Joël
Inleiding 1 De dag van de HEERE is nabij 2 De Assyriërs 3 Paradijs en woestenij 4 Sprinkhanen en paarden 5 Horen en zien vergaat je 6 Angst en beven 7-9 Hoe het leger voortsnelt 10 Aarde en hemel onder de indruk 11 Het leger van de HEERE 12 Een oproep 13 Geen uiterlijke schijn 14 Wie weet … 15 Voor de tweede keer de bazuin 16 Iedereen moet komen 17 Opdracht aan de priesters 18 Het troostrijke antwoord 19 Twee beloften 20 Een derde belofte 21 Grote dingen 22 Weer volop te eten voor de dieren 23 De kinderen van Sion 24 De zegen 25 Herstel 26 Lof voor de HEERE 27 Weten waar en Wie de HEERE is 28 Zegen voor het volk 29 De Geest op allen 30-31 Wondertekenen 32 Ontkoming
Inleiding

Joël heeft in Joël 1 gewezen op de alles verwoestende sprinkhanenplaag en waarom deze door God is gestuurd. In Joël 2 sluit hij daarop aan met de mededeling dat God, daar zij zich niet hebben bekeerd, een nieuwe plaag zal sturen. Geen letterlijke sprinkhanen dit keer, maar soldaten. Hoewel er veel overeenkomsten zijn waar te nemen tussen de sprinkhanen en de vijandelijke soldaten, gaat het in Joël 2 niet om wat dat volk allemaal ‘opeet’, maar om dat volk zelf.

Joël wijst op de dag van de HEERE die komt, dat is de dag waarop de Heer Jezus terugkomt. Het is letterlijk Zijn dag, als Hij komt met Zijn oordelen. Die dag werpt zijn schaduwen vooruit. Het is een dag die niemand kan verdragen die niet met God in het reine is.

Maar dat is niet de enige boodschap die Joël heeft. Die dag is nog niet aangebroken en het oordeel is nog af te wenden. Het is nog steeds de dag van de behoudenis (vgl. 2Ko 6:22(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik u verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik u geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),). Daarom roept hij op tot bekering. Dat kan op grond van Wie God is, dat wil zeggen op grond van Zijn genade en barmhartigheid. De gevolgen van hun berouw en bekering betekenen een grote zegen voor het volk.

Die zegen heeft twee aspecten. Hij komt tot uiting in een overvloedige opbrengst van het eens zo verwoeste land. Dat ziet op de uiterlijke omstandigheden. Het volk zal in voorspoed en overvloed leven. Hij blijkt ook in een uitstorting van de Geest. Dat ziet op een innerlijke betrekking met de HEERE en een leven in rust en vrede, zonder angst voor vijandige volken.


De dag van de HEERE is nabij

1Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!

De geestelijke ogen van Joël nemen een nieuwe plaag waar. Een nieuw gevaar dreigt. De plaag waarin letterlijke sprinkhanen de hoofdrol spelen, is voorbij. De plaag waarin een leger van mensen de hoofdrol gaat spelen, dient zich hier aan. Joël voorziet en voorzegt dat een vijandig volk het land Israël zal verwoesten. Met het oog daarop moet er alarm worden geblazen. De verwoesting die op het punt staat los te barsten, is een voorafschaduwing van wat Israël in de laatste dagen, vlak voor de wederkomst van Christus, zal overkomen.

Joël roept op tot het blazen van de bazuin, maar hij zegt niet wie dat moet doen. Daar dit blazen vaak de taak van de priesters is, moeten we ook hier waarschijnlijk daaraan denken. Het alarm blazen hier herinnert aan het alarm blazen met de zilveren trompetten als de vijand in het land is (Nm 10:99Wanneer u dan in uw land ten strijde trekt tegen de tegenstander die u benauwt, moet u met die trompetten een onderbroken klank laten horen. Dan zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden.). Dan zal de HEERE aan hen denken.

De trompet wordt in ons hoofdstuk nog een keer geblazen, en wel in vers 1515Blaas de bazuin in Sion,
kondig een vasten[tijd] af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen.
. Daar gaat het om het bijeenroepen van het volk om voor de HEERE te verschijnen. Hier is het als alarm bedoeld, omdat de vijand komt (vgl. Hs 5:88Blaas de bazuin in Gibea,
de trompet in Rama,
sla alarm in Beth-Aven:
Achter u, Benjamin!
; 8:11De bazuin aan uw mond!
[De vijand zweeft] als een arend boven het huis van de HEERE,
omdat zij Mijn verbond hebben overtreden
en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen.
)
. Zoals eerder is opgemerkt, ziet het woord ‘dag’ altijd op openbaar worden. Joël stelt “de dag van de HEERE” voor als nabij. Hij ligt niet in een ver verschiet, zodat de mensen kunnen denken: ‘Na ons de zondvloed.’ Vandaar het alarmsignaal. Het moet doordringen hoe nabij die dag is!

Overal waar over de oordelen gesproken wordt, is duidelijk dat ze binnenkort zullen plaatsvinden. “De tijd is kort” (1Ko 7:2929Dit nu zeg ik, broeders, de tijd is kort. Overigens, laten ook zij die vrouwen hebben, zijn als hadden zij ze niet;). “Het is [het] laatste uur” (1Jh 2:1818Kinderen, het is [het] laatste uur; en zoals u hebt gehoord dat [de] antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het [het] laatste uur is.). “De Rechter staat voor de deur” (Jk 5:99Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur.). “De tijd is nabij” (Op 1:33Gelukkig hij die leest en zij die de woorden van de profetie horen en die bewaren wat daarin geschreven staat; want de tijd is nabij.).


De Assyriërs

2[Het is] een dag van duisternis en donkerheid,
een dag van wolken en donkerheid.
Zoals de dageraad zich over de bergen verspreidt,
[verspreidt zich] een groot en machtig volk,
zoals er niet geweest is
van oude tijden af,
en er hierna niet meer zal zijn,
jarenlang, van generatie op generatie.

De sprinkhanenplaag wordt als aanleiding en ook als voorbeeld genomen voor de komst van een vijandelijk leger. Dit leger moet nog komen. Het leger waarover Joël spreekt, is het leger van de Assyriërs, dat uit het noorden komt (vers 2020Ik zal die uit het noorden
ver van u wegdoen.
Ik verdrijf hem naar
een dor en woest land,
zijn voorhoede naar de zee in het oosten,
zijn achterhoede naar de zee in het westen.
Zijn stank stijgt op,
zijn walm stijgt op,
want hij heeft grote dingen gedaan.
)
. Assyrië wordt door God “de roede van Mijn toorn” genoemd (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
; Mi 5:4-54Hij zal Vrede zijn.
Wanneer Assur in ons land zal komen
en wanneer hij onze paleizen zal betreden,
zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan
en acht vorsten uit de mensen.5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,
het land van Nimrod met getrokken zwaarden.
Zo zal Hij [ons] redden van Assur,
wanneer die in ons land zal komen
en wanneer die ons gebied zal betreden.
)
. De inval van de Assyriërs wordt gezien als een sprinkhanenwolk die de zon verduistert (vgl. Zf 1:15-1615Een dag van verbolgenheid is die dag,
een dag van benauwdheid en angst,
een dag van verwoesting en vernietiging,
een dag van wolken en donkerheid,
een dag van donkere wolken,
16een dag van bazuin[geschal] en [krijgs]geschreeuw
tegen de versterkte steden
en tegen de hoge hoektorens.
; Js 60:2a2Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken
en donkere [wolken] de volken,
maar over u zal de HEERE opgaan
en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
; Ez 34:1212Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van donkere wolken.; Am 5:1818Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!
)
. Tevens vindt die inval plaats met de snelheid en onweerstaanbaarheid van de dageraad die zich over de bergen verspreidt.

De sprinkhanenplaag is voor het volk een teken van de tijd (vgl. Mt 16:2-32Hij echter antwoordde en zei tot hen: <Wanneer het avond is geworden, zegt u: Mooi weer, want de hemel is rood;3en ‘s morgens: Vandaag storm, want de hemel is somber rood. Het aanzien van de hemel weet u wel te onderscheiden, maar kunt u het de tekenen der tijden niet?>). En als Joël dan spreekt over een nog gruwelijker vijand, kan hij de komst van de vijand vergelijken met de dageraad van de op handen zijnde dag van de HEERE. Die dag zal echter voor het afvallige volk geen licht en voorspoed brengen, maar donkerheid en een allesverwoestende storm.


Paradijs en woestenij

3Ervóór verteert een vuur,
en erachter verzengt een vlam;
ervóór is het land als de hof van Eden,
en erachter is het een woeste wildernis.
Ook is er geen ontkomen aan.

Na het plotselinge en massale opdoemen van de vijand wordt nu de allesverwoestende werking ervan beschreven. Alles wat de vijand onderweg tegenkomt, wordt door hem totaal vernietigd. Vuur is in de Bijbel vaak de uitdrukking van Gods oordeel. Het is tevens de aanduiding van een macht die alles in de natuur verteert.

Kijk naar een veld waar de sprinkhaan nog niet is geweest en het lijkt op het paradijs, de trots en heerlijkheid van het land. Kijk de volgende dag naar dat veld als de sprinkhaan er is geweest en het lijkt op een woeste wildernis, waar geen enkele herinnering meer is aan de weelde en de schoonheid die het veld een dag eerder bezat. Al het handelen van de Assyriërs lijkt op wat een sprinkhanenplaag bewerkt. Aan die vijand is niet te ontkomen door ervoor weg te vluchten of zich voor te verstoppen, zoals ook aan Gods oordeel op de dag van de HEERE niet te ontkomen is.

