Jesaja
1-4 Gods toorn over machtsmisbruik 5-6 Assyrië als tuchtroede van de HEERE 7-11 De beweegredenen van Assyrië 12-15 Assyrië verbroken 16-19 De HEERE oordeelt Assyrië 20-23 Een overblijfsel bekeert zich 24-27 Het overblijfsel wordt bevrijd 28-32 De opmars van Assyrië 33-34 De legers van Assyrië verdelgd
Gods toorn over machtsmisbruik

1Wee hun die verordeningen van onrecht instellen,
en de schrijvers die onheil voorschrijven
2om de armen van [hun] recht weg te duwen,
en de ellendigen van Mijn volk van het recht te beroven,
zodat weduwen hun buit worden,
en zij wezen uitplunderen.
3Maar wat zult u doen op de dag van de vergelding,
bij de verwoesting [die] er vanuit de verte aankomt?
Naar wie zult u vluchten om hulp
en waar zult u uw rijkdom laten?
4Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken
en onder de gedoden te vallen!
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.

De verzen 1-41Wee hun die verordeningen van onrecht instellen,
en de schrijvers die onheil voorschrijven
2om de armen van [hun] recht weg te duwen,
en de ellendigen van Mijn volk van het recht te beroven,
zodat weduwen hun buit worden,
en zij wezen uitplunderen.
3Maar wat zult u doen op de dag van de vergelding,
bij de verwoesting [die] er vanuit de verte aankomt?
Naar wie zult u vluchten om hulp
en waar zult u uw rijkdom laten?
4Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken
en onder de gedoden te vallen!
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
zijn een vervolg van Jesaja 9. Opnieuw wordt het kwaad duidelijk benoemd. Dit keer zijn het zonden van hen die de macht hebben om wetten uit te vaardigen (vers 11Wee hun die verordeningen van onrecht instellen,
en de schrijvers die onheil voorschrijven
)
. In de wetten die zij uitvaardigen, schrijven ze onheil voor. In een toepassing voor vandaag zien we, dat wettelijk wordt vastgesteld dat de evolutietheorie moet worden onderwezen op scholen en dat voorlichting over homoseksualiteit op scholen verplicht wordt gesteld.

Wetten moeten dienen tot bescherming van de onderdanen. Maar de vervaardigers van wetten misbruiken hun macht om de sociaal zwakken, “de armen … de ellendigen … weduwen … wezen”, van hun rechten te beroven en hen zelfs uit te buiten en uit te plunderen (vers 22om de armen van [hun] recht weg te duwen,
en de ellendigen van Mijn volk van het recht te beroven,
zodat weduwen hun buit worden,
en zij wezen uitplunderen.
)
. Dé arme en dé ellendige is wel de Heer Jezus. Hem is ook, tijdens Zijn leven op aarde, door mensen die wetten maken en toepassen, het grootste onrecht aangedaan.

De Heer spreekt over “de schriftgeleerden en de farizeeën”, die “zijn gaan zitten op de stoel van Mozes” (Mt 23:22De schriftgeleerden en de farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes.), wat ziet op het innemen van de plaats van de wetgever. Hij maakt deze lieden zware verwijten: “Zij nu binden zware <en moeilijk te dragen> lasten en leggen ze op de schouders van de mensen” (Mt 23:44Zij nu binden zware <en moeilijk te dragen> lasten en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zijzelf willen ze met hun vinger niet verroeren.). Hij zegt ook van hen dat zij “de huizen van de weduwen opeten” (Mk 12:4040die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lang bidden. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.). Hij veegt de vloer aan met de heersende klasse, zoals de HEERE dat hier doet. Hetzelfde geldt voor alle godsdienstige heerszucht die zich ten koste van weerloze mensen verrijkt, wat bij uitstek, maar niet uitsluitend, in het rooms-katholicisme gevonden wordt.

Maar “de dag van de vergelding” komt voor hen (vers 33Maar wat zult u doen op de dag van de vergelding,
bij de verwoesting [die] er vanuit de verte aankomt?
Naar wie zult u vluchten om hulp
en waar zult u uw rijkdom laten?
)
. “De verwoesting die er vanuit de verte aankomt”, de legers van Assyrië, zal hen treffen. “Naar wie” zullen ze dan kunnen “vluchten om hulp”? Als Gods oordeel over deze lieden komt, zullen zij niemand hebben die hen helpt, zoals zij de onderdrukten zonder hulp hebben gelaten. Ze zullen hun rijkdom, waarop ze zich beroemen – mogelijk dat met “uw rijkdom” ook hun nageslacht wordt bedoeld (Hs 9:1111Wat Efraïm betreft, als een vogel zal zijn luister wegvliegen,
van de geboorte, van de [moeder]schoot en van de bevruchting af.
)
–, geen bescherming kunnen bieden als voor hen “de dag van de vergelding” aanbreekt. Niets anders dan schande en gevangenschap zal hun lot zijn, terwijl velen ook gedood zullen worden (vers 44Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken
en onder de gedoden te vallen!
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
.

