Jeremia
1-4 Oproep tot waarachtig berouw 5-18 De vijand is op weg 19-22 De zielenstrijd van Jeremia 23-26 De kosmische ramp 27-31 De woestheid van het land
Oproep tot waarachtig berouw

1Als u zich bekeert, Israël, spreekt de HEERE,
bekeer u [dan] tot Mij,
en als u uw afschuwelijke [afgoden] wegdoet van voor Mijn aangezicht,
en niet [meer] rondzwerft,
2en als u zweert: [Zo waar] de HEERE leeft, in waarheid,
in recht en in gerechtigheid,
dan zullen de heidenvolken zich in Hem zegenen
en zich in Hem beroemen.
3Want zo zegt de HEERE
tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem:
Ploeg voor uzelf ongeploegd land om!
Zaai niet tussen de dorens.
4Besnijd u voor de HEERE
en doe de voorhuid van uw hart weg,
mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem;
anders zal Mijn grimmigheid uitslaan als een vuur
en branden zonder dat iemand kan blussen,
vanwege uw slechte daden.

De HEERE verlangt ernaar dat Zijn volk zich bekeert en wel tot Hem (vers 11Als u zich bekeert, Israël, spreekt de HEERE,
bekeer u [dan] tot Mij,
en als u uw afschuwelijke [afgoden] wegdoet van voor Mijn aangezicht,
en niet [meer] rondzwerft,
)
. Iemand kan zich bekeren van bepaalde zonden omdat hij ziet dat ze schadelijk zijn voor zijn (geestelijk) leven of dat bepaalde zonden toch niet het verwachte voordeel opleveren. Dan worden die zonden wel opgegeven, maar van een echte bekering is geen sprake. Daarvan is alleen sprake als die zonden aan God worden beleden en er bekering tot Hem is.

De HEERE houdt Zijn volk voor wat Hij van hen verwacht als zij zich tot Hem bekeren. Hij kan hun bekering alleen als oprecht aanvaarden als zij de afschuwelijke afgoden van voor Zijn aangezicht wegdoen en ophouden met rusteloos rondzwerven van de ene afgod naar de andere. Dat betekent een grondige reiniging van stad en land, zodat er niet één afgod en niet één afgodische offerplaats meer te vinden zal zijn. Het is niet mogelijk om met God te wandelen en tegelijk door te gaan met zondigen of zelfs maar een aanleiding tot zondigen te laten bestaan.

‘Rondzwerven’ betekent dat nergens rust wordt gevonden. Kaïn is na de moord op zijn broer “dolend en dwalend over de aarde” gegaan (Gn 4:1414Zie, U verdrijft mij heden van het aangezicht van de aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn en dolend en dwalend over de aarde [gaan]; en het zal zo zijn dat al wie mij tegenkomt, mij zal doden.). Hij is hierin een beeld van het Joodse volk, dat na de moord op de Heer Jezus ‘dolend en dwalend over de aarde’ gaat. Er is geen enkele stabiliteit, maar ze worden als het ware “heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer” (Ef 4:1414opdat wij niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door [hun] sluwheid om door listen te doen dwalen,). Afgodendienst, die zijn hoogtepunt vindt in de aanbidding van het beest, waartoe ze worden gebracht door de duivelse verleiding van de antichrist, is dan ook een uitermate afmattende dienst.

Als blijkt dat hun bekering oprecht is, een zaak van hun hart, en ze zich houden aan de eed die ze bij Zijn Naam hebben gezworen, zal dat een getuigenis zijn voor de heidenvolken om hen heen (vers 22en als u zweert: [Zo waar] de HEERE leeft, in waarheid,
in recht en in gerechtigheid,
dan zullen de heidenvolken zich in Hem zegenen
en zich in Hem beroemen.
)
. Zweren bij de Naam HEERE betekent dat ze Hem erkennen als HEERE, de God met Wie zij door een verbond in verbinding staan. Dat alleen brengt tot het doen van waarheid, recht en gerechtigheid. Ze zullen dan oprecht, eerlijk en betrouwbaar zijn. Het gevolg daarvan is dat de heidenvolken er ook naar zullen verlangen met de HEERE in verbinding te komen. Daarvan zullen ze de zegen ervaren en Hem daarvan de eer geven. Ze roemen dan niet meer in zichzelf, maar in Hem.

Jeremia toont de noodzaak van geestelijke vernieuwing van het volk aan. De mannen van Juda en speciaal die van Jeruzalem worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid (vers 33Want zo zegt de HEERE
tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem:
Ploeg voor uzelf ongeploegd land om!
Zaai niet tussen de dorens.
)
. Hij vermaant hen hun braakliggende of ongeploegde hart te bewerken. De ploeg van bekering en gehoorzaamheid moet door het geweten om het zaad van het Woord te kunnen ontvangen. Geen boer zaait in ongeploegd land. Zo zaait God het zaad van Zijn zegen niet in onbekeerde harten.