“De hof van Eden” is een aanduiding voor een paradijselijk, uitermate florissant gebied, het tegengestelde van een woestenij (Ez 28:1313u was in Eden, de hof van God.
Allerlei edelgesteente was uw sieraad:
robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx
en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.
Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.
Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.
; 31:9-189Ik had hem [zo] mooi gemaakt met zijn vele takken,
dat alle bomen van Eden hem benijdden,
daar in de hof van God.
10Daarom, zo zegt de Heere HEERE:
Omdat u [zo] hoog van stam geworden bent
dat die zijn kruin tot in de wolken stak,
en zijn hart zich vanwege zijn hoogte verhief,
11daarom gaf Ik hem in de hand van een heerser van de heidenvolken,
die met hem zou doen overeenkomstig zijn goddeloosheid.
Ik verdreef hem.
12Vreemden, de gewelddadigste van de heidenvolken,
hakten hem om en lieten hem liggen.
Zijn takken vielen op de bergen en in alle dalen,
en zijn twijgen werden afgebroken
bij alle [water]stromen van het land.
Alle volken van de aarde trokken weg uit zijn schaduw
en lieten hem liggen.
13Alle vogels in de lucht woonden op zijn gevallen [stam],
alle dieren van het veld zaten op zijn twijgen,
14opdat alle bomen aan het water
zich niet [meer] zouden verheffen vanwege hun stam
of hun kruin tot in de wolken zouden steken;
en [opdat] de waterdrinkers niet zouden blijven staan
[in] eigen kracht vanwege hun hoogte,
want zij zijn allen aan de dood overgegeven,
[en gaan] naar de onderste plaatsen van de aarde,
te midden van de mensenkinderen,
naar hen die in de kuil neerdalen.
15Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat hij in het graf afdaalde, heb Ik rouw laten bedrijven. Voor hem heb Ik de watervloed bedekt. Ik hield zijn stromen tegen, zodat het vele water gestopt werd. Vanwege hem hulde Ik de Libanon in het zwart, en alle bomen op het veld versmachtten vanwege hem.16Door het geluid van zijn val deed Ik de heidenvolken beven, toen Ik hem in het graf deed afdalen met hen die in de kuil neerdalen. Maar in de onderste plaatsen van de aarde voelden alle bomen van Eden zich getroost: de keur en het beste van de Libanon, alle waterdrinkers.17Ook zij waren met hem in het graf afgedaald, naar hen toe die gevallen waren door het zwaard, die zijn [sterke] arm geweest waren [en] te midden van de heidenvolken in zijn schaduw gezeten hadden.
18Met wie bent u dus in luister en grootheid
te vergelijken onder de bomen van Eden?
U zult met de bomen van Eden in de onderste plaatsen van de aarde neergestort worden. Te midden van onbesnedenen zult u liggen, met hen die vielen door het zwaard. Dat is de farao en zijn hele menigte, spreekt de Heere HEERE.
)
. Deze tegenstelling tussen paradijs en woestenij, maar dan omgekeerd (de woestijn wordt een paradijs), vinden we ook in Jesaja 51 en Ezechiël 36 (Js 51:33Want de HEERE zal Sion troosten,
Hij zal al haar puinhopen troosten.
Hij zal haar woestijn maken als Eden,
haar wildernis als de hof van de HEERE.
Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,
dank[zegging] en luid psalmgezang.
; Ez 36:3535Zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is als de hof van Eden geworden. De steden die verwoest lagen, verwoest en afgebroken, zijn versterkt [en] bewoond.)
.


Sprinkhanen en paarden

4Als het uiterlijk van paarden is zijn uiterlijk,
en als [ren]paarden, zo rennen zij voort.

Hoewel het hier gaat om het leger van de Assyriërs, om mensen en niet meer om sprinkhanen, wordt de vergelijking tussen dit leger en de sprinkhanen doorgetrokken. Er zijn overeenkomsten tussen de sprinkhaan en het paard (Jb 39:22-2322Kunt u het paard kracht geven?
Kunt u zijn nek met manen bekleden?
23Laat u het springen als een sprinkhaan?
De majesteit van zijn gesnuif is een verschrikking.
; Op 9:77En de gedaanten van de sprinkhanen waren aan paarden gelijk, toegerust tot [de] oorlog; en op hun koppen was [zoiets] als kronen, aan goud gelijk, en hun gezichten waren als gezichten van mensen,)
. De vergelijking kan slaan op de dieren zelf. De uitvergrote sprinkhaan lijkt, vooral door de vorm van zijn kop, op een paard. De vergelijking kan ook te maken hebben met de manier van aanstormen, de snelheid en springvaardigheid van de sprinkhaan, die ook bij een paard aanwezig zijn.


Horen en zien vergaat je

5Als het geluid van wagens
springen zij over de toppen van de bergen,
als het geluid van een vuurvlam
die stoppels verteert,
als een machtig volk
opgesteld voor de strijd.

Niet alleen de aanblik van dit leger is indrukwekkend en angstaanjagend, ook het geluid dat de strijdmacht voortbrengt, gaat door merg en been. Bij het beeld van de paarden gaat het om het zien, de aanblik ervan doet aan sprinkhanen denken. Bij de vergelijking met de tweewielige strijdwagens gaat het om het horen van het geluid dat ook een naderende zwerm sprinkhanen kenmerkt.

Als de zwermen in de verte over de bergtoppen komen aanzetten, klinkt dat tussen de geluidsversterkende bergwanden als het doffe geraas van krijgswagens die over oneffen bergpaden “springen”. Komt de zwerm dichterbij, dan wordt het geluid indringender en lijkt het meer op het knetteren van “een vuurvlam, die stoppelen verteert”. Zo is het gerommel van het oordeel al van ver te horen als een waarschuwing dat het snel dichterbij komt.


Angst en beven

6Bij die aanblik krimpen de volken ineen,
alle gezichten verschieten van kleur.

De indruk van dit “machtige volk” (vers 55Als het geluid van wagens
springen zij over de toppen van de bergen,
als het geluid van een vuurvlam
die stoppels verteert,
als een machtig volk
opgesteld voor de strijd.
)
is zo overweldigend, dat overal waar het verschijnt, hele volken in elkaar krimpen van angst en de gezichten van kleur verschieten. In vers 11Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!
is de angst nog beperkt tot Juda en Jeruzalem. Hier komen ook andere volken in de ban van de angst voor de Assyriërs. In vers 1010Bij die aanblik siddert de aarde,
beeft de hemel.
Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren trekken hun licht in.
omvat de angst het hele universum.


Hoe het leger voortsnelt

7Als helden rennen zij,
als strijdbare mannen
klimmen zij tegen de muren op;
ieder gaat op zijn eigen weg
en zij wijken niet van hun paden af.
8Zij verdringen elkaar niet,
ieder gaat zijn [eigen] weg.
Al stuiten zij op weerstand,
zij zijn niet tegen te houden.
9Zij stormen op de stad af,
zij rennen op de muren,
zij klimmen tegen de huizen op.
Als een dief komen zij
door de vensters binnen.

Levendig, met korte, nadrukkelijk klinkende zinnen bericht Joël hoe het leger voortsnelt, de stadsmuren bestormt, de stad overvalt en de huizen binnendringt. Je ziet het voor je. Onstuitbaar gaan ze voort. Ze zijn door niets tegen te houden (vgl. Js 33:44Dan zal uw buit verzameld worden, [zoals] zwermsprinkhanen zich verzamelen;
zoals sprinkhanen erop afstormen, stormt men erop af.
)
. Ze zijn onkwetsbaar en daardoor onweerstaanbaar, want zij die niet verwond kunnen worden, kunnen ook niet tot staan worden gebracht. In hun gelederen ontstaan geen gaten.

Om binnen te komen gaan ze de weg van de dief. Ook dat hoort bij de dag van de Heer (1Th 5:22Want u weet zelf nauwkeurig dat [de] dag van [de] Heer komt als een dief in [de] nacht.). Een dief komt onverwachts en ongewenst, maar alleen voor hen die er geen rekening mee houden. Als er waarschuwingen aan vooraf zijn gegaan, kun je niet meer volhouden dat het onverwachts is. Toch moeten we er steeds aan herinnerd worden hoe plotseling de voorspelde gebeurtenis zal plaatsvinden.

Voor ons, christenen, gaat de opname van de gemeente aan de dag van de Heer vooraf. Dat gegeven is niet bedoeld om ons maar geen zorgen te maken over die dag. Zeker, we hoeven niet bang te zijn voor het oordeel dat met die dag samenhangt. Maar als we de tekenen van de tijd zien en hoe nabij die dag is, dan is de komst van de Heer voor Zijn gemeente nog dichterbij.

Dat zou ons moeten aanzetten tot een uitzien naar Hem en een grote toewijding aan Hem. Het zou ons moeten aanzetten om mensen te waarschuwen zich te bekeren en in Hem te geloven voordat het te laat is. De onverstoorbaarheid en snelheid waarmee de Assyriërs te werk gaan, zou ook de christen moeten kenmerken in zijn werk en strijd voor de Heer.


Aarde en hemel onder de indruk

10Bij die aanblik siddert de aarde,
beeft de hemel.
Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren trekken hun licht in.

Met het noemen van aarde en hemel is de uitgebreidste omgeving aangegeven waarop dit leger indruk maakt. De hemellichamen staken zelfs hun normale functioneren bij het aanschouwen van dit vreselijke gericht.


Het leger van de HEERE

11En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?

Hier volgt de verklaring van het succes dat dit leger heeft. De HEERE Zelf staat aan het hoofd ervan. In het aanstormende leger verschijnt niemand anders dan de toornende HEERE Zelf. Het vijandelijke leger is “Zijn leger”, dat Hij gebruikt om Zijn volk te tuchtigen (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
. Dat is het meest verschrikkelijke van alles en tegelijk de enige bron van hoop voor eenieder die gelooft. Wie erkent dat het Gods oordeel is, kan zijn toevlucht nemen tot Hem in overeenstemming met Zijn liefde voor Zijn volk. Op Zijn liefde blijven rekenen is het ware karakter van het geloof door alle tijden heen. Geloof onderwerpt zich aan het handelen van God en vindt daarin vervolgens zijn redding. Wie zich verzet tegen het handelen van God, tekent zijn eigen doodvonnis.

Het volk wordt niet opgeroepen weerstand te bieden aan deze vijand. Deze vijand voert het woord van de HEERE uit – en “Zijn woord loopt zeer snel” (Ps 147:1515Hij zendt Zijn bevel [naar] de aarde:
Zijn woord loopt zeer snel.
)
. Daarom is elk verzet tegen dit leger niets anders dan opstand tegen Hem. Dat dit leger “Zijn woord ten uitvoer brengt”, betekent niet dat daarmee een eerder uitgesproken profetie wordt vervuld. Het wil alleen zeggen dat dit leger Zijn wil, Zijn bevelen uitvoert (vgl. Ps 103:2020Loof de HEERE, [u,] Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.
)
.

God wil niet dat wij ons wanhopig verzetten tegen Zijn tucht en naar oplossingen zoeken om ons eraan te onttrekken. Hij wil altijd dat wij ons voor Hem buigen en het instrument erkennen dat Hij zendt, wie of wat dat instrument ook mag zijn (Mi 6:99De stem van de HEERE roept tot de stad:
– Uw Naam ziet uit [naar] wat wezenlijk is –
Hoor de roede en Wie hem voor u bestemd heeft.
; vgl. 1Kn 12:2424Zo zegt de HEERE: U mag niet optrekken of strijden tegen uw broeders, de Israëlieten. Keer terug, ieder naar zijn huis, want deze zaak is bij Mij vandaan gekomen. Zij luisterden naar het woord van de HEERE en keerden terug om weg te gaan, overeenkomstig het woord van de HEERE.)
. Dat geldt zowel voor het persoonlijke leven als voor het gemeenschappelijke leven.