Dan klinkt voor de vierde en laatste keer het refrein dat de toorn van de HEERE niet is afgewend en Zijn hand nog steeds in oordeel tegen hen is uitgestrekt.


Assyrië als tuchtroede van de HEERE

5Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.

Na het hameren van de HEERE op de zonden van Zijn volk komt hier plotseling het oordeel over de door Hem gebruikte tuchtroede. De koning die de HEERE gebruikt om Zijn volk te kastijden, krijgt ook met de oordelende God te maken omdat hij er niet aan denkt slechts een instrument te zijn. De verzen 5-195Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.
geven er een treffend voorbeeld van hoe de HEERE de heidense volken heeft gebruikt als een tuchtroede voor Zijn volk. Daarbij heeft Hij hun een verregaand gezag over Zijn volk gegeven. De heidense volken van hun kant denken echter niet aan God. Zij menen hun eigen plannen uit te voeren en die in eigen kracht te volbrengen. Daarom komt Gods oordeel ook over hen.

Jesaja spreekt het “wee” over Assyrië uit op het moment dat Juda en Achaz nog alles van een bondgenootschap met Assyrië verwachten. De HEERE heeft Assyrië op Zijn volk afgestuurd “als de roede van Mijn toorn” (vers 55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
. Een roede dient om te tuchtigen. De gramschap van de HEERE stelt Assyrië in staat Juda aan te vallen. Tevens wordt hier uitgebeeld wat in de voor ons nabije toekomst, in de periode van Gods gramschap over Juda, gaat gebeuren. Dan zal het profetische Assyrië, de komende koning van het noorden, als aanvoerder van de Arabische bondgenoten Israël tuchtigen.

De HEERE stuurt deze vijand op Zijn volk af omdat het “een huichelachtig volk” is (vers 66Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.
)
. Het is een volk dat Hem met de lippen eert, terwijl hun hart ver van Hem vandaan is. Hij is zo boos op Zijn volk, dat Hij Assyrië bevel geeft Zijn volk zwaar te laten lijden. Hun zonden zijn zo vreselijk, dat Assyrië Zijn volk moet beroven en vertrappen. Al hun bezit wordt hun ontnomen en alle levens worden “als slijk op straat” vertrapt. Dit is wel een aangrijpende beschrijving van het oordeel dat God over Zijn volk laat komen. Het toont aan hoe getergd God is door de zonden van Zijn volk.

Dit betekent niet dat Assyrië de boosheid van God op Zijn volk kent. Assyrië streeft eigen belangen na en is alleen op eigen voordeel uit. Hij weet er niets van dat hij een instrument in Gods hand is. Zo menen alle ongelovigen dat zij vrij zijn om te doen wat ze zelf willen, terwijl God hen in Zijn soevereiniteit kan gebruiken voor de vervulling van Zijn plannen. Zo verandert God het ‘wee’ over Israël in een ‘wee’ over de vijanden van Israël.


De beweegredenen van Assyrië

7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?

De koning van Assyrië heeft geen enkele verbinding met God. Hij heeft niet de mening van God, maar zijn eigen mening en handelt daarnaar (vers 77Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
)
. Hij bedenkt in zijn hart niet de dingen van God, maar heel andere dingen. Daarom leeft hij ook in vijandschap tegen God (Rm 8:5-85Want zij die naar [het] vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees; maar zij die naar [de] Geest zijn, de dingen van de Geest;6want wat het vlees bedenkt, is [de] dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede;7omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.8En zij die in [het] vlees zijn, kunnen God niet behagen.). Zo zegt de profeet Nahum over Assyrië: “Uit u is iemand voortgekomen die kwaad denkt tegen de HEERE, een verderfelijke raadsman” (Na 1:1111Uit u is iemand voortgekomen
die kwaad bedenkt tegen de HEERE,
een verderfelijke raadsman.
)
. We zien hier dat God het hart en de overwegingen van de goddeloze door en door kent. Alle dingen zijn naakt en geopend voor Zijn ogen, ook de diepst verborgen overleggingen van het hart (Hb 4:12-1312Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.13En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.; 1Ko 4:55Oordeelt daarom niets vóór [de] tijd, totdat de Heer komt, Die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.).

Assyrië wil zoveel mogelijk volken wegvagen en uitroeien om zijn gebied te vergroten en zijn heerschappij uit te breiden. Daarom wil hij nu ook Juda inlijven. Hij waant zich superieur. Zijn vorsten zijn allemaal koningen, zo snoeft hij (vers 88Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
)
. Trots wijst hij op eerder behaalde successen (vers 99Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
)
. Ook het tienstammenrijk (Samaria) is al in zijn handen.

