Jeremia
1-5 De dwaasheid van afgoderij 6-16 De majesteit van God 17-22 Verbanning voor het zondige Israël 23-25 Gebed voor het volk
De dwaasheid van afgoderij

1Hoor het woord dat de HEERE tot u spreekt, huis van Israël. 2Zo zegt de HEERE:
U mag u de weg van de heidenvolken niet aanleren,
en u niet ontstellen door de tekenen aan de hemel,
omdat de heidenvolken zich daardoor ontstellen.
3Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig:
het is immers een stuk hout, [iemand] heeft het uit het bos gekapt,
vakwerk met de bijl.
4Met zilver en met goud maken ze het mooi,
met spijkers en met hamers zetten ze het vast,
zodat het niet kan wiebelen.
5Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet.
Ze moeten helemaal gedragen worden, want ze kunnen geen stap verzetten.
Wees niet bevreesd voor hen, want kwaad kunnen ze niet doen,
maar ook goeddoen is er bij hen niet bij.

Voortdurend klinkt de oproep om het woord te horen dat de HEERE spreekt, ook nu weer (vers 11Hoor het woord dat de HEERE tot u spreekt, huis van Israël.). Die oproep wordt gedaan aan het “huis van Israël”, dat zijn allen die ertoe behoren, waar ze zich ook bevinden, in het land of in de verstrooiing. Het Woord moet al onze gedachten en handelingen besturen.

Als we niet naar het Woord luisteren, zullen we onszelf de weg van de heidenvolken aanleren (vers 22Zo zegt de HEERE:
U mag u de weg van de heidenvolken niet aanleren,
en u niet ontstellen door de tekenen aan de hemel,
omdat de heidenvolken zich daardoor ontstellen.
)
. De weg van de heidenvolken niet aanleren betekent ons niet door de wereld laten beïnvloeden in ons denken (Rm 12:22En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, opdat u beproeft wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.). Als de wereld wel invloed krijgt in ons denken, zal dat in ons gedrag te zien zijn, in de dingen die we najagen. We verleggen dan de bron van informatie over het leven van de Bijbel naar de afgoden.

De heidenen speuren de hemel af om tekenen waar te nemen waaruit ze de toekomst kunnen opmaken. Wij noemen dat astrologie, die hier dus wordt veroordeeld. Hoeveel christenen zijn er die kennis nemen van horoscopen? Hierachter zitten schrikaanjagende demonen, machten die “ontstellen”. Voor Gods volk komt van de hemel wat van God komt en Hij geeft het goede aan Zijn volk.

Het is grote dwaasheid om de methoden van de volken te volgen, want het zijn onzinnige methoden (vers 33Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig:
het is immers een stuk hout, [iemand] heeft het uit het bos gekapt,
vakwerk met de bijl.
)
. Letten op tekenen en niet op wat God zegt, is onzinnig. Kijk maar eens hoe de heidenen te werk gaan. Ze aanbidden hout dat ze
1. eerst zelf uit het bos hebben gekapt
2. en het daarna hebben bewerkt en opgeknapt tot een god.
3. Vervolgens hebben ze het versierd met kostbare materialen van de schepping (vers 44Met zilver en met goud maken ze het mooi,
met spijkers en met hamers zetten ze het vast,
zodat het niet kan wiebelen.
).

4. Ten slotte hebben ze deze god eigenhandig zo vastgespijkerd, dat hij niet kan wiebelen of vallen.
5. Later trekken ze hem ook nog een koninklijk gewaad aan (vers 99Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz;
werk van een vakman, en van de handen van een edelsmid
– blauwpurper en roodpurper is hun gewaad –
alles is het werk van kundige [mensen].
)
.

Ze moeten er maar eens goed naar kijken. Is het niet te zot voor woorden om enige eerbied te hebben voor of hulp te verwachten van een stuk hout dat niet eens in staat is zichzelf op de been te houden, laat staan zijn aanbidders? Zien ze dan niet dat zo’n god veel weg heeft van een vogelverschrikker (vers 55Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet.
Ze moeten helemaal gedragen worden, want ze kunnen geen stap verzetten.
Wees niet bevreesd voor hen, want kwaad kunnen ze niet doen,
maar ook goeddoen is er bij hen niet bij.
)
? Je moet wel zo dom zijn als een vogel om van zo’n levenloos geraamte te schrikken.

