Jesaja
1 De HEERE ontfermt Zich over Jakob 2-8 De rollen omgekeerd 9-21 De val van de satan 22-23 Het definitieve oordeel over Babel 24-27 Profetie over Assyrië 28-32 Profetie over de Filistijnen
De HEERE ontfermt Zich over Jakob

1Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen en Hij zal Israël nog verkiezen. Hij zal hen neerzetten op hun [eigen] grond. De vreemdeling zal zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen.

Zoals aan het einde van het vorige hoofdstuk is gezegd, geeft het woord “want”, waarmee vers 11Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen en Hij zal Israël nog verkiezen. Hij zal hen neerzetten op hun [eigen] grond. De vreemdeling zal zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen. begint, aan dat het onderwerp van het vorige hoofdstuk wordt voortgezet en uitgelegd. Nu wordt de reden gegeven van het oordeel over de heidense heerser dat in het vorige hoofdstuk wordt beschreven. Die reden is dat de HEERE Zich over Jakob, de twaalf stammen, zal ontfermen en Zijn verkiezing van Israël, de twaalf stammen, zal waarmaken. Het oordeel over de heidense volken zal Zijn volk laten zien dat Hij aan hun kant staat.

De voorvervulling ten tijde van Zerubbabel geldt slechts het tweestammenrijk. De volle vervulling in de toekomst geldt de twaalf stammen van Israël. Ten tijde van Zerubbabel blijft Juda onder het gezag van de volken. In de toekomst zal Israël gezag krijgen over de volken (Js 14:22De volken zullen hen nemen en naar hun [woon]plaats brengen. Het huis van Israël zal hen in erfelijk bezit nemen als slaven en slavinnen in het land van de HEERE. Zo zullen zij gevangen houden wie hen gevangen hielden en heersen over hun onderdrukkers.).

Er zijn in dit verband vier aspecten te onderscheiden:
1. Oordeel over Israël: De heidense heerser is door de HEERE gebruikt om Zijn volk te tuchtigen omdat Zijn volk eigenwillig en opstandig is geworden.
2. Oordeel over de volken: De arrogantie en buitensporige wreedheid van de heidense volken in hun optreden noodzaken Hem Zijn oordeel over deze volken te brengen als zij hun taak als tuchtroede voor Israël hebben volbracht.
3. Zegen over Israël: De beloften aan de vaderen gedaan, moeten worden vervuld. Dit betekent dat er een herstel van Israël moet plaatsvinden.
4. Zegen over de volken: Als het herstel van Israël heeft plaatsgevonden, zal dit herstelde Israël het instrument zijn waardoor God de heidenvolken zal zegenen.

Zoals de val van Babel een gedeeltelijke zegen voor Juda betekent – Kores geeft hun immers toestemming terug te keren naar het land van de vaderen (Ea 1:1-31In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].) – zo zal het door de Heer Jezus uitgeoefende oordeel over Babel in de eindtijd de volle zegen voor het hele volk tot gevolg hebben. Als het loflied over de val van Babylon wordt gezongen (Op 19:1-61Hierna hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja! De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God!2Want waarachtig en rechtvaardig zijn Zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde heeft verdorven met haar hoererij, en Hij heeft het bloed van Zijn slaven van haar hand gewroken.3En voor de tweede maal zeiden zij: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheid.4En de vierentwintig oudsten en de vier levende wezens vielen neer en aanbaden God Die op de troon zat en zeiden: Amen, halleluja!5En van de troon ging een stem uit die zei: Prijst onze God, al Zijn slaven, <en> u die Hem vreest, kleinen en groten!6En ik hoorde als een stem van een grote menigte en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, die zeiden: Halleluja! Want [de] Heer, <onze> God, de Almachtige, heeft Zijn koningschap aanvaard.), zal direct daarna de bruiloft van het Lam worden gevierd (Op 19:7-97Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt;8en haar is gegeven bekleed te zijn met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.9En hij zei tegen mij: Schrijf: gelukkig zij die geroepen zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam. En hij zei tegen mij: Dit zijn de waarachtige woorden van God.). Direct na de bruiloft keert Christus naar de aarde terug (Op 19:1111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.) om op Zijn troon in Jeruzalem plaats te nemen en Zijn volk, en de aarde, in zegen te gaan besturen.

Samengevat laat vers 11Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen en Hij zal Israël nog verkiezen. Hij zal hen neerzetten op hun [eigen] grond. De vreemdeling zal zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen. op viervoudige wijze zien welke plannen van zegen de HEERE voor Israël heeft bedacht:
1. Hij ontfermt Zich erover en
2. maakt Zijn verkiezing waar,
3. Hij vestigt hen in hun eigen, door Hem aan hen gegeven land en
4. als vreemdelingen de zegen daarvan zien, zullen ze deel van dat gezegende volk willen uitmaken. Deze vreemdelingen wonen te midden van de Israëlieten en zullen zich, net als eens een Rachab en een Ruth, vrijwillig voegen bij het huis van Jakob.


De rollen omgekeerd

2De volken zullen hen nemen en naar hun [woon]plaats brengen. Het huis van Israël zal hen in erfelijk bezit nemen als slaven en slavinnen in het land van de HEERE. Zo zullen zij gevangen houden wie hen gevangen hielden en heersen over hun onderdrukkers. 3En het zal geschieden op de dag waarop de HEERE u rust zal geven van uw smart, uw onrust en de harde slavenarbeid die men u heeft doen verrichten, 4dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen:
Hoe houdt de onderdrukker op;
opgehouden is de onderdrukking!
5De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken,
de staf van de heersers,
6die volken sloeg in verbolgenheid
[met] slagen zonder ophouden,
die in toorn over de heidenvolken heerste
[met] een vervolging zonder inhouding.
7[Nu] komt heel de aarde tot rust [en] stilte.
Men breekt uit in gejuich.
8Zelfs de cipressen verblijden zich over u.
De ceders van de Libanon [zeggen]:
Sinds u daar geveld ligt, klimt niemand omhoog
om ons om te hakken.