In zijn grootheidswaan denkt hij nu Jeruzalem te kunnen inlijven. Het is voor hem een stad als andere steden. Voor hem is de God van Israël ook niet meer dan een afgod, ja, eigenlijk nog minder dan de afgoden van andere landen (vers 1010Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
; vgl. Js 36:19-2019Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered?20Wie onder al de goden van deze landen zijn er die hun land uit mijn hand gered hebben? Zou de HEERE Jeruzalem dan wél uit mijn hand redden?)
. Daarom meent hij Jeruzalem nog gemakkelijker te kunnen veroveren dan de andere steden die hij heeft veroverd (vers 1111zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?
)
. Daar heeft Jeruzalem het ook naar gemaakt. In plaats van een getuigenis te zijn voor Gods Naam, hebben ze God vervangen door afgoden.

De koning van Assyrië spreekt niet eens over zijn goden die hem de overwinning zouden hebben gegeven. Hij pocht erop dat hij alles aan zichzelf te danken heeft, dat hij dat zelf heeft gedaan, “zoals ik gedaan heb”, waarmee hij zichzelf tot een god verklaart.


Assyrië verbroken

12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.

De HEERE kent al de trotse gedachten van de koning van Assyrië, die net zolang succes zal hebben als het past voor de vervulling van Gods plan. Als Assyrië het werk van de Heere (Adonai) heeft uitgevoerd, zal Hij met de koning van Assyrië afrekenen (vers 1212Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
)
. Zijn werk heeft tot doel dat een overblijfsel uit Zijn volk zich tot Hem bekeert en dat de goddeloze massa wordt geoordeeld. Het vergeldende oordeel over de tuchtroede komt niet zozeer over de persoon van de koning van Assyrië, maar over “de vrucht van de trots … en de glans van zijn hooghartige oogopslag”. Zijn trots drijft hem en zijn hooghartige oogopslag toont de totale afwezigheid van de erkenning van God.

Vaak zien we in de oudtestamentische profetieën dat er sprake is van een directe voorvervulling in de dagen van de profeet, of kort daarna, en een vervulling in de eindtijd, de definitieve vervulling. Dat is ook hier het geval. Assyrië zal Jeruzalem willen innemen, maar door God worden geoordeeld als Hij Zijn werk door middel van deze vijand heeft gedaan door hem te gebruiken als tuchtroede voor Zijn volk. De directe vervulling zien we in de dagen van Hizkia (2Kn 19:35-3735Het gebeurde in diezelfde nacht dat de engel van de HEERE [ten strijde] trok en in het leger van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neersloeg. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.36Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde [naar zijn land] terug; en hij bleef in Ninevé.37Het gebeurde nu, toen hij zich in het huis van Nisroch, zijn god, neerboog, dat Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard doodden. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.). De uiteindelijke vervulling zien we in de toekomst in de opmars en de verdelging van de koning van het noorden (Dn 11:4545En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.). Dit zal plaatsvinden als hij en zijn legers terugkeren uit Egypte (Dn 11:40-4440Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.).

De koning van Assyrië is vol van zichzelf. Hij spreekt over “de kracht van mijn hand” en “mijn wijsheid” als de middelen waardoor hij zijn successen heeft geboekt (vers 1313Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
)
. Kracht en wijsheid zijn onmisbaar voor een regeerder. De Messias bezit die kenmerken ook (Js 11:22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
; 1Ko 1:2424maar voor de geroepenen zelf, zowel Joden als Grieken, Christus, [de] kracht van God en [de] wijsheid van God;)
. Hij gebruikt Zijn kracht in wijsheid. Iemand die zich op deze kwaliteiten beroemt als iets van zichzelf en bij wie kracht vóór wijsheid gaat, is een dwaze snoever en een meedogenloze dictator.

Hij beroemt zich erop dat hij de grenzen, die door God tussen de volken zijn vastgesteld (Dt 32:88Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
overeenkomstig het aantal Israëlieten.
; vgl. Jb 24:2a2[Er zijn mensen die] grenzen aantasten;
zij roven een kudde en weiden die.
)
, weggenomen heeft en de volken met het grootste gemak heeft leeggeplunderd. Hij voelt en presenteert zichzelf ook als God als hij zegt dat hij “als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald” heeft. Dat blijkt ook uit de woorden “ik” en “mijn” waarvan de verzen 13-1413Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
vol staan (vgl. Hk 1:1111Dan zal hij [als] de wind veranderen en verdertrekken.
Zo maakt hij zich schuldig die van zijn kracht zijn god [maakt].
)
. Het is de taal die ook “de mens van de zonde” (2Th 2:3-43Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,4die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.), dat is de antichrist, gebruikt.

Hij gaat door met zichzelf als de onbetwiste heerser te beschrijven tegen wie niemand het waagt zich te verzetten. Hij accentueert zijn verhevenheid door een vergelijking te maken met iemand die eieren uit een vogelnest neemt (vers 1414Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
)
. De vogel op het nest wordt verjaagd en moet machteloos toezien hoe de hand de eieren uit het nest wegneemt. Zo heeft Assyrië het vermogen van de volken weggenomen en de hele wereld bijeengeraapt. Niemand durfde zich tegen zijn acties te verzetten of er zelfs maar tegen te protesteren.

