Joël
1 Het woord van de HEERE 2 Terug in de herinnering 3 De les voor de toekomst 4 De sprinkhanen 5 Dronkaards 6 Sprinkhanen die optrekken 7 Mijn wijnstok, Mijn vijgenboom 8 Droefheid om verlies van een geliefde 9 Geen spijsoffer en drankoffer 10 Alles is grote ellende 11 Armen en rijken ontmoeten elkaar 12 Alle bomen zijn weg 13 Oproep aan de priesters 14 Heiligen en vasten 15 De dag van de HEERE 16 Geen vreugde en gejuich 17-18 Troosteloosheid alom 19 De roep tot God 20 De dieren roepen tot de HEERE
Het woord van de HEERE

1Het woord van de HEERE dat gekomen is tot Joël, de zoon van Pethuel.

Het boek Joël bevat geen woord van mensen, maar “het woord van de HEERE”. Zo beginnen ook de boeken Hosea, Jona, Micha en Zefanja. Het boek moet gelezen worden als een Goddelijke openbaring. Het is het woord dat van God komt, Hij heeft het uitgesproken en in opdracht van Hem moet het worden doorgegeven.

Het woord dat van God komt, is meer dan alleen dat God spreekt. Het spreken van God is meer dan alleen woorden zeggen. Gods spreken is een daad, een handeling die iets bewerkt. In het spreken van God ligt kracht, het doet wat Hem behaagt en keert nooit leeg terug (Js 55:10-1110Want zoals regen of sneeuw
neerdaalt van de hemel
en daarheen niet terugkeert,
maar de aarde doorvochtigt
en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen,
zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter,
11zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat:
het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren,
maar het zal doen wat Mij behaagt,
en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend.
)
. Joël is een van de heilige mensen die Petrus bedoelt als hij schrijft: “Want niet door [de] wil van een mens werd ooit profetie voortgebracht, maar <heilige> mensen van Godswege hebben, door [de] Heilige Geest gedreven, gesproken” (2Pt 1:2121Want niet door [de] wil van een mens werd ooit profetie voortgebracht, maar <heilige> mensen van Godswege hebben, door [de] Heilige Geest gedreven, gesproken.).

Evenals bij Obadja, Nahum, Habakuk en Maleachi ontbreekt elke vermelding van tijd of plaats van herkomst van de profeet. Zie ook de inleiding onder ‘Wie was Joël?’ en ‘Wanneer heeft Joël geleefd?’


Terug in de herinnering

2Hoor dit, oudsten,
neem [dit] ter ore, alle inwoners van het land!
Is dit gebeurd in uw dagen
of in de dagen van uw vaderen?

Met de oproepen “hoor dit” en “neem [dit] ter ore” vraagt Joël aandacht voor zijn boodschap. De “oudsten” zijn de meest verantwoordelijken. Zij zijn de volksleiders, mannen die door een lange levenservaring wijs zijn geworden. Hun herinnering gaat ook het verst terug. Zij moeten begrijpen dat de ramp die hen getroffen heeft, geen toevallige samenloop van omstandigheden is. Ze mogen er ook geen wetenschappelijke verklaringen voor geven, alsof een samenspel van natuurkundige factoren ervoor heeft gezorgd dat het grote aantal sprinkhanen precies op dit tijdstip nu net in Juda is neergestreken. Juist deze oude, wijze mannen moeten beseffen dat deze ramp een waarschuwing van God inhoudt.

Maar ook het ‘gewone’ volk wordt voorgehouden dat ze, in wat er is gebeurd, het handelen van God moeten (h)erkennen. Als ze eens in hun herinnering en nog verder in de geschiedenis teruggaan, zullen ze moeten toegeven dat zoiets nog nooit is gebeurd in hun land. De plaag die hen nu treft, is groter dan elke voorgaande plaag die hen heeft getroffen. Waarom? Omdat zij nog grotere zondaars zijn dan hun vaderen.

Elke natuurramp of andersoortige ramp, bijvoorbeeld ziekte of oorlog, is een gebeurtenis waardoor God tot het geweten van mensen wil spreken. Als mensen geen gehoor geven aan Zijn Woord, zal Hij door krachtiger middelen spreken. De bekende schrijver C.S. Lewis heeft ergens opgemerkt: ‘God fluistert door Zijn Woord, Hij buldert door een ramp.’ Na afloop van een lezing met de titel ‘God is er en Hij spreekt’ kwam een vrouw naar me toe die zei: ‘Ik ben dankbaar dat God tegen me heeft gebulderd, omdat ik niet naar Zijn Woord luisterde.’

Ook vandaag spreekt God nog tot een volk en tot de enkeling door gebeurtenissen. Het doel is dat er naar Hem geluisterd wordt. Dat gold ook voor de man die uitdagend tegen zijn in God gelovende zoontje zei dat God hem maar eens op zijn schouder moest tikken als Hij bestond. Enige tijd later sloeg hij met zijn auto over de kop. Hij bleef wonderlijk bewaard. Alleen zijn schouder was beschadigd. Zijn zoontje zei toen: ‘Papa, was dat niet het tikken van God op uw schouder?’ De man zag in dat God tot hem had gesproken. Hij bekeerde zich tot God en kwam tot geloof in de Heer Jezus.


De les voor de toekomst

3Vertel erover aan uw kinderen
en [laten] uw kinderen [erover] aan hun kinderen [vertellen]
en hun kinderen [weer] aan de volgende generatie.

Er moet niet alleen gegraven worden in het verleden, er moet ook worden gedacht aan de toekomst. De komende generaties mogen niet vergeten wat God met hen heeft gedaan. De vaders moeten hun kinderen vertellen welk oordeel hen getroffen heeft, hoe God hen heeft moeten straffen. Dat mogen ze niet verzwijgen, ze moeten er eerlijk mee voor de dag komen. Hun kinderen moeten het ook weer doorgeven. Zo zijn ook de wonderen die God heeft gedaan bij de bevrijding van Zijn volk uit Egypte, aan de volgende geslachten doorgegeven (Ri 6:13a13Maar Gideon zei tegen Hem: Och, mijn heer, als de HEERE met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? En waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaderen ons verteld hebben, toen zij zeiden: Heeft de HEERE ons niet uit Egypte doen optrekken? Maar nu heeft de HEERE ons verlaten en ons in de hand van Midian gegeven!).

Dit doorgeven van Gods kastijding moet als waarschuwing dienen en niet als leuk verhaal om het publiek te vermaken. Wij zijn namelijk goed in staat verhalen uit het verleden te vertellen, zonder in te gaan op wat wij eruit moeten leren. Maar God wil niet dat op die manier met ‘onderwijs’, met Zijn handelen met een afwijkend volk, wordt omgegaan. Hij wil dat Zijn optreden wordt doorgegeven, opdat de kinderen niet in hetzelfde kwaad zullen vallen en zij erdoor zullen leren de HEERE te vrezen.

‘Erover’ vertellen houdt meer in dan vertel ‘het’. Vertel ‘het’ kan betekenen dat alleen het loutere feit, de gebeurtenis op zich wordt doorgegeven. Maar God wil dat er meer wordt doorgegeven. Hij wil ook dat de oorzaak van de plaag en de gevolgen ervan worden vermeld en dat de volgende generatie er de juiste lering uit zal trekken. Niet slechts wat er is gebeurd, moet worden verteld, maar er moet vooral worden gewezen op hoe God heeft gehandeld.

Het doorgeven van de geschiedenislessen gaat door tot op de vierde generatie. Hiermee wil Joël benadrukken dat het gebeurde moet worden doorgegeven tot in verre geslachten (vgl. Sp 4:1-41Luister, kinderen, naar de vermaning van [je] vader
en sla er acht op om inzicht te leren kennen,
2want ik geef jullie een goede les:
verlaat mijn onderricht niet!
3Want ik was een zoon voor mijn vader,
onervaren en een enig [kind] voor mijn moeder.
4Hij onderwees mij en zei tegen mij:
Laat je hart mijn woorden vasthouden:
neem mijn geboden in acht en leef.
)
. In dit verband is het de moeite waard naar Psalm 78 te kijken. Die psalm is een leerdicht van Asaf, waarin hij, net als Joël, de les van de geschiedenis voorhoudt aan het volk. Ook Asaf begint met de oproep om te horen en vervolgens spoort hij aan om het gehoorde door te geven aan het volgende geslacht:
“Een onderwijzing van Asaf.
Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore,
neig uw oor tot de woorden van mijn mond.
Ik wil mijn mond met spreuken opendoen
en van aloude verborgenheden doen overvloeien,
die wij gehoord hebben en weten
en onze vaders ons verteld hebben.
Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen,
[maar] aan de volgende generatie
de loffelijke daden van de HEERE vertellen,
Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft”
(Ps 78:1-41Een onderwijzing van Asaf.
Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore,
neig uw oor tot de woorden van mijn mond.
2Ik wil mijn mond met spreuken opendoen
en van aloude verborgenheden doen overvloeien,
3die wij gehoord hebben en weten
en onze vaders ons verteld hebben.
4Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen,
[maar] aan de volgende generatie
de loffelijke daden van de HEERE vertellen,
Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
)
.

In zijn leerdicht herinnert Asaf ook aan de sprinkhanen in Egypte, wat zij daar deden: “Hij gaf hun gewas aan de zwermsprinkhaan, aan de veldsprinkhaan hun opbrengst” (Ps 78:4646Hij gaf hun gewas aan de zwermsprinkhaan,
aan de veldsprinkhaan hun opbrengst.
)
. Het is van grote betekenis aan onze kinderen en kleinkinderen gebeurtenissen door te vertellen uit een korter of langer verleden, waaruit het handelen van God in ons leven of dat van anderen blijkt. We geven daarmee onze kinderen een goed stuk gereedschap in handen waardoor ze de wil van God beter leren kennen.

Het valt te vrezen dat heel wat ouders hun kinderen nauwelijks iets kunnen vertellen over wat de Heer in hun leven heeft gedaan omdat ze nauwelijks met Hem leven. Druk, druk, druk met allerlei dingen, maar geen tijd om eens met de kinderen te praten over Gods leiding in hun leven.