God zal, om Zijn voornemen ten aanzien van Zijn volk uit te voeren, de volken gebruiken om Zijn volk naar hun woonplaats te brengen (vers 22De volken zullen hen nemen en naar hun [woon]plaats brengen. Het huis van Israël zal hen in erfelijk bezit nemen als slaven en slavinnen in het land van de HEERE. Zo zullen zij gevangen houden wie hen gevangen hielden en heersen over hun onderdrukkers.). Het is duidelijk dat wat hier wordt gezegd, niet is gebeurd in de dagen van Ezra en Nehemia, wanneer een klein overblijfsel uit Babel terugkeert naar Jeruzalem. Dat is een gedeeltelijke terugkeer, waarbij het teruggekeerde overblijfsel nog onder de macht van de volken blijft (Ea 9:99Want wij zijn [wel] slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten, maar heeft Hij ons goedertierenheid bewezen bij de koningen van Perzië, door ons [enige] opleving te geven om het huis van onze God te doen herrijzen en om de ruïnes ervan te herstellen, door ons een omheining te geven in Juda en in Jeruzalem.; Ne 9:3636Zie, vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten, zie, wij zijn slaven daarin.).

Het herstel dat plaatsvindt in de eindtijd, geschiedt in twee stappen. Eerst hebben we de terugkeer van de twee stammen die nu tweeduizend jaar geleden Christus hebben verworpen en door de grote verdrukking zullen gaan. De twee stammen zullen hersteld worden na de tuchtiging door de koning van het noorden en door de verschijning van Christus. Daarna zullen de verloren tien stammen (Dt 28:2525De HEERE zal geven dat u door uw vijanden verslagen wordt; over één weg zult u tegen hen uittrekken, maar over zeven wegen zult u voor hem wegvluchten. U zult een schrikbeeld worden voor alle koninkrijken van de aarde.; 32:2626Ik zei: Ik zal hen naar alle kanten verspreiden,
Ik zal de gedachtenis aan hen onder de stervelingen doen ophouden,
)
terugkeren naar het land Israël en hersteld worden (Ez 37:2121En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.). De volken zullen alles doen om deze tien stammen in korte tijd terug te brengen naar het land Israël.

We zien dat wie van de vroegere verdrukkers na Gods oordeel over hen is overgebleven, “slaven en slavinnen” van de Israëlieten zullen worden. De rollen zijn omgekeerd. De verdrukten zijn nu de heersers en zij die hebben geheerst, zijn nu de gevangenen (vgl. 2Th 1:6-76daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden,7en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,).

De vreugde over de val van het harde regime is groot. Groot is ook de bespotting die over de eens zo machtige koning van Babel komt (verzen 3-43En het zal geschieden op de dag waarop de HEERE u rust zal geven van uw smart, uw onrust en de harde slavenarbeid die men u heeft doen verrichten,4dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen:
Hoe houdt de onderdrukker op;
opgehouden is de onderdrukking!
)
. In het verleden herkennen we deze koning in de persoon van Belsazar (Dn 5:11Koning Belsazar richtte een groot feestmaal aan voor zijn duizend machthebbers, en in tegenwoordigheid van die duizend dronk hij wijn.), maar profetisch zien we in hem de toekomstige heerser van Europa, aangeduid als het beest uit de zee (Op 13:11En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.) en de kleine hoorn (Dn 7:8,20,248Terwijl ik op de horens lette, zie, een andere, kleine, horen rees daartussen op. Drie van de eerdere horens werden voor hem uitgerukt. En zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.20en van de tien horens die op zijn kop zaten en van die andere, die oprees en waarvoor er drie afgevallen waren, namelijk die horen die ogen had en een mond vol grootspraak en waarvan de verschijning groter was dan zijn metgezellen.24En de tien horens [duiden aan dat]
uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan,
en na hen zal een ander opstaan.
Die zal verschillen van die er eerder geweest waren.
Drie koningen zal hij vernederen.
)
. We moeten deze persoon, hier aangeduid als de onderdrukker vanwege zijn aandeel in de vervolging van het gelovig overblijfsel, goed onderscheiden van de antichrist, de goddeloze koning van Israël, het beest uit de aarde (Op 13:1111En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.).

Jesaja zet aan tot het aanheffen van een spotlied, waardoor de herinnering aan de ondergang van de koning van Babel levend wordt gehouden. Dit spotlied (vers 44dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen:
Hoe houdt de onderdrukker op;
opgehouden is de onderdrukking!
)
bestaat uit vier coupletten:
op aarde: opluchting (verzen 4-84dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen:
Hoe houdt de onderdrukker op;
opgehouden is de onderdrukking!
5De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken,
de staf van de heersers,
6die volken sloeg in verbolgenheid
[met] slagen zonder ophouden,
die in toorn over de heidenvolken heerste
[met] een vervolging zonder inhouding.
7[Nu] komt heel de aarde tot rust [en] stilte.
Men breekt uit in gejuich.
8Zelfs de cipressen verblijden zich over u.
De ceders van de Libanon [zeggen]:
Sinds u daar geveld ligt, klimt niemand omhoog
om ons om te hakken.
)
;
in het dodenrijk (sheol): verbazing (verzen 9-119Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering,
om [u] tegemoet te gaan, wanneer u zou komen.
Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker,
al de leiders van de aarde.
Het laat van hun tronen opstaan
al de koningen van de volken.
10Zij zullen allemaal het woord nemen
en zeggen tegen u:
Ook u bent [nu] zo zwak geworden als wij,
u bent aan ons gelijk geworden!
11Uw trots ligt neergeworpen in het graf,
[met] de klank van uw luiten.
Onder u is [een bed van] maden gespreid,
en wormen zijn uw deken.
)
;
in de hemel: de uitverwerping van de satan (de macht achter Babel) (verzen 12-1512Hoe bent u uit de hemel gevallen,
morgenster, zoon van de dageraad!
U ligt geveld op de aarde,
overwinnaar over de heidenvolken!
13En ú zei in uw hart:
Ik zal opstijgen naar de hemel;
tot boven Gods sterren
zal ik mijn troon verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting
aan de noordzijde.
14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.
15Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort,
in het diepst van de kuil!
)
;
op aarde: oordeel (verzen 16-2116Wie u zien, kijken u aan
[en] letten op u:
Is dit [nu] die man die de aarde deed sidderen,
die koninkrijken deed beven,
17die van de wereld een woestijn maakte,
haar steden met de grond gelijkmaakte,
zijn gevangenen niet losliet [om] naar huis [te gaan]?
18Alle koningen van de heidenvolken,
allen rusten zij in ere,
ieder in zijn huis.
19Maar ú bent weggeworpen, [ver] van uw graf,
als een verafschuwde loot
bedolven onder gedoden, die met het zwaard zijn doorstoken
[en] neergedaald in een steengroeve;
[u bent] als een lijk dat is vertrapt.
20U zult in het graf niet met hen verenigd worden,
want u hebt uw land te gronde gericht
en uw volk gedood.
Voor eeuwig zal niet [meer] genoemd worden
het nageslacht van de kwaaddoeners.
21Maak de slachtbank voor zijn kinderen gereed
vanwege de ongerechtigheid van hun vaders,
zodat zij niet [meer] opstaan, de aarde in bezit nemen
en het wereldoppervlak vullen met steden.
)
.

