Jesaja
1 Oproep aan Moab 2-3 Op de vlucht naar Jeruzalem 4-5 Verzoek om bescherming 6-12 Moab verwoest 13-14 Het oordeel op korte termijn
Oproep aan Moab

1Stuur lammeren
voor de heerser van het land,
van Sela door de woestijn
naar de berg van de dochter van Sion.

Dit hoofdstuk is een direct vervolg op het vorige en vormt er een geheel mee. Met het oog op de komende verdrukking roept Jesaja Moab op zich aan Juda te onderwerpen (vers 11Stuur lammeren
voor de heerser van het land,
van Sela door de woestijn
naar de berg van de dochter van Sion.
)
. Vroeger is Moab aan Israël onderworpen geweest (2Sm 8:22Ook versloeg hij Moab. Hij mat hen af met een meetsnoer, waarbij hij hen op de grond deed neerliggen. Hij mat met twee snoeren om te doden en met één snoer in zijn volle lengte om in leven te laten. Zo werden de Moabieten Davids dienaren [en] zij moesten schatting afdragen.) en heeft een schatting aan lammeren en wol moeten betalen, maar het heeft zich aan Israëls macht onttrokken (2Kn 3:4-54Mesa nu, de koning van Moab, was een veehouder, en bracht aan de koning van Israël [als schatting] honderdduizend lammeren en honderdduizend rammen, met de wol.5Maar het gebeurde, nadat Achab gestorven was, dat de koning van Moab tegen de koning van Israël in opstand kwam.).

In feite betekent dit dat aan Moab gevraagd wordt om te kiezen aan de kant van de gelovige Israëlieten te gaan staan ten tijde van de grote verdrukking. Praktisch betekent dit dat zij opgeroepen worden om straks het vluchtende gelovig overblijfsel van Israël (Mt 24:1616laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;) op te vangen (Js 16:44Laat onder u
Mijn verdrevenen verblijven, Moab;
wees voor hen een schuilplaats
tegen de verwoester.
Als de onderdrukker omgekomen is,
[als] het gedaan is met de verwoesting,
[als] de vertrappers weggevaagd zijn van de aarde,
)
. Zij die aan deze oproep gehoor geven, zullen voor de troon van Christus daarvoor beloond worden (Mt 25:31-4031Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.). Alles wat zij aan deze gelovige Israëlieten hebben gedaan, hebben zij gedaan aan Christus Zelf, zonder dat zij het weten.

Als teken van hun keuze om aan de zijde van Israël te staan wordt Moab gezegd weer lammeren te zenden. Hij moet die nu niet naar Samaria zenden, maar “naar de berg van de dochter van Sion”, dat is de tempelberg in Jeruzalem. Deze handelwijze zal voor Moab uitkomst uit de nood betekenen. De nood van Moab wordt, net als van andere volken in de omgeving, veroorzaakt door de inval van de koning van het noorden. Ze zullen als vergoeding voor de betaalde schatting en onderwerping bescherming en veiligheid in Jeruzalem vinden.

Sela is Hebreeuws voor het Griekse Petra, dat rots betekent. Petra ligt in Edom, ten zuiden van Moab. Daar zijn de vluchtelingen vanuit het noorden van Moab heen gevlucht. De vluchtweg van noord naar zuid wordt in het vorige hoofdstuk beschreven.


Op de vlucht naar Jeruzalem

2Anders zal het gebeuren dat de dochters van Moab
bij de doorwaadbare plaatsen van de Arnon zijn,
net als vluchtende vogels,
een opgejaagd nest.
3Schaf raad,
neem een beslissing.
Maak op het middaguur
uw schaduw als de nacht,
verberg de verdrevenen,
verraad geen vluchteling.

Dan ziet de profeet hoe de Moabieten op de vlucht slaan, richting Jeruzalem, opgejaagd door de vijand (vers 22Anders zal het gebeuren dat de dochters van Moab
bij de doorwaadbare plaatsen van de Arnon zijn,
net als vluchtende vogels,
een opgejaagd nest.
)
. Het beeld is dat van vogels die van hun nest zijn gejaagd, waardoor hun jongen rondvliegen zonder rustplaats. De tijd komt dat de Moabieten uit hun huizen verdreven worden en dan bescherming nodig zullen hebben. Die wordt hun in vers 11Stuur lammeren
voor de heerser van het land,
van Sela door de woestijn
naar de berg van de dochter van Sion.
met de daarbij behorende voorwaarde aangeboden.