Zulke goden kunnen helemaal niets. Ze kunnen geen woord zeggen om iemand te troosten. Ze kunnen geen stap zetten om iemand te hulp te komen die in moeilijkheden verkeert. In plaats daarvan zijn ze zelf een last die moet worden gedragen. Toch buigt de mens ervoor neer. Wat een dwaasheid om aan zo’n god enige aandacht te schenken en er bang voor te worden, alsof die iets zou kunnen doen, ten goede of ten kwade. Toch gebeurt het ook vandaag nog, bijvoorbeeld met een crucifix en andere attributen die de roomse kerk verkoopt en waarmee men rondloopt.

God spot hier met de afgoden (Js 40:18-2018Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?19De vakman giet het beeld,
de edelsmid overtrekt het met goud
en smeedt [er] zilveren kettingen [voor].
20Wie te arm is [voor] een hefoffer,
kiest een stuk hout [dat] niet kan verrotten.
Hij zoekt een kundig vakman voor zich uit
om een beeld te vervaardigen dat niet wankelt.
; 41:77De vakman bemoedigde de edelsmid,
hij die met de hamer gladmaakt, hem die op het aambeeld slaat,
door van het soldeersel te zeggen: Het is goed.
Daarna zette hij het vast met spijkers, zodat het niet zou wankelen.
; 44:9-209De makers van beelden, allen zijn zij leegheid,
hun geliefde voorwerpen doen geen nut.
Ja, zijzelf zijn hun getuigen: zij zien niet
en zij weten niet. Daarom zullen zij beschaamd worden.
10Wie maakt er [nu] een god en giet een beeld
dat geen nut doet?
11Zie, al hun metgezellen zullen beschaamd worden,
want vaklieden zijn slechts mensen.
Laten zij bijeenkomen, laten zij allen opstaan;
zij zullen angstig zijn, samen zullen zij beschaamd worden.
12De ijzersmid [smeedt] een bijl,
werkt in de vuurgloed,
vormt het [beeld] met hamers,
bewerkt het met zijn sterke arm;
hij lijdt zelfs honger en heeft geen kracht meer,
hij drinkt geen water en raakt afgemat.
13De timmerman spant een meetlint uit,
tekent het [hout] af met een krijtstift,
maakt het [glad] met schaven,
tekent het af met een passer
en maakt het naar de vorm van een man,
naar de schoonheid van een mens, om het in een huis te laten wonen.
14Hij hakt voor zichzelf ceders om,
neemt een cipres of een eik,
en kweekt [die] voor zichzelf op tussen de bomen van het woud;
hij plant een olm en de regen maakt [die] groot.
15Ze dienen de mens tot brandhout,
hij neemt ervan en warmt zich erbij,
hij steekt het ook aan en bakt brood.
Ook maakt hij er een god van en buigt zich [ervoor],
hij maakt er een gesneden beeld van en knielt ervoor neer.
16De helft ervan verbrandt hij in het vuur.
Bij die helft eet hij vlees,
braadt een braadstuk en wordt verzadigd.
Ook warmt hij zich en zegt: Ha,
ik word warm, ik zie vuur!
17Van de rest ervan maakt hij een god, zijn gesneden beeld.
Hij knielt ervoor neer, buigt zich,
bidt het aan en zegt:
Red mij, want u bent mijn god.
18Zij weten niet en begrijpen niet,
want hun ogen zijn dichtgesmeerd, zodat zij niet zien,
[en] hun harten, zodat zij niet begrijpen.
19Niemand neemt het ter harte,
er is geen kennis en geen inzicht om te zeggen:
De helft ervan heb ik verbrand in het vuur,
ook heb ik brood gebakken op de houtskool ervan,
ik heb vlees gebraden en gegeten –
en zou ik van het overgebleven [hout] iets gruwelijks maken,
zou ik knielen voor een stuk hout?
20Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem op een dwaalspoor gebracht,
zodat hij zijn ziel niet redden kan en niet kan zeggen:
Is er geen bedrog in mijn rechterhand?
; 46:5-75Met wie wilt u Mij vergelijken en [met wie] op één lijn stellen?
[Met wie] wilt u Mij meten, dat wij elkaars gelijken zouden zijn?
6Zij schudden goud uit [hun] beurs
en wegen zilver op een weegschaal.
Zij huren een edelsmid, en die maakt er een god van.
Zij knielen, ook buigen zij zich [ervoor] neer.
7Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem
en zetten hem op zijn plaats.
Daar staat hij [en] van zijn plaats wijkt hij niet.
Ja, roept [iemand] tot hem, hij antwoordt niet,
hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
)
. Het sarcasme druipt eraf. Dat lijkt in onze tijd van tolerantie niet meer te passen. Maar we mogen geen enkel respect voor afgoden tonen. Ze zijn belachelijk, idioot. Om je daaraan toe te vertrouwen en iets van dergelijke idioterie te verwachten, is nog idioter.

