat toeschrijven aan hun eigen inspanningen. Ze zullen zeggen: “Vrede en veiligheid”, om vervolgens door “een plotseling verderf” (1Th 5:33Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen.) te worden getroffen.

Ook elke onvrede tussen gelovigen kan worden weggenomen als we ons willen laten onderwijzen door de Heer Jezus (vgl. Fp 2:55<Want> laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,). Als we met onze geschillen naar Hem gaan, zal Hij recht spreken. Hij kan elk geschil oplossen. Door ons voor Zijn oplossing te buigen keert de vrede terug en zullen wij onze kracht kunnen inzetten voor Zijn werk. Dat geeft zegen. Rechtszaken in de gemeente vandaag worden opgelost als er wordt gedacht aan de toekomst die hier wordt beschreven (1Ko 6:1-81Durft iemand van u, als hij een zaak heeft tegen de ander, recht te zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen?2Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld wordt geoordeeld, bent u dan onwaardig voor [de] geringste rechtszaken?3Weet u niet, dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer [de] dingen van dit leven?4Als u dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt dan daarover hen die in de gemeente niet geacht zijn!5Ik zeg het tot uw beschaming. Is er dan onder u niet één wijze, ook niet één, die uitspraak zal kunnen doen tussen zijn broeders?6Maar een broeder voert met een broeder een rechtsgeding, en dat bij ongelovigen!7Reeds in het algemeen <nu> is het een gebrek bij u, dat u rechtszaken met elkaar hebt. Waarom lijdt u niet liever onrecht? Waarom laat u zich niet liever tekortdoen?8Maar ú doet onrecht en doet tekort en dat aan broeders!).

Na dit glorieuze perspectief kan Jesaja zich als het ware niet inhouden. Hij roept het “huis van Jakob” toe om direct naar de HEERE terug te keren en te gaan “wandelen in het licht van de HEERE” (vers 55Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEERE.) en niet meer in het valse licht van de afgoden. Het is een oproep om te gaan wandelen in het licht van het onderwijs dat Gods Woord verspreidt. Wandelen in het volle licht van de HEERE zullen ze doen in het vrederijk. Dat licht geeft zicht op de toekomst (verzen 2-42Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
.

Wij mogen vandaag al wandelen als kinderen van het licht (Ef 5:8-208want vroeger was u duisternis, maar nu bent u licht in [de] Heer; wandelt als kinderen van het licht9(want de vrucht van het licht [bestaat] in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid),10terwijl u beproeft wat de Heer welbehaaglijk is.11En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar stelt ze veeleer aan de kaak.12Want wat in het geheim door hen gedaan wordt, is zelfs schandelijk om te zeggen.13Alle dingen echter, als zij door het licht aan de kaak gesteld zijn, worden openbaar; want het is het licht dat alles openbaar maakt.14Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.15Kijk dus nauwkeurig uit hoe u wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen,16terwijl u de geschikte gelegenheid ten volle uitbuit, want de dagen zijn boos.17Weest daarom niet onverstandig, maar verstaat wat de wil van de Heer is.18En wordt niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vervuld met [de] Geest,19en spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer,20en dankt te allen tijde voor alles de God en Vader in [de] Naam van onze Heer Jezus Christus,), terwijl we uitzien naar de komst van de Heer Jezus. We zien op andere plaatsen in de Bijbel dat lezen over de toekomst en dat in ons hart opnemen, een heiligend en reinigend effect heeft op ons leven in de tegenwoordige tijd (2Pt 3:10-1410Maar [de] dag van [de] Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en [de] elementen brandend vergaan en [de] aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.11Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en Godsvrucht,12terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.13Wij echter verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.14Daarom, geliefden, daar u deze dingen verwacht, beijvert u onbesmet en onberispelijk voor Hem te worden gevonden in vrede.; 1Jh 3:2-32Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is.3En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is.).

Dit gedeelte laat ons dan ook zien wat Gods doel en Gods norm zijn voor het volk Israël. Aangezien Israël niet aan dit doel en deze norm beantwoordt, moet God noodzakelijkerwijs het volk oordelen en reinigen door Zijn woord. Dit wordt in het volgende gedeelte beschreven.