Het antwoord op de vraag “wie zal hem kunnen verdragen?” (vgl. Op 6:1717want de grote dag van Hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?; Na 1:66Wie kan standhouden voor Zijn gramschap? /zain/
Wie kan te midden van Zijn brandende toorn opstaan?
Zijn grimmigheid is uitgegoten als vuur, /cheth/
de rotsen worden door Hem stukgebroken.
; Ml 3:22Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
; Jr 10:1010De HEERE God is echter de Waarheid,
Hij is de levende God, een eeuwig Koning.
Voor Zijn grote toorn beeft de aarde,
de heidenvolken kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
)
, dat wil zeggen “de dag van de HEERE”, ligt in de vraag opgesloten. Het antwoord luidt dat niemand die dag kan verdragen. Toch is ontkomen mogelijk. Dat laten de volgende verzen zien.


Een oproep

12Ook nu echter, spreekt de HEERE,
bekeer u tot Mij met heel uw hart,
namelijk met vasten, met geween en met rouwklacht.

Door de woorden “ook nu echter, spreekt de HEERE”, gloort de hoop dat het aangekondigde oordeel nog kan worden afgewend. “Bekeer u tot Mij” geeft aan dat het om een terugkeer gaat die leidt tot een nieuwe verbondenheid met de HEERE. Het gaat daarbij niet alleen om een wending in de richting van, maar ook om het werkelijk komen bij de HEERE. Vandaar “met heel uw hart”, dat is met alles waarop het leven is gericht, het hele denken en willen (vgl. 1Sm 7:33Toen sprak Samuel tot het hele huis van Israël: Als u zich met uw hele hart tot de HEERE bekeert, doe dan de vreemde goden uit uw midden weg, ook de Astartes, richt uw hart op de HEERE en dien Hem alleen. Dan zal Hij u uit de hand van de Filistijnen redden.; 1Kn 8:4848en [als] zij zich in het land van hun vijanden die hen als gevangenen weggevoerd hebben, tot U bekeren met heel hun hart en met heel hun ziel, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaderen gegeven hebt, [en] van de stad die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb,).

De HEERE doet een ernstig beroep op het volk zich te bekeren tot Hem, en wel radicaal, zonder enige terughoudendheid. Het eerste waar het om gaat, is het hart, het hele hart. Halfhartigheid is een gruwel voor God. Maar een echte bekering gaat niet zonder waarneembare uitingen. “Vasten”, “geween” en “rouwklacht” zullen zichtbaar en hoorbaar worden bij iemand die zich met heel zijn hart tot God keert.

Van welke concrete zonde(n) het volk zich moet bekeren, zegt Joël niet. We horen bijvoorbeeld niet van afgoderij, sociaal onrecht, vertrouwen op eigen militaire macht of bondgenootschappen met naburige landen. Het kan gaan om een bekering van een oppervlakkige, zelfverzekerde, ritualistische godsdienst tot een nieuw intens luisteren en leven naar het Woord van God.

Als het hele leven in de tegenwoordigheid van God wordt geplaatst in de wetenschap dat Hij het helemaal kent en beoordeelt, heeft dat gevolgen. Aan de ene kant zal het ons in elkaar laten krimpen vanwege de heiligheid van God omdat we zien hoe zondig ons leven is. Aan de andere kant zullen we opveren van verlichting vanwege de liefde van God, omdat we zien dat Hij bekering beantwoordt met vergeving van onze zonden. Hij kan eenieder die zich bekeert de zonden vergeven omdat de Heer Jezus voor berouwvolle zondaars op het kruis Zijn bloed heeft gestort (Hb 9:22b22En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving.).


Geen uiterlijke schijn

13En scheur uw hart
en niet uw kleren.
Bekeer u tot de HEERE, uw God,
want Hij is genadig en barmhartig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid,
en Hij heeft berouw over het kwaad.

Er is een gezegde dat luidt: ‘De ogen des Heren gaan door de kleren.’ Dat is hier zeker van toepassing. Het volk kan met uiterlijke vroomheid bepaalde tekenen van rouw tonen. Het scheuren van de kleren is zo’n teken. Maar als het hart niet gescheurd is, heeft het uiterlijk teken voor God geen enkele waarde. God heeft “vreugde in waarheid in het binnenste” (Ps 51:8,198Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.19De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
; Js 57:1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
. Het gaat om een bekering tot “de HEERE, uw God”, waarmee de profeet benadrukt dat de HEERE geen vreemde God is, maar de God van het verbond met Zijn volk.

Het dreigende onheil zal de hele natie treffen en daarom wordt er opgeroepen tot nationale verootmoediging. In het algemeen is er bij nationale rampen wel plaats voor een nationale herdenking, maar niet voor een nationale verootmoediging. Sommige gebeurtenissen brengen een schok teweeg in alle lagen van de bevolking en soms ontstaat er grote algemene verontwaardiging. En vaak terecht. Denk maar aan terroristische aanslagen, of aan het misbruiken en daarna vermoorden van kinderen. Er worden protest- en herdenkingsmarsen en protest- en herdenkingsbijeenkomsten georganiseerd, waaraan massa’s mensen deelnemen. Maar helaas is het protest alleen gericht op de misdaad, de uitwas, de gebeurtenis.

De roep is: ‘Dit mag nooit meer gebeuren en de dader(s) moet(en) gevonden en gestraft worden.’ Die roep is begrijpelijk. In de groep vindt men elkaar in het gevoel van machteloosheid. Samen wil men een vuist maken naar het oncontroleerbare. Maar waar is de algemene verootmoediging? Waar is het algemene roepen tot God om Zijn ontferming? Waar is het samen een beroep doen op Zijn genade en barmhartigheid om ons meer van die ellende te besparen? Waar is het samen bidden: ”Verlos ons van de boze” (Mt 6:13b13En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.)?

Natuurlijk, de wereld zal pas onder de regering van Christus tijdens het duizendjarig vrederijk echt bevrijd zijn van de dramatische gebeurtenissen die regelmatige hele volksmassa’s in beroering brengen. Toch zijn al die gebeurtenissen even zoveel oproepen aan de mens om zich tot God te bekeren en voor Hem te gaan leven.

Zoals Mozes na de gebeurtenissen rond het gouden kalf heeft gedaan, zo doet Joël dat ook. Hij doet een beroep op de eigenschappen van God. Steeds weer komen we onder de indruk als we eraan denken dat in God bronnen aanwezig zijn die kunnen worden aangeboord als bij de mens de toestand hopeloos is. Daarom kan Mozes, nadat het volk met het gouden kalf gezondigd heeft, waardoor het zijn bestaansrecht had verloren, toch een beroep doen op God (Ex 34:6-96Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,7Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die [de schuldige] zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde [geslacht].8Toen haastte Mozes zich, knielde ter aarde, boog zich neer9en zei: Heere, als ik nu genade in Uw ogen gevonden heb, laat de Heere dan toch in ons midden meegaan. Zeker, het is een halsstarrig volk, maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan als [Uw] erfelijk bezit.). Daarom kan Joël, terwijl het volk het oordeel verdient dat zich al dreigend aankondigt, ook hier een beroep doen op God.

In zijn beroep op de HEERE noemt Joël vijf eigenschappen van Hem (vgl. Jn 4:22Hij bad tot de HEERE en zei: Och HEERE, waren dit mijn woord[en] niet toen ik nog in mijn [eigen] land was? Daarom ben ik het voor geweest door naar Tarsis te vluchten! Want ik wist dat U een genadig en barmhartig God bent, geduldig en rijk aan goedertierenheid, Die berouw heeft over het kwaad.; Ps 86:1515Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw.
; 103:88Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.
; 145:88Genadig en barmhartig is de HEERE, /cheth/
geduldig en groot aan goedertierenheid.
; Ne 9:1717Zij hebben geweigerd te luisteren en zij hebben niet gedacht aan Uw wonderen die U bij hen had gedaan. Zij zijn halsstarrig geweest en in hun opstandigheid hebben zij een hoofd aangesteld om terug te keren naar hun slavernij. Maar U bent een God [Die] menigvuldig vergeeft, genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid, en U hebt hen niet verlaten.)
.
1. “Genadig” is Hij in Zichzelf omdat Hij tot daden van goedheid komt als alle recht op zegen is verspeeld.
2. “Barmhartig” is Hij omdat Hij snel tot medelijden te bewegen is, als Hij ziet hoe ellendig Zijn volk eraan toe is.
3. Hij is “geduldig” in Zijn verdragen van dit zondige volk en
4. “rijk aan goedertierenheid” omdat bij Hem allerlei gunst en goedheid aanwezig zijn, waaronder ook schuldvergeving.
5. Ten slotte lezen we van Hem: “Hij heeft berouw.” Dat betekent dat Hij de aangekondigde of al gedeeltelijk uitgeoefende straf intrekt als Hij bekering ziet.

Als er gesproken wordt over het ‘berouw hebben’ van God, is dat een menselijke wijze van spreken. Als God ergens berouw over heeft, wil dat niet zeggen dat Hij terugkomt op een eerder genomen beslissing omdat die fout zou zijn geweest. God maakt geen fouten. Het berouw van God heeft te maken met een voornemen waarop Hij terugkomt als het gedrag van de mens daartoe aanleiding geeft.

Als een mens zich bekeert, zal God de aangekondigde straf niet uitvoeren. Als een mens zich anders tegenover God gaat gedragen, verandert God ook Zijn handelwijze tegenover die mens. Een sterk voorbeeld daarvan is het uitstel van het oordeel over Achab en zijn huis naar aanleiding van de (tijdelijke) verootmoediging van Achab (1Kn 21:27-2927Het gebeurde nu, toen Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde, een rouwgewaad om zijn lichaam deed en vastte. In dat rouwgewaad ging hij [ook] slapen en liep hij langzaam [rond].28Toen kwam het woord van de HEERE tot Elia, de Tisbiet:29Hebt u gezien dat Achab zich heeft vernederd voor Mijn aangezicht? Omdat hij zich heeft vernederd voor Mijn aangezicht, zal Ik dat onheil [nog] niet in zijn dagen brengen. In de dagen van zijn zoon zal Ik dat onheil over zijn huis brengen.).