Ongeploegd land is braakliggend land. Het is land waar niets gebeurt. Het land ligt in rust, maar er groeit ook niets. Dat land moet bewerkt worden, er moet inspanning worden verricht om er vruchtbaar land van te maken (vgl. Hs 10:1212Zaai voor uzelf in gerechtigheid!
Oogst in goedertierenheid!
Ploeg voor uzelf ongeploegd land om!
Het is tijd om de HEERE te zoeken,
totdat Hij komt en gerechtigheid over u laat regenen.
)
. Zo is het ook met gaven die iedere gelovige van de Heer heeft gekregen. Die moeten niet ongebruikt blijven, maar gebruikt worden, opdat er vrucht komt (vgl. Ko 4:1717En zegt aan Archippus: Let erop, dat u de bediening die u in [de] Heer hebt ontvangen, ook vervult.).

Alles wat dat verhindert, “de doornen”, moet worden weggedaan, of er moet worden vermeden dat wat vrucht voortbrengt daar terechtkomt. Als het tussen de dorens terechtkomt, brengt het geen vrucht voort (Mt 13:7,227Andere [zaden] nu vielen tussen de dorens, en de dorens schoten op en verstikten ze.22Hij nu die tussen de dorens is gezaaid, die is het die het Woord hoort, en de zorg van het leven en het bedrieglijke van de rijkdom verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar.). Dorens zijn nauw aan de zonde verbonden, ze zijn er het gevolg van (Gn 3:18a18dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
)
. Zonde in het leven van een gelovige verhindert dat hij vrucht draagt voor God.

Zodra er geploegd is en het land niet meer braak ligt, is het geschikt om ingezaaid te worden. Maar dan kunnen ook de dorens gaan groeien. Die groeien meestal sneller dan het goede zaad. Daarom moet er “niet tussen de doornen” worden gezaaid, maar buiten het bereik ervan. Daar wordt het volk toe opgeroepen. Het houdt voor ons de les in dat we uit de buurt van de zorgen van de wereld en de verleiding van de rijkdom moeten blijven (Mt 13:2222Hij nu die tussen de dorens is gezaaid, die is het die het Woord hoort, en de zorg van het leven en het bedrieglijke van de rijkdom verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar.).

Om het resultaat van vers 33Want zo zegt de HEERE
tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem:
Ploeg voor uzelf ongeploegd land om!
Zaai niet tussen de dorens.
te bereiken moet aan de voorwaarde van vers 44Besnijd u voor de HEERE
en doe de voorhuid van uw hart weg,
mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem;
anders zal Mijn grimmigheid uitslaan als een vuur
en branden zonder dat iemand kan blussen,
vanwege uw slechte daden.
worden voldaan. Nu gebruikt Jeremia het beeld van de besnijdenis. Voordat we kunnen werken op een wijze dat er vrucht uit ons leven voortkomt, moet er in ons hart iets gebeuren. Uiterlijke schijn moet worden vervangen door innerlijke werkelijkheid (vgl. Dt 10:1616Besnijd dan de voorhuid van uw hart en wees niet langer halsstarrig.; Rm 2:28-2928Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die iets uiterlijks is, in [het] vlees,29maar hij is een Jood die het in het verborgen is, en [dat is] besnijdenis: [die] van [het] hart, naar [de] Geest, niet naar [de] letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God.). Dat betekent zelfoordeel, waarvan de besnijdenis een beeld is. Als dat er niet is, zal God moeten oordelen, want als er geen zelfoordeel is, komen er alleen “slechte daden” waarover Gods oordeel komt.


De vijand is op weg

5Maak het in Juda bekend,
laat het in Jeruzalem horen en zeg:
Blaas de bazuin in het land,
roep luidkeels en zeg:
Verzamel u, en laten we gaan
naar de versterkte steden.
6Hef de banier omhoog naar Sion,
breng u in veiligheid, sta niet stil,
want Ik ga onheil brengen vanuit het noorden,
een grote ramp!
7Een leeuw is opgesprongen uit zijn struikgewas,
de verderver van de heidenvolken is uitgetrokken,
is zijn plaats uitgegaan
om van uw land een woestenij te maken,
uw steden zullen vernietigd worden,
zodat er geen inwoner [meer] is.
8Omgord u daarom met een rouwgewaad,
bedrijf rouw en weeklaag,
want de brandende toorn van de HEERE
keert zich niet van ons af.
9Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE:
vergaan zal de moed van de koning
en de moed van de vorsten,
de priesters zullen ontzet zijn
en de profeten verbijsterd.
10Toen zei ik: Ach, Heere HEERE,
voorwaar, U hebt dit volk en Jeruzalem ten zeerste bedrogen
door te zeggen: U zult vrede hebben.
Het zwaard wordt [ons] immers op de keel gezet.
11In die tijd zal gezegd worden
tegen dit volk en tegen Jeruzalem:
Een zinderende wind van de kale hoogten
in de woestijn is [op] weg naar de dochter van Mijn volk,
[maar] niet om te wannen, en niet om te zuiveren.
12Een wind, sterker dan deze, komt er van Mij aan.
Nu zal Ik ook oordelen
over hen uitspreken.
13Zie, als wolken komt [de vijand] opzetten,
als een wervelwind komen zijn wagens,
sneller dan arenden zijn zijn paarden.
Wee ons, want wij worden verwoest!
14Was het kwaad van uw hart af, Jeruzalem,
opdat u verlost wordt.
Hoelang laat u uw zondige gedachten
in uw binnenste overnachten?
15Want een stem verkondigt het uit Dan
en doet onheil horen uit het bergland van Efraïm.
16Roep het in herinnering bij de volken, zie,
laat Jeruzalem het horen:
Er komen belegeraars uit een ver land,
zij laten hun stem klinken tegen de steden van Juda.
17Zoals wachters van de velden [staan] zij rondom tegenover haar,
omdat zij Mij ongehoorzaam is geweest, spreekt de HEERE.
18Uw wegen en uw daden
hebben u deze dingen aangedaan.
Dit is uw kwaad, dat het [zo] bitter is,
dat het [u] in uw hart treft.