In vers 33Schaf raad,
neem een beslissing.
Maak op het middaguur
uw schaduw als de nacht,
verberg de verdrevenen,
verraad geen vluchteling.
wordt zowel Juda als Moab aangesproken om elkaars vluchtelingen op te nemen. Juda moet vluchten ten tijde van de grote verdrukking vanwege de vervolging door de antichrist, terwijl Moab moet vluchten naar Israël vanwege de inval van de koning van het noorden. Ze moeten “op het middaguur” hun “schaduw als de nacht” maken. Ze moeten dus bescherming bieden door op het heetst van de dag, dat wil zeggen als de vervolging het hevigst is, de vluchtelingen te verbergen voor de vijand zoals een rots verkoelende schaduw biedt op het midden van de dag. Verraad van de schuilplaats van de verdrevenen is verboden.


Verzoek om bescherming

4Laat onder u
Mijn verdrevenen verblijven, Moab;
wees voor hen een schuilplaats
tegen de verwoester.
Als de onderdrukker omgekomen is,
[als] het gedaan is met de verwoesting,
[als] de vertrappers weggevaagd zijn van de aarde,
5dan zal er een troon gevestigd worden in goedertierenheid.
Daarop zal blijvend Iemand zitten
in de tent van David,
Die oordeelt en recht zoekt,
Die snel gerechtigheid brengt.

Hier wordt Moab opgeroepen de verdrevenen van Juda op te nemen (vers 44Laat onder u
Mijn verdrevenen verblijven, Moab;
wees voor hen een schuilplaats
tegen de verwoester.
Als de onderdrukker omgekomen is,
[als] het gedaan is met de verwoesting,
[als] de vertrappers weggevaagd zijn van de aarde,
)
. De bergen waarover de Heer Jezus in Zijn eindtijdrede spreekt (Mt 24:1616laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;), kunnen die van Moab zijn. Daar zullen de verdrevenen van Juda veilig zijn voor “de verwoester”, dat is de koning van het noorden. Hoezeer de verwoester ook tekeer zal gaan, hij zal uiteindelijk in Juda aan zijn einde komen.

Dit betekent dat Jesaja hier vooral de eindtijd voor ogen heeft, een gedachte die aansluit bij wat al eerder in dit boek is genoemd (Js 14:3232Wat zal men dan de gezanten van het volk antwoorden?
Dit: De HEERE heeft Sion gegrondvest;
en in haar vinden de ellendigen van Zijn volk een toevlucht.
)
. Vers 55dan zal er een troon gevestigd worden in goedertierenheid.
Daarop zal blijvend Iemand zitten
in de tent van David,
Die oordeelt en recht zoekt,
Die snel gerechtigheid brengt.
bevestigt dat. Als de onderdrukker is geoordeeld, de verwoesting voorbij is en de vertrappers zijn weggevaagd, zal de Messias op Zijn troon plaatsnemen. De “Iemand” Die op de troon zit, is niemand anders dan de Heer Jezus en het kan over niets anders gaan dan over Zijn regering in de eindtijd.