De HEERE heeft Zijn volk verlaten

6Maar U hebt Uw volk verlaten,
het huis van Jakob,
want zij zijn vol [goddeloosheid] uit het Oosten,
en zij duiden wolken, net als de Filistijnen,
en met buitenlanders slaan zij de handen ineen.
7Hun land is vol zilver en goud,
en er [komt] geen einde aan hun schatten.
Hun land is vol paarden,
en er [komt] geen einde aan hun wagens.
8Hun land is vol afgoden;
voor het werk van hun handen buigen zij zich neer,
voor wat hun vingers gemaakt hebben.
9Zo bukt zich de [gewone] man en vernedert zich de man [van aanzien].
Vergeef het hun niet!

Jesaja keert terug tot de actuele situatie. Het contrast met de toekomst, die in de vorige verzen is beschreven en in Jesaja 4 opnieuw wordt beschreven (Js 4:2-62Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot een heerlijk sieraad zijn, en de vrucht van de aarde tot trots en luister voor hen in Israël die ontkomen zijn.3Dan zal het gebeuren dat wie in Sion overgebleven is, en wie in Jeruzalem overgelaten is, heilig genoemd zal worden, eenieder die in Jeruzalem ten leven opgeschreven is.4Wanneer de Heere de vuilheid van de dochters van Sion afgewassen zal hebben en de vele bloedschuld van Jeruzalem uit het midden ervan weggespoeld zal hebben door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding,5dan zal de HEERE over elke plaats op de berg Sion en over de samenkomsten ervan overdag een wolk scheppen en rook, en ‘s nachts een schijnsel van vlammend vuur; ja, over alles wat heerlijk is, zal een beschutting zijn.6Dan zal een hut dienen tot schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de vloed en tegen de regen.), is enorm. De actualiteit noodzaakt hem tot de oproep om in het licht van de HEERE te wandelen (vers 55Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEERE.) en het uitspreken van oordelen die aan de vestiging van het vrederijk moeten voorafgaan. Hij maakt ook duidelijk wat de aanleiding tot die oordelen is. In de verzen 6-116Maar U hebt Uw volk verlaten,
het huis van Jakob,
want zij zijn vol [goddeloosheid] uit het Oosten,
en zij duiden wolken, net als de Filistijnen,
en met buitenlanders slaan zij de handen ineen.
7Hun land is vol zilver en goud,
en er [komt] geen einde aan hun schatten.
Hun land is vol paarden,
en er [komt] geen einde aan hun wagens.
8Hun land is vol afgoden;
voor het werk van hun handen buigen zij zich neer,
voor wat hun vingers gemaakt hebben.
9Zo bukt zich de [gewone] man en vernedert zich de man [van aanzien].
Vergeef het hun niet!10Ga de rots[kloof] in,
verberg u in het stof
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit.
11De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden,
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
lezen we de oordelen over Israël en in de verzen 12-2212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
13tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
14tegen al de hoge bergen
en tegen al de verheven heuvels,
15tegen elke hoge toren
en tegen elke vestingmuur,
16tegen alle schepen van Tarsis
en tegen alle koopvaardijschepen [met] kostbare [lading].
17De hoogmoed van de mensen zal vernederd worden
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
18En de afgoden – ze vergaan volkomen.19Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
20Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich [daarvoor] neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.
21Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.22Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?
de oordelen over alle volken.

Na de oproep om te wandelen in het licht van de HEERE hernieuwt Jesaja zijn klacht over de jammerlijke afvalligheid van het volk (vers 66Maar U hebt Uw volk verlaten,
het huis van Jakob,
want zij zijn vol [goddeloosheid] uit het Oosten,
en zij duiden wolken, net als de Filistijnen,
en met buitenlanders slaan zij de handen ineen.
)
. Hij wendt zich met zijn klacht rechtstreeks tot de HEERE. Hij spreekt het uit tot Hem dat Hij Zijn volk heeft verlaten, waardoor het licht niet over Zijn volk schijnt. De uitdrukking “het huis van Jakob” geeft hier aan, zoals uit het vervolg blijkt, dat het volk een eigen weg gaat en niet met God rekent.