De HEERE moet het oordeel laten komen, het oordeel dreigt. Het zal komen uit het noorden, waar de Babyloniërs vandaan komen. Het volk heeft het zozeer verdorven, dat God het oordeel niet langer kan uitstellen. In Zijn genade laat Hij Zijn volk waarschuwen dat het onheil er aankomt. Daarvoor roept Hij op om de bazuin te blazen (vers 55Maak het in Juda bekend,
laat het in Jeruzalem horen en zeg:
Blaas de bazuin in het land,
roep luidkeels en zeg:
Verzamel u, en laten we gaan
naar de versterkte steden.
; Hs 5:88Blaas de bazuin in Gibea,
de trompet in Rama,
sla alarm in Beth-Aven:
Achter u, Benjamin!
; Jl 2:11Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!
; Am 3:66Of wordt in een stad de bazuin geblazen
zonder dat het volk beeft?
Of komt er kwaad in de stad voor
zonder dat de HEERE dat doet?
)
. Ook moet er luidkeels geroepen worden, wat erop wijst dat er haast geboden is. Dan kunnen de inwoners van Juda en Jeruzalem zich verzamelen en samen naar de versterkte steden gaan.

De banier die naar Sion omhoog moet worden geheven (vers 66Hef de banier omhoog naar Sion,
breng u in veiligheid, sta niet stil,
want Ik ga onheil brengen vanuit het noorden,
een grote ramp!
)
, lijkt vooral voor de bewoners van het platteland bedoeld te zijn. De banier dient om hun te laten zien in welke richting ze moeten gaan om in Sion te komen. Daar zullen ze zich in veiligheid kunnen brengen. Ze moeten daar snel een veilig heenkomen zoeken, zonder zich door iets te laten ophouden (vgl. Gn 19:16-1716[Lot] aarzelde echter; daarom grepen die mannen zijn hand, de hand van zijn vrouw en de hand van zijn twee dochters, omdat de HEERE hem wilde sparen. Zij brachten hem naar buiten en leidden hem buiten de stad.17En het gebeurde, toen zij hen buiten [de stad] gebracht hadden, dat Hij zei: Vlucht voor uw leven, kijk niet achter u en blijf nergens op heel deze vlakte staan; vlucht naar het bergland, anders wordt u weggevaagd.; Mt 24:15-1815Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –16laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;17laat hij die op het dak is, niet naar beneden gaan om de dingen uit zijn huis te halen; en laat hij die op het veld is,18niet terugkeren naar achteren om zijn kleed te halen.). Het onheil dat komt, komt “vanuit het noorden”. Dat wijst erop dat de vijand Israël in het noorden zal binnenvallen. Maar het is de HEERE Zelf Die dit onheil vanuit het noorden brengt. Hij brengt die grote ramp over Zijn volk.

Er is haast geboden, want de vijand, dat is Nebukadnezar, die hier wordt vergeleken met een leeuw, is al van “zijn plaats”, dat is Babel, vertrokken tegen Gods volk (vers 77Een leeuw is opgesprongen uit zijn struikgewas,
de verderver van de heidenvolken is uitgetrokken,
is zijn plaats uitgegaan
om van uw land een woestenij te maken,
uw steden zullen vernietigd worden,
zodat er geen inwoner [meer] is.
; Jr 50:1717Israël is een opgedreven schaap,
leeuwen hebben [het] opgejaagd.
Eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden,
en ten slotte heeft deze, Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn beenderen verbrijzeld.
)
. Dat hij is “opgesprongen uit zijn struikgewas”, wijst erop dat hij zich onverhoeds met grote kracht op zijn prooi werpt. Het land, ”uw land”, zal door hem tot een woestenij worden gemaakt en de steden, “uw steden”, zullen vernietigd worden, er zal niemand meer in wonen. Het laat wel zien hoe totaal de verwoesting en vernietiging zullen zijn.

De HEERE houdt Zijn volk ook voor wat Hij als gepaste reactie van hen verwacht als ze vernemen dat het oordeel onafwendbaar is (vers 88Omgord u daarom met een rouwgewaad,
bedrijf rouw en weeklaag,
want de brandende toorn van de HEERE
keert zich niet van ons af.
)
. Ze moeten zich met een rouwgewaad omgorden, rouw bedrijven en weeklagen. Jeremia maakt zich weer een met het volk als hij zegt dat de brandende toorn van de HEERE zich “niet van ons” afkeert. De oorzaak daarvan is, dat het volk zich niet van de afgoderij afkeert. Dat is Jeremia zich ook goed bewust. Hij heeft de toorn van de HEERE aangekondigd, maar kan zich er niet over verheugen als die ook daadwerkelijk komt. Hij lijdt mee met het volk.