Deze omkering van zaken is aan de HEERE te danken (vers 55De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken,
de staf van de heersers,
)
. Hij heeft die bewerkt, want Hij heeft “de stok van de goddelozen gebroken, de staf van de heersers”. De reden is dat deze tuchtroede geen maat heeft weten te houden en onophoudelijk heeft geslagen en vervolgd (vers 66die volken sloeg in verbolgenheid
[met] slagen zonder ophouden,
die in toorn over de heidenvolken heerste
[met] een vervolging zonder inhouding.
)
. Hij is in zijn verbolgenheid en zijn drang naar verwoesting verdergegaan dan de HEERE wilde en is een gesel voor de volken geworden. Als zijn juk verbroken is, heeft de aarde rust en is er alom blijdschap; het gejuich barst los (vers 77[Nu] komt heel de aarde tot rust [en] stilte.
Men breekt uit in gejuich.
)
.

Zelfs de bomen halen als het ware opgelucht adem (vers 88Zelfs de cipressen verblijden zich over u.
De ceders van de Libanon [zeggen]:
Sinds u daar geveld ligt, klimt niemand omhoog
om ons om te hakken.
)
. De Babyloniërs hadden grote delen woud van de Libanon omgekapt, want het hout konden ze overal voor gebruiken. Nu liggen ze zelf geveld neer, onmachtig om de Libanon te beklimmen en bomen om te hakken.


De val van de satan

9Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering,
om [u] tegemoet te gaan, wanneer u zou komen.
Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker,
al de leiders van de aarde.
Het laat van hun tronen opstaan
al de koningen van de volken.
10Zij zullen allemaal het woord nemen
en zeggen tegen u:
Ook u bent [nu] zo zwak geworden als wij,
u bent aan ons gelijk geworden!
11Uw trots ligt neergeworpen in het graf,
[met] de klank van uw luiten.
Onder u is [een bed van] maden gespreid,
en wormen zijn uw deken.
12Hoe bent u uit de hemel gevallen,
morgenster, zoon van de dageraad!
U ligt geveld op de aarde,
overwinnaar over de heidenvolken!
13En ú zei in uw hart:
Ik zal opstijgen naar de hemel;
tot boven Gods sterren
zal ik mijn troon verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting
aan de noordzijde.
14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.
15Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort,
in het diepst van de kuil!
16Wie u zien, kijken u aan
[en] letten op u:
Is dit [nu] die man die de aarde deed sidderen,
die koninkrijken deed beven,
17die van de wereld een woestijn maakte,
haar steden met de grond gelijkmaakte,
zijn gevangenen niet losliet [om] naar huis [te gaan]?
18Alle koningen van de heidenvolken,
allen rusten zij in ere,
ieder in zijn huis.
19Maar ú bent weggeworpen, [ver] van uw graf,
als een verafschuwde loot
bedolven onder gedoden, die met het zwaard zijn doorstoken
[en] neergedaald in een steengroeve;
[u bent] als een lijk dat is vertrapt.
20U zult in het graf niet met hen verenigd worden,
want u hebt uw land te gronde gericht
en uw volk gedood.
Voor eeuwig zal niet [meer] genoemd worden
het nageslacht van de kwaaddoeners.
21Maak de slachtbank voor zijn kinderen gereed
vanwege de ongerechtigheid van hun vaders,
zodat zij niet [meer] opstaan, de aarde in bezit nemen
en het wereldoppervlak vullen met steden.

Dan ontvouwt zich een nieuw tafereel over de definitieve val van Babel. De geesten van de gedode heersers en bevolking van Babel zien we in “het rijk van de dood” (Hebr. sheol, vers 99Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering,
om [u] tegemoet te gaan, wanneer u zou komen.
Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker,
al de leiders van de aarde.
Het laat van hun tronen opstaan
al de koningen van de volken.
). De sheol (Gr. hades, Lk 16:2323De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.) is de plaats waar de geesten van alle gestorvenen heen gaan. Hier betreft het de geesten van hen die verloren zijn. Het is niet de hel (gehenna), maar het dodenrijk.

Zij die daar al zijn, begroeten de nieuwkomer. Er ontstaat beroering als zij zien wie de nieuwkomer is. Ze stoten elkaar aan en wijzen elkaar op hem die daar komt. Tegen de nieuweling wordt gezegd dat hij werd verwacht. Wie in het dodenrijk zijn, weten waarom ze daar zijn en zijn zich er ook van bewust dat allen die zo hebben geleefd als zij, er ook zullen komen. Koningen staan van hun tronen op. In hun verbeelding zijn ze nog steeds heersers. Op aarde zouden ze uit vrees en om te vleien van hun tronen zijn opgestaan, nu doen ze dat spottend.

Dit tafereel maakt duidelijk dat de zielen na de dood zich volledig bewust zijn van hun situatie. Er is een en al activiteit in het dodenrijk. Ze kunnen met elkaar spreken. Ook is er een levendige herinnering aan het leven op aarde (vgl. Lk 16:23-3123De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.24En hij riep de woorden: Vader Abraham, erbarm u over mij en zend Lazarus om de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.25Abraham echter zei: Kind, bedenk dat u het goede hebt ontvangen in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij hier vertroost, maar u lijdt smart.26En bij dat alles is er tussen ons en u een grote kloof gevestigd, zodat zij die van hier naar u willen overgaan, niet kunnen, en zij vandaar niet naar ons kunnen overkomen.27Hij echter zei: Ik bid u dan, vader, dat u hem zendt naar het huis van mijn vader, want ik heb vijf broers,28opdat hij ernstig tot hen kan getuigen, zodat ook zij niet komen in deze plaats van pijn.29Abraham echter zei: Zij hebben Mozes en de profeten; laten zij naar hen luisteren.30Hij echter zei: Nee, vader Abraham, maar als iemand van [de] doden naar hen toe gaat, zullen zij zich bekeren.31Hij echter zei tot hem: Als zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij, ook al stond iemand uit [de] doden op, zich niet laten overtuigen.). Er is geen enkele Schriftplaats die een onbewuste toestand of een zielenslaap leert of zelfs maar veronderstelt.

