Jesaja
Inleiding 1 Verwoesting van Moab 2-4 Moab in rouw gedompeld 5-9 Op de vlucht
Inleiding

Jesaja 15-16 vormen een geheel en bevatten “de last over Moab” (Js 15:11De last over Moab.
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Ar-Moab is uitgeroeid!
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Kir-Moab is uitgeroeid!
)
. Een vollediger beschrijving van het oordeel over Moab lezen we in Jeremia 48. Daar zien we dat er voor Moab in de eindtijd toch een herstel is (Jr 48:4747In later tijd echter, spreekt de HEERE,
zal ik een omkeer brengen in de gevangenschap van Moab.
Tot zover het oordeel over Moab.
)
. Opmerkelijk daarbij is dat de zinnen in Jeremia veelal gelijk zijn aan de zinnen in Jesaja. Jeremia kent en maakt gebruik van het boek Jesaja. Dit betekent niet dat hij overschrijft, maar dat hij wordt geleid door de Geest om het op dezelfde wijze weer te geven.

Moab ligt ten oosten van de Dode Zee en de Jordaan. Het komt overeen met het tegenwoordige Jordanië. Het is een aan Israël verwant volk, want Lot, de stamvader van Moab, is een neef van Abraham (Gn 12:55Abram nu nam Sarai, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen die ze verworven hadden en de mensen die zij in Haran verkregen hadden; en zij gingen weg om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen in het land Kanaän.). Moab vindt zijn oorsprong in de incest die Lot met zijn oudste dochter pleegt (Gn 19:3737De eerstgeborene baarde een zoon en gaf hem de naam Moab. Hij is de vader van de Moabieten, tot op deze dag.). Moab heeft zich steeds vijandig tegenover Israël gedragen. Zo hebben ze eens een goddeloze profeet gehuurd om Israël te vervloeken (Nm 22:4-64Toen zei Moab tegen de oudsten van Midian: Nu zal deze menigte alles wat rondom ons is, afgrazen, zoals een rund het groen van het veld afgraast. Balak, de zoon van Zippor, was in die tijd koning van Moab.5Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, in Pethor, aan de rivier [de Eufraat], in het land van zijn volksgenoten, om hem bij zich te laten roepen: Zie, er is een volk uit Egypte getrokken; zie, het heeft het oppervlak van het land bedekt, en het blijft recht tegenover mij liggen.6Nu dan, kom toch, vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het verslaan en kan ik het uit het land verdrijven, want ik weet: wie u zegent, is gezegend, en wie u vervloekt, is vervloekt.). Ook hebben tijdens de woestijnreis van Israël Moabitische vrouwen de mannen van Israël verleid (Nm 31:15-1715En Mozes zei tegen hen: Hebt u alle vrouwen laten leven?16Zie, zíj waren door de raad van Bileam voor de Israëlieten de aanleiding tot trouwbreuk tegen de HEERE, in het geval van Peor, waardoor de plaag kwam onder de gemeenschap van de HEERE.17Nu dan, dood al wie mannelijk is onder de kleine kinderen, en dood elke vrouw die gemeenschap met een man heeft gehad door met een man te slapen.). In de tijd van de richters heeft Moab Israël achttien jaar lang onderdrukt (Ri 3:12-1412Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen maakte de HEERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat slecht was in de ogen van de HEERE.13En hij verzamelde de Ammonieten en de Amalekieten bij zich en ging [op weg]. Hij versloeg Israël en zij namen de Palmstad in bezit.14En de Israëlieten dienden Eglon, de koning van Moab, achttien jaar.).

In hun verwantschap met Gods volk stelt Moab christenen voor die met de mond belijden dat zij christen zijn, maar zich niet hebben bekeerd en geen leven uit God hebben. Zulke christenen, ook wel naamchristenen genoemd, zullen altijd de ware christen vervolgen (vgl. Gl 4:2929Maar zoals destijds hij die naar [het] vlees geboren was, hem vervolgde die naar [de] Geest was, zo ook nu.), hoewel ze zich soms vriendelijk kunnen voordoen.