Als de toorn van de HEERE komt, zal dat alle leiders van het volk diep raken (vers 99Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE:
vergaan zal de moed van de koning
en de moed van de vorsten,
de priesters zullen ontzet zijn
en de profeten verbijsterd.
)
. Koning Zedekia en de vorsten, de politieke leiders, zal elke moed ontzinken. Ontzetting zal de priesters treffen en verbijstering de profeten. Ze hebben het volk in leugens laten geloven en daar ook zelf in geloofd. Nu ze met de werkelijkheid worden geconfronteerd, is er niets van hun leugentaal over. Ze kunnen het volk geen enkele steun bieden.

De enige reactie die we vernemen, is die van Jeremia (vers 1010Toen zei ik: Ach, Heere HEERE,
voorwaar, U hebt dit volk en Jeruzalem ten zeerste bedrogen
door te zeggen: U zult vrede hebben.
Het zwaard wordt [ons] immers op de keel gezet.
)
. Hij onderbreekt zijn prediking om zijn gevoelens te uiten. Hij is zwaar aangeslagen door de boodschap die hij moet brengen. De grote liefde voor zijn volk, Gods volk, brengt hem er zelfs toe God ervan te beschuldigen dat Hij gelogen heeft door over vrede te spreken. Het lijkt erop dat Jeremia de HEERE kwalijk neemt dat Hij heeft toegelaten dat de valse profeten over vrede en veiligheid spreken en dat Hij het volk daarin heeft laten geloven (vgl. Jr 23:1717Steeds zeggen zij tegen hen die Mij verwerpen: De HEERE heeft gesproken:
U zult vrede hebben;
en [tegen] ieder die in zijn verharde hart voortgaat:
Geen onheil zal over u komen.
)
. Het tegendeel gebeurt, want “het zwaard wordt … op de keel gezet”. Dat betekent dat ze volledig in de macht van de vijand zijn en geen kant op kunnen.

De HEERE heeft de aanklacht van Jeremia gehoord en die ook laten opschrijven. Hij waardeert zijn betrokkenheid en bewogenheid, maar gaat er niet op in. Jeremia lijkt op Mozes en Paulus die ook uitspraken hebben gedaan uit liefde voor Gods volk, maar waarop God niet op is ingaan (Ex 32:3232Nu dan, of U toch hun zonden wilde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt.; Rm 9:1-31Ik spreek [de] waarheid in Christus, ik lieg niet, terwijl mijn geweten meegetuigt door [de] Heilige Geest,2dat ik grote droefheid heb en een onophoudelijke smart in mijn hart.3Want zelf heb ik gewenst door een vloek [gescheiden] te zijn van Christus ter wille van mijn broeders, mijn verwanten naar [het] vlees.). Het zegt ons dat wij niet onze emoties moeten volgen, maar Gods gedachten en gevoelens aan de hand van Zijn Woord en Zijn Geest.

De HEERE gaat door met Zijn aankondiging van het oordeel over het volk en speciaal over Jeruzalem (vers 1111In die tijd zal gezegd worden
tegen dit volk en tegen Jeruzalem:
Een zinderende wind van de kale hoogten
in de woestijn is [op] weg naar de dochter van Mijn volk,
[maar] niet om te wannen, en niet om te zuiveren.
)
. De vijand zal komen als “een zinderende wind van de kale hoogten in de woestijn” die alle vegetatie verdort. Die wind is op weg naar Gods volk, dat de HEERE “de dochter van Mijn volk” noemt om Zijn innige relatie ermee aan te geven. Het oordeel dat Hij moet laten komen, is voor Hem ook een smartelijke zaak.

Zijn tucht is “niet om te wannen, en niet om te zuiveren”. Wannen en zuiveren gebeuren om het goede dat aanwezig is van de verkeerde elementen te bevrijden. Er is echter bij Gods volk niets aanwezig wat goed is, zodat er niets te wannen of te zuiveren valt. Het geheel valt onder het oordeel.

De wind van het oordeel wordt door de HEERE Zelf gestuurd (vers 1212Een wind, sterker dan deze, komt er van Mij aan.
Nu zal Ik ook oordelen
over hen uitspreken.
)
. Hij stuurt een wervelwind (vers 1313Zie, als wolken komt [de vijand] opzetten,
als een wervelwind komen zijn wagens,
sneller dan arenden zijn zijn paarden.
Wee ons, want wij worden verwoest!
)
die alles meeneemt wat hij tegenkomt. Hij is de Rechter Die het oordeel uitspreekt en het vonnis voltrekt. Dat gebeurt omdat de zonde aangetoond is met alle denkbare bewijzen. Er is geen weerwoord tegenin te brengen. Verzachtende omstandigheden zijn er niet.