Er is ook weinig kennis van wat God in het leven van andere, toegewijde christenen heeft gedaan. We kunnen onze kinderen maar moeilijk stimuleren eens een goed boek te lezen over ervaringen die mannen en vrouwen met de Heer hebben opgedaan als we er zelf geen belangstelling voor tonen. Mozes roept Israël op, vlak voordat het volk het beloofde land binnentrekt, met hun kinderen te spreken over de daden en woorden van de HEERE (Dt 4:99Alleen, wees op uw hoede en neem uzelf zeer in acht! Anders vergeet u de dingen die uw ogen gezien hebben, en anders wijken ze uit uw hart alle dagen van uw leven. U moet ze uw kinderen en uw kleinkinderen bekendmaken:; 6:6-7,20-256Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn.7U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.20Wanneer uw zoon u morgen vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, verordeningen en bepalingen die de HEERE, onze God, u geboden heeft?21dan moet u tegen uw zoon zeggen: Wij waren slaven van de farao in Egypte, maar de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.22En de HEERE gaf tekenen en wonderen, groot en onheilbrengend, in Egypte, aan de farao en aan zijn hele huis, voor onze ogen.23Maar ons leidde Hij daarvandaan, om ons [hierheen] te brengen [en] ons het land te geven, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.24En de HEERE gebood ons al deze verordeningen te houden, om de HEERE, onze God, te vrezen, ons ten goede, alle dagen, om ons in leven te houden, zoals het op deze dag is.25Het zal voor ons gerechtigheid zijn als wij al deze geboden nauwlettend in acht nemen, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zoals Hij ons geboden heeft.).


De sprinkhanen

4Wat de jonge sprinkhaan overliet, at de veldsprinkhaan op;
wat de veldsprinkhaan overliet, at de treksprinkhaan op;
en wat de treksprinkhaan overliet, at de zwermsprinkhaan op.

Het uitgangspunt van Joëls profetie is een sprinkhanenplaag die het land onlangs geteisterd heeft. Dat deze plaag een strafgericht van God is, zal duidelijk zijn voor wie een oor heeft om te horen. Dat was ook zo, toen de HEERE in Egypte deze plaag over de onderdrukkers van Zijn volk zond (Ex 10:12-1512Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over het land Egypte omwille van de sprinkhanen, zodat zij over het land Egypte opkomen en al het gewas van het land opvreten, al wat de hagel heeft overgelaten.13Toen strekte Mozes zijn staf uit over het land Egypte, en de HEERE bracht die hele dag en die hele nacht een oostenwind in het land. [En] het gebeurde, toen het morgen geworden was, dat de oostenwind de sprinkhanen meevoerde.14De sprinkhanen kwamen op over heel het land Egypte en streken neer op heel het gebied van de Egyptenaren, een zeer grote [zwerm]. Nooit eerder is er zo'n [zwerm] sprinkhanen geweest, en hierna zal er nooit [weer] zo een zijn,15want zij bedekten de oppervlakte van heel het land, zodat het land [erdoor] verduisterd werd. Zij vraten al het gewas van het land op en al de vruchten van de bomen die de hagel had overgelaten. Er bleef niets groens aan de bomen en aan het gewas van het veld in heel het land Egypte.; Ps 78:4646Hij gaf hun gewas aan de zwermsprinkhaan,
aan de veldsprinkhaan hun opbrengst.
; 105:3434Hij sprak, en er kwamen veldsprinkhanen,
treksprinkhanen, niet te tellen,
)
. Evenals de plaag in Egypte is de plaag in de dagen van Joël er een zonder weerga.

Als zowel Egypte als Israël door een ongeëvenaarde plaag van sprinkhanen wordt getroffen, kan dat niet anders betekenen dan dat Israël geestelijk gelijk is geworden aan Egypte (vgl. Op 11:88En hun lijk [zal liggen] op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is.). God waarschuwt Zijn volk ook meerdere keren dat zij bij ongehoorzaamheid worden gestraft met de plagen en ziekten van Egypte (Dt 28:38,42,6038U zult veel zaad naar de akker brengen, maar weinig inzamelen, want de sprinkhaan zal het opvreten.42Al uw bomen en de vrucht van uw land zullen de sprinkhanen in bezit nemen.60Hij zal alle kwalen van Egypte, waarvoor u beducht geweest bent, op u laten terugkeren en zij zullen aan u blijven kleven.). Zowel voor Egypte als voor Israël is deze plaag een kastijding van God die moet aanzetten tot boetedoening en gebed (vgl. Am 4:99Ik heb u geslagen met korenbrand en met meeldauw.
De sprinkhanen vraten uw talrijke tuinen, wijngaarden,
vijgenbomen en olijfbomen op.
Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.
; 1Kn 8:37-4037Als er honger in het land is, als er pest is, als er korenbrand, meeldauw, veldsprinkhanen [en] zwermsprinkhanen komen, als zijn vijand hem benauwt in het land met zijn steden, [als] er enige plaag of enige ziekte komt,38elk gebed, elke smeekbede die er zal zijn van ieder mens uit heel Uw volk Israël, als eenieder de plaag van zijn hart erkent en naar dit huis zijn handen uitstrekt,39luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, vergeef, en grijp in, en geef eenieder naar al zijn wegen, [U,] Die zijn hart kent. U alleen kent immers het hart van alle mensenkinderen,40opdat zij U vrezen alle dagen die zij leven op de grond die U onze vaderen gegeven hebt.)
.

Eén enkele sprinkhaan is onbetekenend, stelt niets voor, maakt geen enkele indruk, is zomaar dood te trappen. De Israëlieten in hun ongeloof voelen zich zo tegenover de reuzen in Kanaän (Nm 13:3333Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.). Maar in grote aantallen zijn ze overweldigend en verwoestend (Ri 6:55Want zij trokken op met hun vee en hun tenten: zo talrijk als sprinkhanen kwamen zij, zodat men hen en hun kamelen niet kon tellen. En zij kwamen in het land om dat teniet te doen.; 7:1212En Midian en Amalek en al de mensen van het oosten lagen in het dal, zo talrijk als sprinkhanen. En hun kamelen waren ontelbaar, zo talrijk als de zand[korrels] die zich aan de oever van de zee bevinden.). Hoe zwakker het instrument is, des te duidelijker wordt door het gebruik van zo’n instrument en wat het bewerkt, dat God erachter staat en dat Híj het gebruikt.

De vier namen waarmee Joël de sprinkhanen noemt, lijken aan te geven dat het om verschillende soorten sprinkhanen gaat met elk een eigen naam die achtereenvolgens het land hebben geteisterd.
1. De naam van de eerste, “jonge sprinkhaan” (of ‘knager’) is in het Hebreeuws gazam, dit is een jonge, vleugelloze sprinkhaan;
2. de tweede, “veldsprinkhaan” (of ‘vermeerderer’) heet arbèh, dit is de volledig ontwikkelde, gevleugelde sprinkhaan (zo heet ook de sprinkhaan die door God vroeger als plaag over Egypte zijn gebruikt);
3. de derde, “treksprinkhaan” (of: ‘springer’), heet yélek en is een ander soort sprinkhaan;
4. de vierde, “zwermsprinkhaan” (of: ‘verdelger’) heet chasil en is weer een ander soort.
In de Bijbel worden negen soorten sprinkhanen genoemd, waarvan de vier die Joël noemt de gevaarlijkste en schadelijkste zijn.

Omdat een zwerm sprinkhanen alles kaalvreet en niets overlaat, zal “overliet” betekenen ‘wat weer is ontsproten’ nadat alles was kaalgevreten. Dat sluit ook aan bij de gedachte dat het land achtereenvolgens door vier soorten sprinkhanen is bezocht.

Het getal vier komt in nog twee andere Schriftplaatsen voor waar over straffen van God over het volk wordt gesproken (Jr 15:33Ik zal hen [op] vier manieren straffen, spreekt de HEERE: [door] het zwaard om [hen] te doden, [door] de honden om [hen] weg te slepen, [door] de vogels in de lucht en de dieren op de aarde om [hen] te verslinden en te gronde te richten.; Ez 14:2121Want zo zegt de Heere HEERE: Ook al zend Ik Mijn vier ergste oordelen – zwaard, honger, wilde dieren en pest – naar Jeruzalem om daar mens en dier uit te roeien,). Vier is het getal van de aarde. De aarde kent vier windrichtingen (vgl. Dn 7:22Daniël nam het woord en zei: Ik zag ’s nachts in mijn visioen, en zie, de vier winden van de hemel zweepten de grote zee op,; Op 7:11Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom.; 20:88en hij zal uitgaan om de naties te misleiden die aan de vier hoeken van de aarde zijn, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen, en hun getal is als het zand van de zee.). Ook zijn er vier seizoenen die het leven op aarde bepalen. Zo staat het getal vier symbool voor iets wat allesomvattend is. Het noemen van de namen van vier sprinkhanen geeft aan dat het om een oordeel gaat dat zich over heel Juda, naar alle kanten, heeft uitgebreid.

Voor een volk dat van de oogst afhankelijk is, is een plaag als die van sprinkhanen een levensbedreigende ramp. De oogstfeesten die telkens gehouden worden, geven het belang van de oogst aan. Plotseling is er geen oogst meer in te zamelen. Alles verdwijnt in één keer. Er is geen verzekering die de schade dekt. Alle middelen van bestaan zijn verdwenen. Het land staat aan de rand van de afgrond. Daarom moet de boodschap van Joël wel gehoord worden. Of is het volk zo ver bij God vandaan dat het niet meer te bereiken is?

Binnen het volk van God in onze tijd zijn ‘sprinkhanen’ stelselmatig bezig geweest Gods volk van zijn voedsel te beroven. In Gods Woord worden sprinkhanen verbonden met demonische machten (Op 9:33En uit de rook kwamen sprinkhanen voort op de aarde en hun werd macht gegeven zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben.). Deze machten infiltreren steeds sterker in de christenheid. Zij manipuleren christenen die zich niet onder het gezag van het Woord van God stellen, maar menen dat zij God wel op hun eigen manier kunnen dienen.

Mensen die zich uitgeven voor leiders van Gods volk, houden het volk voor dat je de Bijbel niet serieus moet nemen. Of ze vertellen dat de Bijbel alleen waar is als je beleeft wat erin staat. Alsof de waarheid van God afhangt van de gevoelens die een mens daarover heeft en niet van het loutere feit dat God gesproken heeft en het alleen daarom al waar is, hoe strijdig dat soms ook met bepaalde menselijke gevoelens kan zijn. In die situatie zijn profeten nodig om eraan te herinneren wat we kwijt zijn en te wijzen op de rijke inhoud en voedingswaarde van het Woord van God.


Dronkaards

5Ontwaak, dronkaards, en ween.
Weeklaag, alle wijndrinkers,
over de jonge wijn, want die is van uw mond weggenomen.