Tegelijk met zijn klacht rechtvaardigt Jesaja het handelen van God. God heeft Zijn volk moeten verlaten omdat het zich heeft opengesteld voor demonische invloeden “uit het Oosten” (vgl. Nm 23:77Toen hief hij zijn spreuk aan en zei:
Uit Syrië heeft Balak, de koning van Moab, mij laten halen,
vanuit het bergland van het oosten:
Kom, vervloek mij Jakob,
kom, verwens Israël!
)
. Ze zijn daarvan zelfs “vol”, zodat er voor de HEERE geen enkele ruimte meer is. Ook de Filistijnse invloed, die vanuit het westen komt, is groot, want ze “duiden wolken” net als de Filistijnen. Het volk stelt zich open voor een vorm van waarzeggerij die gebeurt door naar de vorm van de wolken of veranderingen in de lucht te kijken en aan de hand daarvan beslissingen nemen. Daarmee gaan ze radicaal in tegen wat door de HEERE in de wet ten strengste verboden is (Dt 18:10-1210Onder u mag niemand gevonden worden die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, die waarzeggerij pleegt, die wolken duidt of aan wichelarij doet, die een tovenaar is,11die bezweringen doet, die een dodenbezweerder of een waarzegger raadpleegt, of die bij de doden onderzoek doet.12Want iedereen die zulke dingen doet, is een gruwel voor de HEERE. En vanwege deze gruweldaden verdrijft de HEERE, uw God, [deze volken] van voor uw [ogen] uit hun bezit.; Lv 19:2626U mag niets eten waar nog bloed in zit. U mag niet aan wichelarij doen en u mag geen wolken duiden.; 2Kn 21:66Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, duidde wolken en deed aan wichelarij. Ook stelde hij dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen van de HEERE, om [Hem] tot toorn te verwekken.).

In de christenheid hebben dezelfde invloeden uit het oosten en het westen ingang gekregen. In de Bijbel is het oosten de richting die aangeeft dat iemand weggaat van de HEERE (Gn 4:1616Toen ging Kaïn weg van het aangezicht van de HEERE; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.; 11:22En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.). Invloeden uit het oosten betekent invloeden van mensen die niets met God te maken willen hebben en in rebellie tegen Hem leven. Hebben die niet veel invloed gekregen in de christenheid?

In het westen van Israël, dat is in het land zelf, wonen de Filistijnen. Zij zijn een beeld van het ritualisme, een godsdienst van rituelen met daaraan bijgelovige praktijken gekoppeld. Dit heeft ook ruime ingang in de christenheid gekregen. Het heeft vooral gestalte in het rooms-katholicisme, maar ook in het protestantisme vindt het steeds meer ingang.

De HEERE heeft Zijn volk niet verstoten omdat Hij hen niet lief zou hebben, maar omdat zij aan de heidenen om hen heen gelijk zijn geworden. Hun praktijk laat het zien. Ze “slaan … de handen ineen” (letterlijk: ze doen handjeklap), ze doen samen “met buitenlanders”. Ze sluiten zich bij hen aan – ze gaan om zo te zeggen met hen onder eenzelfde juk – en nemen hun gewoonten over. Zo doen zij hun afzondering teniet (Hs 8:8-98Verslonden is Israël!
Zij zijn nu onder de heidenvolken
als een pot waaraan niemand waarde hecht,9want zíj gingen naar Assyrië:
een wilde ezel houdt zich afgezonderd,
maar Efraïm zoekt hulp bij minnaars.
)
. Ze sluiten God buiten en keren zich in vijandschap tegen Hem (Jk 4:44Overspeligen, weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God.; 2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?).

Het bezit van “zilver en goud”, die eindeloze schatten (materialisme), en de “paarden” waarvan het land ook “vol” is en de eindeloze rij “wagens” (militaire kracht) schrijven ze ongetwijfeld toe aan de door hen vereerde afgoden en verrichte demonische praktijken (vers 77Hun land is vol zilver en goud,
en er [komt] geen einde aan hun schatten.
Hun land is vol paarden,
en er [komt] geen einde aan hun wagens.
)
. Tegelijk tonen zij hun afwijzing van het gebod dat God hierover heeft gegeven (Dt 17:16-1716Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.). Dit gebod betreft overigens niet het rijk zijn, maar het rijk willen zijn (1Tm 6:99Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.) en het machtsmisbruik dat van rijkdom wordt gemaakt als men eenmaal rijk is.

Ook het bezit van paarden is niet verboden, wel het vermeerderen ervan, omdat daardoor het gevaar groot is daarop te gaan vertrouwen en niet op de HEERE. Ook daarvan is het land “vol”. De hebzucht van het volk voert tot een zich neerbuigen voor tastbare dingen, het werk van hun eigen handen. Hebzucht is ten nauwste verbonden aan afgoderij. Gods Woord schakelt ze zelfs gelijk en spreekt over “de hebzucht, die afgodendienst is” (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,).