De beschrijving van “de last over Moab” heeft in poëtisch opzicht een bijzondere stijl. De geïnspireerde dichter-profeet stelt ons in beeldende taal het oordeel over Moab voor, waarbij hij in zijn beeldende taal vaak in hele korte zinnen de situatie schetst. Daarbij beschrijft hij niet alleen de situatie op een manier dat we die als het ware met onze ogen waarnemen, maar hij spreekt ook onze gevoelens aan. Het hart van de lezer wordt diep getroffen door het angstige gehuil van hen die beroofd en op de vlucht zijn.

We worden herinnerd aan de rechtvaardigheid van het oordeel. De Godvrezende moet altijd aan de kant van God staan als Hij Zijn oordelen in gerechtigheid uitoefent. De lezer wordt echter niet verboden om te rouwen over de gevolgen van de zonden van de mensen. We zien hier dan ook dat de geïnspireerde bladzijde nat is van de tranen van de profeet. Jeremia huilt over Juda (Jr 9:11Och, was mijn hoofd [maar] water
en mijn oog een bron van tranen,
ik zou dag en nacht wenen
over de gesneuvelden bij de dochter van mijn volk.
)
, maar Jesaja over Moab! De reden ervan is dat het gelovig overblijfsel van Israël tijdens de grote verdrukking zal vluchten naar Moab (Js 16:44Laat onder u
Mijn verdrevenen verblijven, Moab;
wees voor hen een schuilplaats
tegen de verwoester.
Als de onderdrukker omgekomen is,
[als] het gedaan is met de verwoesting,
[als] de vertrappers weggevaagd zijn van de aarde,
)
.

De profetie over Moab bestaat uit drie delen, met een opschrift (Js 15:11De last over Moab.
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Ar-Moab is uitgeroeid!
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Kir-Moab is uitgeroeid!
)
en een naschrift (Js 16:13-1413Dit is het woord dat de HEERE destijds over Moab gesproken heeft.14Maar nu spreekt de HEERE: Binnen drie jaar, [gerekend] naar de jaren van een dagloner, zal de luister van Moab geminacht worden, [samen] met de grote [mensen]menigte. Het overblijfsel zal klein [en] gering zijn, en niet veel [betekenen].). Het eerste deel (Js 15:1-91De last over Moab.
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Ar-Moab is uitgeroeid!
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Kir-Moab is uitgeroeid!2Men gaat op naar Baïth en Dibon,
[naar] de hoogten om te wenen.
Over Nebo en over Medeba
zal Moab weeklagen.
Alle hoofden zijn kaal[geschoren],
elke baard is afgesneden.
3Op zijn straten zijn zij met een rouwgewaad omgord.
Op hun daken
en op hun pleinen is het een en al geweeklaag,
ze dalen in tranen af.
4Zowel Hesbon als Eleale schreeuwt het uit,
hun stem wordt gehoord tot in Jahaz toe.
Daarom slaan de gewapende mannen van Moab alarm,
zijn ziel siddert in hem.5– Mijn hart schreeuwt het uit om Moab –
Zijn vluchtelingen zijn al bij Zoar, Eglath Selisia.
Ja, de weg omhoog naar Luhith
gaan zij op met geween.
Ja, op de weg naar Horonaïm
heffen zij een noodgeschrei aan.
6Voorzeker, de wateren van Nimrim
worden een woestenij,
want het gras is verdord, de grasscheutjes zijn vergaan,
groen is er niet [meer].
7Daarom zullen zij de overvloed van wat zij hebben vergaard en gespaard,
over de Wilgenbeek brengen.
8Voorzeker, het geschreeuw doorkruist
het gebied van Moab,
zijn gejammer tot Eglaïm toe,
zijn gejammer tot Beër-Elim toe.
9Voorzeker, de wateren van Dimon zijn vol bloed.
Ja, Ik zal over Dimon nog meer teweegbrengen:
een leeuw over de ontkomenen van Moab,
en over het overblijfsel van het land.
)
en derde deel (Js 16:6-126Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;
zijn holle praat is niet gepast!
7Daarom zal Moab over Moab weeklagen,
allen zullen zij weeklagen.
Aan de rozijnenkoeken van Kir-Hareseth
zult u [zuchtend] terugdenken, volkomen verslagen.
8Want de velden van Hesbon zijn verkommerd,
de wijnstok van Sibma.
De heersers van de heidenvolken
hebben zijn edele druivenplanten platgeslagen.
Zij reikten tot Jaëzer,
zij verdwaalden [in] de woestijn.
Zijn ranken verspreidden zich
en hingen tot over de zee.
9Daarom zal ik bij het wenen over Jaëzer
de wijnstok van Sibma bewenen.
Ik maak u doornat met mijn tranen,
Hesbon en Eleale,
want over uw zomervruchten en over uw oogst
is de vreugderoep [weg]gevallen.
10Zo zijn blijdschap en vreugde weggenomen van het vruchtbare veld,
en in de wijngaarden wordt niet [meer] gezongen, geen juichkreet [meer] geslaakt.
De [druiven]treder perst geen wijn meer in de perskuipen.
Ik heb de vreugderoep doen ophouden.
11Daarom klagen mijn ingewanden om Moab als een harp,
en mijn binnenste om Kir-Heres.
12En gebeurt het dat Moab verschijnt
en zich op de hoogte vermoeit
en naar zijn heiligdom komt om te bidden,
dan zal het niets bereiken.
)
vormen een klaaglied over Moab; het middelste tweede deel is een oproep aan Moab en, tot onze verrassing, ook aan Juda.