Na de oudsten en alle andere inwoners van het land te hebben opgeroepen om naar hem te luisteren, spreekt Joël nu speciaal tot de dronkaards. Dronkaards zijn mensen die Gods zegeningen misbruiken. Dat hij hen moet aansporen om wakker te worden, ondanks het feit dat ze niets meer te drinken hebben, laat zien hoe blind en ongevoelig ze zijn voor de uitingen van Gods misnoegen. Ze slapen hun roes nog uit, terwijl God zo ernstig spreekt. Dronkaards zijn blijkbaar in grote aantallen aanwezig daar ze als groep kunnen worden aangesproken. Veel Judeeërs leven nog in een onbezorgde roes voort.

Hier wordt vooral de onbezorgde vreugde aan de kaak gesteld. Zij die niet wakker worden door Gods stem in Zijn Woord, zullen gewekt worden door Zijn tucht. Zij die niet tot stilstand komen door oordelen veraf, zullen die oordelen aan den lijve ondervinden. Het is rechtvaardig dat God de luxe en overdaad van hen wegneemt. Hoe meer de mens zijn geluk afhankelijk maakt van wat hem bevredigt en wat voldoening geeft aan zijn gevoelens, des te harder ervaart hij het oordeel als dat hem juist in deze dingen treft. Plotseling zullen ze ontdekken dat al die zegeningen geen echte bevrediging hebben gegeven, omdat ze los van God tot bevrediging van de eigen begeerten zijn genoten. Zij zullen huilen en jammeren. Vijf keer wordt over weeklagen gesproken in dit hoofdstuk (verzen 5,8,9,10,115Ontwaak, dronkaards, en ween.
Weeklaag, alle wijndrinkers,
over de jonge wijn, want die is van uw mond weggenomen.8Weeklaag als een jonge vrouw, omgord met een rouwgewaad,
[die klaagt] om de man van haar jeugd.9Graanoffer en plengoffer zijn weggenomen
van het huis van de HEERE.
De priesters treuren,
de dienaren van de HEERE.10Het veld is verwoest,
de grond treurt,
want het koren is verwoest,
de nieuwe wijn opgedroogd,
de olie verkommerd.11Akkerbouwers staan beschaamd,
wijnbouwers weeklagen
over de tarwe en over de gerst,
want de oogst op het veld is verloren.
)
.

De enige mensen voor wie dit oordeel geen straf is, zijn de nazireeërs. Zij drinken namelijk geen wijn; daarvan hebben ze vrijwillig afstand gedaan (Nm 6:1-41De HEERE sprak tot Mozes:2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer een man of een vrouw [een gelofte] aflegt door de gelofte van een nazireeër te doen, om zich aan de HEERE te wijden,3[dan] moet hij zich van wijn en sterkedrank onthouden; azijn uit wijn of azijn uit sterkedrank mag hij niet drinken; verder mag hij helemaal geen druivensap drinken en geen verse of gedroogde druiven eten.4Alle dagen van zijn nazireeërschap mag hij niets eten wat van de wijnstok afkomstig is, van de pitten tot en met de velletjes.). De nazireeër is een mooi beeld van iemand die zich, geheel vrijwillig, aan de Heer aanbiedt om alleen voor Hem te leven. Hij doet daarbij afstand van dingen die op zichzelf niet verkeerd zijn – het was voor een Israëliet niet verkeerd om wijn te drinken – maar die wel het gevaar in zich bergen, dat tekort wordt gedaan aan de volle toewijding aan Christus.

Het afstand doen van aardse zegeningen wil zeggen dat aan die dingen een ondergeschikte plaats wordt gegeven. Het houdt in: afzien van het recht om je geld en goed, je tijd en capaciteiten te besteden naar eigen idee. Je levert alles uit aan Christus, zodat Hij het gezag erover heeft. Christenen die vrijwillig afstand doen van het genot van aardse zegeningen, zullen er niet om treuren als ze die zegeningen plotseling moeten missen.

Dronkenschap is de enige zonde die in dit boek in verbinding met Israël wordt genoemd. Daarom lijkt het erop dat vooral deze zonde de toestand van het volk karakteriseert. Dronkenschap wil zeggen dat wij de dingen die God in Zijn schepping aan de mens heeft gegeven om van te genieten, overvloedig en los van Hem tot ons nemen. Ieder mens die belijdt met God in verbinding te staan, maar in werkelijkheid los van Hem leeft, is niet in staat zich een nuchter en bezonnen oordeel te vormen over de dingen van het leven. Hij is beneveld in zijn denken.

Los van God leven wil zeggen dat we God niet betrekken bij de dingen van het leven. We maken plannen zonder Hem te vragen wat Hij ervan vindt. Plannen maken is niet verkeerd, maar het is wel verkeerd om plannen te maken zonder die aan Hem voor te leggen en vervolgens Zijn beslissing daarover te aanvaarden. Als het volk van God eenmaal op zo’n manier is gaan leven, moet God Zich bedienen van ingrijpende methoden om hen uit ‘hun roes’ wakker te schudden. Hij wil betrokken worden bij alles wat Zijn volk doet. Hij kan niet toestaan dat Zijn volk aan Hem voorbijgaat, Hem niet raadpleegt.


Sprinkhanen die optrekken

6Want een volk is tegen Mijn land opgetrokken,
machtig en niet te tellen;
zijn tanden zijn leeuwentanden,
het heeft de hoektanden van een leeuwin.

Onder de vier kleinste dieren op aarde, maar die bovenmate wijs zijn (Sp 30:2424Deze vier zijn het kleinst op aarde,
maar wijs zijn ze, wijs gemaakt:
)
, behoort ook de sprinkhaan: “De sprinkhaan heeft geen koning, maar hij trekt gezamenlijk ordelijk op” (Sp 30:2727de sprinkhaan heeft geen koning,
maar hij trekt gezamenlijk ordelijk op,
)
. Sprinkhanen vormen ‘een volk’ dat, hoewel het geen koning heeft, toch met wijsheid optrekt. Deze wijsheid komt van God; Hij bestuurt dit volk. Sprinkhanen zijn machtig omdat ze ontelbaar zijn. Bovendien vormen ze een eenheid; er is geen bres in hun gelederen te slaan. Ze blijven een gesloten front vormen.

Hierin ligt een mooie toepassing voor de gemeente nu. Als we even de verwoestende uitwerking buiten beschouwing laten, zoals ook het zojuist aangehaalde Spreuken 30:27 doet, zien we in deze diertjes een prachtig kenmerk van hoe God wil dat de gemeente functioneert. Zij heeft ook geen zichtbare leiding, maar is in alles afhankelijk van de onzichtbare, maar daarom niet minder werkelijke leiding van de Heilige Geest. Als ieder lid van de gemeente zich stelt onder de leiding van de Geest, zowel in het dagelijks leven als in de samenkomsten, zal dit tot uitdrukking komen in het eensgezind optrekken van de gelovigen. Het zal de vijand dan ook niet lukken om verdeeldheid te zaaien.

Het getuigt van wijsheid als kinderen van God zich aan die onzichtbare leiding onderwerpen. De Geest van God maakt door het Woord van God duidelijk hoe Hij ieder lid afzonderlijk en alle leden samen wil leiden. Als ieder lid Gods Woord leest, zal ook duidelijk worden wat zijn of haar functie in het geheel is en hoe die functie ten dienste van het geheel kan worden uitgeoefend.

De sprinkhanen waarover Joël spreekt, worden “een volk” genoemd. Daarmee wordt duidelijk dat in deze sprinkhanen een voorbeeld gezien kan worden van een volk dat op oorlogspad is. De machtige wapens waarover zij beschikken zijn hun tanden, die met de tanden van leeuw en leeuwin worden vergeleken (vgl. Op 9:88en zij hadden haar als vrouwenhaar, en hun tanden waren als die van leeuwen,). De koning van de dieren grijpt zijn prooi en verscheurt die met zijn tanden zonder los te laten. Hetzelfde vernietigende werk doen sprinkhanen met hun tanden. Ze vreten alles kaal. Als deze diertjes al zo’n onheil aanrichten, hoeveel te meer zal dat gebeuren door het vijandige volk, waarvan het optreden uitvoerig in het volgende hoofdstuk wordt beschreven (Jl 2:1-111Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!2[Het is] een dag van duisternis en donkerheid,
een dag van wolken en donkerheid.
Zoals de dageraad zich over de bergen verspreidt,
[verspreidt zich] een groot en machtig volk,
zoals er niet geweest is
van oude tijden af,
en er hierna niet meer zal zijn,
jarenlang, van generatie op generatie.3Ervóór verteert een vuur,
en erachter verzengt een vlam;
ervóór is het land als de hof van Eden,
en erachter is het een woeste wildernis.
Ook is er geen ontkomen aan.4Als het uiterlijk van paarden is zijn uiterlijk,
en als [ren]paarden, zo rennen zij voort.5Als het geluid van wagens
springen zij over de toppen van de bergen,
als het geluid van een vuurvlam
die stoppels verteert,
als een machtig volk
opgesteld voor de strijd.6Bij die aanblik krimpen de volken ineen,
alle gezichten verschieten van kleur.7Als helden rennen zij,
als strijdbare mannen
klimmen zij tegen de muren op;
ieder gaat op zijn eigen weg
en zij wijken niet van hun paden af.
8Zij verdringen elkaar niet,
ieder gaat zijn [eigen] weg.
Al stuiten zij op weerstand,
zij zijn niet tegen te houden.
9Zij stormen op de stad af,
zij rennen op de muren,
zij klimmen tegen de huizen op.
Als een dief komen zij
door de vensters binnen.10Bij die aanblik siddert de aarde,
beeft de hemel.
Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren trekken hun licht in.11En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?
)
.

Deze vernietigende kracht wordt losgelaten op wat God “Mijn land” noemt. Daarom treft de kastijding die God over Zijn land moet brengen ook Hem Zelf. Dat zullen we in vers 99Graanoffer en plengoffer zijn weggenomen
van het huis van de HEERE.
De priesters treuren,
de dienaren van de HEERE.
ook nog zien, waar wordt gezegd dat Hem geen offers meer worden gebracht. Dit maakt duidelijk dat God niet vanuit Zijn hoge en verheven positie een oordeel zendt zonder er Zelf bij betrokken te zijn (Kl 3:3333Want niet van harte verdrukt Hij /kaph/
en bedroeft Hij mensenkinderen.
)
.

Het land is aan Israël toevertrouwd, om het voor Hem te beheren en Hem de vrucht ervan te geven. Zelf mogen ze ook van al het goede ervan genieten. Maar als zij het land als hun eigen land gaan beschouwen en er roofbouw gaan plegen, moet God hen door tucht in herinnering brengen wat Hij heeft gezegd: “Want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij” (Lv 25:23b23Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.).