Aan al dat snoeven maakt de HEERE een einde. Hij laat in het beeld van “bijl”, “zaag”, “staf” en “stok” zien dat de koning van Assyrië niet meer dan een stuk gereedschap in Zijn hand is, dat doet wat Zijn uitgestrekte hand wil (vers 1515Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.
)
. Net zomin als deze gereedschappen enige inspraak hebben bij hem door wie ze worden gehanteerd, net zomin heeft de koning van Assyrië dat bij de HEERE.


De HEERE oordeelt Assyrië

16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.

Omdat de koning van Assyrië zich zo hoogmoedig heeft geuit en gedragen, zal “de Heere, de HEERE van de legermachten” (vers 1616Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
)
zijn hoogmoed straffen. Zij die zich te goed doen en er welgedaan uitzien, zullen met de tering worden geslagen. Van hun vet blijft niets over. Ze zullen er mager en schraal uitzien. De verzengende heerlijkheid van de verschijning van de HEERE die zijn rijkdom zal verbranden, wordt treffend voorgesteld in Zijn namen “Licht van Israël” en “zijn Heilige”, dat is de Heilige van Israël (vers 1717Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
)
. Daartegenover zal Assyrië niet meer zijn dan “distels” en “doornen” die voedsel zijn voor het vuur van de HEERE.

Zijn gewapende strijdmacht, “de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden”, zal ook door de HEERE worden verteerd (vers 1818Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
)
. Alles wat leeft, zal wegkwijnen zoals iemand wegkwijnt die ziek is. Zo zal al de luister van Assyrië vergaan. Wat er nog van het leger over is, is zo gering, dat je bij wijze van spreken niet eens tot tien hoeft te kunnen tellen om het aantal ervan vast te stellen (vers 1919En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.
)
. Dit restje maakt geen enkele indruk.

Historisch bezien is Assyrië ‘verteerd’ door de Babyloniërs. Profetisch zal Assyrië, net als ten tijde van koning Hizkia, door de HEERE Zelf op een bovennatuurlijke wijze vernietigd worden. Later worden de Meden en Perzen de ‘zaag’ en de ‘bijl’ voor de Babyloniërs. Zo gaat het door tot het ogenblik komt dat de Heer Jezus Zijn rijk zal oprichten. Dat rijk zal niet verdelgd en opgevolgd worden door een volgend rijk (Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.).


Een overblijfsel bekeert zich

20Op die dag zal het gebeuren dat de rest van Israël en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige van Israël, in trouw. 21[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God. 22Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid. 23Ja, een [vernietigend] einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.

Het verslaan van de Assyriërs is een beeld van het verslaan van de verzamelde legers die in de eindtijd tegen Jeruzalem zullen optrekken. “Op die dag” (vers 2020Op die dag zal het gebeuren dat de rest van Israël en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige van Israël, in trouw.) wijst daarnaar vooruit. “Die dag” is geen dag van vierentwintig uur, maar een periode. Het is de periode vanaf het moment dat de Heer Jezus opstaat om Zijn rechten op de aarde op te eisen – Zijn voeten zullen op die dag staan op de Olijfberg (Zc 14:44Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.) – tot en met Zijn regering in het duizendjarig vrederijk.

Het begint met het terugkeren van het overblijfsel, “de rest van Israël”. Als de koning van het noorden vernietigd is door de verschijning van de Heer Jezus, wordt ook het overblijfsel van het tienstammenrijk dat nog in verstrooiing is, bijeenverzameld (Mt 24:3131En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan.). Israël zal dan niet meer steunen op de heidense macht Assyrië die hem heeft geslagen, maar op “de HEERE, de Heilige van Israël”.

Dat zwakke restant, veelzeggend “de rest van Jakob” genoemd, rekent ook niet meer op eigen kracht en keert terug tot “de sterke God” (vers 2121[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.; vgl. 2Kr 30:66De ijlboden gingen door heel Israël en Juda [op weg] met de brieven van de hand van de koning en zijn leiders, overeenkomstig het gebod van de koning. [Zij zeiden:] Israëlieten, bekeer u tot de HEERE, de God van Abraham, Izak en Israël. Dan zal Hij terugkeren tot de ontkomenen die van u overgebleven zijn uit de hand van de koningen van Assyrië.). En Wie is “de sterke God”? Niemand anders dan het geboren Kind en de gegeven Zoon, de Messias, de Heer Jezus, Wiens Naam “Sterke God” is (Js 9:55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
)
. Opmerkelijk is nog dat de eerste woorden van vers 2121[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God., “[die] rest zal terugkeren”, de vertaling zijn van het Hebreeuwse Sjear-Jasjub, de naam van de zoon van Jesaja (Js 7:33En de HEERE zei tegen Jesaja: Ga nu op weg, Achaz tegemoet, u en uw zoon Sjear-Jasjub, naar het einde van de waterloop van de bovenvijver, bij de weg naar het Blekersveld.).