Als iemand geen persoonlijke relatie met de levende God heeft door het geloof in Jezus Christus, betekent dat niet dat hij geen behoefte aan een god heeft. Zo iemand onderwerpt zich aan een vervangende god en vervangt de ware aanbidding door een valse aanbidding. Het resultaat is afgoderij. We zien dat in de aanbidding van bijvoorbeeld de paus en sporthelden. We zien dat ook in de aanbidding van de materie. De hebzucht van de mens geeft aan dat hij een afgodendienaar is. Gods Woord spreekt over “de hebzucht, die afgodendienst is” (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,).


De majesteit van God

6Niemand, HEERE, is U gelijk,
groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte.
7Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?
Want [dat] komt U toe.
Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken
en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.
8In één ding zijn zij toch dom en dwaas:
onderwijs in onzinnigheid, hout is het!
9Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz;
werk van een vakman, en van de handen van een edelsmid
– blauwpurper en roodpurper is hun gewaad –
alles is het werk van kundige [mensen].
10De HEERE God is echter de Waarheid,
Hij is de levende God, een eeuwig Koning.
Voor Zijn grote toorn beeft de aarde,
de heidenvolken kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
11Dit moet u tegen hen zeggen:
De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben,
die zullen van de aarde en van onder deze hemel vergaan.
12Hij maakte de aarde door Zijn kracht,
grondvestte de wereld door Zijn wijsheid,
Hij heeft de hemel door Zijn inzicht uitgespannen.
13Als Hij Zijn stem laat klinken, [dan] is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
14Ieder mens is dom geworden, zonder kennis,
elke edelsmid is beschaamd over [zijn] beeld.
Zijn gegoten beeld is immers bedrog:
er zit in hen geen adem.
15Nietig zijn zij,
bespottelijk werk,
ten tijde van hun vergelding zullen zij vergaan.
16[Maar] het Deel van Jakob is niet als zij,
want Hij is Formeerder van alles,
en Israël is de stam [die] Zijn eigendom is,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

Dan komt de grote tegenstelling. Afwisselend gaat het in deze verzen over de volslagen idioterie van de afgoden, hun absolute waardeloosheid en doodsheid, en daartegenover de alles te boven gaande heerlijkheid van de HEERE Die machtig werkt. Tegenover de dwaze afgoden, die nietigheden, plaatst Jeremia de absolute majesteit van de HEERE (vers 66Niemand, HEERE, is U gelijk,
groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte.
)
. Niemand is Hem gelijk. Hij is onbeschrijflijk groot en Zijn Naam is groot in sterkte. Zijn Naam houdt alles in wat Hij is. Dat geeft vrede aan ieder die gelooft. Hij is de “Koning van de heidenvolken” – dus niet alleen van Israël – en alleen Hij boezemt ontzag in (vers 77Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?
Want [dat] komt U toe.
Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken
en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.
)
. Geen enkele wijze van de heidenvolken is met Hem te vergelijken.