Er is bij hen die al in het dodenrijk zijn niet het respect voor de nieuwkomer dat er op aarde was. Zij honen de koning van Babel (vers 1010Zij zullen allemaal het woord nemen
en zeggen tegen u:
Ook u bent [nu] zo zwak geworden als wij,
u bent aan ons gelijk geworden!
)
zoals Israël dat eerder doet in een spotlied (vers 44dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen:
Hoe houdt de onderdrukker op;
opgehouden is de onderdrukking!
)
. Ze roepen door elkaar heen dat hij nu een van hen is. Hij staat niet meer boven hen. Van de kracht en trots van de koning van Babel is niets over. Hij is net zo zwak als zij.

Zijn pracht en praal zijn in het graf – niet ‘dodenrijk’, zoals in vers 1111Uw trots ligt neergeworpen in het graf,
[met] de klank van uw luiten.
Onder u is [een bed van] maden gespreid,
en wormen zijn uw deken.
staat – geworpen. Spottend wordt hij herinnerd aan de prachtige muziek die hij tijdens zijn leven genoot (Dn 3:55Op het moment dat u het geluid hoort van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, panfluit, en allerlei muziekinstrumenten, moet u neervallen en het gouden beeld aanbidden dat koning Nebukadnezar heeft opgericht.). Wat hij nu hoort, is het meedogenloze sarcasme van zijn lotgenoten. Op sarcastische wijze trekken zij een vergelijking tussen vroeger op aarde en nu in het dodenrijk. Op aarde lag hij op luxe rustbanken en kussens, terwijl hij zich bedekte met schitterende dekens en spreien. Dat is nu wel anders. Wormen zijn nu zijn bed en hij ligt onder een deken van maden.

Ze houden hem voor hoe hij zichzelf als god zag met zijn plaats in de hemel, maar dat hij daar nu uit is gevallen (vers 1212Hoe bent u uit de hemel gevallen,
morgenster, zoon van de dageraad!
U ligt geveld op de aarde,
overwinnaar over de heidenvolken!
)
. Het is uit met zijn hoogmoed. Hij, die zichzelf “morgenster, zoon van de dageraad” heeft genoemd, is ontluisterd. Hij is geveld, hij die zich de “overwinnaar over de heidenvolken” heeft genoemd.

Het woord “morgenster” komt van het Latijnse lucifer dat ‘lichtdrager’ betekent. In het Hebreeuws wordt het woord hillel gebruikt, dat zoveel als ‘glanzende’ of ‘lichtende’ betekent. Dat is ook precies de betekenis van het Hebreeuwse woord nahash waarmee de slang in de oorspronkelijke toestand na zijn schepping wordt aangeduid (Gn 3:11De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?). Hier in Jesaja wordt aan deze naam nog de betekenis ‘zoon van de dageraad’ toegevoegd. Dit is slechts een Hebreeuwse poëtische omschrijving voor “morgenster”. Zowel de ‘morgenster’ als de ‘zoon van de dageraad’ is een beschrijving van wat we nu kennen als de planeet Venus.

Als we de betekenissen samenvoegen, zien we tot onze verwondering ‘blinkende morgenster’ als oorspronkelijke naam van onze tegenstander. Het is een naam die twee keer in het boek Openbaring voor de Heer Jezus wordt gebruikt (Op 22:16,1716Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster.17En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.). Kan iemand anders dan Hij die titel dragen? De Zoon van God geeft aan elke titel die door de ontrouw van welk schepsel ook bevlekt is geworden een nieuwe waardigheid. Dat doet Hij door die titel Zelf aan te nemen en die op volkomen wijze te tonen en te ontvouwen.

Als de satan uit de hand van de Schepper is voortgekomen, is hij eerst de glanzende ster van de morgen. Hij is de aanvoerder van de “morgensterren” die “samen vrolijk juichten” (Jb 38:77toen de morgensterren samen vrolijk zongen,
en al de kinderen van God juichten?
)
bij de schepping van de aarde. De stralende morgen wordt echter spoedig door wolken verduisterd – door de val van de engelenvorst. Maar God zij geprezen dat een andere ‘blinkende morgenster’ eenmaal de dag van eeuwige rust en eeuwige heerlijkheid op grond van Zijn verlossingswerk zal invoeren. Dan zal Hij het lofgezang te midden van de Zijnen aanheffen (Ps 22:23b23Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
)
.

Het voorgaande maakt duidelijk dat, hoewel wat in dit vers 1212Hoe bent u uit de hemel gevallen,
morgenster, zoon van de dageraad!
U ligt geveld op de aarde,
overwinnaar over de heidenvolken!
staat in de eerste plaats geldt voor de koning van Babel, we daar bovenuit een beschrijving van de satan aantreffen (Lk 10:1818Hij nu zei tot hen: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen.; Op 12:99En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.). De aan hem oorspronkelijk verleende kenmerken van de Heer Jezus heeft hij voor zichzelf gebruikt. Dat heeft hem tot de satan gemaakt, dat ‘tegenstander’ betekent.

In de beschrijving van het oordeel over de koning van Tyrus (Ez 28:11-1911Het woord van de HEERE kwam tot mij:12Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus, en zeg tegen hem: Zo zegt de Heere HEERE:
U, toonbeeld van volkomenheid,
vol wijsheid en volmaakt van schoonheid,
13u was in Eden, de hof van God.
Allerlei edelgesteente was uw sieraad:
robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx
en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.
Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.
Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.
14U was een cherub die [zijn vleugels] beschermend uitspreidt.
[Daarvoor] heb Ik u aangesteld.
U was op Gods heilige berg,
u wandelde te midden van vurige stenen.
15Volmaakt was u in uw wegen,
vanaf de dag dat u geschapen werd,
totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd.
16Door de overvloed van uw handel
vulde men uw midden met geweld,
en ging u zondigen.
Daarom verbande Ik u van de berg van God,
en deed Ik u verdwijnen, beschermende cherub,
uit het midden van de vurige stenen.
17Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig,
u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister.
Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen,
opdat zij op u neer zouden zien.
18Vanwege de overvloed van uw ongerechtigheden door uw oneerlijke handel
ontheiligde u uw heiligdommen.
Daarom deed Ik een vuur uit uw midden oplaaien,
[en] dat verteerde u.
Ik maakte u tot [een hoop] as op de grond
voor de ogen van allen die naar u keken.
19Allen onder de volken die u kennen, zijn ontzet over u.
U bent een voorwerp van verschrikking geworden
en u zult niet [meer] bestaan tot in eeuwigheid.
)
zien we achter de macht van Tyrus dezelfde boze macht als hier achter de macht van Babel. Dat het hier verdergaat dan een beschrijving van de dood van de koning van Babel, blijkt ook uit het feit dat het beest van Openbaring 13 niet een gewone dood zoals hier sterft, maar levend in de poel van vuur geworpen wordt (Op 19:2020En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.).