Wie weet …

14Wie weet zal Hij Zich omkeren en berouw hebben,
zodat Hij een zegen achter Zich overlaat:
een graanoffer en een plengoffer
voor de HEERE, uw God.

De profeet heeft zojuist een schitterende beschrijving van enkele van Gods eigenschappen gegeven. Hij spreekt niet over God op theologische wijze, maar stelt Hem voor zoals hij Hem kent. Toch laat hij zich in zijn vertrouwen op Gods genade niet verleiden tot uitspraken alsof hij kan beschikken over Gods goedheid. Daarom begint dit vers met “wie weet?” De Goddelijke vrijmacht blijft gewaarborgd.

De vraag “wie weet?” is geen uiting van twijfel aan Gods goedheid, maar laat vooral menselijke nederigheid en bescheidenheid zien tegenover de soevereine God, Die het volste recht heeft Zijn oordelen uit te voeren. Boete en bekering betekenen niet automatisch recht hebben op Gods genade. Joël spreekt zo, opdat zijn hoorders, zoals iemand heeft gezegd, ‘niet door de grootheid van hun zonden zouden wanhopen, maar opdat ook de grootheid van de genade hen niet zorgeloos zou maken.’ Bij bekering is er reden om te hopen dat Hij het oordeel afwendt.

Maar er is meer. Niet alleen wijkt het oordeel – wat al een grote genade is, hoewel negatief –, maar de profeet kent zijn God zo goed, dat hij weet dat God na de bekering van Zijn volk ook een zegen voor hen heeft. Met die zegen kan het volk Hem dan weer eren. De zegen kan doelen op het herstel van het veldgewas dat de HEERE zal schenken, waardoor weer “een graanoffer en een plengoffer” gebracht kunnen worden.

Het doel van elk verlossingswerk dat Hij tot stand brengt, is dat Hij geëerd wordt. Of het nu gaat om een aardse verlossing, zoals bij Israël dat van zijn vijanden wordt bevrijd, of om een geestelijke verlossing, als een mens wordt bevrijd uit de macht van de satan en de zonde, altijd zal het uiteindelijke doel zijn dat God en Zijn Christus erdoor verheerlijkt worden.


Voor de tweede keer de bazuin

15Blaas de bazuin in Sion,
kondig een vasten[tijd] af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen.

Hier wordt voor de tweede keer op de bazuin geblazen. De eerste keer gebeurt dat in vers 11Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!
. Daar is het om te waarschuwen dat de vijand eraan komt. Nu gebeurt het om het volk samen te roepen (vgl. Nm 10:77Bij het bijeenroepen van de gemeente moet u echter [wel] blazen, maar geen onderbroken klank laten horen.). In de bazuin klinkt de stem van God. Hij roept op om bij Hem te komen. Bij alles wat het volk al is overkomen (Joël 1) en bij alles wat het volk in de toekomst nog zal overkomen, is het goed dat het beseft dat het met God te doen heeft. Daarom moet het volk samenkomen voor Zijn aangezicht.

Als het volk in Gods tegenwoordigheid komt, betekent dit in de eerste plaats dat het zich zal verootmoedigen. Daar is immers alle reden toe. Komt de vijand niet juist op hen af vanwege hun ontrouw aan de HEERE? Tevens zal er, ook gezien de ernst van de situatie, moeten worden afgezien van wat het lichaam nodig heeft. Er moet worden gevast, zodat allen zich, zonder te worden afgeleid door het alledaagse eten en drinken, kunnen richten op wat God te zeggen heeft.

Trouwens, wat zal een mens zich nog druk maken over eten en drinken als zijn leven op het spel staat? Hoe nauw vasten en zich verootmoedigen met elkaar samenhangen, blijkt wel uit de voorschriften voor de grote Verzoendag (Lv 23:27,29,3227Alleen op de tiende [dag] van deze zevende maand is de Verzoendag. U moet een heilige samenkomst houden. U moet uzelf dan verootmoedigen en de HEERE een vuuroffer aanbieden.29Voorzeker, iedere persoon die zich op diezelfde dag niet verootmoedigt, moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.32Het moet voor u een sabbat zijn, een dag van volledige rust, en u moet uzelf verootmoedigen. 's Avonds, op de negende [dag] van de maand, moet u uw sabbat vieren, vanaf de avond tot aan de [volgende] avond.). Het daar gebruikte woord ‘verootmoedigen’ kan ook worden vertaald met ‘vasten’.

Het laatste deel van het vers is woordelijk gelijk aan Joël 1:14a (Jl 1:14a14Kondig een vasten[tijd] af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen,
verzamel de oudsten
en alle inwoners van het land
[in] het huis van de HEERE, uw God,
en roep tot de HEERE.
)
. Dat er tweemaal wordt opgeroepen tot vasten en samenkomen, laat wel zien hoe dringend de oproep is.


Iedereen moet komen

16Verzamel het volk,
heilig de gemeente,
breng de oudsten bijeen,
verzamel de kleine kinderen
en de zuigelingen.
Laat de bruidegom uit zijn binnenkamer gaan,
de bruid uit haar slaapkamer.

Het hele volk, niemand uitgezonderd, wordt opgeroepen voor een plechtige samenkomst. Geen excuses voor de oudsten, de kleine kinderen mogen niet worden vergeten, zelfs de zuigelingen moeten worden meegenomen. Alle klassen van de samenleving, politiek, godsdienstig of families, worden verwacht om uiting te geven aan hun gevoelens met betrekking tot de begane zonde tegenover God.

Als er sprake is van zonde voor God, is er geen onderscheid. Ieder staat strafschuldig. Het oordeel zal allen treffen, daarom worden ook allen betrokken in de oproep om bij God te komen. Ook kinderen en zuigelingen hebben te maken met de zonden van het volk en de gevolgen daarvan (vgl. Kl 4:44De tong van de zuigeling kleeft /daleth/
aan zijn gehemelte van dorst.
Kleine kinderen vragen om brood,
niemand verstrekt [het] hun.
; Jn 3:55De mensen van Ninevé geloofden in God. Zij riepen een vasten uit en trokken rouwgewaden aan, van de grootste tot de kleinste onder hen.; 4:1111Zou Ík dan die grote stad Ninevé niet ontzien, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn die het verschil tussen hun rechter- en hun linker[hand] niet weten, en [daarbij] veel vee?)
.

In de algemene oproep hebben we ook een aanwijzing om onze kinderen zo jong mogelijk mee te nemen naar de samenkomst. Het is goed hen mee te nemen naar alle gelegenheden waar gelovigen bij elkaar zijn. Dat geldt voor samenkomsten van allerlei aard. Zij mogen al jong betrokken zijn bij alles wat te maken heeft met het leven van de gemeente van God.

De Heer Jezus zegt tegen de godsdienstige leiders die het kwalijk nemen dat kinderen Hem eren: “Hebt u nooit gelezen: ‘Uit [de] mond van kinderen en zuigelingen hebt U Zich lof bereid’?” (Mt 21:1616en zeiden tot Hem: Hoort U wat dezen zeggen? Jezus nu zei tot hen: Jawel, maar hebt u nooit gelezen: ‘Uit [de] mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U Zich lof bereid’?). Hij waardeert wat uit de mond van kinderen en zuigelingen komt. Al hebben kinderen weinig en zuigelingen helemaal geen besef van wat ze uiten, God erkent het als lof aan Hem, lof die door Hem Zelf in hun mond is gelegd. Zo is het ook met verootmoediging. Laat de kinderen er maar bij zijn.

Het samenkomen van de gemeente kent zijn blijde, maar ook zijn verdrietige aanleidingen en momenten. Het is daarmee een weerspiegeling van het leven van alle dag. We moeten onze samenkomsten niet oppoetsen tot een glanzende belevenis als er reden is ons te verootmoedigen. We hoeven de samenkomsten ook niet onder te dompelen in droefheid als er reden is ons te verheugen. Soms wisselen vreugde en droefheid zich binnen een samenkomst af. Laat het samenkomen van de gelovigen vooral de echte afspiegeling zijn van wat er in de harten van de gelovigen leeft die samenkomen en laat de kinderen daar ook deel aan hebben.

Bruidegom en bruid, dat is de pasgetrouwde man en de pasgetrouwde vrouw, worden in dit geheel apart genoemd. Zij denken wel het allerminst aan wenen en rouwklacht en ook vasten hoort niet bij een huwelijksfeest. Maar ook zij ontkomen niet aan de oproep om voor Gods aangezicht plaats te nemen. Ze zien af van hun recht op vrolijkheid, eten, drinken en zelfs huwelijksgemeenschap, waar zij als pasgetrouwden van mogen gaan genieten, om deel te nemen aan het algemene vasten en bidden. Een beroep op het eerste jaar van vrijstelling (Dt 24:55Wanneer een man pas een vrouw genomen heeft, mag hij niet met het leger uittrekken, en mag men hem geen enkele verplichting opleggen. Een jaar lang zal hij vrij zijn ten behoeve van zijn huis zodat hij zijn vrouw, die hij genomen heeft, kan verblijden.) is niet mogelijk. Het excuus “ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen” (Lk 14:2020En een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.) gaat ook hier niet op.


Opdracht aan de priesters

17Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?

Als het hele volk is opgeroepen, wordt tegen de priesters gezegd waar ze moeten staan en wordt hun opgedragen wat ze moeten doen en zeggen. De priesters vertegenwoordigen het volk bij de HEERE. In hen ziet de HEERE het hele volk aan. Een priester wordt geacht te weten wat Hem toekomt, wat passend is voor Hem. Hij wordt niet geacht te handelen naar eigen inzicht – hij is immers ‘een dienaar van de HEERE’ –, maar moet zich geheel houden aan de voorschriften die de HEERE heeft gegeven. Als hij zo te werk gaat, is zijn priesterschap tot tevredenheid van de HEERE en tot zegen voor Gods volk.

In het Nieuwe Testament zijn alle gelovigen een geestelijk priesterschap en mogen zij geestelijke offers brengen (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). Ook van hen wordt verwacht dat zij Gods gedachten kennen over de toestand waarin Zijn volk verkeert. In geestelijk opzicht doen ook zij er goed aan de opdracht aan de priesters in Joël ter harte te nemen.

De priesters nemen hun plaats in te midden van het volk, buiten het heiligdom, om samen met het volk tot God te roepen met een beroep op Zijn getrouwheid. Ze moeten gaan staan “tussen de voorhal en het altaar”. Dat zegt ons dat zij hun plaats in de tegenwoordigheid van de HEERE, de voorhal, alleen kunnen innemen, omdat het offer op het altaar is gebracht. Ze kunnen alleen voor Hem bestaan omdat Hij hen aanneemt in de waarde van het offer. Ze hebben zelf niets om te offeren. Maar door het innemen van die plaats is het alsof ze de HEERE en ook zichzelf aan het offer herinneren.