Vlak voordat Hij terugkomt om de vijanden van Zijn volk te oordelen, zullen ook veel Judeeërs op de vlucht slaan en daarmee Zijn woord vervullen. Wat David doet met zijn vader en moeder, terwijl hij op de vlucht is voor Saul, is hiervan een voorafschaduwing (1Sm 22:3-43David ging vandaar naar Mizpe in Moab. En hij zei tegen de koning van Moab: Laat mijn vader en mijn moeder toch naar u uitwijken, totdat ik weet wat God met mij doen zal.4Toen bracht hij hen bij de koning van Moab. En zij bleven bij hem al de dagen dat David in de vesting was.; vgl. Jr 40:11-1211Ook alle Judeeërs die in Moab, onder de Ammonieten, in Edom en die in al de [andere] landen waren, hoorden dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel had achtergelaten, en dat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, over hen had aangesteld.12Daarop keerden alle Judeeërs terug uit al de plaatsen waarheen zij verdreven waren, en zij kwamen in het land Juda, naar Gedalia in Mizpa. En zij verzamelden zeer veel wijn en zomervruchten.). God noemt Moab ook “Mijn waskom” (Ps 60:1010Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen.
Juich over mij, Filistea!
; 108:1010Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen,
over Filistea zal ik juichen.
)
, wat erop duidt dat Moab de plaats is, waar Hij het overblijfsel als in een waskom zal reinigen en louteren.

Als dat proces is afgerond, zullen ze terugkeren naar Juda om als Gods strijders mee te helpen met de bevrijding van Juda en Jeruzalem. Als de antichristelijke machten zijn neergeslagen, zal de Zoon van David op de troon plaatsnemen. Hij zal het recht herstellen en handhaven.


Moab verwoest

6Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;
zijn holle praat is niet gepast!
7Daarom zal Moab over Moab weeklagen,
allen zullen zij weeklagen.
Aan de rozijnenkoeken van Kir-Hareseth
zult u [zuchtend] terugdenken, volkomen verslagen.
8Want de velden van Hesbon zijn verkommerd,
de wijnstok van Sibma.
De heersers van de heidenvolken
hebben zijn edele druivenplanten platgeslagen.
Zij reikten tot Jaëzer,
zij verdwaalden [in] de woestijn.
Zijn ranken verspreidden zich
en hingen tot over de zee.
9Daarom zal ik bij het wenen over Jaëzer
de wijnstok van Sibma bewenen.
Ik maak u doornat met mijn tranen,
Hesbon en Eleale,
want over uw zomervruchten en over uw oogst
is de vreugderoep [weg]gevallen.
10Zo zijn blijdschap en vreugde weggenomen van het vruchtbare veld,
en in de wijngaarden wordt niet [meer] gezongen, geen juichkreet [meer] geslaakt.
De [druiven]treder perst geen wijn meer in de perskuipen.
Ik heb de vreugderoep doen ophouden.
11Daarom klagen mijn ingewanden om Moab als een harp,
en mijn binnenste om Kir-Heres.
12En gebeurt het dat Moab verschijnt
en zich op de hoogte vermoeit
en naar zijn heiligdom komt om te bidden,
dan zal het niets bereiken.

Na het advies aan Moab om zich te onderwerpen aan Sion en een schuilplaats te zijn voor de verdrevenen van Juda keert Jesaja terug naar de kenmerkende houding van Moab. Die houding is er een van hoogmoed, trots, overmoed en ijdel gezwets (vers 66Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;
zijn holle praat is niet gepast!
; Jr 48:29-3029Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogheid, zijn trots, zijn hoogmoed,
en zijn hooghartigheid.
30Ík ken zijn overmoed, spreekt de HEERE,
zijn holle praat is niet gepast,
zij doen wat niet gepast is!
)
. Deze houding is er de oorzaak van dat het land zal worden verwoest en dat Moab zal jammeren over zijn lot (verzen 7-87Daarom zal Moab over Moab weeklagen,
allen zullen zij weeklagen.
Aan de rozijnenkoeken van Kir-Hareseth
zult u [zuchtend] terugdenken, volkomen verslagen.
8Want de velden van Hesbon zijn verkommerd,
de wijnstok van Sibma.
De heersers van de heidenvolken
hebben zijn edele druivenplanten platgeslagen.
Zij reikten tot Jaëzer,
zij verdwaalden [in] de woestijn.
Zijn ranken verspreidden zich
en hingen tot over de zee.
; vgl. Sp 16:1818Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val.
)
. Jesaja ziet het voor zich. Het grijpt hem aan.