Dat dit gedeelte niet alleen betrekking heeft op de invasie van Assyrië die spoedig zal plaatsvinden, maar ook vooruitziet naar de eindtijd, is ook duidelijk te zien in de verzen 22-2322Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.23Ja, een [vernietigend] einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.. Aan het einde van de grote verdrukking komt de “verdelging”. Bij die verdelging komen zowel de ongelovige massa van Israël (Zc 13:8a8Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
)
als de Assyriërs om. Het volk zal dan zo in aantal zijn afgenomen, dat slechts een handjevol is overgebleven van het eens zo talrijke volk (vers 2222Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.; Zc 13:8b-98Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
9Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
)
. Maar dit overblijfsel vormt aan het begin van het vrederijk de kern waaruit opnieuw een talrijk volk zal groeien.

De gerechtigheid van God zal het land overstromen. Alles komt onder Zijn rechtvaardige oordeel. Het is een vernietigend oordeel over alle goddeloosheid (vers 2323Ja, een [vernietigend] einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.). Het is vast besloten (Dn 9:26-2726Na de tweeënzestig weken
zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.
Een volk van een vorst, [een volk] dat komen zal,
zal de stad en het heiligdom te gronde richten.
Het einde ervan zal zijn in de [overstromende] vloed
en tot het einde toe zal er oorlog zijn,
verwoestingen [waartoe] vast besloten is.27Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
)
, niemand kan het tegenhouden. “De Heere, de HEERE van de legermachten” Zelf zal het doen. Hij doet het “in het midden van heel het land”, dat is het land van Juda.

De apostel Paulus past de verzen 22-2322Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.23Ja, een [vernietigend] einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen. toe op het overblijfsel dat er in zijn dagen naar de verkiezing van Gods genade is (Rm 9:27-2827En Jesaja roept over Israël uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israël als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden.28Want [de] Heer zal ten einde toe en met haast een zaak doen op de aarde’.). Dit overblijfsel maakt in deze tijd deel uit van de christelijke gemeente die bestaat uit gelovigen uit Joden en heidenen die samen opgaan in het ene lichaam dat de gemeente is (Ef 2:13-1613Maar nu, in Christus Jezus, bent u die vroeger veraf was, nabijgekomen door het bloed van Christus.14Want Hij is onze vrede, Die die beiden een gemaakt en de scheidsmuur van de omheining weggebroken heeft,15toen Hij in Zijn vlees de vijandschap, de wet van de geboden [die] in inzettingen [bestaat], tenietgedaan had, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makend,16en die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, terwijl Hij daardoor de vijandschap gedood heeft.).


Het overblijfsel wordt bevrijd

24Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed. 25Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en [zal] Mijn toorn [zich richten] op hún vernietiging. 26Dan zal de HEERE van de legermachten over hem de gesel zwaaien, zoals [eens] Midian is geslagen bij de rots Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn en Hij zal hem opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed. 27Op die dag zal het gebeuren
dat zijn last van uw schouder zal afglijden
en zijn juk van uw hals; en [dat] juk zal te gronde gericht worden
omwille van de Gezalfde.

De Heere, de HEERE van de legermachten zegt tegen Zijn volk dat ze niet bang moeten zijn voor de Assyriërs (vers 2424Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.). Ze zullen wel komen en hen slaan, maar er komt na “een klein moment” een einde aan de toorn van de HEERE tegen hen (vgl. Js 9:11,16,2011de Syriërs vanuit het oosten en de Filistijnen vanuit het westen,
zodat zij Israël verslinden met heel [hun] mond.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.16Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen,
en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen,
want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners
en elke mond spreekt dwaasheid.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.20Manasse [van] Efraïm, Efraïm [van] Manasse;
en die samen zijn tegen Juda.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
; 10:44Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken
en onder de gedoden te vallen!
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
en dan zal Zijn toorn zich tegen de Assyriërs richten (vers 2525Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en [zal] Mijn toorn [zich richten] op hún vernietiging.). Zo is het immers ook met de Egyptenaren gegaan? Die hebben hen eerst ook verdrukt, maar daarna heeft Gods hand zich tegen deze vijand van Zijn volk gekeerd (vgl. Js 52:44Want zo zegt de Heere HEERE: Vroeger daalde Mijn volk af naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, en Assyrië heeft het zonder oorzaak onderdrukt.). Zo zal het ook met Assyrië gaan.

Jesaja herinnert er ook aan hoe Midian is geslagen (vers 2626Dan zal de HEERE van de legermachten over hem de gesel zwaaien, zoals [eens] Midian is geslagen bij de rots Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn en Hij zal hem opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.; Ri 7:2525Vervolgens namen zij twee vorsten van Midian gevangen: Oreb en Zeëb. Zij doodden Oreb op de rots Oreb, en Zeëb doodden zij in de Perskuip van Zeëb. En zij achtervolgden Midian en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb over de Jordaan bij Gideon.; vgl. Js 9:33Want het juk van hun last,
de stok op hun schouders,
en de knuppel van hun slavendrijver
hebt U verbroken als [eens] op Midiansdag.
)
. Hij herinnert ook nog aan de bevrijding van het volk als ze voor de Schelfzee staan. De Israëlieten kunnen geen kant op. De zee is vóór hen en de farao met zijn leger achter hen. Dan heft Mozes zijn staf op, die hier de staf van de HEERE is, en komt er een pad in de zee. De Israëlieten trekken er doorheen, terwijl de farao en zijn leger in de zee omkomen.