Hier volgt ook direct op de hebzucht de aanklacht dat “hun land … vol van afgoden” is (vers 88Hun land is vol afgoden;
voor het werk van hun handen buigen zij zich neer,
voor wat hun vingers gemaakt hebben.
)
. Ook hier horen we weer het woord “vol”. Terwijl de mens zich hecht aan zijn bezit en zich beroemt op zijn prestaties en die aanbidt, is deze afgodendienst in feite een vernedering voor de mens (vers 9a9Zo bukt zich de [gewone] man en vernedert zich de man [van aanzien].
Vergeef het hun niet!
)
. Afgoderij verlaagt zijn waardigheid als mens – die toch het hoofd van de schepping is – tot beneden de materie (vgl. Rm 1:21-2321omdat zij, hoewel zij God kennen, [Hem] als God niet verheerlijkt of gedankt hebben, maar in hun overleggingen zijn zij tot dwaasheid vervallen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.22Bewerend wijzen te zijn, zijn zij dwaas geworden23en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door [iets] dat lijkt op [het] beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.). Het maakt daarbij niet uit of die mens een persoon van aanzien of iemand van de arbeidersklasse is. Van deze afgoderij zijn alle geledingen van het volk doortrokken.

Het (minachtende) woord voor afgoden is hier elilim. Dat lijkt op het woord voor God, Elohim. Maar elilim betekent ‘waardeloos, lege dingen, nietigheden’. Het land Israël is vol van waardeloze dingen, nietigheden, dingen die vergankelijk zijn en zullen verdwijnen (vers 1818En de afgoden – ze vergaan volkomen.). Hoe is het met ons? Hebben wij zulke dingen in ons leven?

Deze situatie brengt Jesaja tot de bede: “Vergeef het hun niet!” (vers 9b9Zo bukt zich de [gewone] man en vernedert zich de man [van aanzien].
Vergeef het hun niet!
)
. De tekst is letterlijk: “U zult hen niet vergeven”. Hij kan ook gelezen worden als de reden waarom God hen moet oordelen en verwerpen (vers 66Maar U hebt Uw volk verlaten,
het huis van Jakob,
want zij zijn vol [goddeloosheid] uit het Oosten,
en zij duiden wolken, net als de Filistijnen,
en met buitenlanders slaan zij de handen ineen.
; vgl. Hs 1:66Zij werd opnieuw zwanger, en zij baarde een dochter. Daarop zei Hij tegen hem: Geef haar de naam Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, want Ik zal hen zeker wegvoeren.)
, want als God niet vergeeft, moet Hij oordelen. De voorbidder voor het volk voelt zich hier genoodzaakt tegen zijn volk te pleiten. Dit gebed is de juiste uiting van een hart dat aanvoelt hoezeer God door deze houding en handelwijze van Zijn volk wordt gegriefd. Het enige wat past, is het oordeel, want God kan dit kwaad van Zijn volk niet verdragen.

Materialisme en genotzucht zijn vandaag onder christenen net zo aanwezig als onder Gods volk toen. Ga maar na hoeveel aandacht en geld er aan de materiële dingen wordt besteed en hoe weinig aandacht God en Zijn Woord krijgen. Als we dit opmerken, moeten we niet om vergeving daarvoor vragen, maar moeten we bidden dat er door Gods genade oprechte belijdenis, zelfoordeel en bekering zullen plaatsvinden.

Profetisch vinden we hier de geestelijke kenmerken van Israël ten tijde van hun afgoderij onder de regering van de antichrist. De maat van hun zonden is dan vol. Het oordeel is onontkoombaar.


De HEERE tegen alle hoogmoed

10Ga de rots[kloof] in,
verberg u in het stof
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit.
11De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden,
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
12Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
13tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
14tegen al de hoge bergen
en tegen al de verheven heuvels,
15tegen elke hoge toren
en tegen elke vestingmuur,
16tegen alle schepen van Tarsis
en tegen alle koopvaardijschepen [met] kostbare [lading].
17De hoogmoed van de mensen zal vernederd worden
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
18En de afgoden – ze vergaan volkomen.