Verwoesting van Moab

1De last over Moab.
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Ar-Moab is uitgeroeid!
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Kir-Moab is uitgeroeid!

Zoals steeds in de profetie stelt Jesaja een gebeurtenis die in de toekomst zal plaatsvinden, voor alsof die in het heden plaatsvindt. Hij ziet hoe in de nacht Moab is verwoest, ongezien, plotseling en snel (vers 11De last over Moab.
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Ar-Moab is uitgeroeid!
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Kir-Moab is uitgeroeid!
)
. “Ar-Moab” is de hoofdstad van Moab; “Kir-Moab” is de burcht vlak bij deze stad. Beide hebben geen enkele bescherming kunnen bieden, maar worden in één nacht verwoest.

De vijand is Assyrië die zowel in de dagen van Jesaja als in de verre toekomst Moab zal verwoesten. Na Filistea is Moab aan de beurt om door de invasie van de koning van het noorden verdelgd te worden.


Moab in rouw gedompeld

2Men gaat op naar Baïth en Dibon,
[naar] de hoogten om te wenen.
Over Nebo en over Medeba
zal Moab weeklagen.
Alle hoofden zijn kaal[geschoren],
elke baard is afgesneden.
3Op zijn straten zijn zij met een rouwgewaad omgord.
Op hun daken
en op hun pleinen is het een en al geweeklaag,
ze dalen in tranen af.
4Zowel Hesbon als Eleale schreeuwt het uit,
hun stem wordt gehoord tot in Jahaz toe.
Daarom slaan de gewapende mannen van Moab alarm,
zijn ziel siddert in hem.

Om hulp te zoeken bij de goden gaan de Moabieten naar de hoogten, naar hun afgodstempel (vers 2a2Men gaat op naar Baïth en Dibon,
[naar] de hoogten om te wenen.
Over Nebo en over Medeba
zal Moab weeklagen.
Alle hoofden zijn kaal[geschoren],
elke baard is afgesneden.
)
. “Baïth” betekent huis, in dit geval tempel, het huis van de goden. Daar weeklagen ze over de gevallen steden Nebo en Medeba. Ze uiten hun rouw over de volksramp niet alleen met hun mond door te weeklagen, maar ook door uiterlijke tekenen als het kaalscheren van het hoofd en het afscheren van de baard (vers 2b2Men gaat op naar Baïth en Dibon,
[naar] de hoogten om te wenen.
Over Nebo en over Medeba
zal Moab weeklagen.
Alle hoofden zijn kaal[geschoren],
elke baard is afgesneden.
)
. Deze rouwgebruiken zijn algemeen, “alle hoofden” en “elke baard”. Ook hun kleding laat hun rouw zien (vers 33Op zijn straten zijn zij met een rouwgewaad omgord.
Op hun daken
en op hun pleinen is het een en al geweeklaag,
ze dalen in tranen af.
)
. Op alle plaatsen, op straat, op het dak, op het plein, overal is hun rouw te zien en te horen.