Zij krijgen de opdracht om te huilen, wat wil zeggen dat ze berouw hebben van hun ontrouw en beseffen dat zij daardoor Gods oordeel hebben verdiend. Ze hebben alle rechten verspeeld om door Hem te worden aangenomen. Dan moeten ze hun mond openen om uit te spreken wat hun wordt voorgezegd. Hier legt de Geest hun in de mond wat uitgesproken moet worden (vgl. Hs 14:33Neem [deze] woorden met u mee,
bekeer u tot de HEERE.
Zeg tegen Hem:
Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan.
Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.
)
, om het hart van God te bewegen voor “Uw volk” en “Uw erfelijk bezit” tussenbeide te komen.

Ze smeken God met het oog op Wie Hij altijd is geweest voor Zijn volk en erfdeel; tegelijk smeken ze God met het oog op Zijn eer tegenover de vijanden. Ook Mozes gebruikt dit tweede argument nadat het volk met het gouden kalf gezondigd heeft (Ex 32:1212Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Met kwade [bedoelingen] heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van de aardbodem te vernietigen? Laat Uw brandende toorn varen, en heb berouw over het kwaad voor Uw volk.; Ps 42:44Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
; 115:22Waarom zouden de heidenvolken zeggen:
Waar is toch hun God?
)
.


Het troostrijke antwoord

18Toen nam de HEERE het op voor Zijn land,
en Hij spaarde Zijn volk.

Het “wie weet” van vers 1414Wie weet zal Hij Zich omkeren en berouw hebben,
zodat Hij een zegen achter Zich overlaat:
een graanoffer en een plengoffer
voor de HEERE, uw God.
krijgt, na wat er in vers 1717Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?
is gebeurd, hier zijn heerlijke antwoord. Is het niet treffend, dit vers? Het is minstens zo treffend als de reactie van de HEERE op het wegdoen van de afgoden in het boek Richteren: “Toen kon Zijn ziel de moeite van Israël niet langer verdragen” (Ri 10:1616En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden de HEERE. Toen kon Zijn ziel de moeite van Israël niet langer verdragen.). Mensen die hun nederigheid tonen en breken met de zonde en zo naar Hem gaan, ondervinden altijd Zijn barmhartigheid. Dan gaat Hij opnieuw ten gunste van Zijn land en Zijn volk handelen.

Er is altijd een verbinding geweest tussen land en volk (Gn 13:14-1814En de HEERE zei tegen Abram, nadat Lot zich van hem afgescheiden had: Sla toch uw ogen op en kijk vanaf de plaats waar u bent, naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen.15Want al het land dat u ziet, zal Ik voor eeuwig aan u en uw nageslacht geven.16En Ik zal uw nageslacht maken als het stof van de aarde; als iemand het stof van de aarde zou kunnen tellen, dan zou ook uw nageslacht geteld kunnen worden.17Sta op, ga het land door in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.18En Abram zette zijn tenten op en ging bij de eiken van Mamre wonen, die bij Hebron zijn, en hij bouwde daar een altaar voor de HEERE.; 17:6-86Ik zal u uitermate vruchtbaar maken: Ik zal u tot volken maken en er zullen koningen uit u voortkomen.7Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.8Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, het hele land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.). Bij ‘land’ valt de nadruk op de niet aflatende ijver waarmee de HEERE Zich inzet voor het welzijn ervan. Bij ‘volk’, de mensen, ligt het accent op Zijn bewogenheid, Zijn tedere gevoelens voor hen.


Twee beloften

19De HEERE antwoordde en zei tegen Zijn volk:
Zie, Ik zend u het koren, de nieuwe wijn en de olie,
zodat u ermee verzadigd wordt.
Ik zal u niet meer overgeven
[als] voorwerp van smaad onder de heidenvolken.

Dit vers bevat twee beloften. De eerste is dat er weer koren, nieuwe wijn en olie zullen zijn. Ze zullen daarvan kunnen leven en dat niet slechts om in leven te blijven, maar ze zullen ervan kunnen eten tot verzadiging toe. Als de HEERE iets zendt, is dat nooit karig. Hij geeft altijd in overvloed (Mt 14:15-2115Toen het nu avond was geworden, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: De plaats is woest en de tijd is al voorbij; stuur de menigten weg, opdat zij naar de dorpen gaan en voor zichzelf voedsel kopen.16<Jezus> echter zei tot hen: Zij hoeven niet weg te gaan; geeft u hun te eten.17Zij echter zeiden tot Hem: Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.18Hij nu zei: Brengt ze Mij hier.19En nadat Hij de menigten had bevolen te gaan zitten op het gras, nam Hij de vijf broden en de twee vissen, keek op naar de hemel en zegende, en Hij brak de broden en gaf ze aan de discipelen, en de discipelen [gaven ze] aan de menigten.20En zij aten allen en werden verzadigd. En zij namen het overschot van de brokken op, twaalf korven vol.21Zij nu die hadden gegeten, waren ongeveer vijfduizend mannen, behalve vrouwen en kinderen.; 15:32-3832Jezus nu riep Zijn discipelen bij Zich en zei: Ik ben met ontferming bewogen over de menigte, want zij zijn al drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten; en Ik wil hen niet nuchter wegsturen, opdat zij niet misschien onderweg bezwijken.33En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Waar krijgen wij in een woestijn zoveel broden vandaan om zo’n grote menigte te verzadigen?34En Jezus zei tot hen: Hoeveel broden hebt u? Zij nu zeiden: Zeven en enkele visjes.35En Hij beval de menigte te gaan zitten op de grond,36nam de zeven broden en de vissen, dankte, brak ze en gaf ze aan Zijn discipelen, en de discipelen [gaven ze] aan de menigten.37En zij aten allen en werden verzadigd; en zij namen het overschot van de brokken op, zeven manden vol.38Zij nu die hadden gegeten, waren vierduizend mannen, behalve vrouwen en kinderen.).

De tweede belofte is de verzekering dat ze niet meer zullen worden prijsgegeven aan de smaad van de volken. Die verzekering is een grote verademing. Smaad geeft een enorme geestelijke belasting, waardoor het leven loodzwaar kan worden. Het tegenovergestelde, geprezen te worden, of gewoon in het dagelijks leven gewaardeerd te worden, kan vleugels geven; het maakt het leven lichter en aangenaam.


Een derde belofte

20Ik zal die uit het noorden
ver van u wegdoen.
Ik verdrijf hem naar
een dor en woest land,
zijn voorhoede naar de zee in het oosten,
zijn achterhoede naar de zee in het westen.
Zijn stank stijgt op,
zijn walm stijgt op,
want hij heeft grote dingen gedaan.

De HEERE geeft nog een derde belofte: Hij zal de vijand verjagen. Deze vijand komt van het noorden. Het is Assyrië. Die vijand zal in drie richtingen worden verdreven, anders dan bij de sprinkhanen die naar het westen, in de zee, werden gedreven. Een deel wordt verjaagd “naar een dor en woest land”, waarmee waarschijnlijk het woestijngebied ten zuiden van Israël wordt bedoeld. Een ander deel, “zijn voorhoede”, wordt verjaagd “naar de zee in het oosten”, dat is de Dode Zee. Het derde deel, “zijn achterhoede”, zal “naar de zee in het westen” worden verdreven, dat is de Middellandse Zee.

Dit lot dat Assyrië treft, komt van de HEERE omdat deze vijand zich erop beroemt dat hij “grote dingen” heeft gedaan. Dat wil zeggen dat hij in hoogmoed heeft gehandeld. Hij heeft gepronkt en aanmatigend gehandeld. Hun talloze lijken gaan over tot ontbinding, zodat de stank en walm ervan opstijgen en de lucht vervuilen (vgl. Am 4:10a10Ik heb de pest naar u toegestuurd, zoals Ik eens bij Egypte deed.
Ik heb uw jongemannen met het zwaard gedood, terwijl uw paarden werden buitgemaakt.
Ik heb de stank van uw legerkampen in uw neus doen opstijgen.
Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.
)
. Stank en vervuiling is het enige wat ervan overblijft.

Als de tuchtiging zijn werk heeft gedaan, wordt zij weggenomen. Bij de plagen die over Egypte zijn gekomen, is dat anders. Daar is een plaag opgehouden om plaats te maken voor een nieuwe plaag, omdat er geen bekering heeft plaatsgevonden (Exodus 7-12).


Grote dingen

21Wees niet bevreesd, land,
verheug u en wees blij,
want de HEERE heeft grote dingen gedaan.

“Wees niet bevreesd.” Wat een woord vol troost! Uit deze oproep of opdracht die we vaak in de Bijbel tegenkomen, hebben velen door de eeuwen heen kracht geput. Wat kunnen we bang zijn als we aan de toekomst denken, dichtbij of ver weg. We hebben er geen enkele grip op. Veel dingen gebeuren zonder dat we in staat zijn er enige invloed op uit te oefenen. Maar wie op God vertrouwt, krijgt te horen: ‘Vrees niet!’

Hier wordt dit woord gezegd vlak nadat het land enorm geleden heeft, maar nu door de HEERE weer gezegend is. Het land brengt weer veel vrucht voort, tot verzadiging toe. Maar juist omdat het nog maar zo kort geleden is dat het, door eigen ontrouw, heeft gezucht onder de tucht van God, zit de angst er nog in dat het weer mis zal gaan. Het volk denkt terug en beseft hoe broos en kwetsbaar die zegen kan zijn.

Dan komt een volgende bemoediging: het land mag jubelen en zich verheugen, omdat de zegen niet langer van hun trouw afhangt, maar omdat de HEERE grote dingen heeft gedaan. In vers 2020Ik zal die uit het noorden
ver van u wegdoen.
Ik verdrijf hem naar
een dor en woest land,
zijn voorhoede naar de zee in het oosten,
zijn achterhoede naar de zee in het westen.
Zijn stank stijgt op,
zijn walm stijgt op,
want hij heeft grote dingen gedaan.
staat dat Assyrië zich erop beroemt grote dingen te hebben gedaan. Maar het doen van grote dingen is alleen voorbehouden aan God. Hij heeft grote dingen gedaan in hun verlossing van de vijanden.