In de verzen 8-98In één ding zijn zij toch dom en dwaas:
onderwijs in onzinnigheid, hout is het!
9Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz;
werk van een vakman, en van de handen van een edelsmid
– blauwpurper en roodpurper is hun gewaad –
alles is het werk van kundige [mensen].
wordt nog een keer op de onzinnigheid van de volken gewezen die hun eigenhandig gemaakte en versierde voorwerpen aanbidden. Het materiaal dat nodig is om een afgod te maken, is ergens vandaan op aarde gehaald. De afgoden zijn door kundige mensen gemaakt, maar die mensen zijn tevens dwaas omdat ze in een zo grote leugen geloven. Het is mooi werk met een boos doel. Het onderwijs van de afgoden is net zoveel waard als het hout waarvan die goden gemaakt zijn.

Tegenover afgodenmakers en hun werken staat de God van de waarheid (vers 1010De HEERE God is echter de Waarheid,
Hij is de levende God, een eeuwig Koning.
Voor Zijn grote toorn beeft de aarde,
de heidenvolken kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
)
. Door Hem weten we de waarheid over alle dingen. Hij is de waarachtige, Hij is waarachtig in al Zijn uitspraken en handelingen. Hij is ook “de levende God”. Door Hem is het leven ontstaan en door Hem kennen we het leven. Hij is ook “een eeuwig Koning”, Hij bestuurt en beheerst altijd en overal alles. Niets loopt Hem uit de hand. Dat maakt Hem tot de oordelende God, Die de zonde niet ongestraft laat.

Er zijn hier drie tegenstellingen:
1. de afgoden zijn vals, God is waarachtig;
2. de afgoden zijn dood, God is de levende God;
3. de afgoden zijn voorbijgaand, ze vergaan, God is eeuwig.

Jeremia moet het volk erop wijzen dat God de afgoden volledig zal wegvagen (vers 1111Dit moet u tegen hen zeggen:
De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben,
die zullen van de aarde en van onder deze hemel vergaan.
)
. Het zijn afgoden waaraan scheppende kracht wordt toegeschreven, maar die natuurlijk niets tot stand hebben gebracht. Het geloof in oorzaken buiten God waardoor de schepping tot stand zou zijn gebracht, is hiermee als afgoderij aangeduid. Achter de afgoden gaan demonen schuil. De evolutietheorie is een lering van demonen.

Hij, de levende God, en niet de een of andere afgod, is de Schepper en Onderhouder van al Zijn werken (vers 1212Hij maakte de aarde door Zijn kracht,
grondvestte de wereld door Zijn wijsheid,
Hij heeft de hemel door Zijn inzicht uitgespannen.
; Ps 135:5-12,15-175Want ík weet: de HEERE is groot;
onze Heere [gaat] alle goden te boven.
6Al wat de HEERE behaagt, doet Hij,
in de hemel en op de aarde,
in de zeeën en alle diepe wateren.
7Hij doet dampen opstijgen van het einde der aarde,
Hij maakt de bliksemflitsen bij de regen,
Hij brengt de wind uit Zijn schatkamers naar buiten.8Hij trof de eerstgeborenen in Egypte,
van de mens af tot het vee toe.
9Hij zond tekenen en wonderen
in uw midden, Egypte,
aan de farao en al zijn dienaren.
10Hij versloeg vele volken
en doodde machtige koningen:
11Sihon, de koning van de Amorieten,
en Og, de koning van Basan,
en al de koninkrijken van Kanaän.
12Hun land gaf Hij als erfelijk bezit,
als erfelijk bezit aan Zijn volk Israël.15De afgoden van de heidenvolken zijn zilver en goud,
werk van mensenhanden.
16Zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet.
17Zij hebben oren, maar horen niet;
er is zelfs geen adem in hun mond.
)
. Zijn werken tonen het grote contrast met de onmacht en dwaasheid van de afgoden, die ook nog eens slechts territoriale goden zijn, goden met een heel beperkt gezagsgebied. Zo heeft Hij de aarde gemaakt door Zijn kracht en heeft Hij de wereld gegrondvest door Zijn wijsheid. De hemel, waar de afgodendienaars naar kijken om er tekenen waar te nemen, heeft Hij door Zijn inzicht uitgespannen.

We zien hier drie kenmerken van God als Schepper:
1. de aarde, de materie, is door een handeling (uitspraak) van “Zijn kracht” gemaakt;
2. de wereld, het ordenen en rangschikken van de aarde als een plaats waar de mens kan verblijven, is het werk van “Zijn wijsheid”;
3. het uitspannen van de hemel als een tent over de aarde heeft Hij door “Zijn inzicht” gedaan.