Mijn wijnstok, Mijn vijgenboom

7Het heeft van Mijn wijnstok een woestenij gemaakt
en Mijn vijgenboom tot een kale tak.
Het heeft hem volledig afgeschild en weggeworpen,
zijn ranken zijn wit geworden.

Nadat God in het vorige vers over het land als “Mijn land” heeft gesproken, noemt Hij Israël hier “Mijn wijnstok” en “Mijn vijgenboom”. Wijnstok en vijgenboom gelden als symbolen van welstand, rust en vrede (1Kn 4:2525En Juda en Israël woonden onbezorgd, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba, al de dagen van Salomo.; Mi 4:44Maar zij zullen zitten,
ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom,
niemand zal [ze] schrik aanjagen,
want de mond van de HEERE van de legermachten heeft [het] gesproken.
)
. Wijnstok en vijgenboom worden vaker samen genoemd (Ps 105:3333Hij trof hun wijnstok en hun vijgenboom,
Hij brak de bomen in hun gebied in stukken.
; Js 36:1616Luister niet naar Hizkia, want dit zegt de koning van Assyrië: Geef u aan mij over, kom uit [de stad] naar mij toe. Dan mag ieder eten van zijn [eigen] wijnstok en ieder van zijn [eigen] vijgenboom, en ieder water drinken uit zijn [eigen] put,; Jr 5:1717Verslinden zal het uw oogst en uw brood,
verslinden zullen ze uw zonen en uw dochters,
verslinden zal het uw schapen en uw runderen,
verslinden uw wijnstok en uw vijgenboom,
met het zwaard uw versterkte steden verwoesten,
waarop u vertrouwt.
; Hs 2:1111Ik zal haar wijnstok en haar vijgenboom verwoesten,
waarvan zij zegt: Die vormen voor mij het hoerenloon
dat mijn minnaars mij gegeven hebben.
Maar Ik zal er een woud van maken
en de dieren van het veld zullen ervan vreten.
)
. Het hout van deze bomen is waardeloos (Ez 15:1-51Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, wat heeft het hout van de wijnstok vóór op elk [ander] rankendragend hout dat onder de bomen van het woud is?3Kan er hout uit gehaald worden om er een gebruiksvoorwerp van te maken? Kan men er een pin uit halen om er welk voorwerp dan ook aan op te hangen?4Zie, het wordt als brandstof aan het vuur overgegeven, het vuur verteert de beide uiteinden ervan en het midden ervan is zwartgeblakerd. Zou het voor een gebruiksvoorwerp geschikt zijn?5Zie, toen het gaaf was, kon er geen gebruiksvoorwerp van gemaakt worden. Hoeveel te minder nu het vuur het verteerd heeft, zodat het zwartgeblakerd is. Zal er dan nog een gebruiksvoorwerp van gemaakt kunnen worden?). Het gaat de landman bij de wijnstok en de vijgenboom ook niet om hout ervan, maar om hun vrucht. Die vrucht heeft Zijn volk niet aan Hem gegeven, maar voor zichzelf gehouden.

Daarom wordt nu wat een gave van God aan Zijn volk is, van hen weggenomen. En hoe radicaal. De sprinkhanen vreten niet alleen alle groen op, maar de bomen worden zelfs van hun schors ontdaan. Daarom dragen wijnstok en vijgenboom geen vrucht meer. In overdrachtelijke zin geldt dit voor Israël. Het levert sinds lange tijd geen vrucht meer voor God. Alles is ‘ontschorst’ en dood. Pas als de gemeente is opgenomen en God weer met Israël verdergaat, komt er nieuw leven, zoals Paulus zegt: “Wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?” (Rm 11:1515Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?).


Droefheid om verlies van een geliefde

8Weeklaag als een jonge vrouw, omgord met een rouwgewaad,
[die klaagt] om de man van haar jeugd.

Het volk wordt opgeroepen te weeklagen. Hun droefheid moet blijken uit het dragen van een rouwgewaad. De ellende die over Juda is gekomen en die tot droefheid moet leiden, wordt vergeleken met verdriet dat wordt veroorzaakt door het verbreken van een liefdesrelatie. De oorzaak van het verdriet stelt de profeet voor in het beeld van een rouwende bruid van wie de geliefde kort voor het huwelijk uit het leven is weggerukt. Hierin wordt zowel het onverwachte als het intens smartelijke getekend.

Het lot van Juda en Jeruzalem wordt vergeleken met het lot van een bruid die het zonder de gemeenschap met haar man moet stellen. Juda en Jeruzalem hebben door de noodsituatie ook geen gemeenschap meer met de HEERE, zoals die voorheen is beleefd in de offerdienst. De middelen om te offeren zijn het volk geschonken als een bewijs van hun trouw aan de HEERE. Omdat al hun hoop verbonden is met aardse zegeningen, kan het wegvallen daarvan niet anders dan grote smart tot gevolg hebben.

In algemene zin kunnen we hieraan de les verbinden dat wie alleen werkt voor het voedsel dat vergaat (Jh 6:2727Werkt niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in [het] eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u zal geven, want Hem heeft de Vader, God, verzegeld.), bedrogen uitkomt met zijn werk. Alle aardse voorspoed kan zomaar wegvallen. In dat geval is het te hopen, net als hier bij Israël, dat dit smartelijke een droefheid bewerkt die in overeenstemming is met God en niet alleen een droefheid om de zegeningen die verloren zijn gegaan (2Ko 7:1010Want de droefheid in overeenstemming met God bewerkt een onberouwelijke bekering tot behoudenis; maar de droefheid van de wereld bewerkt [de] dood.).


Geen spijsoffer en drankoffer

9Graanoffer en plengoffer zijn weggenomen
van het huis van de HEERE.
De priesters treuren,
de dienaren van de HEERE.

Het eerste gevolg van de vernieling van de oogst is, dat er geen graan- of spijsoffer en pleng- of drankoffer meer in de tempel kunnen worden gebracht. Het lijkt erop dat de Judeeërs tot aan de ramp wel offers hebben gebracht, omdat het wegnemen ervan aan de sprinkhanen wordt toegeschreven. Dat kan betekenen dat het volk tot dat moment heeft voldaan aan zijn godsdienstige verplichtingen voor wat betreft het brengen van de voorgeschreven offers. Maar terwijl ze hun plichten aan God vervullen, maken ze tevens de maat van hun ongerechtigheid vol en komt Gods oordeel daarover. Een mens kan de uiterlijke handelingen die bij zijn godsdienst horen, uiterst nauwgezet verrichten zonder dat zijn hart erbij betrokken is.

Het wegvallen van de offers is een grote ramp. Graan- of spijsoffer en pleng- of drankoffer worden genoemd, omdat ze plantaardig zijn en dan ook direct door de sprinkhanenplaag getroffen zijn. Een beschrijving van het graan- of spijsoffer kunnen we lezen in Leviticus 2. Zoals alle offers is ook het graan- of spijsoffer een beeld van de Heer Jezus. Dierlijke offers zijn een beeld van het werk dat de Heer Jezus aan het kruis heeft gedaan. Het graan- of spijsoffer is geen bloedig offer. Het spreekt dan ook van Hem als Mens op aarde, Die Zich in Zijn leven dat aan Zijn werk op het kruis voorafgaat, volkomen aan God heeft toegewijd. Het pleng- of drankoffer is een offer van wijn, die wordt uitgegoten over een ander offer, het hoofdoffer, heen (Nm 28:7,147Het bijbehorende plengoffer moet een kwart hin zijn per lam; in het heiligdom moet u het plengoffer van sterkedrank voor de HEERE uitgieten.14En de bijbehorende plengoffers moeten zijn: een halve hin wijn bij de jonge stier, een derde hin bij de ram, en een kwart hin bij het lam. Dit is het maandelijkse brandoffer, voor elke maand van het jaar.; vgl. Fp 2:1717Maar ook al word ik als een drankoffer uitgegoten over de offerande en bediening van uw geloof, dan verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen.). Het spreekt van de vreugde, waarvan de wijn een beeld is waarmee de Heer Jezus Zich aan God heeft geofferd.

De geestelijke betekenis is voor ons belangrijk. Het wegvallen van de genoemde offers betekent dat zich een situatie bij Gods volk kan voordoen waardoor het niet meer beseft Wie de Heer Jezus voor God is. Er is geen besef meer van de volkomen toewijding van de Heer Jezus aan God, zoals die in het graan- of spijsoffer wordt voorgesteld. Ook wordt er niet meer aan gedacht, dat het Zijn vreugde was de wil van Zijn Vader te doen, zoals het pleng- of drank offer laat zien.

Het wil zeggen dat we niet meer aan God vertellen, ‘offeren’, hoe geweldig de Heer Jezus Hem heeft gediend en dat Hij dat altijd met blijdschap heeft gedaan. Er is geen gemeenschap meer met God. God, bij Wie alles gaat om Zijn Zoon – Wíe Hij is, wát Hij heeft gedaan en hóe Hij het heeft gedaan –, wordt tekortgedaan. Wat een groot verlies voor God. Wie God tekortdoet, doet ook zichzelf tekort. Wie de Heer Jezus niet als het ware Graan- of Spijsoffer en Pleng- of Drankoffer kent, weet ook niet meer dat zijn eigen leven een offerande mag zijn. Iemand die alleen voor zichzelf en zijn eigen genoegens leeft, weet niets van de toewijding aan God en de vreugde die dat geeft.

Priesters die zo’n houding bij Gods volk waarnemen, kunnen daar alleen maar om huilen. Priesters zijn mensen die eraan gewend zijn om in Gods tegenwoordigheid te zijn. Zij weten wat passend is, zij kennen Gods heiligheid, Zijn liefde en verlangens. Zij delen ook in Zijn verdriet en de pijn die de ontrouw van Zijn volk veroorzaakt.

In Israël zijn alleen de nakomelingen van Aäron priesters. In de gemeente zijn alle gelovigen priesters (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). Toch is er wel een verschil tussen priester zijn en je als priester gedragen ofwel als priester dienst doen. Alleen gelovigen die echt in gemeenschap met God leven, zullen als priester dienst doen en zullen meevoelen met God. Zij weten wat Hem tekort wordt gedaan als Zijn volk slechts voor zichzelf leeft. In samenkomsten waar geestelijke offers worden gebracht, dat wil zeggen waar God wordt geëerd, zullen zij merken van welke aard en inhoud die offers zijn. Zij zullen merken of er offers gebracht worden die God eren, of dat het offers zijn waaruit alleen het eigen voordeel blijkt.


Alles is grote ellende

10Het veld is verwoest,
de grond treurt,
want het koren is verwoest,
de nieuwe wijn opgedroogd,
de olie verkommerd.