Daarom komt de vijand opzetten als wolken die de hemel verduisteren (vers 1313Zie, als wolken komt [de vijand] opzetten,
als een wervelwind komen zijn wagens,
sneller dan arenden zijn zijn paarden.
Wee ons, want wij worden verwoest!
; vgl. Ez 38:16a16U zult als een wolk optrekken tegen Mijn volk Israël om het land te bedekken. Het zal gebeuren in later tijd. Dan zal Ik u over Mijn land doen komen, zodat de heidenvolken Mij kennen, wanneer Ik door u, Gog, voor hun ogen geheiligd word.)
. De vijand komt met wagens die de snelheid van een wervelwind hebben. De paarden die ze trekken zijn zelfs sneller dan arenden. Hiermee wordt de komst van de legers van Babel beschreven, met wagens en oorlogspaarden. De komst van de vijand gebeurt zo snel, dat de overrompeling compleet is en het volk alleen maar kan uitroepen: “Wee ons, want wij worden verwoest.”

De dreiging van de komst van de vijand moet het volk ertoe brengen het kwaad van hun hart af te wassen (vers 1414Was het kwaad van uw hart af, Jeruzalem,
opdat u verlost wordt.
Hoelang laat u uw zondige gedachten
in uw binnenste overnachten?
)
. In het hart vindt de beraming van het kwaad plaats. Daaruit komen de “boze overleggingen” voort (Mt 15:1919Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen.). Dit kwaad kan alleen afgewassen worden door belijdenis en berouw. Als ze dat doen, zullen ze verlost worden. Dat is de wens van de HEERE. Maar Hij kent hun hart. Hij weet dat in hun binnenste zondige gedachten huizen, dat ze daar overnachten en er een rustplaats hebben en dat ze er niet uit worden verwijderd.

Daarom gaat de aankondiging van het oordeel door en roept de HEERE de vijand geen halt toe (vers 1515Want een stem verkondigt het uit Dan
en doet onheil horen uit het bergland van Efraïm.
)
. Er komt bericht dat de vijand het land al is binnengevallen en in Dan is. De stam Dan ligt in het uiterste noorden van Israël. De profeet stelt het voor alsof het al gebeurt. De stam Dan krijgt het eerst met de binnenvallende legers van Babel te maken en laat het bericht daarvan in Jeruzalem horen. Dat bericht wordt onderstreept door een volgende onheilstijding die uit Efraïm komt. Efraïm ligt al veel dichter bij Juda en Jeruzalem. Het toont de snelle opmars van de legers van Babel naar Jeruzalem aan.

De nadering van de vijand moet aan “de volken” gemeld worden (vers 1616Roep het in herinnering bij de volken, zie,
laat Jeruzalem het horen:
Er komen belegeraars uit een ver land,
zij laten hun stem klinken tegen de steden van Juda.
)
. Daarmee kunnen de stammen van Israël worden bedoeld (Dt 33:33Ja, Hij heeft de volken lief!
Al Zijn heiligen zijn in Uw hand,
Zíj zitten aan Uw voeten
en vangen [iets] op van Uw woorden.
)
. Het kan ook zijn dat hiermee de heidenvolken zijn bedoeld, die ook met de oprukkende koning van Babel te maken krijgen. De “belegeraars uit een ver land” zijn de Babyloniërs (Js 39:33Toen kwam de profeet Jesaja bij koning Hizkia. Hij zei tegen hem: Wat hebben die mannen gezegd en waarvandaan zijn zij naar u toe gekomen? Hizkia zei: Zij zijn uit een ver land naar mij toe gekomen, uit Babel.). Jeremia stelt het zo voor dat ze al zo dichtbij zijn, dat de stem van de vijand in de steden van Juda wordt gehoord.

Nog eens wordt duidelijk vermeld wat de aanleiding van deze aanval uit het noorden is (vers 1717Zoals wachters van de velden [staan] zij rondom tegenover haar,
omdat zij Mij ongehoorzaam is geweest, spreekt de HEERE.
)
. De belegeraars hebben de stad omsingeld – Jeremia stelt het voor alsof het al zover is –, zoals wachters de velden omsingelen om te voorkomen dat het wild gedierte erop komt om het veld kaal te vreten. Wachters sluiten een veld hermetisch af. Dat doen de belegeraars met Jeruzalem. De tactiek van de vijand is om eerst het land en de dorpen en steden rondom Jeruzalem te bezetten, zodat de toevoer naar de stad is afgesneden en het beleg ervoor kan worden geslagen.

Deze situatie is het gevolg van hun ongehoorzaamheid aan de HEERE. Als er geloof zou zijn geweest, zou één enkele man de vijand hebben kunnen tegenhouden (2Sm 23:11-1211Na hem kwam Samma, de zoon van Age, uit Harar. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp – er was daar een stuk land vol met linzen – en het volk voor de Filistijnen vluchtte,12stelde hij zich op midden op dat stuk [land], ontrukte het [aan de vijand] en versloeg de Filistijnen. De HEERE bracht een grote verlossing teweeg.). Maar zonde maakt zwak. Het volk is ongehoorzaam aan de HEERE geweest in hun wegen en daden (vers 1818Uw wegen en uw daden
hebben u deze dingen aangedaan.
Dit is uw kwaad, dat het [zo] bitter is,
dat het [u] in uw hart treft.
)
. Dat zijn geen oppervlakkige afwijkingen geweest, maar zitten diep in het hart. Daarom moeten de oordelen het hart treffen.