Zijn woord is Zijn macht. Als Hij spreekt, gebeurt er altijd wat (vers 1313Als Hij Zijn stem laat klinken, [dan] is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
; vgl. Ps 33:9)
. Zijn stem klinkt in de diverse natuurverschijnselen, waarnaar Jeremia hier verwijst (vgl. Jb 37:2-32Luister aandachtig naar het daveren van Zijn stem,
en naar het geluid [dat] uit Zijn mond komt!
3Hij laat het los onder heel de hemel,
en Zijn licht tot over de einden van de aarde.
)
. Wij zeggen ‘het regent’, maar hier lezen we dat God Zijn stem laat klinken en dat er dan “gedruis van wateren aan de hemel” is. De afgoden van de heidenen zijn gevangenen van de natuur. God niet. Hij beschikt over de natuur en bepaalt de loop ervan (Jb 28:24-2624Want Híj ziet tot aan de einden der aarde,
Hij ziet onder heel de hemel,
25terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt,
en de wateren meet met een maat.
26Toen Hij een verordening maakte voor de regen,
en een weg voor het weerlicht van de donder –
)
.

Hij “doet dampen opstijgen van het einde van de aarde” om daarvan wolken te maken die regen over de aarde uitgieten. De bliksemflitsen die daarmee gepaard gaan, heeft Hij ook gemaakt. Ook “de wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn” (vgl. Jb 38:2222Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?
Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,
)
. Deze almacht over de natuur is de almacht van de Schepper ervan, dat is de Heer Jezus door Wie God de werelden heeft gemaakt (Sp 30:44Wie is er naar de hemel opgestegen en [vandaar] neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, u weet het immers?
; Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.; Jh 1:1-31In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.2Dit was in [het] begin bij God.3Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.)
.

Als we denken aan de vergelijking van de HEERE met de afgoden, zien we dat de profeet hier niet alleen zegt dat de HEERE de Schepper is van de materie waaruit de afgoden zijn vervaardigd. Hij vestigt hier bovendien de aandacht op de natuurverschijnselen die laten zien dat de HEERE de God is Die de natuur in beweging brengt. Maar het grootste is, dat Hij de Levende God is Die toornt en gramschap uitoefent.

Wat is de mens dom om die verheven, alles te boven gaande en besturende God in te ruilen voor een gegoten beeld dat “bedrog” is (vers 1414Ieder mens is dom geworden, zonder kennis,
elke edelsmid is beschaamd over [zijn] beeld.
Zijn gegoten beeld is immers bedrog:
er zit in hen geen adem.
)
. De mens die “zonder kennis” van de waarachtige, levende, eeuwige God is, neemt zijn toevlucht tot leugen. Hij gaat naar een edelsmid om voor hem een god in elkaar te zetten. Wat die smid maakt, is tot zijn eigen beschaming. Het is boerenbedrog. In het beeld zit geen vleugje adem, geen spoortje leven. Hoe kun je daar nu enige activiteit van verwachten. Dit is werkelijk heel erg dom.

Zien ze dan niet dat wat de handen van de smid hebben gemaakt, “nietig” is, leeg, hol, totaal zonder inhoud (vers 1515Nietig zijn zij,
bespottelijk werk,
ten tijde van hun vergelding zullen zij vergaan.
)
? En dat niet alleen. Een afgod is ook bespottelijk. Je kunt er alleen maar de spot mee drijven, meer heb je er niet aan. Hoe bespottelijk is het toch om van een afgod ook maar iets te verwachten. Daar komt ten slotte bij dat aan een dergelijke god een houdbaarheidsdatum zit. Je kunt er slechts een beperkte tijd in geloven, want er komt een tijd van vergelding en dan vergaat hij, samen met zijn vereerders. Dan wordt hij wat hij altijd al was: niets (vgl. 1Ko 8:4-64wat dan het eten van de afgodenoffers betreft, wij weten dat een afgod niets is in [de] wereld, en dat er geen God is dan Eén.5Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in [de] hemel, hetzij op aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn),6dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.).