“Het veld” is het terrein waarop het gewas staat. Het laat de oogst zien, het resultaat van alle inspanning die eraan is voorafgegaan. Maar er is geen oogst binnen te halen, want er staat geen gewas op het veld. “De grond” ziet meer op het terrein waarvan je mag verwachten dat daarvan, nadat er geploegd en gezaaid is, ook geoogst zal worden. Maar alle bewerking van de grond is tevergeefs geweest. De aarde geeft de aanblik van een treurende. De woorden “opgedroogd” en “verkommerd” wijzen erop dat er naast een sprinkhanenplaag ook een droogte is (vers 1717De zaadkorrels zijn verschrompeld
onder hun aardkluiten,
de voorraadschuren verwoest,
de graanschuren afgebroken,
want het koren is verdord.
)
.

“Koren”, “nieuwe wijn” en “olie” zijn de drie hoofdzegeningen van het land, die in het Oude Testament vaak samen worden genoemd (Nm 18:1212Al het beste van de olie, en al het beste van de nieuwe wijn en het koren, hun eerstelingen, die zij de HEERE zullen geven, Ik geef het u.; Dt 7:1313Hij zal u liefhebben, u zegenen en u talrijk maken; Hij zal de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven.; Hs 2:77Zíj erkent echter niet
dat Ik het ben Die haar gegeven heeft
het koren, de nieuwe wijn en de olie,
dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb,
[dat] zij voor de Baäl gebruikt hebben.
)
. Wanneer deze worden weggenomen, is dat als gevolg van een Goddelijk strafgericht (Dt 28:5151Het zal de vrucht van uw dieren en de vrucht van uw land opeten, totdat u weggevaagd bent. Het zal u geen koren, nieuwe wijn of olie overlaten, noch de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, totdat Hij u heeft omgebracht.; Hg 1:1111want Ik riep droogte uit over het land en over de bergen
en over het koren, over de nieuwe wijn en over de olie,
en over wat het land oplevert,
over de mensen en over de dieren
en over al de inspanning van [uw] handen.
)
. Ze zullen weer aanwezig zijn als het volk zich heeft bekeerd (Jl 2:1919De HEERE antwoordde en zei tegen Zijn volk:
Zie, Ik zend u het koren, de nieuwe wijn en de olie,
zodat u ermee verzadigd wordt.
Ik zal u niet meer overgeven
[als] voorwerp van smaad onder de heidenvolken.
; Ps 65:1010U zag om naar het land en gaf het overvloed,
U maakt het zeer rijk;
de beek van God is vol water;
U geeft hun koren; ja, zó geeft U het:
)
. De drie producten – koren, nieuwe wijn en olie – staan achtereenvolgens voor versterking, vreugde en uitstraling (Ps 104:14-1514Hij doet het gras groeien voor de dieren,
het gewas ten dienste van de mens.
Hij brengt voedsel uit de aarde voort:
15wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
.


Armen en rijken ontmoeten elkaar

11Akkerbouwers staan beschaamd,
wijnbouwers weeklagen
over de tarwe en over de gerst,
want de oogst op het veld is verloren.

De hier aangesproken groepen zijn degenen die het meest direct zijn aangetast in hun bestaanszekerheid. Tarwe en gerst zijn de belangrijkste granen waarvan brood wordt gebakken. We kunnen hierbij denken aan twee soorten mensen: rijk en arm. Gerstebrood is het brood voor de armen, terwijl de mensen die het beter hebben, tarwebrood kunnen kopen. Gerst wordt gebruikt als voedsel voor de paarden (1Kn 4:2828De gerst nu en het stro voor de paarden en voor de snelle paarden brachten zij naar de plaats waar hij was, ieder volgens zijn opdracht.) en als voedsel voor mensen als tarwe niet te krijgen of te betalen is.

Uit 2 Koningen 7 blijkt dat gerst de helft van tarwe kost (2Kn 7:1,161Toen zei Elisa: Hoor het woord van de HEERE. Zo zegt de HEERE: Morgen omstreeks deze tijd zal in de poort van Samaria een maat meelbloem [verkocht worden] voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel.16Toen ging het volk [de stad] uit en plunderde het legerkamp van de Syriërs. En een maat meelbloem werd [verkocht] voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, overeenkomstig het woord van de HEERE.). De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus, vermeldt in zijn boek De val van Jeruzalem bij de beschrijving van een van de belegeringen van Jeruzalem hetzelfde: ‘Veel rijken gaven hun hele vermogen voor een maat tarwe, armeren voor een maat gerst, waarna ze zich in een verborgen hoek van hun huis opsloten en het graan kneedden of ongemalen opaten.’

In Openbaring 6 is de prijs van gerst een derde van de prijs die voor tarwe betaald moet worden (Op 6:66En ik hoorde als een stem in [het] midden van de vier levende wezens zeggen: Een rantsoen tarwe voor een denaar en drie rantsoenen gerst voor een denaar; en breng geen schade toe aan de olie en de wijn.). Maar als beide niet meer te krijgen zijn, maakt het niet uit of je rijk bent of arm. Arm en rijk ontmoeten elkaar in de ellende van de honger (Sp 22:22Rijken en armen ontmoeten elkaar,
de HEERE heeft hen allen gemaakt.
)
. Als beiden tot de erkenning komen dat ze schuld hebben aan de kastijding die God heeft moeten brengen omdat ze Hem niet als hun Maker hebben erkend, heeft Hij met die tucht Zijn doel bereikt.


Alle bomen zijn weg

12De wijnstok is verdord
en de vijgenboom is verwelkt,
de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom,
alle bomen van het veld zijn verdord.
Ja, de vreugde is verdord,
[geweken] van de mensenkinderen.

Niet alleen de landbouwers en wijngaardeniers zijn de dupe. Het hele volk, alle “mensenkinderen”, deelt in de ramp. De vijf boomsoorten vormen met de tarwe en gerst van vers 1111Akkerbouwers staan beschaamd,
wijnbouwers weeklagen
over de tarwe en over de gerst,
want de oogst op het veld is verloren.
, een zevental. Daarmee wordt de totale omvang van de aangerichte verwoestingen aangegeven. Met de palmboom wordt de dadelpalm bedoeld. De vermelding dat “alle bomen” zijn verdord, nadat al een aantal bomen met name is genoemd, maakt het beeld van de troosteloosheid compleet.

Bomen zijn door God bij de schepping gegeven als een zegen voor de mens. Die mocht vrij van alle bomen eten, met uitzondering van de boom van de kennis van goed en kwaad (Gn 2:16-1716En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten,17maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.). Voor de Jood, voor wie deze gewassen behoren tot de zegeningen van het land (Dt 8:6-106en neem de geboden van de HEERE, uw God, in acht door in Zijn wegen te gaan en door Hem te vrezen.7Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;8een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing;9een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en [waarin] u uit zijn bergen koper kunt hakken.10Als u dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan de HEERE, uw God, voor het goede land dat Hij u gegeven heeft.), is het wegnemen ervan een ramp en tevens een oordeel.

Behalve dat de genoemde bomen een economische waarde vertegenwoordigen, staan ze ook symbool voor geestelijk voedsel en verkwikking en voor vreugde en vrucht in het leven van de trouwe gelovige (Ps 92:1313De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.
; Hl 2:33Als een appelboom tussen de bomen van het woud,
zo is mijn Liefste tussen de jongemannen.
Ik verlang er sterk naar in Zijn schaduw te zitten,
en Zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte.
)
. De volle blijdschap die hun leven als volk van God had kunnen kenmerken, is beschaamd weggevlucht. Er is niets van over.


Oproep aan de priesters

13Omgord u en bedrijf rouw, priesters,
weeklaag, dienaren van het altaar.
Kom, overnacht in rouwgewaden,
dienaren van mijn God,
want graanoffer en plengoffer
zijn aan het huis van uw God onthouden.

In vers 99Graanoffer en plengoffer zijn weggenomen
van het huis van de HEERE.
De priesters treuren,
de dienaren van de HEERE.
wordt van de priesters gezegd dat zij treuren. Daar staan zij in verbinding met de HEERE en met het huis van de HEERE. HEERE of Jahweh is de Naam van God die aangeeft dat Hij met Zijn uitverkoren volk Israël in een bijzondere relatie staat. Jahweh is de Naam van de God van het verbond met Israël. Maar het volk heeft het verbond met Hem verbroken. Als God de priesters nu oproept tot weeklagen en jammeren, tot overnachten in rouwgewaden, doet Hij dat als Degene voor Wie de mens zich moet verantwoorden voor zijn ontrouw.

God is de driemaal heilige God, met Wie niet te spotten valt. Daarom wordt hier gesproken over “dienaren van mijn God” en over “het huis van uw God”. De priesters moeten als eersten in staat worden geacht te beseffen hoe groot de oneer is die God is aangedaan. Van hen mag immers worden verwacht dat zij weten wat God toekomt en dat het een grote schande is dat God niet ontvangt wat Hem toekomt. Als “dienaren van het altaar” staan zij nu werkeloos. Er is niets om op het altaar te brengen. Graan- of spijsoffer en pleng- of drankoffer komen van de oogst van tarwe en druiven en die oogsten zijn verwoest.

Joël noemt de priesters “dienaren van mijn God”. Hij stelt zich voor als de profeet van zijn God, namens Wie hij mag zeggen dat God zal verhoren als ze bij Hem komen. Het lijkt dat hij daarmee wil zeggen dat het niet meer de priesters zijn die namens het volk als middelaars voor God staan, maar dat de profeet nu als eenling de middelaar is door wie God tot het volk spreekt.