De satan is de inspirator van deze koning, de grondlegger van Babel. Babel is door de satan tot zijn zetel gemaakt om van daaruit de wereld te verderven. De geest van Babel die tot het bouwen van de toren heeft aangezet (Gn 11:1-91Heel de aarde had één taal en eendere woorden.2En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.8Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.), herleeft in Nebukadnezar, de eerste koning van het wereldrijk Babel. Dat zal in nog meer bijzondere mate het geval zijn in zijn laatste vertegenwoordiger op wie deze profetie in zijn volheid betrekking heeft, het beest uit de zee (Op 13:1-101En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.).

Hoogmoed is dé zonde van de satan (verzen 13-1413En ú zei in uw hart:
Ik zal opstijgen naar de hemel;
tot boven Gods sterren
zal ik mijn troon verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting
aan de noordzijde.
14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.
; vgl. 1Tm 3:66geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.)
. Die zonde heeft zijn val veroorzaakt. Zijn hart heeft zich verheven. Wat hij in zijn hart heeft bedacht, was voor iedereen verborgen, maar niet voor God. Vijf keer lezen we in deze verzen zijn aanmatigende voornemen: “Ik zal.” Hij zag zichzelf als een rijzende ster die steeds hoger ging. Eerst naar de hemel om daar boven Gods sterren, dat zijn Zijn engelen, zijn troon te verheffen (vers 1313En ú zei in uw hart:
Ik zal opstijgen naar de hemel;
tot boven Gods sterren
zal ik mijn troon verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting
aan de noordzijde.
)
. Die verheffing diende als opstap naar nog hoger, “naar boven de wolkenhoogten” om zich daar gelijk te stellen met de Allerhoogste (vers 1414Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.
)
.

Babel tart God door als Hem te willen zijn en over de uiteinden van de aarde te willen regeren. Hij meent God te kunnen evenaren. Dat streven zal hopeloos falen en definitief gestraft worden. We zien duidelijk hoe achter het hoogmoedige voornemen van de koning van Babel om zich aan God gelijk te maken, dat van de duivel schuilgaat.

De satan heeft zichzelf verhoogd en is vernederd en zal nog meer worden vernederd. Het volkomen contrast hiermee zien we in de Heer Jezus. Hij is de Allerhoogste en Hij heeft Zichzelf vernederd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is verhoogd door God in de hemel en zal ook openlijk worden verhoogd op aarde (Fp 2:5-115<Want> laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,6Die in [de] gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn,7maar Zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend.8En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja, [tot de] kruisdood.9Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,10opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.). In de weg van de duivel en in die van de Heer Jezus zien we de volle waarheid van de woorden van de Heer Jezus: Want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd; en die zichzelf vernedert, zal worden verhoogd” (Lk 14:1111Want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd; en die zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.).

Het lot van de koning van Babel is de sheol, “het rijk van de dood”, waar alles eeuwig ellende en jammer is (vers 1515Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort,
in het diepst van de kuil!
)
. In plaats van op te stijgen boven de hoogste wolken, ligt hij “in het diepst van de kuil”, het graf. Met “wie u zien” (vers 1616Wie u zien, kijken u aan
[en] letten op u:
Is dit [nu] die man die de aarde deed sidderen,
die koninkrijken deed beven,
)
worden niet de geesten in het dodenrijk bedoeld, maar de mensen op aarde. Zij uiten hun verbazing over de val van de tiran. Het lijkt alsof ze hun ogen niet kunnen geloven dat deze ellendige de man is voor wie de hele wereld beefde van angst. Is dat de man die alles onder de voet liep en afbrak en iedereen in een ijzeren greep gevangenhield (vers 1717die van de wereld een woestijn maakte,
haar steden met de grond gelijkmaakte,
zijn gevangenen niet losliet [om] naar huis [te gaan]?
)
?

Andere koningen hebben een eerbare begrafenis gehad en rusten in een eigen graf (vers 1818Alle koningen van de heidenvolken,
allen rusten zij in ere,
ieder in zijn huis.
)
. Maar het lijk van de koning van Babel – met name Belsazar, de laatste koning (Dn 5:3030In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.) – is verachtelijk weggeworpen en niet eens in de buurt van een graf geweest (vers 1919Maar ú bent weggeworpen, [ver] van uw graf,
als een verafschuwde loot
bedolven onder gedoden, die met het zwaard zijn doorstoken
[en] neergedaald in een steengroeve;
[u bent] als een lijk dat is vertrapt.
)
. Zo groot is de afschuw over hem. Andere lijken van verslagenen in de strijd zijn in graven geworpen en met stenen bedekt. Zijn lichaam ligt onbegraven en wordt vertrapt.

Hij ondergaat dit lot omdat hij zijn land te gronde heeft gericht en zijn volk heeft gedood (vers 2020U zult in het graf niet met hen verenigd worden,
want u hebt uw land te gronde gericht
en uw volk gedood.
Voor eeuwig zal niet [meer] genoemd worden
het nageslacht van de kwaaddoeners.
)
. De regering van zijn huis zal voorbij zijn. Zijn huis zal roemloos ten onder gaan. In het dodenrijk zal tot in eeuwigheid het geslacht van kwaaddoeners, zijn nageslacht, niet meer genoemd worden. Daar is het voor altijd voorbij met alle glorie van de mens.

Zijn ondergang is een waarschuwend voorbeeld van ondergang voor alle boosdoeners (vers 2121Maak de slachtbank voor zijn kinderen gereed
vanwege de ongerechtigheid van hun vaders,
zodat zij niet [meer] opstaan, de aarde in bezit nemen
en het wereldoppervlak vullen met steden.
)
. Kinderen die hun vaders volgen in hun ongerechtigheid, zullen op de slachtbank terechtkomen. Zij zullen vallen en niet meer opstaan. Het zal hun onmogelijk zijn zich nog eens van de aarde te verzekeren en daar steden te bouwen tot hun eigen glorie en genot.


Het definitieve oordeel over Babel

22Zo zal Ik tegen hen opstaan,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Ik zal van Babel naam en overblijfsel uitroeien,
zoon en kleinzoon, spreekt de HEERE.
23Ik zal het maken tot een bezit voor nachtuilen
en [tot] waterpoelen;
Ik zal het wegvagen met de veger van het verderf,
spreekt de HEERE van de legermachten.