Daar tegenover staat het onvergankelijke “Deel van Jakob”, dat is de HEERE Zelf (vers 1616[Maar] het Deel van Jakob is niet als zij,
want Hij is Formeerder van alles,
en Israël is de stam [die] Zijn eigendom is,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
. Hij heeft alles gemaakt, “Hij is Formeerder van alles”. Te midden van dat alles heeft Hij Israël als Zijn eigendom genomen (Ex 19:5-65Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.6U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.). Ondanks al hun afwijking en zonden, blijft dat staan. Zoiets kan alleen “de HEERE van de legermachten” bedenken en doen. Het is de Naam die aangeeft dat alle machten in het heelal aan Hem onderworpen zijn. Hij laat Zich door niets en niemand Zijn verbinding met Jakob en Israël ontzeggen of betwisten, hoezeer Hij hen ook moet oordelen vanwege hun ontrouw en verwerping van Hem, zoals de volgende verzen laten zien.


Verbanning voor het zondige Israël

17Verzamel uit het land uw handelswaar,
u die in de vesting woont.
18Want zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga
de inwoners van het land
deze keer wegslingeren.
Ik zal hen benauwen,
dat zij het ondervinden.
19Wee mij om mijn breuk,
mijn wond is pijnlijk.
En ik had zelf gezegd: Zeker, dit
is een ziekte, ik moet die dragen.
20Mijn tent is verwoest en al mijn touwen zijn gebroken,
mijn kinderen zijn bij mij weggegaan en zij zijn er niet.
Er is niemand meer die mijn tent opzet
en mijn tentkleden opstelt.
21Want de herders zijn dom geweest
en hebben de HEERE niet geraadpleegd.
Daarom hebben zij niet verstandig gehandeld
en is heel [de kudde van] hun weide verspreid.
22Een geluid van een gerucht! Zie, het komt!
Een groot gedreun uit het land in het noorden,
om de steden van Juda te maken
[tot] een woestenij, een verblijf[plaats] van jakhalzen.

De toon van de profeet verandert weer. De HEERE roept Jeruzalem – “u die in de vesting woont” – op zich voor te bereiden op hun wegvoering in ballingschap (vers 1717Verzamel uit het land uw handelswaar,
u die in de vesting woont.
; vgl. Ez 12:3-163En u, mensenkind, maak voor uzelf bagage voor de ballingschap gereed en ga voor hun ogen overdag in ballingschap: voor hun ogen moet u vanuit uw [woon]plaats naar een andere plaats in ballingschap gaan. Misschien zullen zij inzien dat zij een opstandig huis zijn.4Overdag moet u voor hun ogen uw bagage als bagage voor ballingschap naar buiten brengen. Zelf moet u dan voor hun ogen 's avonds naar buiten gaan, zoals ballingen wegtrekken.5Breek voor uzelf voor hun ogen door de muur heen en breng daar [alles] door naar buiten.6U moet het voor hun ogen op [uw] schouder dragen. In het donker moet u het naar buiten brengen. Uw gezicht moet u bedekken, zodat u het land niet kunt zien, want Ik heb u als wonderteken gegeven voor het huis van Israël.7Toen deed ik precies zoals mij geboden was. Overdag bracht ik mijn bagage naar buiten als bagage voor ballingschap en 's avonds brak ik voor mijzelf met de hand door de muur heen. In het donker bracht ik [alles] naar buiten [en] droeg ik het voor hun ogen op [mijn] schouder.8's Morgens kwam het woord van de HEERE tot mij:9Mensenkind, heeft het huis van Israël, dat opstandige huis, niet tegen u gezegd: Wat bent u aan het doen?10Zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Deze last geldt de vorst in Jeruzalem en heel het huis van Israël, dat in hun midden is.11Zeg: Ik ben uw wonderteken. Zoals ik gedaan heb, zo zal met hen gedaan worden: zij zullen door ballingschap in gevangenschap gaan.12En de vorst die in hun midden is, zal [de bagage] op [zijn] schouder dragen, in het donker, en naar buiten gaan. Zij zullen door de muur heen breken om [hem] erdoor naar buiten te brengen. Hij zal zijn gezicht bedekken om niet met [eigen] ogen het land te zien.13Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem brengen naar Babel, het land van de Chaldeeën, maar [ook] dat zal hij niet zien, hoewel hij daar zal sterven.14En allen die rondom hem zijn [als] zijn hulp, en al zijn troepen, zal Ik over alle wind[streken] verstrooien. Achter hen zal Ik het zwaard trekken.15Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik hen onder de heidenvolken verspreid en hen in die landen verstrooi.16Maar Ik zal uit hen een [klein] aantal mannen doen overblijven van het zwaard, van de honger en van de pest, zodat zij al hun gruweldaden kunnen vertellen onder de heidenvolken waar zij komen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.)
. Ze moeten maar alvast bij elkaar pakken wat ze voor de ballingschap nodig hebben. Ze mogen zich misschien wel in hun vesting veilig voelen, maar dat is een schijnveiligheid.