De zielenstrijd van Jeremia

19Mijn binnenste, mijn binnenste, ik krimp ineen,
wanden van mijn hart!
Mijn hart is onrustig in mij,
ik kan niet zwijgen,
want u, mijn ziel, hoort bazuingeschal
[en] krijgsgeschreeuw.
20Ramp op ramp, wordt er geroepen,
want heel het land werd verwoest.
Plotseling zijn mijn tenten verwoest,
in een ogenblik mijn tentkleden.
21Hoelang moet ik de banier [nog] zien,
het bazuingeschal horen?
22Voorzeker, Mijn volk is dwaas,
men kent Mij niet.
Verstandeloze kinderen zijn het,
inzicht heeft men niet.
Wijs is men in kwaaddoen,
maar van goeddoen weet men niet.

Jeremia is volledig bij zijn boodschap betrokken (vers 1919Mijn binnenste, mijn binnenste, ik krimp ineen,
wanden van mijn hart!
Mijn hart is onrustig in mij,
ik kan niet zwijgen,
want u, mijn ziel, hoort bazuingeschal
[en] krijgsgeschreeuw.
)
. Hij beleeft wat hij predikt. Hij ervaart het gewicht ervan en gaat eronder gebukt. Het raakt hem diep van binnen. Zijn darmen raken van slag en zijn hart is onrustig bij de aanblik van de ellende die op komst is. Het is voor hem onmogelijk om daarover te zwijgen. Hij moet het doorgeven om te waarschuwen. Hij hoort het bazuingeschal en het krijgsgeschreeuw van de vijandelijke legers. Zó maakt hij zich een met het volk, het overblijfsel waarin de Geest van Christus is. Hij gaat gebukt onder de goddeloze toestand van het volk en ervaart Gods toorn erover. Hij vertolkt de stem van het gelovig overblijfsel. Het is de taal van de psalmen.

In de geest ziet hij hoe ramp op ramp zich voltrekt (vers 2020Ramp op ramp, wordt er geroepen,
want heel het land werd verwoest.
Plotseling zijn mijn tenten verwoest,
in een ogenblik mijn tentkleden.
)
. Er wordt melding gemaakt van de ene na de andere onheilstijding, net als de boodschappers die tot Job komen. De een is nog niet klaar met het vertellen van het onheil of de volgende komt er al aan met een nieuw bericht van onheil (Jb 1:13-1913Er was nu een dag, toen zijn zonen en zijn dochters aten en wijn dronken in het huis van hun broer, de eerstgeborene,14dat er een bode bij Job kwam en zei: De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen naast hen aan het weiden.15Toen deden Sabeeërs een inval en namen ze mee, en ze sloegen de knechten met de scherpte van het zwaard; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.16Terwijl deze nog sprak, kwam er een ander en zei: Het vuur van God viel neer uit de hemel en ontbrandde tegen de schapen en de knechten, en verteerde ze; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.17Terwijl deze nog sprak, kwam er [weer] een ander en zei: De Chaldeeën stelden drie groepen op en pleegden een overval op de kamelen en namen ze mee, en sloegen de knechten met de scherpte van het zwaard; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.18Terwijl deze nog sprak, kwam er [nog weer] een ander en zei: Uw zonen en uw dochters waren aan het eten en wijn drinken in het huis van hun broer, de eerstgeborene.19En zie, een hevige stormwind kwam van over de woestijn en trof de vier hoeken van het huis, en het viel boven op de jonge mensen, zodat zij stierven; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.). Het hele land wordt door de vijand verwoest. In een ogenblik is elk familieleven in tenten onmogelijk geworden omdat de tenten zijn verwoest. Jeremia spreekt van “mijn tenten”, zozeer is hij begaan met het volk. Hij leeft zich helemaal in de naderende verschrikkingen in.

Hij vraagt de HEERE hoelang hij nog moet aanzien dat de vijand het voor het zeggen heeft (vers 2121Hoelang moet ik de banier [nog] zien,
het bazuingeschal horen?
)
. De vraag “hoelang” komt ook vaak in de psalmen voor. Zijn leed toont een diepe vaderlandsliefde die niemand zo voelt als hij. Gemeenschap met God en gehoorzaamheid aan Zijn dienst verdiepen altijd de gevoeligheid van de dienaar. Hoe kan deze man, die zo diep begaan is met het lot van zijn volk, later van verraad beschuldigd worden?