Het is goed eraan te denken hoe God ons in het verleden uit benauwde situaties heeft gered. Dat geeft moed om Hem ook te vertrouwen met het oog op een aanstaande situatie van benauwdheid. In dat vertrouwen vermeldt Jesaja de uitkomst. De last zal van de schouder glijden, het juk zal worden verbroken (vers 2727Op die dag zal het gebeuren
dat zijn last van uw schouder zal afglijden
en zijn juk van uw hals; en [dat] juk zal te gronde gericht worden
omwille van de Gezalfde.
)
. Het bezwaarde hart lucht op, de gevangenschap en de slavernij zijn voorbij. Innerlijk is er vrede, uiterlijk is er vrijheid, ”omwille van de Gezalfde”, dat wil zeggen omwille van Christus, Die dan in Jeruzalem zal regeren.

Het Assyrië van de eindtijd is dezelfde als de koning van het noorden (Dn 11:1-351En ik, ik stond in het eerste jaar van Darius, de Mediër, hem [terzijde] als steun en toeverlaat.2Nu zal ik u dan de waarheid bekendmaken. Zie, er zullen nog drie koningen in Perzië aan de macht komen, en de vierde zal grotere rijkdom verwerven dan alle [anderen]. Als hij sterk geworden is door zijn rijkdom, zal hij allen opzetten tegen het koninkrijk Griekenland.3Daarna zal er een machtige koning aan de macht komen, die met grote heerschappij zal heersen en zal handelen naar eigen goeddunken.4Zodra hij echter aan de macht komt, zal zijn koninkrijk verbroken worden en opgedeeld worden naar de vier wind[streken] van de hemel, maar niet voor zijn nakomelingen en niet overeenkomstig de heerschappij waarmee hij had geheerst, want zijn koninkrijk zal uiteengerukt worden en zal zijn voor anderen dan voor hen.5Dan zal de koning van het zuiden sterk worden, maar een van zijn vorsten zal sterker worden dan hij en heersen. Zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.6Na verloop van jaren zullen zij met elkaar een verbintenis aangaan. De dochter van de koning van het zuiden zal naar de koning van het noorden komen om een billijke [overeenkomst] aan te gaan. Zij zal echter geen kracht in haar arm meer over hebben, en [ook] hij zal niet standhouden, evenmin zijn arm. Zíj zal overgeleverd worden, evenals zij die haar gebracht hebben, hij die haar verwekt heeft en hij die haar in die tijden versterkt heeft.7Maar uit de loot van haar wortels zal er [iemand in] zijn plaats aan de macht komen. Hij zal met het leger komen en de vesting van de koning van het noorden binnentrekken, tegen hen optreden en [hen] onderwerpen.8Ook zal hij hun goden, met hun godenbeelden en met hun kostbare voorwerpen van zilver en goud als buit naar Egypte brengen, en zelf zal hij [enige] jaren standhouden tegen de koning van het noorden.9Zo zal de koning van het zuiden in het koninkrijk komen en hij zal [weer] naar zijn [eigen] land terugkeren.10Dan zullen zijn zonen zich in de strijd mengen en een menigte grote legers bijeenbrengen. [Een van hen] zal snel komen, [het land] overspoelen, doorkruisen en terugkomen, zich in de strijd mengen [en] tot zijn vesting [doordringen].11De koning van het zuiden zal verbitterd worden. Hij zal uittrekken en tegen hem, de koning van het noorden, oorlog voeren. Ook die zal een grote menigte op de been brengen, maar die menigte zal in zijn hand worden gegeven.12Wanneer die menigte zal zijn weggevaagd, zal zijn hart zich verheffen. Tienduizenden zal hij neervellen, maar [toch] zal hij zich niet kunnen versterken,13want de koning van het noorden zal terugkomen; hij zal een menigte op de been brengen, groter dan de eerste, en na verloop van tijd, [na enkele] jaren, zal hij snel met een groot leger en met een grote uitrusting komen.14Ook zullen in die tijden velen opstaan tegen de koning van het zuiden. En de gewelddadigen uit uw volk zullen verheven worden om het visioen te bevestigen, maar zij zullen struikelen.15Dan zal de koning van het noorden komen en hij zal een belegeringswal opwerpen en vestingsteden innemen. De [krachtige] armen van het zuiden zullen geen stand houden, ook zijn keurtroepen niet. Ja, er zal geen kracht zijn om stand te houden.16Hij die tegen hem optrekt, zal handelen naar eigen goeddunken. Niemand zal tegen hem standhouden. Hij zal ook standhouden in het sieraadland en er zal vernietiging in zijn hand zijn.17Hij zal zijn zinnen erop zetten om met de kracht van heel zijn koninkrijk te komen, en hij zal billijke [voorwaarden] meebrengen en [die] ten uitvoer brengen. Hij zal hem een dochter [uit] de vrouwen geven om [het koninkrijk] te gronde te richten, maar