Het oordeel is onvermijdelijk, omdat ze hun Rots, de HEERE, hebben verlaten (Js 17:1010Want u bent de God van uw heil vergeten,
aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.
Daarom poot u wel lieflijke planten
en zet uitheemse stekjes –
)
en hebben vervangen door de afgoden. Vanwege de “angst voor de HEERE”, dat is voor Zijn Persoon, en “de glorie van Zijn majesteit”, dat is voor Zijn uitstraling (vers 1010Ga de rots[kloof] in,
verberg u in het stof
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit.
)
worden ze nu opgeroepen tot de natuurlijke rotsen hun toevlucht te nemen.

‘De glorie van zijn majesteit’ is een favoriete uitdrukking van de Assyriërs die ze voor zichzelf gebruiken. Maar het gebruik van deze uitdrukking komt alleen de HEERE toe. De Assyriërs moeten zich verbergen “in het stof”, de materie waaruit ze gevormd zijn en waar ze thuishoren, omdat ze de eer van hun Formeerder hebben geroofd en Hem uit hun leven hebben gebannen.

Hier vinden we, zoals op zoveel andere plaatsen in dit boek, het samengaan van het oordeel door middel van de inval van de Assyriërs, de tuchtroede in de hand van God voor Zijn volk, en het oordeel in de laatste dagen, kort voor het duizendjarig vrederijk. In beide gevallen wordt de trots van de mens vernederd en zal de HEERE alleen verheven zijn (vers 1111De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden,
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
)
.

Hier worden mensen gedwongen zich te vernederen. Johannes de doper daarentegen vernedert zich vrijwillig. Dat blijkt uit zijn woorden: “Hij moet meer, maar ik minder worden” (Jh 3:3030Hij moet meer, maar ik minder worden.). Alle knie zal zich buigen in de Naam van Jezus (Fp 2:1010opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,), hetzij nu vrijwillig uit liefde voor Hem, hetzij in de toekomst gedwongen met erkenning van Zijn majesteit. Hoe meer wij onszelf vernederen, des te meer ruimte krijgt de Heer om Zichzelf in ons zichtbaar te maken, zodat de mensen Hem in ons verheerlijken.

Vanaf vers 1212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
worden we verplaatst naar de tweede komst van de Heer Jezus, dat is Zijn komst als Messias voor Zijn volk en als Rechter van de hele aarde. Als Hij komt om op aarde gerechtigheid uit te oefenen, zullen de waarderingen die de mens erop nahoudt, omgekeerd worden. De dingen die de mensen tot dat ogenblik voor waardevol hebben gehouden, zullen ze dan onbelangrijk vinden en wat ze eerder als bijzaken hebben beschouwd, zullen dan hoofdzaken worden.

Hij komt als “de HEERE van de legermachten” (vers 1212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
)
, een naam die Jesaja ruim zestig keer voor God gebruikt. Het is een krijgsnaam, waarmee de militaire macht en kracht van God worden aangeduid. Wanneer deze almachtige HEERE met Zijn legers komt, kan niets tegen Hem standhouden. De tegenstand wordt in de volgende verzen in symbolen en op diverse andere manieren weergegeven.

“De dag van de HEERE” duidt een periode aan, waarin de Heer Jezus – Hij is de HEERE – alle gezag dat Hem door de Vader is gegeven (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.; Jh 13:3a3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op), zal gaan uitoefenen. Het is de dag dat Hij Zich openlijk keert tegen alle zelfverheerlijking van de mens en tegen alle afgoden. Het is de dag waarop alles aan het licht zal komen en door Hem geoordeeld zal worden (Jh 5:22,2722Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven,27en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.). Dan vervult Hij het woord dat Hij op aarde heeft gesproken: “Want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd” (Lk 14:11a11Want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd; en die zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.). De uitdrukking “de dag van de HEERE” wordt verder uitvoerig toegelicht in Jesaja 13:6-13.

Als de Heer Jezus voor de tweede keer verschijnt, zal Hij eerst het oordeel voltrekken over alle hoogmoed van de mens. In de verzen 13-1613tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
14tegen al de hoge bergen
en tegen al de verheven heuvels,
15tegen elke hoge toren
en tegen elke vestingmuur,
16tegen alle schepen van Tarsis
en tegen alle koopvaardijschepen [met] kostbare [lading].
gebruikt Jesaja zeven voorbeelden uit de natuur en de samenleving om te beschrijven waartegen de HEERE zal optreden. De bomen als “ceders” en “eiken” (vers 1313tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
)
kunnen we zien als symbolen van de leiders, zoals koningen en prinsen, van de volken die aan het einde van de tijd tegen de Joden zullen optrekken.