De HEERE gaat Zijn volk de gevolgen van hun ontrouw laten ondervinden door hen weg te slingeren (vers 1818Want zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga
de inwoners van het land
deze keer wegslingeren.
Ik zal hen benauwen,
dat zij het ondervinden.
)
. Hun wegvoering naar Babel zal plaatsvinden met de kracht en snelheid van een steen die wordt weggeslingerd, zonder zich daartegen te kunnen verzetten, zoals een steen zich niet verzet als hij weggeslingerd wordt. De HEERE zal hen benauwen met de verschrikkingen van de ballingschap. Dan zullen ze de waarheid ondervinden van alle waarschuwingen die hun door de HEERE gegeven zijn.

Bij het horen van deze woorden krimpt Jeremia ineen (vers 1919Wee mij om mijn breuk,
mijn wond is pijnlijk.
En ik had zelf gezegd: Zeker, dit
is een ziekte, ik moet die dragen.
)
. Hij maakt zich een met hen die weigeren naar zijn boodschap te luisteren en daarom geoordeeld worden. Hij heeft zijn volk zo lief, dat hij de oordelen van God over Zijn volk als een ziekte op zich voelt drukken en die hij, zonder hoop op genezing, moet dragen (vgl. Na 3:19a19Er is geen heling voor uw breuk,
uw wond is pijnlijk.
Allen die het gerucht over u horen,
klappen om u in de handen,
want over wie is uw kwaad niet voortdurend heen gekomen?
)
.

Door Gods oordeel is hij alles kwijtgeraakt waar hij rust en gezelschap heeft gevonden (vers 2020Mijn tent is verwoest en al mijn touwen zijn gebroken,
mijn kinderen zijn bij mij weggegaan en zij zijn er niet.
Er is niemand meer die mijn tent opzet
en mijn tentkleden opstelt.
)
. Daaronder kunnen we de tempel verstaan, maar ook Jeruzalem en het hele land. De touwen, de verbindingen, wat alles bij elkaar houdt, zijn verbroken. Niemand heeft nog ergens houvast. Er is ook niemand die een verandering ten goede kan bewerken, die de tent weer kan opzetten en de tentkleden weer opstelt. Niemand kan het kwijtgeraakte herstellen. Zo groot zijn de verwoesting en verlatenheid.

Jeremia kent de oorzaak wel. De herders, de leiders van het volk, koningen als Jojakim en Zedekia en lagere bestuurders, hebben de HEERE verlaten (vers 2121Want de herders zijn dom geweest
en hebben de HEERE niet geraadpleegd.
Daarom hebben zij niet verstandig gehandeld
en is heel [de kudde van] hun weide verspreid.
)
. Ze hebben Hem niet geraadpleegd en dan is het onmogelijk om verstandig te handelen. Hun verkeerde voorbeeld heeft het hele volk als een kudde verspreid. De eenheid is weg.

Het angstaanjagende geluid van naderend oordeel volgt (vers 2222Een geluid van een gerucht! Zie, het komt!
Een groot gedreun uit het land in het noorden,
om de steden van Juda te maken
[tot] een woestenij, een verblijf[plaats] van jakhalzen.
)
. Het gerucht bereikt de stad dat de legers van Babel in het noorden het land zijn binnengevallen. De gevolgen zijn duidelijk. Ze zullen de steden van Juda tot een woestenij maken. Mensen zullen er niet meer kunnen wonen. Het zullen verblijfplaatsen van jakhalzen worden.