Hij spreekt wel tot hen over “uw God” als hij het heeft over het huis van God. Dat is de belijdenis die zij vasthouden ten aanzien van de tempel. Daarbij sluit hij zich aan als hij in vers 1616Is niet voor onze ogen
het voedsel weggenomen,
uit het huis van onze God
blijdschap en vreugde?
spreekt over “het huis van onze God”. Hij roept hen, van wie een van de taken is om in de tempel te zingen, nu op om te jammeren. Overnachten in rouwgewaden wordt gedaan als een teken van groot verdriet, maar ook als een intense en langdurige daad van verootmoediging voor de HEERE (1Kn 21:2727Het gebeurde nu, toen Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde, een rouwgewaad om zijn lichaam deed en vastte. In dat rouwgewaad ging hij [ook] slapen en liep hij langzaam [rond].; 2Sm 12:13-2313Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.14Omdat u echter door deze zaak de vijanden van de HEERE zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven.15Toen ging Nathan naar zijn huis. En de HEERE trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, zodat het ongeneeslijk ziek werd.16David zocht God voor het jongetje; David vastte streng en toen hij naar binnen ging om te overnachten, ging hij op de grond liggen.17Toen stonden de oudsten van zijn huis op [en kwamen] bij hem om hem van de grond te doen opstaan; hij wilde echter niet, en at geen brood met hen.18Het gebeurde op de zevende dag dat het kind stierf. De dienaren van David waren bevreesd tegen hem te zeggen dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, toen het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij wilde niet naar onze stem luisteren. Hoe kunnen wij dan tegen hem zeggen: Het kind is dood? Dat zou kwaad doen!19Maar David zag dat zijn dienaren mompelden; daardoor merkte David dat het kind dood was. Dus zei David tegen zijn dienaren: Is het kind dood? Zij zeiden daarop: [Ja,] het is dood.20Toen stond David op van de grond, waste en zalfde zich en wisselde van kleding. Hij ging het huis van de HEERE binnen en boog zich neer. Daarna kwam hij in zijn huis en vroeg om [eten]; zij zetten hem voedsel voor en hij at.21Toen zeiden zijn dienaren tegen hem: Wat betekent dit wat u gedaan hebt? Om het levende kind hebt u gevast en gehuild, maar nadat het kind gestorven is, bent u opgestaan en hebt u de maaltijd gebruikt.22Hij zei: Toen het kind nog leefde, heb ik gevast en gehuild, want ik zei: Wie weet, is de HEERE mij genadig, zodat het kind in leven blijft.23Maar nu is het dood; waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog terug kunnen halen? Ik zal wel naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen.).


Heiligen en vasten

14Kondig een vasten[tijd] af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen,
verzamel de oudsten
en alle inwoners van het land
[in] het huis van de HEERE, uw God,
en roep tot de HEERE.

Na de oproep om tranen voort te brengen als gevolg van de sprinkhanenplaag wordt gezegd langs welk kanaal deze tranen moeten vloeien. Dit kanaal heet ‘verootmoediging en bekering tot God’. De oproep wordt verder uitgewerkt in het volgende hoofdstuk (Jl 2:15-1715Blaas de bazuin in Sion,
kondig een vasten[tijd] af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen.16Verzamel het volk,
heilig de gemeente,
breng de oudsten bijeen,
verzamel de kleine kinderen
en de zuigelingen.
Laat de bruidegom uit zijn binnenkamer gaan,
de bruid uit haar slaapkamer.17Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?
)
. Er moet worden gevast (vgl. Jn 3:77En in Ninevé werd op bevel van de koning en zijn [rijks]groten omgeroepen: Mens en dier, runderen en schapen, mogen niets eten, niet grazen en geen water drinken.). Het lijkt eenvoudig om in een tijd van hongersnood te vasten, maar juist dan is dit erg moeilijk. De honger knaagt. Eten is er nauwelijks en wat er is, moet men laten staan om zich op God te richten. Maar met dit vasten sluit men zich aan bij God, Die in deze tijd ook geen ‘voedsel’ ontvangt.

Meestal gaat vasten gepaard met schuldbelijdenis, maar dat wordt hier niet genoemd. Het wordt vaak gebruikt als een uiting van verootmoediging om bij God verzoening van schuld of afwending van onheil te verkrijgen. Het dient het om de kracht van gebed of voorbede te onderstrepen.

Als wij in ons leven te maken krijgen met speciale beproevingen en gebeurtenissen die verbijsteren, zouden we onszelf moeten terugtrekken uit de gewone loop van het leven. Dan kunnen we ons hart helemaal blootleggen voor de Heer, om te zien wat Hij ons met die gebeurtenissen te zeggen heeft. In zulke situaties denk je niet eens aan eten. Je richt je helemaal op de Heer en het leren kennen van Zijn wil in de omstandigheden die Hij heeft gestuurd.

Evenals in vers 22Hoor dit, oudsten,
neem [dit] ter ore, alle inwoners van het land!
Is dit gebeurd in uw dagen
of in de dagen van uw vaderen?
worden ook hier de oudsten en alle inwoners genoemd. Iedereen wordt opgeroepen en erin betrokken. Iedereen moet naar de tempel komen om daar tot de HEERE te roepen. Ze moeten roepen om uitredding uit de nood. De roep tot God moet een nationale roep zijn, omdat het een nationale ramp betreft. In Nehemia 9 vinden we ook zo’n nationaal vasten (Ne 9:1-31Op de vierentwintigste dag van deze maand verzamelden de Israëlieten zich met vasten en in rouwgewaden, met aarde op hun [hoofd].2En het nageslacht van Israël zonderde zich af van alle vreemdelingen. Ze gingen staan en beleden hun zonden en de ongerechtigheden van hun vaderen.3Nadat zij op hun plaats waren gaan staan, lazen zij voor uit het wetboek van de HEERE, hun God, [gedurende] een vierde deel van de dag; en op een [ander] vierde deel [van de dag] deden zij belijdenis en bogen zich neer voor de HEERE, hun God.). Ook daar gaat het om zaken die het hele volk betreffen. Als aan die oproep gehoor wordt gegeven, zal de HEERE dan niet horen en herstel geven? Hij hoort en verhoort elk oprecht roepen. Alleen moeten we het aan Hem overlaten hoe en wanneer Hij verhoort.


De dag van de HEERE

15Ach, die dag!
Ja, de dag van de HEERE is nabij,
en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige.

De dag van de HEERE is een thema dat door de hele profetie van Joël verweven zit. Het is dan ook goed om aan deze dag wat extra aandacht te besteden. Het is een bijzondere dag. De dag van de HEERE is geen dag van vierentwintig uur, maar beslaat de tijdsperiode vanaf het ogenblik dat de HEERE opstaat en ingrijpt in het wereldgebeuren tot en met Zijn vrederijk. Het aanbreken van die dag is het keerpunt in de wereldgeschiedenis, waarbij niet meer de mens openlijk regeert, maar Hij de regering in handen neemt. Nu lijkt het er nog op dat de mens alles op aarde te zeggen heeft, maar als de dag van de HEERE aanbreekt, zal Hij het wereldbestuur in handen nemen.

Dat zal Hij doen op een manier die voor iedereen zichtbaar is. De HEERE komt tevoorschijn, wordt openbaar. Het boek Openbaring beschrijft wat er allemaal mee samenhangt. Eerst zal Hij Zijn oordelen over de aarde laten komen en op die manier de aarde van ongerechtigheid reinigen (Openbaring 6-19). De laatste oordelen zal Hij Zelf uitvoeren, als Hij uit de hemel komt (Op 19:11-2111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.). Dan richt Hij Zijn vrederijk op en zal Hij duizend jaar lang regeren op een wijze die een weldaad voor de mens, ja, voor de hele schepping zal zijn (Op 20:1-61En ik zag een engel neerdalen uit de hemel, die de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand had.2En hij greep de draak, de oude slang, dat is [de] duivel en de satan, en bond hem duizend jaren;3en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de naties niet meer zou misleiden voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.4En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en [ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren.5De overigen van de doden werden niet levend voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding.6Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deel heeft; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem <de> duizend jaren regeren.).

De dag van de HEERE begint met Zijn oordelen en eindigt met het vrederijk. Daarna breekt de eeuwigheid aan (Op 20:7-147En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten,8en hij zal uitgaan om de naties te misleiden die aan de vier hoeken van de aarde zijn, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen, en hun getal is als het zand van de zee.9En zij kwamen op over de breedte van de aarde en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad; en er daalde vuur neer <van God> uit de hemel en verteerde hen.10En de duivel die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel waar zowel het beest als de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid.11En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.12En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.14En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.; 21:1-81En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.2En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is.3En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.4En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn, <want> de eerste dingen zijn voorbijgegaan.5En Hij Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alles nieuw. En Hij zei <tegen mij>: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig.6En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.7Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal Hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.8Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood.), die ook “de dag van God” (2Pt 3:1212terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.) genoemd wordt, want dan zal “God alles in allen” zijn (1Ko 15:2828Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.)). Bij de dag van de HEERE is de hoofdgedachte dat de Heer Jezus niet langer verborgen blijft, maar dat Hij duidelijk, voor iedereen waarneembaar, gaat handelen. “Dag” wijst op licht en dat betekent dat het niet langer om oordelen in verborgenheid of handelingen in voorzienigheid gaat, zoals dat gebeurt in de tijd waarin wij leven.

De uitdrukking “dag van de HEERE” komt in het Oude Testament vaak voor (Js 2:1212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
; 13:6,96Weeklaag, want de dag van de HEERE is nabij;
als een verwoesting van de Almachtige komt hij.
9Zie, de dag van de HEERE komt, meedogenloos,
met verbolgenheid en brandende toorn,
om van het land een woestenij te maken
en zijn zondaars eruit weg te vagen.
; Jr 46:1010Deze dag is van de Heere, de HEERE van de legermachten,
een dag van wraak om Zich te wreken op Zijn tegenstanders.
Het zwaard zal verslinden en verzadigd worden,
en dronken worden van hun bloed.
Want het is een slachting voor de Heere, de HEERE van de legermachten,
in het land in het noorden, aan de rivier de Eufraat.
; Ez 13:55U bent niet in de bressen geklommen, en voor het huis van Israël wierp u geen muur op om op de dag van de HEERE staande te blijven in de strijd.; 30:33Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de HEERE.
Het is een dag van wolken;
de tijd van de heidenvolken zal komen!
; Jl 1:1515Ach, die dag!
Ja, de dag van de HEERE is nabij,
en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige.
; 2:1,11,311Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!11En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.
; 3:1414Menigten, menigten
in het dal van de dorsslede,
want de dag van de HEERE is nabij
in het dal van de dorsslede.
; Am 5:18,2018Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!20Zal de dag van de HEERE niet duisternis zijn,
en geen licht;
donkerte – zonder lichtglans erover?
; Ob 1:1515Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;
zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;
wat u verdient, zal op uw [eigen] hoofd terugkeren!
; Zf 1:7,147Wees stil voor het aangezicht van de Heere HEERE.
Want nabij is de dag van de HEERE,
ja, de HEERE heeft een offer bereid,
Zijn genodigden geheiligd.14De grote dag van de HEERE is nabij;
hij is nabij en nadert zeer snel.
Hoor, de dag van de HEERE!
De held zal daar bitter schreeuwen!
; Ml 4:55Zie, Ik zend tot u
de profeet Elia,
voordat de dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende [dag].
)
. In het Oude Testament staat de dag van de HEERE altijd in verband met de speciale plaats die Israël op aarde heeft vanwege de speciale verbinding met God, Die Zich alleen aan dit volk als de HEERE heeft geopenbaard. De eerste vermelding en beschrijving van deze dag (Js 2:12-2212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
13tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
14tegen al de hoge bergen
en tegen al de verheven heuvels,
15tegen elke hoge toren
en tegen elke vestingmuur,
16tegen alle schepen van Tarsis
en tegen alle koopvaardijschepen [met] kostbare [lading].
17De hoogmoed van de mensen zal vernederd worden
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
18En de afgoden – ze vergaan volkomen.19Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
20Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich [daarvoor] neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.
21Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.22Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?
)
geeft een duidelijk beeld van wat hij inhoudt.