De koning van Babel en zijn nageslacht zijn tegen de HEERE opgestaan. Maar het ogenblik komt dat “de HEERE van de legermachten”, dat is Hij Die alle aardse en ook hemelse machten ver te boven gaat, tegen hen zal opstaan (vers 2222Zo zal Ik tegen hen opstaan,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Ik zal van Babel naam en overblijfsel uitroeien,
zoon en kleinzoon, spreekt de HEERE.
)
. Wie die “hen” zijn, wordt nader aangegeven. Het zijn “naam en overblijfsel” van Babel. Allen die de koninklijke naam dragen, worden uitgeroeid. Van de hele koninklijke familie blijft niemand over. Om het radicale karakter ervan te onderstrepen wordt nog gezegd dat dit zowel zoon als kleinzoon betreft. Ieder die een claim zou kunnen leggen op de troon, zal omkomen. De dynastie houdt eenvoudig op te bestaan.

Hij zal hun verblijfplaats onbewoonbaar voor mensen maken, waar niemand meer zal willen wonen, behalve de onreine nachtuilen (vers 2323Ik zal het maken tot een bezit voor nachtuilen
en [tot] waterpoelen;
Ik zal het wegvagen met de veger van het verderf,
spreekt de HEERE van de legermachten.
)
. De stad zelf vaagt Hij weg “met de veger van het verderf”. Dat wijst erop dat de stad tot stof is verworden dat kan worden weggeveegd. Het vindt alles zijn uiteindelijke vervulling in de eindtijd (Op 18:2121En één sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee en zei: Zó zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en zij zal geenszins meer gevonden worden.).


Profetie over Assyrië

24De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Voorwaar,
zoals Ik [het] Mij voorgenomen heb, zo zal het gebeuren,
en zoals Ik [het] besloten heb, zal het tot stand komen.
25Ik zal Assyrië verbreken in Mijn land,
en op Mijn bergen zal Ik het vertrappen.
Dan zal zijn juk van hen afglijden,
en zijn last zal van hun schouder afglijden.
26Dit is het raadsbesluit dat genomen is over heel het land.
En dit is de hand die uitgestrekt is tegen alle volken.
27Want de HEERE van de legermachten heeft [het] besloten, wie zou het dan verijdelen?
En Zijn hand is uitgestrekt, wie zou die dan afwenden?

In vers 2424De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Voorwaar,
zoals Ik [het] Mij voorgenomen heb, zo zal het gebeuren,
en zoals Ik [het] besloten heb, zal het tot stand komen.
vinden we na het oordeel over Babel de ondergang van Assyrië, waarna nog meer rijken de revue passeren waarmee God zal handelen. Daarmee verplaatsen we ons in het blikveld van de profeet naar het gebied dat wij vandaag kennen als Noord-Irak met nog meer landen van het nabije oosten, zoals Syrië en Iran. Dat er eerst is gesproken over de val van Babel, is een bewijs dat de profetie verband houdt met de laatste dagen, want in de oude tijd is Assyrië eerder dan Babel gevallen. Babel heeft immers Assyrië overwonnen en onderworpen. Dat gebeurde in 612 v.Chr. met de val van Ninevé.

Meer bijzonderheden daarover vinden we in het boek Nahum (vgl. Mi 5:3-53Hij zal staan en [hen] weiden in de kracht van de HEERE,
in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.
Zij zullen [veilig] wonen, want nu zal Hij groot zijn
tot aan de einden van de aarde.4Hij zal Vrede zijn.
Wanneer Assur in ons land zal komen
en wanneer hij onze paleizen zal betreden,
zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan
en acht vorsten uit de mensen.5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,
het land van Nimrod met getrokken zwaarden.
Zo zal Hij [ons] redden van Assur,
wanneer die in ons land zal komen
en wanneer die ons gebied zal betreden.
)
. In het boek Daniël wordt deze vijand ook genoemd en wel onder de naam ‘de koning van het noorden’ (Daniël 11). Onder het Assyrische rijk vallen de volken van Noord-Irak tot Pakistan, vandaag allemaal islamitische landen, wat hun intense haat tegen Israël verklaart.

Assyrië stelt niet het beest of de antichrist voor, hoewel de geest die hem tot een verklaarde vijand van Gods volk maakt van dezelfde satanische oorsprong is. Profetisch wordt de plaats van de Assyriërs ingenomen door de koning van het noorden die in de toekomst samen met meerdere volken (Ps 83:6-96Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
)
tegen Jeruzalem optrekt en bij Jeruzalem verbroken zal worden (Dn 11:4545En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.).

Gods handelen met Assyrië begint met de vaststelling van de algemene verklaring van het onwankelbare voornemen van “de HEERE” (Js 46:1010Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
; Ps 33:1010De HEERE vernietigt de raad van de heidenvolken,
Hij verbreekt de gedachten van de volken.
; Sp 21:3030Er is geen wijsheid, er is geen inzicht,
en er is geen raad tegen de HEERE.
; Hd 2:2323Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood.; 4:2828om te doen alles wat Uw hand en Uw raad tevoren had bestemd dat zou gebeuren.)
. Hij is de Alwetende en de Almachtige, Hij is “de HEERE van de legermachten”. Met legermachten worden de sterren bedoeld, maar ook de engelen, Gods hemelse legermachten, en ook de legers van Israël. Hij is ook de Heer van alle legers van de wereld. Al die verschillende legers volvoeren Zijn plan.

Wat Hij Zich voorneemt en beslist, brengt Hij ook, in Christus, tot stand (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.). De mens wikt, maar God beschikt. Niet de mens schrijft de geschiedenis, God doet dat. God weet niet alleen alles, maar Hij bestuurt ook alles, zodat alles precies zo uitkomt als Hij het heeft gepland (Js 44:77En wie kan, zoals Ik, roepen,
het bekendmaken en het voor Mij uiteenzetten,
sinds Ik een eeuwig volk een plaats gegeven heb?
En laten zij de toekomstige dingen, dat wat komen zal, hun bekendmaken.
)
. Dit is de soevereiniteit van God. Hij handelt met elk volk naar Zijn eigen voornemen. Uitgangspunt daarbij is hoe een volk zich ten opzichte van Zijn volk heeft gedragen. Alle vijandschap zal Hij vergelden, elke weldaad zal Hij belonen (Mt 25:31-4631Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.41Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan Zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid;42want Ik had honger en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij niet te drinken gegeven;43Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet opgenomen; naakt en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in [de] gevangenis en u hebt Mij niet bezocht.44Dan zullen ook dezen antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in [de] gevangenis, en hebben U niet gediend?45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het aan een van deze geringsten niet hebt gedaan, hebt u het Mij ook niet gedaan.46En dezen zullen gaan in [de] eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in [het] eeuwige leven.).