Het bezoek aan de afgoden op de hoogten (vers 22Men gaat op naar Baïth en Dibon,
[naar] de hoogten om te wenen.
Over Nebo en over Medeba
zal Moab weeklagen.
Alle hoofden zijn kaal[geschoren],
elke baard is afgesneden.
)
heeft geen enkele verlichting van hun smart opgeleverd, want “ze dalen in tranen af” (vers 3b3Op zijn straten zijn zij met een rouwgewaad omgord.
Op hun daken
en op hun pleinen is het een en al geweeklaag,
ze dalen in tranen af.
)
. In steden als Hesbon en Eleale schreeuwt men het uit (vers 44Zowel Hesbon als Eleale schreeuwt het uit,
hun stem wordt gehoord tot in Jahaz toe.
Daarom slaan de gewapende mannen van Moab alarm,
zijn ziel siddert in hem.
)
. Het geschreeuw wordt tot in het in de verte gelegen Jahaz gehoord. Heel Moab siddert en zelfs de strijders zijn met angst vervuld en hebben geen moed om te strijden.


Op de vlucht

5– Mijn hart schreeuwt het uit om Moab –
Zijn vluchtelingen zijn al bij Zoar, Eglath Selisia.
Ja, de weg omhoog naar Luhith
gaan zij op met geween.
Ja, op de weg naar Horonaïm
heffen zij een noodgeschrei aan.
6Voorzeker, de wateren van Nimrim
worden een woestenij,
want het gras is verdord, de grasscheutjes zijn vergaan,
groen is er niet [meer].
7Daarom zullen zij de overvloed van wat zij hebben vergaard en gespaard,
over de Wilgenbeek brengen.
8Voorzeker, het geschreeuw doorkruist
het gebied van Moab,
zijn gejammer tot Eglaïm toe,
zijn gejammer tot Beër-Elim toe.
9Voorzeker, de wateren van Dimon zijn vol bloed.
Ja, Ik zal over Dimon nog meer teweegbrengen:
een leeuw over de ontkomenen van Moab,
en over het overblijfsel van het land.

Jesaja treurt intens over de ondergang van Moab (vers 55– Mijn hart schreeuwt het uit om Moab –
Zijn vluchtelingen zijn al bij Zoar, Eglath Selisia.
Ja, de weg omhoog naar Luhith
gaan zij op met geween.
Ja, op de weg naar Horonaïm
heffen zij een noodgeschrei aan.
)
. Zijn hart schreeuwt het uit. Hier zien we dat een profetie waarin oordeel over een vijandig volk wordt voorzegd, de gevoelens van de profeet diep raakt (Js 16:99Daarom zal ik bij het wenen over Jaëzer
de wijnstok van Sibma bewenen.
Ik maak u doornat met mijn tranen,
Hesbon en Eleale,
want over uw zomervruchten en over uw oogst
is de vreugderoep [weg]gevallen.
; 21:3,43Daarom zijn
mijn lendenen vol pijnscheuten.
Weeën hebben mij aangegrepen
als de weeën van een barende vrouw.
Ik krimp ineen bij het horen,
ik ben verschrikt bij het zien.
4Mijn hart slaat over,
huiver en angst overvallen mij.
 De [avond]schemering, waar ik [anders] zo naar verlang,
maakt Hij voor mij tot een verschrikking.
; 22:44Daarom zeg ik: Wend [uw] blik van mij af,
laat mij bitter wenen;
dring niet aan om mij te troosten
over de verwoesting van de dochter van mijn volk.
; vgl. Jr 9:11Och, was mijn hoofd [maar] water
en mijn oog een bron van tranen,
ik zou dag en nacht wenen
over de gesneuvelden bij de dochter van mijn volk.
)
. Net als God heeft Jesaja geen welgevallen in de dood van de goddeloze (Ez 18:23,3223Zou Ik werkelijk behagen scheppen in de dood van de goddeloze? spreekt de Heere HEERE. Is het niet, wanneer hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij zal leven?32Ik schep immers geen behagen in de dood van een stervende, spreekt de Heere HEERE, dus bekeer u en leef!).

Het uitspreken van een boodschap namens God is geen mechanische zaak. De dienaar die de boodschap uitspreekt, is er ten volle bij betrokken. Het bijzondere is hier dat het om een heidens volk gaat. Jesaja wordt aangegrepen door medelijden met wat dit volk overkomt. Als wij een boodschap van oordeel moeten doorgeven, hetzij in het evangelie, hetzij voor Gods volk, mag dat niet gevoelloos gebeuren.