En voor ons? Als we denken aan het grote werk van de Heer Jezus op het kruis … Hoe ongelooflijk groot is dat! Dat geeft alle verlosten van alle tijden alle reden om daarover altijd te jubelen en zich erin te verheugen (vers 2323En [u,] kinderen van Sion,
verheug u en wees blij
in de HEERE, uw God,
want Hij zal u geven
de Leraar tot gerechtigheid.
Die zal regen op u doen neerdalen,
vroege regen en late regen in de eerste [maand].
)
.


Weer volop te eten voor de dieren

22Wees niet bevreesd, dieren van het veld,
want de weiden van de woestijn worden groen,
de bomen dragen hun vrucht,
de wijnstok en de vijgenboom geven hun opbrengst.

Vanaf dit vers komt het vrederijk in zicht. De hele schepping – land, dieren en mensen – zal onder de regering van de Vredevorst in ongekende rust en vrede van alles mogen genieten wat God heeft gegeven. De bemoediging “wees niet bevreesd” van vers 2121Wees niet bevreesd, land,
verheug u en wees blij,
want de HEERE heeft grote dingen gedaan.
klinkt hier voor de dieren. In dezelfde zin klinkt de oproep “verheug u en wees blij” van vers 2121Wees niet bevreesd, land,
verheug u en wees blij,
want de HEERE heeft grote dingen gedaan.
in vers 2323En [u,] kinderen van Sion,
verheug u en wees blij
in de HEERE, uw God,
want Hij zal u geven
de Leraar tot gerechtigheid.
Die zal regen op u doen neerdalen,
vroege regen en late regen in de eerste [maand].
klinkt voor de kinderen van Sion.

De dieren hebben geleden vanwege de zonde van de mens. Maar als de mens, het volk, zich heeft bekeerd, delen ook de dieren in de resultaten van de verzoening. Hun smachtend uitzien naar God (Jl 1:2020Zelfs de dieren van het veld
schreeuwen naar U,
want de waterstromen
zijn uitgedroogd.
Een vuur heeft
de weiden van de woestijn verteerd.
)
is beantwoord. Ze kunnen weer volop eten van wat het veld voortbrengt. Ze hoeven niet bang te zijn voor nieuwe schaarste.

Ook in onze tijd zucht het vee nog onder de vloek die door de zonde van de mens op de schepping rust. Maar als de vloek is weggenomen, zullen de dieren, hoewel niet in de vreugde, dan toch wel in de vrijheid van de kinderen van God worden gebracht (Rm 8:18-2218Want ik acht, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is [vergeleken te worden] met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.19Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God.20Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.22Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.). Zo heeft God, als Hij Ninevé spaart, ook oog voor de dieren, want ook het vee heeft gevast (Jn 4:1111Zou Ík dan die grote stad Ninevé niet ontzien, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn die het verschil tussen hun rechter- en hun linker[hand] niet weten, en [daarbij] veel vee?; 3:88Mens en dier moeten in rouwgewaden gehuld zijn en met kracht tot God roepen. Zij moeten zich bekeren, ieder van zijn slechte weg en van het geweld dat aan zijn handen kleeft.).


De kinderen van Sion

23En [u,] kinderen van Sion,
verheug u en wees blij
in de HEERE, uw God,
want Hij zal u geven
de Leraar tot gerechtigheid.
Die zal regen op u doen neerdalen,
vroege regen en late regen in de eerste [maand].

Dat het volk aangesproken wordt met “kinderen van Sion”, moet hun als muziek in de oren klinken. Sion is een van de bergen waarop Jeruzalem gebouwd is. Vaak wordt Sion ‘de stad van David’ genoemd. Hij woonde daar. Als eenmaal de ware David, de Heer Jezus, daar zal wonen en van daaruit zal regeren, zal de berg Sion “een vreugde voor heel de aarde” zijn (Ps 48:33Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
)
. Zoals met de berg Sinaï de wet is verbonden, zo is met de berg Sion de genade verbonden (Hb 12:18-2218Want u bent niet genaderd tot [de] tastbare <berg> en [het] brandende vuur, tot donkerheid, duisternis, onweer,19bazuingeschal en een geluid van woorden waarvan zij die ze gehoord hadden, smeekten dat [het] woord niet tot hen zou worden gericht20(want zij konden niet verdragen wat geboden werd: ‘Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd’;21en zo vreselijk was het gezicht, dat Mozes zei: ‘Ik ben vol vrees en ik beef zeer’),22maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,). De “kinderen van Sion” zijn daarom ‘kinderen van de genade’.

De oorzaak om te jubelen en zich te verheugen is daarom niet gelegen in henzelf, maar in de HEERE. Hem zien ze als de oorzaak van hun vreugde. Hij heeft hun genade bewezen, terwijl zij elk recht op zegen hebben verspeeld. Ze mogen zich weer verheugen in “de HEERE, uw God”, waarin het bewustzijn van een vernieuwde, herstelde relatie met de God van het verbond opgesloten ligt. Op grond van dit nieuwe verbond zullen de regenstromen van zegen weer neerdalen. De vroege regen valt in oktober en november; de late regen valt in maart en april en is voor een goede oogst onmisbaar. Met de regen wordt eerst de regen als natuurlijke zegen bedoeld, maar vervolgens ook de geestelijke zegen in de uitstorting van de Heilige Geest (vers 2828Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.
)
.

“De Leraar tot gerechtigheid” kan niemand anders zijn dan de Heer Jezus. Hij zal hen in de gerechtigheid onderwijzen (Js 53:11b11Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
)
. Het kan vreemd lijken dat te midden van al de aardse zegeningen ineens een Persoon naar voren treedt. Toch is dat niet zo vreemd, als we bedenken dat, wil de beloofde toestand van zegen standhouden, Gods volk ook in Gods weg en naar Zijn geboden moet leven.

Omdat Israëls zegen verbonden is aan het houden van Gods geboden, is het van wezenlijk belang dat de HEERE die geboden ook laat onderrichten. Als door het onderwijs van de Leraar het leven naar de wil van God in Israël weer ernstig wordt genomen, kan de regen, komend als zegen van God, neerdalen. Vroeger werd gerechtigheid geëist, maar niemand kon eraan voldoen. Nu het nieuwe leven aanwezig is, is ook het verlangen aanwezig om in de gerechtigheid onderwezen te worden.


De zegen

24De dorsvloeren zullen vol koren zijn,
de perskuipen stromen over van nieuwe wijn en olie.

De komst van de regen is het bewijs van de zegen die God voor hen in Zijn hart heeft. Hij zal die regen geven als ze gehoorzaam zijn aan Zijn geboden. In het boek Deuteronomium is Mozes een beeld van de Leraar tot gerechtigheid (Dt 11:13-1413En het zal gebeuren, wanneer u nauwgezet luistert naar mijn geboden die ik u heden gebied, door de HEERE, uw God, lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en met heel uw ziel,14dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.). Koren, nieuwe wijn en olie, de drie producten van het land die samen de volle zegen voorstellen, zullen in overvloedige mate aanwezig zijn. Dit alles dankzij de regenstromen die de HEERE zal geven, elk op zijn bestemde tijd.


Herstel

25Ik zal u de jaren vergoeden
die de veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten,
Mijn grote leger,
dat Ik op u had afgestuurd.

Zo is God! Als Zijn volk zich eenmaal tot Hem bekeerd heeft, gaat Hij vergoeden wat ze door Zijn tuchtiging al die jaren hebben gemist. God houdt de zegen niet voor Zichzelf; Hij is de God Die zegen uitdeelt, mits er voldaan is aan de voorwaarden die Hij heeft gesteld. Hij kan alleen zegen geven waar de dingen gebeuren in overeenstemming met Zijn wil. Ook als een mens of een volk zich hardnekkig opstelt, is Hij in staat om die mens of dat volk in overeenstemming met Zijn wil te doen handelen. Zo doet God het altijd.

Het is op zich al een zegen als, na een opstandig leven, een mens tot de erkenning komt dat God het oordeel over dat opstandige leven moet laten komen. Die erkenning is voor God al voldoende om nieuw leven te geven. Dat nieuwe leven is het leven van God Zelf. Vervolgens laat God zien hoeveel zegeningen Hij in Zijn hart heeft om te geven aan hen die zo met Hem, door het nieuwe leven, in verbinding staan. Alles wat in opstandigheid tegen God is gezegd en gedaan, heeft alleen maar schade aangericht. Door de bekering is daaraan een einde gekomen. Na de bekering van Israël in de toekomst zullen ze alle beloofde zegen in bezit mogen nemen.

Hoeveel jaren van ons leven zijn er verteerd door sprinkhanen? Zelfgenoegzaamheid, lichtzinnigheid, verkwisting van tijd, talent en gelegenheid, traagheid, luiheid, vermengde en boze motieven, verborgen zonde, ze hebben allemaal de rol van sprinkhaan gespeeld. Het heeft ervoor gezorgd dat er geen kracht was om voor God te leven en te genieten van de gemeenschap met Hem. Er was ook geen kracht om te getuigen tegenover de mensen om ons heen Wie de Heer Jezus voor ons is. Maar God wil vergeven en ons weer uitzicht op een hoopvolle toekomst geven. Meer nog, Hij wil teruggeven wat de sprinkhaan heeft opgegeten.

Dat heeft de Heer Jezus ook bij Petrus gedaan. Nadat Petrus de Heer heeft verloochend (Mt 26:69-7569Petrus nu zat buiten in de voorhof; en een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Ook u was met Jezus de Galileeër.70Hij loochende het echter ten aanhoren van allen en zei: Ik weet niet wat u zegt.71Toen hij nu naar buiten ging naar de voorpoort, zag een andere [vrouw] hem en zij zei tot hen die daar waren: <Ook> deze was met Jezus de Nazoreeër.72En hij loochende het opnieuw met een eed: Ik ken de Mens niet!73Kort daarna nu kwamen zij die [daar] stonden naar hem toe en zeiden tot Petrus: Werkelijk, ook u bent een van hen, want ook uw spraak maakt u openbaar.74Toen begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken de Mens niet!75En terstond kraaide [de] haan. En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, Die gezegd had: Voordat [de] haan kraait, zul je Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter.) en Hij hem heeft hersteld, vertrouwt Hij hem de zorg voor Zijn schapen toe (Jh 21:15-1715Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren.16Hij zei opnieuw tot hem, voor [de] tweede keer: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen.17Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, [zoon] van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen.). Hij heeft het ook bij Paulus gedaan. Nadat Paulus verwoestingen heeft aangericht in de gemeente van Christus en de Heer hem is tegengekomen, maakt Hij van hem een bouwer van de gemeente. Paulus heeft gebouwd, zowel in de prediking van het evangelie als in het onderwijzen van de leer (1Tm 1:12-1412Ik dank Christus Jezus, onze Heer, Die mij kracht gegeven heeft, dat Hij mij trouw heeft geacht, daar Hij mij in [de] bediening gesteld heeft,13mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof;14en de genade van onze Heer is meer dan overvloedig geweest met geloof en liefde, die in Christus Jezus is.).