Zoals gezegd, zal de HEERE Assyrië in Israël, nauwkeuriger gezegd, op de bergen van Israël (“in Mijn land en op Mijn bergen”) verdelgen (vers 2525Ik zal Assyrië verbreken in Mijn land,
en op Mijn bergen zal Ik het vertrappen.
Dan zal zijn juk van hen afglijden,
en zijn last zal van hun schouder afglijden.
)
. Daardoor zal het juk en de last die door Assyrië op Israël zijn gelegd, van hen afglijden. Wat een verlichting zal dat geven! In het raadsbesluit van de HEERE wat Hij met Assyrië gaat doen – het verbreken van het juk dat deze vijand Zijn volk heeft opgelegd – is ook opgenomen wat Hij met alle volken zal doen die met Assyrië verbonden zijn (vers 2626Dit is het raadsbesluit dat genomen is over heel het land.
En dit is de hand die uitgestrekt is tegen alle volken.
)
. [NB Het is beter “heel het land” te vertalen met “heel de wereld”.]

Zo vormen Jesaja 13-14 samen een algemene inleiding voor Gods raadbesluit ten aanzien van de aarde (Jesaja 15-23) om deze klaar te maken voor de regering van Christus. Dat blijkt ook uit het feit dat Babel en Assyrië hier onder één ‘last’ (Js 13:11De last over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.) vermeld worden, in tegenstelling tot de andere volken (Jesaja 14:28-23:18).

Alle volken zullen zich moeten onderwerpen als Hij oordeelt. De hand van de HEERE die in Jesaja 1-12 in oordeel is uitgestrekt tegen Israël (Js 5:2525Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
; 9:12,17,2112Want het volk bekeert zich niet tot Hem Die het slaat,
en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet.
17Want de goddeloosheid brandt als vuur,
verteert dorens en distels,
steekt het struikgewas in het woud aan,
en ze gaan op in een wolk van rook.
; 10:44Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken
en onder de gedoden te vallen!
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
, is nu uitgestrekt tegen alle volken (vers 2626Dit is het raadsbesluit dat genomen is over heel het land.
En dit is de hand die uitgestrekt is tegen alle volken.
)
. Dat wordt in Jesaja 13-23 uitgewerkt. Wie zal Hem kunnen tegenhouden als Zijn hand in oordeel tegen hen is uitgestrekt (vers 2727Want de HEERE van de legermachten heeft [het] besloten, wie zou het dan verijdelen?
En Zijn hand is uitgestrekt, wie zou die dan afwenden?
)
?

God is niet als een mens die plannen maakt, maar aan wie het de kracht ontbreekt om ze uit te voeren. Volmaakte wijsheid en absolute kracht zijn in Hem verenigd. Deze wetenschap geeft de gelovige volkomen rust met betrekking tot zijn leven. Op die God kan hij vertrouwen voor zijn hele leven en alles wat er in zijn leven gebeurt.


Profetie over de Filistijnen

28In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last.
29Verblijd u niet, heel Filistea,
want de staf die u sloeg, is wel gebroken,
maar uit de wortel van de slang zal een gifslang voortkomen,
en haar vrucht zal een vurige, vliegende draak zijn.
30Dan weiden de eerstgeborenen van de geringen,
en de armen zullen onbezorgd neerliggen;
maar uw wortel zal Ik van honger laten sterven
en uw overblijfsel zal [die gifslang] doden.
31Weeklaag, poort! Schreeuw het uit, stad!
Wegsmelten [van angst] moet u, heel Filistea!
Want uit het noorden komt een rookwolk;
en in zijn gelederen blijft niemand achter.
32Wat zal men dan de gezanten van het volk antwoorden?
Dit: De HEERE heeft Sion gegrondvest;
en in haar vinden de ellendigen van Zijn volk een toevlucht.

De rest van dit hoofdstuk en de komende hoofdstukken beschrijven de verdelging die onder de verschillende volken door de HEERE wordt voltrokken (Js 10:2323Ja, een [vernietigend] einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.), indirect door Zijn roede de Assyriërs (Js 10:5,245Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
24Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.
)
. De voorvervulling ervan vindt plaats onder enkele koningen van Assyrië, achtereenvolgens Tiglath-Pileser, Shalmaneser en ten slotte Sargon. De eindvervulling zal echter plaatsvinden onder leiding van de koning van het noorden (Dn 11:40-4440Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.). Achtereenvolgens zullen de Filistijnen (Jesaja 14), Moab (Jesaja 15-16), Damascus (Jesaja 17), Israël (Jesaja 18), Egypte (Jesaja 19) en Cusj (Jesaja 20) slachtoffer zijn van de dadendrang van Assyrië. Ten dele zullen ze, nadat ze veroverd zijn, tot bondgenoten van Assyrië gemaakt worden.

Het begint met de Filistijnen (verzen 28-3228In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last.
29Verblijd u niet, heel Filistea,
want de staf die u sloeg, is wel gebroken,
maar uit de wortel van de slang zal een gifslang voortkomen,
en haar vrucht zal een vurige, vliegende draak zijn.
30Dan weiden de eerstgeborenen van de geringen,
en de armen zullen onbezorgd neerliggen;
maar uw wortel zal Ik van honger laten sterven
en uw overblijfsel zal [die gifslang] doden.
31Weeklaag, poort! Schreeuw het uit, stad!
Wegsmelten [van angst] moet u, heel Filistea!
Want uit het noorden komt een rookwolk;
en in zijn gelederen blijft niemand achter.
32Wat zal men dan de gezanten van het volk antwoorden?
Dit: De HEERE heeft Sion gegrondvest;
en in haar vinden de ellendigen van Zijn volk een toevlucht.
)
. Zij wonen in het westen, in de landstrook aan de Middellandse Zee, de tegenwoordige Gazastrook. De Godsspraak of “last” over de Filistijnen komt tot Jesaja in een nieuw sterfjaar, dat van Achaz (vers 2828In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last.
; vgl. Js 6:11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.)
. Na de dood van Achaz komt Hizkia op de troon en hij zal de Filistijnen volkomen verslaan (2Kn 18:88Hij was het die de Filistijnen versloeg, tot Gaza toe, en de bijbehorende gebieden [veroverde], van de wachttoren af tot de versterkte steden toe.). De vreugde van de Filistijnen is eerst groot, omdat “de staf”, waaronder ze eerst gebukt zijn gegaan, verbroken is (vers 2929Verblijd u niet, heel Filistea,
want de staf die u sloeg, is wel gebroken,
maar uit de wortel van de slang zal een gifslang voortkomen,
en haar vrucht zal een vurige, vliegende draak zijn.
)
.