Het is de dag waarop alleen de HEERE verheven zal zijn (vers 1717De zaadkorrels zijn verschrompeld
onder hun aardkluiten,
de voorraadschuren verwoest,
de graanschuren afgebroken,
want het koren is verdord.
)
. Dan zal er een einde komen aan de situatie, zoals die er is geweest sinds Eva naar de verzoeker heeft geluisterd met als resultaat de zondeval. Sinds die tijd is de mens zijn eigen wil gaan doen en heeft hij zichzelf steeds willen verheffen boven God en zijn naaste. Al die hoogmoed zal worden geoordeeld.

De dag van de HEERE duidt het gericht aan waarmee Hij op beslissende wijze zal ingrijpen in de geschiedenis. God zal dat doen door Christus op een dag die Hij heeft bepaald (Hd 17:3131omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken.). Dat is de dag waarop de mens niet langer zal worden toegestaan het voornemen van God te verhinderen, doorkruisen of verijdelen, en waarop God niet langer in het verborgen zal werken. Dan zal Hij het kwaad neerslaan en vervolgens verspreiden en handhaven wat goed is.

Die ‘dag’ heeft betrekking op de Goddelijke oordelen die zullen worden uitgevoerd door Christus als Jahweh God van Israël, wanneer Hij in heerlijkheid verschijnt, maar heeft ook betrekking op de hele duizendjarige periode. De dag van de HEERE betekent het oordeel voor Babel (Js 13:99Zie, de dag van de HEERE komt, meedogenloos,
met verbolgenheid en brandende toorn,
om van het land een woestenij te maken
en zijn zondaars eruit weg te vagen.
)
, voor Egypte (Jr 46:1010Deze dag is van de Heere, de HEERE van de legermachten,
een dag van wraak om Zich te wreken op Zijn tegenstanders.
Het zwaard zal verslinden en verzadigd worden,
en dronken worden van hun bloed.
Want het is een slachting voor de Heere, de HEERE van de legermachten,
in het land in het noorden, aan de rivier de Eufraat.
)
, voor Israël en Assyrië (Jl 1:1515Ach, die dag!
Ja, de dag van de HEERE is nabij,
en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige.
; 2:1,11,311Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!11En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.
; 3:1414Menigten, menigten
in het dal van de dorsslede,
want de dag van de HEERE is nabij
in het dal van de dorsslede.
)
, voor Israël (Am 5:18,2018Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!20Zal de dag van de HEERE niet duisternis zijn,
en geen licht;
donkerte – zonder lichtglans erover?
; Zf 1:77Wees stil voor het aangezicht van de Heere HEERE.
Want nabij is de dag van de HEERE,
ja, de HEERE heeft een offer bereid,
Zijn genodigden geheiligd.
)
en voor Edom (Ob 1:1515Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;
zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;
wat u verdient, zal op uw [eigen] hoofd terugkeren!
)
. Waar zonde en ongerechtigheid zijn, komt het oordeel, of het nu heidense volken of Gods eigen volk betreft.

Uit Amos 5 zouden we de indruk kunnen krijgen dat de Israëlieten de dag van de HEERE verwachten als behoudenis (licht) voor hen en oordeel voor de vijanden (Am 5:18-2018Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!19[Het is] zoals iemand die vlucht
voor een leeuw,
en een beer tegenkomt,
of die, [als hij] thuiskomt
en met zijn hand tegen de muur leunt,
door een slang wordt gebeten.
20Zal de dag van de HEERE niet duisternis zijn,
en geen licht;
donkerte – zonder lichtglans erover?
)
. Maar Amos en andere profeten hebben deze verwachting bestreden. Een aan de HEERE ontrouw geworden Israël zal de oordeelsdag ook zelf ondergaan als ‘duisternis’, als een dag van toorn van de HEERE (Kl 1:1212Raakt het u allen niet, voorbijgangers? /lamed/
Aanschouw en zie
of er leed is als mijn leed,
dat mij is aangedaan,
waarmee de HEERE [mij] bedroefd heeft
op de dag van Zijn brandende toorn.
)
.

In het Nieuwe Testament wordt de dag van de Heer – hetzelfde als de dag van de HEERE in het Oude Testament – ook genoemd (Hd 2:2020De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en luisterrijke dag van [de] Heer komt.; 1Ko 1:88Die u ook zal bevestigen tot [het] eind toe, [zodat u] onstraffelijk [bent] op de dag van onze Heer Jezus <Christus>.; 5:66Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt?; 2Ko 1:1414zoals u ook ten dele ons hebt erkend dat wij uw roem zijn, evenals u ook de onze bent op de dag van <onze> Heer Jezus.; 1Th 5:22Want u weet zelf nauwkeurig dat [de] dag van [de] Heer komt als een dief in [de] nacht.; 2Th 2:22dat u niet [zo] snel in uw denken geschokt of verschrikt wordt, noch door geest, noch door woord, noch door brief als van ons, alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn.; 2Pt 3:1010Maar [de] dag van [de] Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en [de] elementen brandend vergaan en [de] aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.). Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de dag van de Heer en de opname van de gemeente. Beide gebeurtenissen vinden niet op hetzelfde moment plaats. De komst van de Heer bestaat uit verschillende fasen.

De Heer Jezus komt eerst om de gemeente op te halen (1Ko 15:51-5251Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,52in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.; 1Th 4:15-1815(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)). Bij Zijn komst voor Zijn gemeente zal Hij niet op aarde komen en ook niet zichtbaar zijn voor mensen op aarde. De gemeente gaat Hem tegemoet in de lucht (1Th 4:1717daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.). Ook alle oudtestamentische gelovigen die zijn gestorven, zullen dan worden opgewekt en Hem tegemoet gaan. Deze waarheid vinden we uitsluitend in het Nieuwe Testament en is een vertroosting voor de gelovigen.

Bij de dag van de Heer gaat het anders. Bij die fase van Zijn komst verschijnt Hij op aarde, voor iedereen zichtbaar (Op 1:77Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen.) om Zijn volk, dat is het gelovig overblijfsel van Israël, te verlossen uit hun benauwdheid. Tevens zal Hij dan de ongelovigen oordelen en Zijn vrederijk oprichten. Het boek Openbaring licht ons uitvoerig in over alle gebeurtenissen die met de komst van de Heer naar de aarde samenhangen. Alle teksten die over de dag van de Heer gaan, laten zien dat mensen die dan op aarde leven, in grote angst zullen zijn vanwege de oordelen.

Als we het onderscheid zien tussen de opname van de gemeente, het de Heer tegemoet gaan in de lucht, en de komst van de Heer naar de aarde, hebben we de sleutel in handen voor het begrijpen van het eerste gedeelte van 2 Thessalonicenzen 2 (2Th 2:1-121Wij vragen u echter, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze bijeenvergadering tot Hem,2dat u niet [zo] snel in uw denken geschokt of verschrikt wordt, noch door geest, noch door woord, noch door brief als van ons, alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn.3Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,4die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.5Herinnert u zich niet dat ik u dit gezegd heb, toen ik nog bij u was?6En nu, u weet wat [hem] tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn eigen tijd.7Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen Hij Die nu tegenhoudt, [blijft] totdat Hij weggenomen wordt.8En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst;9hem, wiens komst naar [de] werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van [de] leugen,10en met allerlei bedrog van [de] ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden.11En daarom zendt God hun een werking van [de] dwaling om de leugen te geloven,12opdat allen geoordeeld worden die de waarheid niet hebben geloofd, maar een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid.).

Er is nog sprake van andere ‘dagen’. Zo lezen we over de “dag van God” (2Pt 3:1212terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.). Deze dag beschrijft de eeuwige toestand. Deze dag moeten we niet verwarren met “de grote dag van God de Almachtige” (Op 16:1414want het zijn geesten van demonen die tekenen doen [en] die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige.), die overeenkomt met “de dag van de Heer”. Verwante uitdrukkingen zijn: de dag van de toorn (Zf 1:1818Ook hun zilver, ook hun goud zal hen niet kunnen redden
op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.
Door het vuur van Zijn na-ijver zal heel dit land verteerd worden,
want Hij zal zeker [en] spoedig een vernietigend einde maken aan alle inwoners van het land.
)
, de dag van de wraak (Js 34:88Want het zal zijn de dag van de wraak van de HEERE,
het jaar van de afrekening om de rechtszaak van Sion.
)
, dag van de slachting (Zf 1:88Het zal gebeuren op de dag van het offer van de HEERE
dat Ik de vorsten zal straffen, en de koningskinderen,
en allen die gekleed gaan in uitheemse kleding.
)
, dag van verbolgenheid, wolken, duisternis (Zf 1:1515Een dag van verbolgenheid is die dag,
een dag van benauwdheid en angst,
een dag van verwoesting en vernietiging,
een dag van wolken en donkerheid,
een dag van donkere wolken,
)
. ‘Dag’ is hier geen tijdsaanduiding, maar staat voor het karakter van machtige gebeurtenissen en hun werking. Alle nadruk valt op wat er gebeurt, het straffend ingrijpen van de HEERE, waarbij vooral het aspect van ‘openbaarheid’ van belang is. Alle gebeurtenissen vinden plaats onder Zijn controle en in Zijn licht.

De dag van de Heer staat tegenover de dag, of het gericht, van de mens (1Ko 4:33Maar het betekent voor mij het minste, dat ik door u of door een menselijk gericht word beoordeeld; ja, ik beoordeel ook mijzelf niet.). Nu heeft de mens het nog voor het zeggen. Maar als de dag van de Heer aanbreekt, begint de periode waarin de wil van God wordt gedaan “zoals in [de] hemel, zo ook op aarde” (Mt 6:9-109Bidt u dan zó: Onze Vader Die in de hemelen bent, moge Uw Naam worden geheiligd,10Uw koninkrijk komen, Uw wil gebeuren, zoals in [de] hemel, zo ook op aarde.).