De HEERE antwoordt hem dat de oorzaak van al deze ellende bij “Mijn volk” ligt (vers 2222Voorzeker, Mijn volk is dwaas,
men kent Mij niet.
Verstandeloze kinderen zijn het,
inzicht heeft men niet.
Wijs is men in kwaaddoen,
maar van goeddoen weet men niet.
)
. Hier horen we ook de pijn in het hart van de HEERE. Hoewel zij Zijn volk zijn, kennen ze Hem niet. ‘Kennen’ houdt hier in een leven in gemeenschap met Hem en in liefde en vertrouwen met Hem omgaan. Hij moet van hen zeggen dat ze “verstandeloze kinderen” zijn, die leven zonder inzicht in Wie Hij is en in wie ze zelf zijn (vgl. Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
)
. Ze weten goed hoe ze kwaad moeten doen, daar zijn ze zelfs “wijs” in, maar ze zijn onbekend met goeddoen, daarvan “weet men niet”.

De Heer verwacht van ons dat we wijs zijn in het goede, maar rein in het kwade (Rm 16:19b19Want uw gehoorzaamheid is ter [kennis van] allen gekomen. Ik verblijd mij daarom over u; maar ik wil dat u wijs bent jegens het goede, maar rein jegens het kwade.). We mogen goed en kwaad in onze harten en levens niet met elkaar verwisselen en ook niet vermengen (Js 5:2020Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.
)
.


De kosmische ramp

23Ik zag het land, en zie, het was woest en leeg,
en [keek] naar de hemel – zijn licht was er niet.
24Ik zag de bergen, en zie, zij beefden,
en alle heuvels schudden door elkaar.
25Ik zag, en zie, er was geen mens,
en alle vogels in de lucht waren weggevlogen.
26Ik zag, en zie, het vruchtbare land was woestijn,
en al zijn steden waren afgebroken,
door de HEERE,
door Zijn brandende toorn.

Jeremia ziet in de geest de gevolgen van de komst van de vijand. Hij ziet het oordeel van God als een kosmische catastrofe die het land “woest en leeg” (vers 2323Ik zag het land, en zie, het was woest en leeg,
en [keek] naar de hemel – zijn licht was er niet.
)
maakt, zoals de aarde is voordat God die gaat formeren en vullen (Gn 1:22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.). Aan de hemel ontbreekt het licht. Wat staat voor vastheid en stabiliteit, “bergen” en “alle heuvels”, wordt heen en weer bewogen (vers 2424Ik zag de bergen, en zie, zij beefden,
en alle heuvels schudden door elkaar.
)
. Er is geen levend wezen meer te bekennen (vers 2525Ik zag, en zie, er was geen mens,
en alle vogels in de lucht waren weggevlogen.
)
. Er is ook verder geen leven te bekennen, want het vruchtbare land is een woestijn geworden, en de verzamelplaatsen van mensen, de steden, zijn afgebroken (vers 2626Ik zag, en zie, het vruchtbare land was woestijn,
en al zijn steden waren afgebroken,
door de HEERE,
door Zijn brandende toorn.
)
.

De beschrijving is levendig, eenvoudig, direct, breed aan verwijzingen en ernstig van inhoud. Het zijn unieke verzen. De profeet wordt door de Geest geleid om te getuigen van deze kosmische ramp. Vier keer staat er “ik zag”. Het is van toepassing op de komende dag van de HEERE. De hele natuur wordt omgewoeld en geen element ervan blijft buiten schot.

En als we dan verwachten dat dit komt door het werk van de vijand, horen we ineens dat het is gebeurd “door de HEERE, door Zijn brandende toorn”. Achter het werk van de vijand zit de hand van de HEERE. Hij is de Veroorzaker van de verwoestingen.


De woestheid van het land

27Want zo zegt de HEERE:
Heel het land zal een woestenij worden –
toch zal Ik er geen [vernietigend] einde aan maken.
28Hierom zal de aarde treuren
en de hemel daarboven in zwart gehuld worden,
want Ik heb gesproken, Ik heb [het] Mij voorgenomen,
en Ik zal geen berouw krijgen en er niet op terugkomen.
29Voor het geroep van ruiters en boogschutters
slaat heel de stad op de vlucht.
Ze gaan de struiken in
of klimmen op de rotsen.
Elke stad is verlaten –
niemand die er [nog] in woont.
30U, verwoeste, wat gaat u nu doen?
Al zou u zich kleden in karmozijn,
al zou u zich tooien met een gouden sieraad,
al zou u uw ogen opmaken met oogschaduw,
tevergeefs zou u zich mooi maken.
Uw minnaars verwerpen u,
staan u naar het leven.
31Want ik hoor een geluid als [van een vrouw] in barensnood,
benauwdheid als van een die haar eerste kind aan het baren is.
Het is het geluid van de dochter van Sion, zij snakt naar adem,
zij spreidt haar handen uit:
Wee mij toch! Want mijn ziel is uitgeput,
vanwege de moordenaars.

Omdat de HEERE Zelf dit oordeel uitvoert, is dat tegelijk de garantie dat Hij de grens ervan bepaalt die niet zal worden overschreden (vers 2727Want zo zegt de HEERE:
Heel het land zal een woestenij worden –
toch zal Ik er geen [vernietigend] einde aan maken.
)
. Dat biedt uitzicht op enige hoop, de hoop op een overblijfsel. De vijand zal niets van Gods volk willen overlaten, maar de HEERE zorgt ervoor dat er geen vernietigend einde aan het land wordt gemaakt.