zij zal niet standhouden, en zij zal voor hem niet zijn.18Dan zal hij zijn zinnen zetten op de eilanden en hij zal er vele veroveren. Een leider zal echter een einde maken aan zijn smaad tegen hem, zonder dat hij zijn smaad aan hem kan vergelden.19Ten slotte zal hij zijn blik slaan op de vestingen van zijn [eigen] land, maar hij zal struikelen en ten val komen, en niet [meer] gevonden worden.20In zijn plaats zal [iemand] opstaan die een belastinginner [het land] laat doorkruisen, [in] koninklijke heerlijkheid. Na enige dagen echter zal hij verbroken worden, maar niet door toorn en niet door oorlog.21In zijn plaats zal er een verachtelijk [man] opstaan. Men zal hem de koninklijke waardigheid niet geven. Maar hij zal komen in zorgeloze rust en het koningschap zal hij bemachtigen door vleierijen.22De [krachtige] armen van de overstroming zullen vóór hem weggespoeld worden en ze zullen gebroken worden, ook de verbondsvorst.23Want zodra men met hem een verbintenis is aangegaan, zal hij bedrog plegen. Hij zal oprukken en met weinig volk machtig worden.24In zorgeloze rust zal hij ook in de vruchtbaarste [streken] van het gewest komen en hij zal doen wat zijn vaders of voorvaders niet hebben gedaan: roof, buit en bezittingen zal hij onder hen uitstrooien. En tegen vestingen zal hij zijn plannen beramen – maar [slechts] voor een tijd.25Ook zal hij zijn kracht en zijn hart opwekken tegen de koning van het zuiden, met een groot leger. De koning van het zuiden zal zich dan in de strijd mengen met een uitermate groot en machtig leger. Hij zal echter geen stand kunnen houden, want men zal plannen tegen hem bedenken.26Zij die van zijn gerechten eten, zullen hem breken. Zíjn leger zal wegspoelen en er zullen velen dodelijk verwond vallen.27Het hart van deze twee koningen [zal erop gericht zijn] om kwaad te doen, en aan één tafel zullen zij leugens spreken. Maar het zal niet gelukken, want het einde [wacht] nog tot de vastgestelde tijd.28En [de koning van het noorden] zal terugkeren naar zijn land, met grote bezittingen, en zijn hart zal tegen het heilig verbond zijn. Hij zal [zijn wil] ten uitvoer brengen en terugkeren naar zijn land.29Op de vastgestelde tijd zal hij terugkeren en tegen het zuiden oprukken, maar het zal niet zijn zoals de eerste of zoals de laatste [keer].30Er zullen schepen van de Kittiërs tegen hem komen en hij zal terugschrikken. Hij zal terugkeren en toornen tegen het heilig verbond en hij zal [zijn eigen wil] ten uitvoer brengen. Hij zal, terwijl hij terugkeert, zijn aandacht richten op hen die het heilig verbond verlaten.31Dan zullen er uit hem [krachtige] armen voortkomen. Die zullen het heiligdom [en] de vesting ontheiligen en het steeds [terugkerende offer] wegnemen en de verwoestende gruwel opstellen.32En hen die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen. Het volk echter, zij die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zij zullen [hun wil] ten uitvoer brengen.33De verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen. Zij zullen struikelen door zwaard en vlam, door gevangenschap en beroving – dagen [lang].34Wanneer zij struikelen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden. Velen zullen zich echter met vleierijen bij hen voegen.35Van de verstandigen zullen er struikelen, om hen te louteren, te reinigen en [zuiver] wit te maken tot de tijd van het einde, want het [wacht] nog tot de vastgestelde tijd.) met daarachter het grote rijk van Gog (Rusland). Hij dringt het land binnen en zal alles overstromen. De koning van het noorden is de leider van een coalitie van tien landen (Ps 83:6-96Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
)
ten noorden van Israël, alles islamitisch (sjiitisch?) en met een grote haat tegen Israël. Na de vernietiging van de koning van het noorden op de bergen van Israël wordt zijn plaats door Gog – Rusland en zijn bondgenoten – ingenomen. Maar er hoeft geen angst te zijn, want de Heer Jezus zal ook die laatste vijand van Zijn volk volledig verdelgen (Ez 38-39).


De opmars van Assyrië

28Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
29Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, [de stad] van Saul, slaat op de vlucht.
30Gil het uit, dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
31Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
32Vandaag nog staat hij in Nob
[en] zwaait met zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.