In de verzen 5-95– Mijn hart schreeuwt het uit om Moab –
Zijn vluchtelingen zijn al bij Zoar, Eglath Selisia.
Ja, de weg omhoog naar Luhith
gaan zij op met geween.
Ja, op de weg naar Horonaïm
heffen zij een noodgeschrei aan.
6Voorzeker, de wateren van Nimrim
worden een woestenij,
want het gras is verdord, de grasscheutjes zijn vergaan,
groen is er niet [meer].
7Daarom zullen zij de overvloed van wat zij hebben vergaard en gespaard,
over de Wilgenbeek brengen.
8Voorzeker, het geschreeuw doorkruist
het gebied van Moab,
zijn gejammer tot Eglaïm toe,
zijn gejammer tot Beër-Elim toe.
9Voorzeker, de wateren van Dimon zijn vol bloed.
Ja, Ik zal over Dimon nog meer teweegbrengen:
een leeuw over de ontkomenen van Moab,
en over het overblijfsel van het land.
beschrijft Jesaja de vlucht van Moab voor de vijand. “Zoar” is een sterkte in het zuiden. De toevoeging “Eglath Selisia”, een bekende plaats (Jr 48:3434Vanwege het geschreeuw van Hesbon, [te horen] tot aan Eleale, tot aan Jahaz, laten zij hun stem klinken, van Zoar tot aan Horonaïm, Eglath Selisia. Want zelfs de wateren van Nimrim worden tot woestenijen.
)
, wordt ook wel vertaald weergegeven met ‘driejarige vaars’ (Statenvertaling). Dan is het beeld dat Moab een os in de kracht van zijn leven is die nog niet onder een juk is geweest. Naar deze nog niet veroverde sterkte nemen de vluchtelingen van Moab hun toevlucht voor de vijand uit het noorden.

Dan volgt Jesaja in de geest de vluchtelingen. Ze worden door de vijand opgejaagd naar het zuiden. Eerst hebben ze de helling beklommen naar Luhith in het midden van het land. Daarna zijn ze weer afgedaald naar Horonaïm, al jammerend over de ondergang van het land.

De vijand heeft alles verwoest onder andere door de wateren van Nimrim te dempen met als gevolg dat er niets meer groeit (vers 66Voorzeker, de wateren van Nimrim
worden een woestenij,
want het gras is verdord, de grasscheutjes zijn vergaan,
groen is er niet [meer].
)
. Ook hebben ze in hun opmars niets gespaard, maar alles met hun voeten vertrapt. De weinige bezittingen die de Moabieten hebben kunnen meenemen, dragen ze over de Wilgenbeek (vers 77Daarom zullen zij de overvloed van wat zij hebben vergaard en gespaard,
over de Wilgenbeek brengen.
)
om hun toevlucht te nemen tot het gebied van Edom.

Overal in Moab is er luid en wanhopig gejammer (vers 88Voorzeker, het geschreeuw doorkruist
het gebied van Moab,
zijn gejammer tot Eglaïm toe,
zijn gejammer tot Beër-Elim toe.
)
. Het geschreeuw van de Moabieten doorkruist het hele land. Van Eglaïm tot Beër Elim betekent van het uiterste noorden van Moab tot het uiterste zuiden, net als in Israël van Dan tot Berseba (Ri 20:11Toen trokken alle Israëlieten uit en de gemeenschap verzamelde zich als één man, vanaf Dan tot Berseba, ook het land van Gilead, bij de HEERE in Mizpa.). Er is geen plek waar het niet doordringt.

En hoeveel bloed er ook al is gevloeid, het zal nog erger worden (vers 99Voorzeker, de wateren van Dimon zijn vol bloed.
Ja, Ik zal over Dimon nog meer teweegbrengen:
een leeuw over de ontkomenen van Moab,
en over het overblijfsel van het land.
)
. Om dit te illustreren verandert de profeet de naam van de stad Dibon in Dimon, een woord dat verwant is aan het woord bloed. In het Hebreeuws luidt het dan: ‘De bloedstad is vol van bloed.’ Ook de vluchtelingen die een overblijfsel zijn, zullen niet ontkomen aan het oordeel dat de HEERE over hen heeft besloten en uitvoert.


Lees verder