Als verklaring van dit vers is wel gesteld dat met “de staf” het huis van David wordt bedoeld. De grootvader van Achaz, Uzzia, is de staf die hen heeft geslagen (2Kr 26:66Hij trok eropuit en streed tegen de Filistijnen. Hij sloeg een bres in de muur van Gath, de muur van Jabne en de muur van Asdod, en bouwde steden bij Asdod en in [het gebied van] de Filistijnen.). Als gevolg van de ontrouw van het huis van David en Juda is hun staf verbroken en zijn zij hun heerschappij over de Filistijnen kwijtgeraakt. De Filistijnen zijn daar blij over. Hun blijdschap zal echter vergaan, want uit de wortel van de slang (Achaz) zal een adder (Hizkia) voortkomen en uiteindelijk de Messias. Onder Zijn zegenrijke regering zullen “de geringen en de armen” verzadigd worden en veilig zijn (vers 3030Dan weiden de eerstgeborenen van de geringen,
en de armen zullen onbezorgd neerliggen;
maar uw wortel zal Ik van honger laten sterven
en uw overblijfsel zal [die gifslang] doden.
)
. De Messias zal bij Zijn komst Israël gebruiken (Jr 51:20-2320U bent voor Mij een strijdhamer,
wapenrusting.
Met u zal Ik volken stukslaan,
met u zal Ik koninkrijken te gronde richten.
21Met u zal Ik het paard en zijn ruiter stukslaan,
met u zal Ik de strijdwagen en zijn ruiter stukslaan.
22Met u zal Ik man en vrouw stukslaan,
met u zal Ik oud en jong stukslaan,
met u zal Ik jongen en meisje stukslaan.
23Met u zal Ik de herder en zijn kudde stukslaan,
met u zal Ik de akkerbouwer en zijn juk [ossen] stukslaan,
met u zal Ik landvoogden en machthebbers stukslaan.
)
om de Filistijnen te vernietigen (Js 11:1414Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.
; vgl. Zf 2:44Want Gaza zal verlaten worden
en Askelon tot woestenij zijn;
Asdod, midden op de dag zal men het verdrijven,
en Ekron zal ontworteld worden.
)
.

Voor Juda moet dit een waarschuwing zijn zich niet met de Filistijnen te verbinden en niet in te gaan op verzoeken daartoe om samen sterker te staan tegen Assyrië. Juda, hier “de eerstgeborenen” genoemd, zal ook vernederd worden. Er zullen van de eerstgeborenen, zij aan wie het dubbele deel van de zegen is toegezegd (Dt 21:1717Voorzeker, hij moet de eerstgeborene, de zoon van de minder geliefde, erkennen door hem het dubbele deel te geven van alles wat bij hem aangetroffen wordt. Hij is immers de eerste [vrucht] van zijn mannelijkheid, hij heeft het eerstgeboorterecht.), slechts “geringen” en “armen” overblijven. Maar deze armen en kwetsbaren zullen worden geweid en veilig zijn. Ook van Filistea zal na de verdelging nog wel iets overblijven, “uw wortel” en “uw overblijfsel”. Maar de ‘wortel’ zal door honger sterven en het ‘overblijfsel’ zal door het leger van Christus worden gedood (Js 11:1414Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.
)
.

Filistea wordt opgeroepen te weeklagen en het uit te schreeuwen (vers 3131Weeklaag, poort! Schreeuw het uit, stad!
Wegsmelten [van angst] moet u, heel Filistea!
Want uit het noorden komt een rookwolk;
en in zijn gelederen blijft niemand achter.
)
. De “poort” is de toegang tot de stad. Daar komt de vijand het eerst. De poort, dat is allen die daar de wacht houden, zal geen enkele tegenstand kunnen bieden. Er is alleen weeklagen. De “stad” zal vervolgens worden ingenomen, waardoor de inwoners het zullen uitschreeuwen. Heel Filistea zal door wat er met de stad gebeurt, wegsmelten van angst. Alle verzet is gebroken.

De vijand komt “uit het noorden” als “een rookwolk”. Dat roept het beeld op van een alles verterende brand die met grote vaart komt aanstormen. In de gelederen van de vijand vallen geen gaten. Ze zijn onaantastbaar en overwinnen elke tegenstand zonder zelf verliezen te lijden. De beschrijving past bij de opmars van de koning van het noorden naar Egypte, waarbij hij meerdere landen binnenvalt en verdelgt (Dn 11:40-4340Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].). Het is aannemelijk dat hij met Filistea begint.

Filistea heeft gezanten naar Sion gestuurd om een bondgenootschap aan te gaan met Juda om zich samen sterk te maken tegen de oprukkende Assyriërs (vers 3232Wat zal men dan de gezanten van het volk antwoorden?
Dit: De HEERE heeft Sion gegrondvest;
en in haar vinden de ellendigen van Zijn volk een toevlucht.
)
. Maar hun moet geantwoord worden dat de HEERE Sion heeft gegrondvest en dat Juda de hulp van Filistea daarom helemaal niet nodig heeft. De HEERE zal Zelf Zijn ellendig volk weten te beschermen.

Dat zal in de toekomst op nog grootser wijze duidelijk worden en strekken tot een getuigenis voor de Naam van de HEERE. Tegenover de ondergang van de omringende volken die Israël vijandig gezind waren en die er steeds op uit zijn geweest Gods volk en land te verwoesten, staat de grondvesting van Sion. Gezanten van alle volken, waaronder Filistea, zullen antwoord krijgen op de vraag hoe het mogelijk is dat een zo klein en verdrukt en geplaagd volk zo’n glorieus einde heeft. Het antwoord is dat de HEERE het heeft gedaan. Dat is tevens de garantie dat de ellendigen van Zijn volk, zij die zoveel te lijden hebben gehad, daar nu een definitieve schuilplaats hebben gevonden. Er hoeft geen vrees meer te zijn voor een nieuwe dreiging van gevaar.

Sion is door de HEERE in Zijn genade gegrondvest toen Hij David tot koning maakte. Sion is het symbool van de barmhartigheid en genade van God (vgl. Hb 12:2222maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,). In die genade, voorgesteld in Sion, zullen de Godvrezende armen van Gods volk rusten. Dat hebben ze gedaan in het verleden, dat zullen ze doen in de toekomst. Dat mogen wij doen in het heden.


Lees verder