Zo wil de Heer ook handelen in ons leven. Het begint met het wegdoen uit ons leven van alles wat belangrijker is dan Christus. We moeten de dingen veroordelen die we niet voor Hem doen, vooral het belijden en nalaten van zonden die we nog steeds koesteren. Dan zullen we zien dat we toegang krijgen tot “al de schatten van de wijsheid en kennis” die in Christus verborgen zijn (Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.).


Lof voor de HEERE

26Dan zult u overvloedig en tot verzadiging eten,
en de Naam van de HEERE, uw God, prijzen,
Die wonderlijk met u heeft gehandeld.
Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden.

Het is opvallend hoe, als het gaat over de zegen van God, telkens weer van overvloed en verzadiging wordt gesproken. Als de HEERE de geleden schade goedmaakt, volgt daaruit dat Zijn volk weer volop te eten heeft. Dan zullen zij daarvoor hun dankbaarheid uiten door de Naam van de HEERE, hun God in aanbidding te prijzen. Dat is het uiteindelijke doel van alles wat God met en voor Zijn volk doet, zowel bij Israël als bij de gemeente.

Elke verlossing, zowel van een persoon als van een volk, zal leiden tot de uitroep: “Dit is door de HEERE geschied, het is wonderlijk in onze ogen” (Ps 118:2323Dit is door de HEERE geschied,
het is wonderlijk in onze ogen.
)
. Dit wonderlijke kon gebeuren door de inhoud van het vers dat ervoor staat: “De steen [die] de bouwers verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden” (Ps 118:2222De steen [die] de bouwers verworpen hadden,
is tot een hoeksteen geworden.
)
. Hierin ligt de oorzaak van de aanbidding van het wonder. De Heer Jezus is verworpen door mensen, maar door God tot de grondslag voor Zijn werk gemaakt. Het wonder van de verlossing is mogelijk geworden door wat de Heer Jezus heeft gedaan op het kruis.

Ook alle aardse zegeningen die Israël zal krijgen, hebben ze daaraan te danken. De natuurlijke zegeningen zullen een geestelijke uitwerking hebben, omdat men de HEERE als de Bewerker daarvan zal eren en danken.


Weten waar en Wie de HEERE is

27Dan zult u weten dat Ik te midden van Israël ben,
[dat] Ik, de HEERE, uw God ben, en niemand anders:
Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden!

Het “weten” van dit vers is een weten door ervaring. Ze worden gewaar, ze merken op, dat de HEERE in hun midden is. De verhoring van het gebed van vers 1717Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?
en het antwoord van de HEERE in de uitredding uit de nood zijn te zien in de hernieuwde relatie van Israël met de HEERE. Als God zegt “[dat] Ik, de HEERE, uw God ben”, laat Hij daarmee het exclusieve voorrecht van Israël zien. Hij is de HEERE, hun God geworden omdat Hij hen verlost heeft uit Egypte (Ex 20:22Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.; Dt 5:66Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.).

De toevoeging “en niemand anders” (Dt 4:3535Aan ú is dat getoond, opdat u zou weten dat de HEERE God is, niemand anders dan Hij alleen!; Js 45:55Ik ben de HEERE, en niemand anders,
buiten Mij is er geen God.
Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende,
)
beklemtoont de vorige verklaring. Dat is nodig omdat Israël zich in zijn nood vaak tot andere goden heeft gewend. Daarmee zijn zij echter steeds beschaamd uitgekomen en tot schande gemaakt, iets wat ze met God nooit hebben meegemaakt en ook tot in eeuwigheid nooit zullen meemaken. Er zal dan geen plaats meer zijn voor de spottende vraag: ‘Waar is hun God?’


Zegen voor het volk

28Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.

In de Hebreeuwse Bijbel vormen de verzen 28-3228Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.30Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:
bloed en vuur en rookzuilen.
31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.32Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.
Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn,
zoals de HEERE gezegd heeft,
namelijk bij hen die ontkomen zijn,
die de HEERE roepen zal.
een apart hoofdstuk (Joël 3). Joël 3 in onze Bijbel is daar Joël 4. Deze indeling in vier hoofdstukken wordt ook in andere vertalingen gehandhaafd.

Tot nu toe is het gegaan om een stoffelijke en bovendien tijdelijke zegen. Het betreft het herstel van Israël in het genot van de zegen van vroegere dagen. Dit feit is gegrond op genade, een genade die voorkomt dat de zegen weer verloren gaat. Maar nu gaat de profeet spreken over de geestelijke zegeningen die de Messias, de Christus, Zijn volk zal brengen. Hierin zullen alle volken delen die Hem hebben aangenomen. God zal namelijk vanuit de hemel Zijn Geest uitstorten “op alle vlees”.

“Uitstorten” wijst op de overvloedig rijke mate waarmee de Geest wordt geschonken (Js 32:15a15Totdat over ons uitgegoten wordt de Geest uit de hoogte.
Dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden
en het vruchtbare veld zal als een woud beschouwd worden.
)
. Dit zal “daarna” gebeuren, dat is na de verdelging van de Assyriërs. De vernietiging van de laatste vijandelijke machten van Israël en de uitstorting van de Geest zijn de laatste gebeurtenissen die worden vermeld (Ez 39:2929Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis van Israël heb uitgestort, spreekt de Heere HEERE.), voordat de profeet Ezechiël de tempel en het land tijdens het vrederijk beschrijft (Ezechiël 40-48).

Petrus haalt deze verzen in Joël 2 aan in Handelingen 2 aan zonder te zeggen dat het de vervulling is van deze profetie (Jl 2:28-3228Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.30Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:
bloed en vuur en rookzuilen.
31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.32Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.
Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn,
zoals de HEERE gezegd heeft,
namelijk bij hen die ontkomen zijn,
die de HEERE roepen zal.
; Hd 2:16-2116Maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël:17‘En het zal gebeuren in de laatste dagen, zegt God, dat Ik van Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees, en uw zonen en dochters zullen profeteren, en uw jongemannen zullen gezichten zien en uw ouden zullen dromen dromen.18Ja, op Mijn slaven en op Mijn slavinnen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.19En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm.20De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en luisterrijke dag van [de] Heer komt.21En het zal gebeuren dat ieder die de Naam van [de] Heer aanroept, behouden zal worden’.)
. Dat is ook niet zo. Hij verwijst naar Joël 2 omdat wat op de Pinksterdag gebeurt hetzelfde karakter heeft als wat Joël aankondigt. De uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag is iets wat doet denken aan wat Joël heeft gezegd.

We kunnen zeggen dat wat op de Pinksterdag gebeurt, een voorvervulling van de profetie is, niet de vervulling zelf. De vervulling van wat Joël zegt, zal plaatsvinden nadat voldaan is aan wat hij in de voorgaande verzen heeft geprofeteerd. Het woord “daarna”, waarmee vers 2828Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.
begint, laat zien dat er een chronologisch verband is met de voorgaande verzen.

Het hoofddoel van Petrus om dit vers uit Joël aan te halen is om de Joden duidelijk te maken dat dit wonderlijke dat zo plotseling in hun midden plaatsvindt, volledig bevestigd wordt door wat Joël over de uitstorting van de Geest gezegd heeft. Maar de uitstorting die in Petrus’ dagen plaatsvindt, is niet de volle vervulling van de gebeurtenis die door Joël is aangekondigd.

De Heilige Geest komt op de dag van het Pinksterfeest op aarde. Door Zijn komst ontstaat de gemeente die Hij verder zal vormen. Die uitstorting vindt plaats om een volk voor de hemel te vormen. Daarvoor is Hij nog steeds op aarde. Waar Joël over schrijft, kan pas plaatsvinden als de vijanden van Israël verslagen zijn en het volk zelf in zijn land woont.

“Alle vlees” betekent niet ‘alle dan levende mensen’. Het geeft aan dat het uitstorten van de Heilige Geest niet een gebeurtenis is die beperkt is tot de Joden. Ook dat maakt de Pinksterdag duidelijk. Het is niet zo, dat God alle bekeerden de Joodse taal laat spreken, maar Hij laat de Joden de talen spreken van de volksgenoten die onder de heidenen verstrooid zijn. Dit is een bijzonder getuigenis van de genade die uitgaat naar de heidenen. De heidenen worden niet ingevoegd in het Joodse volk, maar zij krijgen als heidenen deel aan de zegen van de Heilige Geest.

Al de verschillende talen zijn het gevolg van het oordeel van God over de mensen vanwege hun hoogmoedige plan om een eigen eenheid te vormen door het bouwen van de toren van Babel (Gn 11:1-91Heel de aarde had één taal en eendere woorden.2En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.8Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.). Maar nu gaat de genade van God ook uit naar hen en heft Hij het oordeel van de spraakverwarring op door het wonder van het spreken in talen. De taal vormt geen barrière meer.

De werking van de Geest Die is uitgestort, uit zich in het profeteren. Op de Pinksterdag blijkt dat in het spreken in talen “over de grote daden van God” (Hd 2:1111Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen over de grote daden van God spreken.). Het lijkt erop dat het spreken in talen hier een vorm van profeteren is, want door dit spreken en door de uitleg die door Petrus wordt gegeven, worden mensen in het hart getroffen en velen bekeren zich (Hd 2:37,4137Toen zij nu dit hoorden, werden zij in het hart getroffen en zij zeiden tot Petrus en de overige apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?41Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.).

De Geest als gave is in het Oude Testament alleen voorbehouden aan personen met een speciale plaats in Gods volk zoals koningen en profeten. Dat het hele volk zal profeteren, is bij een wens gebleven die door Mozes is uitgesproken (Nm 11:2929Maar Mozes zei tegen hem: Zet u zich voor mij in? Och, of allen van het volk van de HEERE profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gaf!). Maar deze wens van Mozes is bij Joël een belofte van de HEERE geworden. Zonen en dochters zullen profeteren. Hiervoor is wel een door de Geest bezield leven nodig. Alleen daardoor is men ontvankelijk voor Goddelijke openbaringen. Dat zal het geval zijn bij allen die het vrederijk zullen binnengaan. Profeteren is het spreken uit de tegenwoordigheid van God met kennis van Zijn wil. God zal aan de ouderen Zijn wil door dromen bekendmaken en aan jongemannen door visioenen.