In de verzen 28-3428Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
29Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, [de stad] van Saul, slaat op de vlucht.
30Gil het uit, dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
31Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
32Vandaag nog staat hij in Nob
[en] zwaait met zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.33Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,
zal met geweld de takken afhouwen;
de statige [woud]reuzen zullen worden omgehakt,
en de hoge [bomen] neergeworpen.
34Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
worden eerst de opmars en daarna de vernedering van Assyrië in zijn strijd tegen Juda op aanschouwelijke wijze voorgesteld. Eerst wordt op een levendige manier de onstuitbare opmars van de vijand vanuit het noorden naar Jeruzalem beschreven. In de geest ziet de profeet dat hij via Efraïm het rijk Juda is binnengevallen.

“Ajath”, “Migron” en “Michmas” worden veroverd (vers 2828Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
)
. Ajath (Ai genoemd in Jozua 7 en Aja in Nehemia 11:31) is de meest noordelijke van de plaatsen uit de verzen 28-3228Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
29Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, [de stad] van Saul, slaat op de vlucht.
30Gil het uit, dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
31Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
32Vandaag nog staat hij in Nob
[en] zwaait met zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.
. Ajath ligt op de grens tussen Efraïm en Benjamin, zo’n vijftien kilometer ten noorden van Jeruzalem. Migron en Michmas liggen enkele kilometers ten zuiden van Ajath. Om de bergpas – een heel steile wadi – over te kunnen steken moet de “uitrusting” (de bagage) in Michmas worden afgelegd. In “Geba”, direct aan de andere zijde van de wadi, brengen ze de nacht door (vers 2929Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, [de stad] van Saul, slaat op de vlucht.
)
. Het bericht van hun opmars veroorzaakt paniek in het hele gebied ten noorden van Jeruzalem.

De profeet is zó bij dit tafereel betrokken, dat hij de ene plaats oproept het uit te gillen en een andere plaats waarschuwt met de uitroep: “Sla er acht op!” (vers 3030Gil het uit, dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
)
. Over weer een andere plaats, die mogelijk al onder de voet is gelopen, kan hij slechts een diep medelijden uiten: “Arm Anathoth!” Hij ziet hoe de inwoners van weer andere plaatsen een goed heenkomen trachten te zoeken (vers 3131Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
)
.

Nog dezelfde dag bereiken de Assyrische legers “Nob” (vers 3232Vandaag nog staat hij in Nob
[en] zwaait met zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.
)
. Daar gaan zij in stelling liggen. Nob is waarschijnlijk de tegenwoordige berg Scopus, enkele kilometers ten noordoosten van Jeruzalem, direct ten noorden van de Olijfberg. Van hieruit “zwaait” de vijand “met zijn vuist”. De hele veldtocht is gesmeerd verlopen. Er rest alleen de voltooiing ervan: de inname van Jeruzalem. Hij staat op het punt “de dochter van Sion, de heuvel van Jeruzalem” de dodelijke slag toe te brengen. Maar het leger van Assyrië houdt geen rekening met de HEERE Die nu terug is in Jeruzalem (vgl. Js 36).


De legers van Assyrië verdelgd

33Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,
zal met geweld de takken afhouwen;
de statige [woud]reuzen zullen worden omgehakt,
en de hoge [bomen] neergeworpen.
34Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.

Vlak voor het moment dat de koning van Assyrië meent Jeruzalem in te nemen, verschijnt er Iemand op het toneel met Wie hij geen rekening heeft gehouden. Deze zwaait ook met Zijn hand en slaat hem neer (vers 3333Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,
zal met geweld de takken afhouwen;
de statige [woud]reuzen zullen worden omgehakt,
en de hoge [bomen] neergeworpen.
)
. Opnieuw stelt de profeet de Assyrische wereldmacht voor als een bergwoud met hoge bomen (vers 1818Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
)
en plaatst deze wereldmacht tegenover “de Heere, de HEERE van de legermachten” Die met vervaarlijke kracht deze “statige [woud]reuzen” neervelt.

Eerst heeft Hij Assyrië als Zijn bijl gebruikt om Zijn volk te slaan (vers 1515Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.
)
. Nu hanteert Hij Zelf de bijl om Assyrië te slaan. Onder de machtige slagen van Goddelijke kracht zinkt dit trotse rijk, dat zich als de ceders van de Libanon heeft verheven, ineen (vers 3434Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
)
. Hij heeft zichzelf “een machtige” (vers 1313Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
)
genoemd. Nu valt hij onder de slagen van Hem Die alleen en met recht “de Machtige” kan worden genoemd.

De eerste vervulling hiervan vindt plaats in de dagen van Hizkia (Js 37:3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.). De eindvervulling vindt plaats aan het einde van de tijd (Dn 11:4545En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.). In beide gevallen bedoelt de profetie voor te stellen dat door Gods kracht de hoogheid van de mens wordt vernederd en er aan diens rijk een einde wordt gemaakt. Daardoor wordt de weg vrijgemaakt voor het rijk van God. Dat is het onderwerp van het volgende hoofdstuk.


Lees verder