“De hoge bergen” en “de verheven heuvels” (vers 1414tegen al de hoge bergen
en tegen al de verheven heuvels,
)
stellen grote en kleine aardse machten voor, landen die zich boven andere landen verheffen. Ze hebben hoge torens en vestingmuren gebouwd (vers 1515tegen elke hoge toren
en tegen elke vestingmuur,
)
om zich tegen eventuele aanvallen te verdedigen. Ook drijven ze handel over zee tot vergroting van hun economische macht (vers 1616tegen alle schepen van Tarsis
en tegen alle koopvaardijschepen [met] kostbare [lading].
)
. Tot die rijkdom behoort ook “kostbare [lading]”, een unieke uitdrukking in het Hebreeuws die is afgeleid van het woord ‘beeld’, waarbij we kunnen denken aan de macht van het entertainment en de beeldcultuur van onze tijd.

Als de HEERE verschijnt, zal de zelfverheffing van de mens moeten plaatsmaken voor de verheffing van de HEERE. Hun trots zullen ze niet kunnen handhaven, maar zal met onweerstaanbare macht neergebogen worden. Op die dag zal de HEERE als Enige “hoogverheven zijn” (vers 1717De hoogmoed van de mensen zal vernederd worden
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
)
.

En wat gebeurt er met de afgoden waar ze nu nog hun hoop op hebben gevestigd en hun heil van verwachten (vers 1818En de afgoden – ze vergaan volkomen.)? “Ze vergaan volkomen.” Daarmee is alles over hun lot gezegd. De afgoden zijn de wortel van de rampspoed die over hen komt. Ze hebben de HEERE verlaten en Hem vervangen door de afgoden (elilim, zie toelichting bij vers 88Hun land is vol afgoden;
voor het werk van hun handen buigen zij zich neer,
voor wat hun vingers gemaakt hebben.
). In slechts drie woorden wordt als in een flits weergegeven wat ermee gebeurt. Letterlijk staat er: “Nietigheden tot niets.” Waardeloos zijn ze en totaal verdwijnen zullen ze.

Als alleen de Heer Jezus het in ons leven te zeggen heeft, als we Hem alleen verheffen, zal geen enkele vorm van afgoderij bij ons voet aan de grond krijgen (1Jh 5:2121Kinderen, wacht u voor de afgoden.).


De verschrikking van de HEERE

19Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
20Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich [daarvoor] neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.
21Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.

Dan komt het moment dat de HEERE opstaat (verzen 19-2119Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
20Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich [daarvoor] neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.
21Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
)
. Wat een schrikreactie geeft dat! Panische angst breekt uit. Al die nietige schepseltjes die als God hebben willen zijn, zullen zich niet verbergen tussen het geboomte in het paradijs (Gn 3:7-87Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.8En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.), maar vluchten in grotten en onderaardse gewelven (vers 1919Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
)
. “Angst voor de HEERE”, dat is voor Zijn Persoon, bevangt hen. “De glorie van Zijn majesteit”, dat is Zijn uitstraling, overweldigt hen. Lange tijd heeft het erop geleken dat Hij Zich niet met de aarde bemoeide. Hij had geen plaats meer in het denken van de mens. Maar als Hij in Zijn volle grootte opstaat, begrijpen zij tot hun ontzetting dat zij zich vergist hebben en grijpt een wurgende angst hen aan.

In het licht van de heerlijkheid van Zijn majesteit verschrompelt en verdwijnt al hun vertrouwen op hun afgoden. “Op die dag” zullen ze de misleiding, de nutteloosheid en de waardeloosheid ervan inzien (vers 2020Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich [daarvoor] neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.
)
. “Die dag” is de dag van de HEERE (vers 1212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
)
, de dag die in volkomen tegenstelling staat tot de dag van de mens. De dag van de mens is de tegenwoordige boze eeuw waarin God de mens toestaat los van Hem zijn eigen wil te doen en zijn eigen weg te gaan.