Het verschil tussen ‘dromen’ en ‘visioenen’ is dat bij dromen dingen gezien worden in de slaap, terwijl dat bij visioenen niet het geval hoeft te zijn. Bij visioenen gaat het ook meer om wat gezien wordt, de verschijning. We vinden vaker in de Schrift dat God Zijn wil bekendmaakt door dromen (Jb 33:14-1814Want God spreekt één of twee keer,
[maar] men slaat er geen acht op:
15in een droom, een visioen in de nacht,
als een diepe slaap op de mensen valt,
in de sluimer op de slaapplaats.
16Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen,
en Hij verzegelt hun tuchtiging,
17om de mens [van een verkeerde] daad af te brengen.
Hij verbergt de hoogmoed voor een man.
18Hij houdt zijn ziel af van het verderf,
en zijn leven van het omkomen door de werpspies.
; Gn 20:3,63Maar God kwam in een nachtelijke droom bij Abimelech en zei tegen hem: Zie, u gaat sterven vanwege de vrouw die u genomen hebt, want zij is met een man getrouwd!6God zei tegen hem in de droom: Ik weet ook dat u dit met een oprecht hart gedaan hebt. Ik heb u ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen en daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken.; Mt 1:2020Terwijl hij echter deze dingen overdacht, zie, een engel van [de] Heer verscheen hem in een droom en zei: Jozef, zoon van David, wees niet bang uw vrouw Maria tot u te nemen, want wat in haar is verwekt, is uit [de] Heilige Geest.; 2:12-2212En toen zij in een droom een Goddelijke aanwijzing ontvangen hadden om niet naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.13Toen zij nu waren vertrokken, zie, een engel van [de] Heer verscheen in een droom aan Jozef en zei: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder mee en vlucht naar Egypte, en wees daar totdat ik het u zeg; want Herodes zal het Kind zoeken om het om te brengen.14En hij stond op, nam het Kind en Zijn moeder ‘s nachts mee en vertrok naar Egypte.15En hij was daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld werd wat door [de] Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei: ’Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen’.16Toen werd Herodes, daar hij zag dat hij door de wijzen was misleid, zeer toornig; en hij zond [knechten] en doodde alle jongens die in Bethlehem en in het hele gebied daarvan waren, van twee jaar en daaronder, overeenkomstig de tijd die hij bij de wijzen nauwkeurig onderzocht had.17Toen werd vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia, die zei:18‘Een stem is in Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel die haar kinderen beweende, en zij wilde niet getroost worden, omdat zij niet [meer] zijn’.19Toen nu Herodes was gestorven, zie, een engel van [de] Heer verscheen in een droom aan Jozef in Egypte20en zei: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder mee en ga naar het land Israël; want zij die het Kind naar het leven stonden, zijn gestorven.21En hij stond op, nam het Kind en Zijn moeder mee en kwam in het land Israël.22Toen hij echter hoorde dat Archelaüs koning over Judéa was in de plaats van zijn vader Herodes, was hij bang daarheen te gaan; en toen hij een Goddelijke aanwijzing in een droom ontvangen had, vertrok hij naar de streken van Galiléa,)
en visioenen (Gn 15:11Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.; 46:22En God sprak 's nachts tot Israël door visioenen en zei: Jakob! Jakob! En hij zei: Zie, [hier] ben ik.; 1Sm 3:1,151En de jonge Samuel diende de HEERE onder toezicht van Eli. Het woord van de HEERE was schaars in die dagen; er was geen visioen dat in de openbaarheid kwam.15Samuel nu bleef tot aan de morgen liggen; toen deed hij de deuren van het huis van de HEERE open. Samuel was bevreesd dit visioen aan Eli te vertellen.). Het verband tussen profeteren en dromen en visioenen komt duidelijk naar voren in wat de HEERE tegen Aäron en Mirjam zegt, nadat zij tegen Mozes hebben gesproken: “Luister toch naar Mijn woorden! Als [iemand] onder u een profeet is, maak Ik, de HEERE Mij door een visioen aan hem bekend, spreek Ik met Hem door een droom” (Nm 12:66Hij zei:
Luister toch naar Mijn woorden!
Als [iemand] onder u een profeet is,
maak Ik, de HEERE, Mij door een visioen aan hem bekend,
spreek Ik met hem door een droom.
)
.


De Geest op allen

29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.

Zoals al is opgemerkt, zien we in het Oude Testament de Geest niet algemeen gebruikmaken van ieder lid van het volk. Hij verricht Zijn werk vooral door koningen, priesters en profeten. In de toekomst zal dat anders zijn. Dan ontvangen alle lagen van het volk, zelfs dienaren en dienaressen deze gave. Er zal geen onderscheid zijn naar geslacht, leeftijd of maatschappelijke status. De ouderen, bij wie de kracht afneemt of zelfs weg is, zullen evenals de jongeren, die nog weinig of geen ervaring hebben in de dingen van God, van Hem openbaringen krijgen in dromen en visioenen.


Wondertekenen

30Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:
bloed en vuur en rookzuilen.
31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.

In de letterlijke zin zal de Geest dus uiteindelijk worden uitgestort op alle vlees op het moment dat de Assyriërs en alle vijanden zijn verslagen en de HEERE Zijn volk weer in Zijn land heeft geplaatst. De tekenen waarvan in dit vers sprake is, zullen aan die gebeurtenis voorafgaan. Hoewel Petrus deze verzen in Handelingen 2 wel citeert, volgen deze tekenen niet direct op de uitstorting van de Geest. Dat komt omdat Israël als natie zich niet heeft bekeerd, maar nog ongehoorzaam was (en nog steeds is).

Als ze zich hadden bekeerd, zou “die dag van de HEERE … die grote en ontzagwekkende” onmiddellijk zijn aangebroken. De HEERE zou de vijanden zowel binnen Israël als daarbuiten ten gunste van Zijn volk hebben geoordeeld. Zijn optreden zou gepaard zijn gegaan met de verschijnselen die hier worden genoemd. Nu moet die dag nog komen. Daarom zijn ook die verschijnselen nog toekomst. Ze zullen zeker plaatsvinden en wel nadat de gemeente is opgenomen (Op 6:12-1712En ik zag, toen het [Lam] het zesde zegel opende, en er kwam een grote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak en de hele maan werd als bloed,13en de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt als hij door een harde wind geschud wordt.14En de hemel week terug als een boek dat wordt opgerold, en elke berg en elk eiland werden van hun plaatsen gerukt.15En de koningen van de aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de sterken en elke slaaf en vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen;16en zij zeiden tegen de bergen en tegen de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor [het] aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam;17want de grote dag van Hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?).

Onder het in Openbaring 6 genoemde zesde zegel vinden oordelen plaats die sterk overeenkomen met wat Joël zegt. Alle oordelen die vanaf Openbaring 6 plaatsvinden, vallen onder de “dag van de HEERE … die grote en ontzagwekkende”. Zij banen de weg voor de wederkomst van Christus naar de aarde om Zijn rijk van vrede en gerechtigheid te vestigen.


Ontkoming

32Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.
Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn,
zoals de HEERE gezegd heeft,
namelijk bij hen die ontkomen zijn,
die de HEERE roepen zal.

In die tijd van grote nood, waarin plaatsvindt wat in de verzen 30-3130Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:
bloed en vuur en rookzuilen.
31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.
vermeld staat, is de redding voor iedereen die zijn hopeloze situatie inziet, alleen mogelijk door het aanroepen van de Naam van de HEERE. Wie in vertrouwend geloof tot Hem nadert, komt niet om, maar wordt behouden. In Romeinen 10 wordt dit vers aangehaald en van algemene toepassing verklaard voor de verkondiging van het evangelie (Rm 10:1313‘want ieder die de Naam van [de] Heer zal aanroepen, zal behouden worden’.). Er wordt met betrekking tot het evangelie geen onderscheid gemaakt in oordeel en ook geen onderscheid in het aanbieden van de behoudenis. Het is voor iedereen beschikbaar. Door alle eeuwen heen is de behoudenis alleen te vinden in het geloof in de Heer Jezus. Hij is de HEERE.

Hier in Joël wordt de behoudenis ook nog verbonden aan Jeruzalem en Sion, want dat is de plaats van waaruit de Heer Jezus zal regeren (vgl. Ob 1:1717Maar op de berg Sion zal ontkoming zijn:
die zal een heilige plaats zijn;
zij die van het huis van Jakob zijn,
zullen hun bezittingen [weer] in bezit nemen.
)
. Daar woont Hij; bij Hem is ieder veilig. Allen die door de HEERE worden geroepen, zullen daarheen gaan. Hier vinden we dat het overblijfsel dat behouden wordt. Een overblijfsel is “naar [de] verkiezing van [de] genade” (Rm 10:55Want Mozes beschrijft de gerechtigheid die op grond van <de> wet is: ‘De mens die <deze dingen> heeft gedaan, zal daardoor leven’.; 9:2727En Jesaja roept over Israël uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israël als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden.). Beide zijden zijn waar en noodzakelijk. Aan de ene kant klinkt de oproep om de Naam van de HEERE aan te roepen om behouden te worden. Aan de andere kant worden alleen zij behouden die door de HEERE worden geroepen.

Zo is het ook vandaag. God beveelt de mensen “dat zij zich allen overal moeten bekeren” (Hd 17:3030Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren,). Dit bevel moet niet worden ontkracht door te zeggen dat je je niet kunt bekeren, maar dat God dit moet doen en dat het alleen gebeurt als je uitverkoren bent. Dan schuif je zomaar het Woord van God aan de kant en maak je elke prediking van het evangelie tot een nutteloze bezigheid. Tevens wordt God tot een leugenaar verklaard. Hij is dan immers Iemand Die dingen zegt die niet waar zijn. Hij vraagt iets van de mens wat deze niet kan. Maar zo is God niet! Als Hij iets van de mens vraagt, geeft Hij ook de kracht om het te doen. Zo is God! Tegelijk is het ook zo dat iemand die zich bekeerd heeft, dit alleen maar kan zeggen omdat hij uitverkoren is.

Je kunt het vergelijken met een uitnodiging die boven de deur van een huis staat. Er staat dat iedereen mag binnenkomen en dan iets krijgt. Wie dat ook werkelijk doet, leest boven de deur aan de binnenkant: uitverkoren. God weet wie daadwerkelijk Zijn uitnodiging zullen aannemen om behouden te worden. Maar nooit mogen deze twee kanten van de waarheid tegen elkaar worden uitgespeeld. Het evangelie moet zonder onderscheid aan alle mensen worden gepredikt. De uitverkiezing is een waarheid die alle gelovigen met grote dankbaarheid mogen omhelzen.


Lees verder