In geestelijk opzicht breekt in het leven van ieder mens de dag van de Heer aan op het moment dat hij het volle gezag van de Heer over zijn leven erkent. Dat gebeurt als hij zijn leven in Gods licht ziet en daarover gaat denken zoals God. Dat is het moment van de bekering. Als de bekering heeft plaatsgevonden, kan vanaf dat moment van de gelovigen worden gezegd, dat zij “zonen van [het] licht en zonen van [de] dag” zijn (1Th 5:55want u bent allen zonen van [het] licht en zonen van [de] dag. Wij zijn niet van [de] nacht of van [de] duisternis.; 1Th 5:8-98Maar laten wij die van [de] dag zijn, nuchter zijn, terwijl wij [het] borstharnas van [het] geloof en [de] liefde aangedaan hebben, en als helm [de] hoop van [de] behoudenis;9want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot [het] verkrijgen van [de] behoudenis door onze Heer Jezus Christus,; vgl. Rm 13:1313Laten wij, als op [de] dag, welgevoeglijk wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in ontuchtigheden en uitspattingen, niet in twist en jaloersheid;).


Geen vreugde en gejuich

16Is niet voor onze ogen
het voedsel weggenomen,
uit het huis van onze God
blijdschap en vreugde?

Het was Gods bedoeling dat Zijn volk zich in Zijn tegenwoordigheid zou verheugen, blij zou zijn. Zo heeft Hij dat, bijvoorbeeld, bij het aanbieden van de eerstelingen gezegd (Dt 26:10-1110En nu, zie, ik heb de eerstelingen van de vruchten van het land dat U, HEERE, mij gegeven hebt, gebracht. Dan moet u ze neerzetten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE, uw God,11en u verblijden over al het goede dat de HEERE, uw God, aan u en uw gezin gegeven heeft; u, de Leviet, en de vreemdeling die in uw midden is.). Maar in plaats van vreugde en gejuich is er nu de dreiging van het onheil dat met de komst van de dag van de HEERE zal losbarsten. Ze hebben immers de voorbode daarvan gezien en de gevolgen ervan ondervonden?

Hier maakt de profeet duidelijk waarom hij vreest dat de dag van de HEERE op komst is. De rampen die deze dag begeleiden, zijn immers aanwezig: de oogst en alle groen zijn vernietigd. Ze zijn er getuigen van, ze zien het voor hun ogen, ze kijken er met ontzetting en machteloosheid naar. Als er geen oogst en dus ook geen voedsel meer is, is ook de vreugde en het gejuich uit het huis van de HEERE verdwenen. Men kan immers geen eerstelingen van de oogst, geen dank- of vredeoffers, en binnenkort, omdat het vee sterft van dorst, ook geen brand- en slachtoffers meer brengen.


Troosteloosheid alom

17De zaadkorrels zijn verschrompeld
onder hun aardkluiten,
de voorraadschuren verwoest,
de graanschuren afgebroken,
want het koren is verdord.
18Hoe kreunt het vee!
De kudden rundvee zijn in verwarring,
want ze hebben geen weide.
Zelfs kudden kleinvee moeten boeten.

De profeet ziet hoe de schepping zucht (Rm 8:2222Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.). De gevolgen van trouweloos en goddeloos handelen door een mensengeslacht dat zich van God heeft afgekeerd, zijn in de schepping zichtbaar. Een mens gaat een weg die van God afvoert nooit alleen. Ook wat hem is toevertrouwd, sleept hij altijd mee in leed en oordeel. Het ‘zuchten van de schepping’ is te horen in het ‘kreunen van het vee’, zoals we in vers 1010Het veld is verwoest,
de grond treurt,
want het koren is verwoest,
de nieuwe wijn opgedroogd,
de olie verkommerd.
als het ware het treuren van de grond kunnen waarnemen.

Wat in dit vers staat, is het gevolg van droogte en niet van de sprinkhanenplaag. De oogst is verwoest door de sprinkhanen, maar door de droogte ligt er ook geen nieuwe oogst in het verschiet. De situatie is hopeloos. Het is alsof de profeet zich uitput in woorden die deze hopeloosheid laten uitkomen: “verschrompeld”, “verwoest”, “afgebroken”, “verdord”, “kreunt”, “in verwarring”, “geen weide”, “boeten”. De droogte van het land weerspiegelt voor Joël vooral de dorheid en neergang die in de harten van het volk aanwezig is (vgl. Jr 14:1-61Het woord van de HEERE dat tot Jeremia gekomen is met betrekking tot de grote droogte.
2Juda treurt,
zijn poorten verkommeren,
ze liggen in het zwart gehuld ter aarde,
en het gejammer van Jeruzalem stijgt omhoog.
3De vooraanstaanden onder hen sturen hun minderen erop uit voor water.
Komen zij bij de regenbakken,
[dan] vinden zij geen water,
met hun lege kruiken keren zij terug.
Zij schamen zich en worden te schande en bedekken hun hoofd.
4Omdat de grond gescheurd is
– er is immers geen regen op het land –
schamen de akkerbouwers zich,
zij bedekken hun hoofd.
5Ja, zelfs een hinde werpt op het veld [haar] jong, en laat [het] in de steek,
omdat er geen gras is.
6De wilde ezels staan op de kale hoogten,
als jakhalzen snakken ze naar adem,
hun ogen bezwijken,
omdat er geen gewas is.
)
.


De roep tot God

19Tot U, HEERE, roep ik,
want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd,
en een vlam heeft alle bomen van het veld verzengd.

Joël gebruikt de woorden “vuur” en “vlam” om de verzengende hitte en droogte namen te geven. Ze worden veroorzaakt door de zon en de oostenwind en hebben een verwoestende uitwerking. De “weiden van de woestijn” zijn de belangrijke vindplaatsen van voedsel voor het vee. Het Hebreeuwse woord midbar betekent dat het een voor kleinveeteelt geschikte woestijn is, zoals bijvoorbeeld de woestijn van Judéa. “Alle bomen van het veld” leveren vruchten waaraan het volk zich te goed kan doen.

Na de beschrijving van de allesomvattende verwoestingen en zijn oproep om tot God te gaan neemt Joël zelf zijn toevlucht tot de Enige Die kan helpen. In de vijf woorden “tot U, HEERE, roep ik” ligt een zee van ellende die de profeet voor Hem uitstort. Het lijkt er niet op dat de oproep die hij in de verzen 13-1413Omgord u en bedrijf rouw, priesters,
weeklaag, dienaren van het altaar.
Kom, overnacht in rouwgewaden,
dienaren van mijn God,
want graanoffer en plengoffer
zijn aan het huis van uw God onthouden.14Kondig een vasten[tijd] af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen,
verzamel de oudsten
en alle inwoners van het land
[in] het huis van de HEERE, uw God,
en roep tot de HEERE.
heeft gedaan, veel gehoor heeft gevonden. We horen hier alleen zijn stem. De profeet Amos neemt eenzelfde positie in (vgl. Am 7:1-61Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, Hij formeerde sprinkhanen toen het nagras begon op te komen; let wel, nagras, nadat er voor de koning gemaaid is.2En het gebeurde, toen ze het opvreten van het gewas van het land voltooid hadden, dat ik zei: Heere HEERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!3Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Het zal niet gebeuren, zei de HEERE.4Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, de Heere HEERE riep uit dat Hij een rechtszaak wilde voeren door middel van vuur. Het verslond de grote watervloed. Ook verslond het een stuk land.5Toen zei ik: Heere HEERE, houd toch op! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!6Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Ook dit zal niet gebeuren, zei de Heere HEERE.). Voor God is het voldoende als er maar één rechtvaardige is.

Joël is hier een beeld van de Heer Jezus Die als Voorspraak en Middelaar voor het volk tot God gaat. Joël vertegenwoordigt niet alleen het hele volk, maar is ook het voorbeeld dat oproept tot navolging. Hij roept niet op tot iets wat hij zelf niet doet. Of dienaren van God er nu wel of niet in slagen anderen van Gods oordeel te doordringen en te brengen tot een handelen en houding die passend zijn, duidelijk is wel dat een oproep aan anderen in elk geval in hun eigen leven die uitwerking moet hebben. Als ze anderen er niet toe kunnen bewegen tot God te gaan roepen, moeten ze dat zelf wel doen in het bewustzijn dat het echt nodig is.

Het is opmerkelijk dat de enige keer dat de profeet iets van zichzelf vertelt, dit gaat over zijn roepen tot God. Het laat ons iets zien van zijn innerlijke leven en van zijn vertrouwen op God. Hij is hierin voor ons een groot voorbeeld, dat waard is om na te volgen door ieder die lijdt onder de dorheid die heerst onder het volk van God. Het is te wensen dat er meer van zulke voorbidders voor Gods volk gevonden worden!


De dieren roepen tot de HEERE

20Zelfs de dieren van het veld
schreeuwen naar U,
want de waterstromen
zijn uitgedroogd.
Een vuur heeft
de weiden van de woestijn verteerd.

Nadat de profeet heeft geroepen, volgt hier het roepen van de dieren. De profeet ziet hoe de dieren smachtend tot God opzien. Ook de dieren lijden onder de ontrouw van de mens. God hoort hun roepen (Jb 39:33Wie bereidt voor de raaf zijn voedsel,
als zijn jongen om hulp roepen tot God,
[als] zij ronddwalen omdat er geen eten is?
; Ps 104:21,2721De jonge leeuwen brullen om een prooi
en verlangen van God hun voedsel.
27Zij allen wachten op U,
dat U hun voedsel geeft op zijn tijd.
)
. Met dit opzien naar Hem zijn de dieren de mens tot voorbeeld.

De zorg van God gaat ook uit naar de dieren. Als de vloek van de schepping in het vrederijk is weggenomen, delen ook de dieren in de zegen ervan: “Mensen en dieren verlost U, HEERE” (Ps 36:77Uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
Uw oordelen zijn [als] de grote watervloed;
mensen en dieren verlost U, HEERE.
)
. Na de prediking van Jona moeten de dieren delen in de verootmoediging die de koning van Ninevé heeft afgekondigd; ook zij mogen niets eten (Jn 3:77En in Ninevé werd op bevel van de koning en zijn [rijks]groten omgeroepen: Mens en dier, runderen en schapen, mogen niets eten, niet grazen en geen water drinken.). God betrekt ook de dieren erbij als Hij na de verootmoediging Ninevé spaart: “Zou Ík dan die grote stad Ninevé niet ontzien, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn die het verschil tussen hun rechter- en hun linker[hand] niet weten, en [daarbij] veel vee?” (Jn 4:1111Zou Ík dan die grote stad Ninevé niet ontzien, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn die het verschil tussen hun rechter- en hun linker[hand] niet weten, en [daarbij] veel vee?).


Lees verder