De aarde zal echter treuren vanwege de rampen die over haar zullen komen (vers 2828Hierom zal de aarde treuren
en de hemel daarboven in zwart gehuld worden,
want Ik heb gesproken, Ik heb [het] Mij voorgenomen,
en Ik zal geen berouw krijgen en er niet op terugkomen.
)
. En komen zullen ze. De HEERE bevestigt dat in de krachtigste bewoordingen met een viervoudige bezwering:
1. “Ik heb gesproken,
2. Ik heb [het] Mij voorgenomen,
3. en Ik zal geen berouw krijgen
4. en er niet op terugkomen.”

Als in de stad het geroep van de aanstormende ruiters en boogschutters wordt gehoord, slaat heel de stad op vlucht (vers 2929Voor het geroep van ruiters en boogschutters
slaat heel de stad op de vlucht.
Ze gaan de struiken in
of klimmen op de rotsen.
Elke stad is verlaten –
niemand die er [nog] in woont.
)
. Ze zoeken allen een schuilplaats buiten de stad, in de struiken of op de rotsen. Zo willen ze proberen zich te verbergen voor de toorn van God (vgl. Op 6:15-1615En de koningen van de aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de sterken en elke slaaf en vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen;16en zij zeiden tegen de bergen en tegen de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor [het] aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam;). Als de vijand bij Jeruzalem komt, zijn alle andere steden van Juda al verlaten, er woont niemand meer in.

Dan richt de HEERE Zich tot de verwoeste stad en vraagt met ironie in Zijn stem wat ze nu van plan is om te doen (vers 3030U, verwoeste, wat gaat u nu doen?
Al zou u zich kleden in karmozijn,
al zou u zich tooien met een gouden sieraad,
al zou u uw ogen opmaken met oogschaduw,
tevergeefs zou u zich mooi maken.
Uw minnaars verwerpen u,
staan u naar het leven.
)
. Hij kan haar wel vertellen dat alles wat ze doet om zichzelf mooi te maken om voor de vijanden van Zijn volk aantrekkelijk te zijn, geen enkel effect zal hebben. Ze wil er uitzien als een hoer en meent zo het oordeel te kunnen afwenden. Haar uitdagende kleding, haar aantrekkelijke sieraden en haar lonkende ogen – letterlijk staat er dat ze haar ogen met verf vergroot – zullen echter het tegendeel bewerken (vgl. 2Kn 9:3030En Jehu kwam in Jizreël. Toen Izebel [dat] hoorde, voorzag zij haar ogen van oogschaduw, verzorgde haar kapsel en zag door het venster neer [naar buiten].; Ez 16:26-2926U bedreef hoererij met de Egyptenaren, uw zwaargeschapen buren. U maakte uw hoererijen talrijk, zodat u Mij tot toorn verwekte.27Zie, daarop strekte Ik Mijn hand tegen u uit en verminderde het u toegewezen deel, en Ik gaf u over aan de willekeur van hen die u haten, aan de dochters van de Filistijnen, die te schande werden vanwege uw schandelijk gedrag.28Daarna bedreef u hoererij met de Assyriërs, omdat u onverzadigbaar was. U bleef hoererij met hen bedrijven, en nog raakte u niet verzadigd.29Vervolgens maakte u uw hoererij talrijk tot in het land van de kooplieden, Chaldea. En ook daardoor raakte u niet verzadigd.; 23:40-4140Daar komt bij dat zij [een boodschap] stuurden naar mannen die van ver moesten komen – er werd een gezant naar hen gestuurd – en zie, zij kwamen. Voor hen hebt u zich gewassen, uw ogen opgemaakt en u met uw sieraden getooid.41U bent op een prachtig bed gaan zitten, met daarvoor een gereedgemaakte tafel, waarop u Mijn reukwerk en Mijn olie had gezet.).

Haar minnaars zullen haar verwerpen en haar het leven onmogelijk maken. Ze heeft alle aantrekkelijkheid verloren en wordt als waardeloos aan de kant geschoven. Zo gaat het met ieder die vol eigendunk meent voor anderen aantrekkelijk te zijn, maar zich niet afvraagt hoe God hem of haar ziet.

Jeremia hoort het geluid van een vrouw die in barensnood is van haar eerste kind (vers 3131Want ik hoor een geluid als [van een vrouw] in barensnood,
benauwdheid als van een die haar eerste kind aan het baren is.
Het is het geluid van de dochter van Sion, zij snakt naar adem,
zij spreidt haar handen uit:
Wee mij toch! Want mijn ziel is uitgeput,
vanwege de moordenaars.
)
. De benauwdheid die dit veroorzaakt, is een beeld van wat het oordeel uitwerkt. Barensweeën houden tegelijk de belofte van nieuw leven in. Jeremia hoort hier hoe Sion naar adem snakt en de handen uitspreidt om hulp te ontvangen. De ontrouwe vrouw, de hoer, moet een vrouw in barensnood worden. De moordenaars die over haar komen, moeten haar uitdrijven naar de HEERE met berouw over haar zonden om nieuw leven te krijgen. De uitroep “wee mij toch!” is daarvan het begin.


Lees verder