Met afschuw zal “de mens”, en met name de godsdienstige mens, de zogenaamde goede werken van zijn handen waaraan hij zijn goede goud en zilver heeft besteed, voor “de ratten en de vleermuizen”, die onreine dieren, “werpen”. Die “afgoden” op wie ze hun vertrouwen hebben gesteld, komen nu als oud vuil tussen onreine ratten en vleermuizen te liggen. De mens ontdekt dat het hebben en meezeulen van al die wereldgodsdiensten, zoals islam, boeddhisme en hindoeïsme, geen enkel voordeel geeft. Integendeel, meezeulen veroorzaakt alleen maar vluchtvertraging. Vluchten is het parool en wel zo snel mogelijk. Dat is dan het einde van hun vertrouwen op valse godsdiensten.

Ze worden in hun vlucht opgejaagd door “angst voor de HEERE” en “de glorie van Zijn majesteit” (vers 2121Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
)
. Zodra ze een spleet of kloof in de rotsen hebben gevonden, zullen ze daarin binnengaan om zich tegen de ontbrande toorn van de HEERE te beschutten (Op 6:12-1712En ik zag, toen het [Lam] het zesde zegel opende, en er kwam een grote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak en de hele maan werd als bloed,13en de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt als hij door een harde wind geschud wordt.14En de hemel week terug als een boek dat wordt opgerold, en elke berg en elk eiland werden van hun plaatsen gerukt.15En de koningen van de aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de sterken en elke slaaf en vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen;16en zij zeiden tegen de bergen en tegen de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor [het] aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam;17want de grote dag van Hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?; Hs 10:88Weggevaagd zullen worden de [offer]hoogten van Aven,
de zonde van Israël;
dorens en distels zullen opschieten
tot boven hun altaren.
Dan zullen zij tegen de bergen zeggen: Bedek ons!
en tegen de heuvels: Val op ons!
)
.

Maar “als Hij opstaat om de aarde te verschrikken”, is vluchten en verbergen een dwaze, zinloze, ja, lachwekkende actie. Er is geen ontkomen mogelijk, net zomin als dat het is geweest voor het eerste mensenpaar (Gn 3:88En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.; Ps 139:77Waar kan ik Uw Geest ontgaan,
waar Uw aangezicht ontvluchten?
)
. Niets zal hen kunnen beschermen tegen Zijn toorn. Ze kunnen het oordeel niet ontvluchten. De dag van de mens komt tot een roemloos, beschamend einde.

Dit is het einde van de hoog geroemde cultuur en techniek van de mensen en hun inspanningen om deze wereld tot een veilig rustoord te maken. Dit is het einde omdat ze Hem hebben genegeerd Die alles tot Zijn eigen heerlijkheid heeft geschapen. In plaats van zich in Hem te verheugen heeft de mens zich in zichzelf verheugd. Alles wat hem is gegeven, heeft hij niet tot eer van God, maar tot verheerlijking van zichzelf gebruikt. Hij is trots, hoogmoedig en aanmatigend geworden op en over alles wat God hem heeft gegeven. Daarom komt het oordeel over hem.


Zie af van de mens

22Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?

De profeet roept hun toe dat ze toch van de mens afzien, dat ze niet langer op hem vertrouwen (Ps 118:8-98Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op de mensen te vertrouwen.
9Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op edelen te vertrouwen.
)
. Wie is immers de mens, dat nietige wezen, tegenover de Almachtige (Ps 104:2929Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand,
neemt U hun adem weg, zij geven de geest
en keren terug tot hun stof.
)
?

Met “de mens” wordt hier in het bijzonder ‘de mens van de zonde’ bedoeld, dat is de mens die als God wil zijn (2Th 2:4b4die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.), de antichrist, de valse messias. Na zijn buitengewone misleiding door het uitoefenen van kracht en tekenen en wonderen van de leugen zal hij bij de komst van de Heer Jezus door Hem worden tenietgedaan (2Th 2:3,8-93Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,8En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst;9hem, wiens komst naar [de] werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van [de] leugen,). Zijn verdorvenheid is zo overduidelijk, dat hij zonder vorm van proces levend in de hel wordt geworpen (Op 19:2020En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.).

Samenvattend kunnen we zeggen dat de zonde van afgoderij – de mens die als God wil zijn – het gevolg en de climax, weergegeven in het getal zeshonderdzesenzestig (Op 13:1818Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.), is van de trots en hoogmoed van de mens.


Lees verder