Waar vreugdegejuich zou moeten zijn – de wijnstok is daar het symbool van –, is krijgsgeschreeuw (verzen 9-109Daarom zal ik bij het wenen over Jaëzer
de wijnstok van Sibma bewenen.
Ik maak u doornat met mijn tranen,
Hesbon en Eleale,
want over uw zomervruchten en over uw oogst
is de vreugderoep [weg]gevallen.
10Zo zijn blijdschap en vreugde weggenomen van het vruchtbare veld,
en in de wijngaarden wordt niet [meer] gezongen, geen juichkreet [meer] geslaakt.
De [druiven]treder perst geen wijn meer in de perskuipen.
Ik heb de vreugderoep doen ophouden.
)
. Aan het eind van vers 1010Zo zijn blijdschap en vreugde weggenomen van het vruchtbare veld,
en in de wijngaarden wordt niet [meer] gezongen, geen juichkreet [meer] geslaakt.
De [druiven]treder perst geen wijn meer in de perskuipen.
Ik heb de vreugderoep doen ophouden.
horen we ineens heel even de HEERE aan het woord in het spreken van Jesaja. Hij zegt dat Hij de vreugderoep heeft doen ophouden. De HEERE is aan het werk in wat Moab overkomt.

Dat brengt Jesaja tot een nieuwe uiting van smart over Moab (vers 1111Daarom klagen mijn ingewanden om Moab als een harp,
en mijn binnenste om Kir-Heres.
)
. De tragiek van Moab is dat het niet de toevlucht neemt tot God, maar tot zijn afgoden (vers 1212En gebeurt het dat Moab verschijnt
en zich op de hoogte vermoeit
en naar zijn heiligdom komt om te bidden,
dan zal het niets bereiken.
)
. Hij tobt er zich voor af om in het huis van zijn afgod enige hulp te krijgen. Daar is natuurlijk geen redding te krijgen. Zijn gang naar het heiligdom van zijn god en het gebed tot zijn god zijn totaal nutteloos.


Het oordeel op korte termijn

13Dit is het woord dat de HEERE destijds over Moab gesproken heeft. 14Maar nu spreekt de HEERE: Binnen drie jaar, [gerekend] naar de jaren van een dagloner, zal de luister van Moab geminacht worden, [samen] met de grote [mensen]menigte. Het overblijfsel zal klein [en] gering zijn, en niet veel [betekenen].

Wat Jesaja heeft geprofeteerd over Moab (vers 1313Dit is het woord dat de HEERE destijds over Moab gesproken heeft.), sluit aan bij profetieën die vroeger, “destijds”, over dit volk zijn uitgesproken (Nm 24:1717Ik zal hem zien, maar niet nu;
ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.
Er zal een ster uit Jakob voortkomen,
er zal een scepter uit Israël opkomen;
hij zal de flanken van Moab verbrijzelen
en alle zonen van Seth vernietigen.
)
. Het zal in de toekomst allemaal in vervulling gaan.

Ook voor de korte termijn heeft Jesaja een voorzegging: binnen drie jaar zal een oordeel komen (vers 1414Maar nu spreekt de HEERE: Binnen drie jaar, [gerekend] naar de jaren van een dagloner, zal de luister van Moab geminacht worden, [samen] met de grote [mensen]menigte. Het overblijfsel zal klein [en] gering zijn, en niet veel [betekenen].). Die periode wordt gerekend “naar de jaren van een dagloner”. Dat betekent dat het na precies drie jaar zal zijn, want een dagloner zal geen dag langer werken dan de overeengekomen periode. Hoewel we niet goed weten hoe dat oordeel is voltrokken, is het zeker gebeurd, want God heeft het gesproken. In de eindtijd zal na de inval van Assyrië Moab opnieuw worden geoordeeld door toedoen van het dan herstelde Israël (Js 11:1414Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.
)
.

Wel is het duidelijk dat er een groot verschil is tussen het lot van Filistea (Js 14) en het lot van Moab (Js 15-16). Van Filistea zal er in het vrederijk geen overblijfsel zijn, terwijl dat wel van Moab het geval zal zijn. Dat komt doordat Moab ten tijde van de grote verdrukking vluchtelingen uit Israël, het gelovig overblijfsel, heeft opgenomen (vgl. Mt 25:31-4031Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.).


Lees verder