Gebed voor het volk

23Ik weet, HEERE,
dat het niet aan de mens is zijn weg,
[dat] het niet aan een man is [zijn] gang te [bepalen]
en zijn voetstappen te richten.
24Bestraf mij, HEERE, maar met mate,
niet in Uw toorn, anders zou U weinig van mij overlaten.
25Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken
die U niet kennen,
over de geslachten
die Uw Naam niet aanroepen.
Zij hebben immers Jakob verslonden, ja, hem verslonden, aan hem een einde gemaakt,
en zijn woonplaats verwoest.

Jeremia, die zich hier een maakt met het volk, spreekt uit dat hij weet dat niet de mens zijn eigen weg bepaalt, maar dat de HEERE dat doet (vers 2323Ik weet, HEERE,
dat het niet aan de mens is zijn weg,
[dat] het niet aan een man is [zijn] gang te [bepalen]
en zijn voetstappen te richten.
; Sp 20:2424De voetstappen van een man zijn van de HEERE,
hoe zou dan een mens zijn weg kunnen begrijpen?
; Ps 37:2323De voetstappen van [die] man worden door de HEERE vastgezet,/mem/
Hij vindt vreugde in zijn weg.
; Sp 16:99Het hart van een mens overdenkt zijn weg,
maar de HEERE bestuurt zijn voetstappen.
)
. De mens is volledig afhankelijk van Hem, zelfs al verzet hij zich tegen Hem. Wie tot dat inzicht komt en dat aanvaardt, heeft de weg terug naar Hem gevonden. Het gevolg is rust voor de ziel en vertrouwen op Hem, terwijl ook wordt erkend dat er bestraffing verdiend is.

Het besef dat God alle dingen leidt en bestuurt, brengt tot overgave aan Hem. Het is niet bedoeld om de verantwoordelijkheid uit te schakelen, maar om in te zien dat alles in Zijn hand ligt. Hij bepaalt de loop van de gebeurtenissen en niet de mens in zijn opstand tegen Gods wil. Zoals een kapitein zijn anker niet in het schip, maar buiten het schip uitwerpt, zo moet de mens zijn heil niet verwachten van zichzelf, maar van de Heer. Hij moet niet de weg van mensen zonder God aanleren (vers 22Zo zegt de HEERE:
U mag u de weg van de heidenvolken niet aanleren,
en u niet ontstellen door de tekenen aan de hemel,
omdat de heidenvolken zich daardoor ontstellen.
)
, maar hij moet leren de weg van de Heer te gaan.

Bij de erkenning van Gods rechtvaardige handelen hoort ook de vraag naar straf of tucht of correctie (vers 2424Bestraf mij, HEERE, maar met mate,
niet in Uw toorn, anders zou U weinig van mij overlaten.
)
. Ook hier maakt Jeremia zich een met het volk. De vraag wordt niet in hoogmoed gesteld. Het is een vraag die wordt gesteld in het besef dat we, als we krijgen wat we verdienen, er niets van ons overblijft. Dan staan we op de bodem van de genade en zullen we Zijn correctie kunnen zien als een bewijs van genade.

Als het om volkomen oordeel gaat, moet dat mensen treffen die God niet kennen en Hem niet aanroepen en die zich hebben vergrepen aan Zijn volk (vers 2525Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken
die U niet kennen,
over de geslachten
die Uw Naam niet aanroepen.
Zij hebben immers Jakob verslonden, ja, hem verslonden, aan hem een einde gemaakt,
en zijn woonplaats verwoest.
)
. Als het oordeel al zo zwaar is over hen die dicht bij Hem zijn, hoe zwaar moet het dan zijn over hen die Hem verwerpen (Sp 11:3131Zie, een rechtvaardige krijgt vergelding op aarde,
hoeveel te meer de goddeloze en de zondaar!
; vgl. 1Pt 4:1717Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; als het echter eerst bij ons [begint], wat zal het einde zijn van hen die het evangelie van God niet gehoorzamen?)
.


Lees verder