Jakobus
Inleiding
Inleiding

De brief van Jakobus is een brief met een heel eigen karakter. Dat geldt natuurlijk voor elke brief in de Bijbel, maar deze brief is toch wel speciaal, zoals je zult zien. Hij neemt een bijzondere plaats in het Nieuwe Testament in. Je kunt de plaats van de brief van Jakobus tussen de andere brieven van het Nieuwe Testament vergelijken met de plaats die de profeet Jona in het Oude Testament tussen de andere profeten inneemt. Alle oudtestamentische profeten hebben een boodschap voor het volk van God, behalve Jona. Jona is een uitzondering, want hij wordt met een boodschap van God naar de heidenen gestuurd.

Veel brieven in het Nieuwe Testament, met name die van Paulus, spreken de gelovigen aan als leden van de gemeente en als verenigd met Christus. Jakobus is een uitzondering, want hij richt zijn brief “aan de twaalf stammen” van Israël “in de verstrooiing”. Jakobus schrijft zijn brief dus aan het volk Israël in zijn geheel. Ook opmerkelijk is dat hij, hoewel hij hoofdzakelijk de Joodse christenen aanspreekt (vijftien keer gebruikt hij het woord ‘broeders’), toch ook tot de ongelovige Joden spreekt.

Jakobus spreekt in zijn brief niet over de hemelse zegeningen die het deel zijn van de gemeente en van de gelovigen persoonlijk. Hij schrijft over de praktijk van het geloofsleven. In zijn brief spreekt hij ieder aan die belijdt tot Gods volk te behoren. Hij houdt de belijder voor wat deze in de praktijk moet laten zien. Wat iemand zegt, moet zichtbaar worden. Het leven uit God moet getoond worden. Dat is ook noodzakelijk, want de werken van het geloof zijn voor anderen het enige bewijs dat er echt geloof in het hart aanwezig is. Geloof werkt door liefde (Gl 5:66Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch onbesneden zijn, maar geloof dat door liefde werkt.) als uiting van de nieuwe schepping die een gelovige in Christus is (Gl 6:1515Want noch besnijdenis is iets, noch onbesneden zijn, maar een nieuwe schepping.; 2Ko 5:1717Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden.).

Je vindt in deze brief niet veel leer of onderwijs. De brief is mogelijk al geschreven, voordat Paulus zijn brieven schreef. Toch moet worden gezegd dat, wil deze brief werkelijkheid in je leven worden, het noodzakelijk is dat je de leer van de brieven van Paulus kent. Het is dus niet een brief die je zomaar eventjes in praktijk brengt. Het gaat om het uitleven van de nieuwe mens en over die nieuwe mens vertelt Paulus alles in zijn brieven. Als je zijn brieven hebt gelezen, zul je dit zeker herkennen. Hoewel de volgorde van de brieven, zoals we die in de Bijbel hebben, niet geïnspireerd is, neemt de brief van Jakobus zo direct na de brieven van Paulus dus een opmerkelijk juiste plaats in.

De geadresseerden zijn het volk van God dat nog deel uitmaakt van Gods aardse volk. Zij zijn er nog niet van gescheiden. Het volk als geheel heeft de Heer Jezus verworpen, terwijl deze geadresseerden wel belijden dat ze het geloof in de Heer Jezus als de Heer der heerlijkheid bezitten (Jk 2:11Mijn broeders, hebt het geloof in onze Heer Jezus Christus, [de Heer] der heerlijkheid, niet met aanzien des persoons.). Dat betekent dat God ons door deze brief bekendmaakt met een vorm van het christendom die een mengvorm is: het Joodse christendom. Het is een brief die geschreven is met het oog op een overgangstijd van het oude (Jodendom) naar het nieuwe (christendom). De tijdsperiode waarin we de brief het best kunnen plaatsen, is de tijd van het eerste gemeenteleven, zoals dat wordt beschreven in het boek Handelingen.

In deze overgangstijd verdraagt God het dat bepaalde gebruiken van het oude volk Israël in de nieuw ontstane gemeente in stand worden gehouden. Aan die overgangstijd zal binnenkort een einde komen door de verwoesting van Jeruzalem, die in het jaar 70 zal plaatsvinden door de Romeinen (de brief van Jakobus is gedateerd tussen de jaren 45 en 62). Jakobus wijst daar ook op als hij spreekt over ‘de laatste dagen’ (Jk 5:33Uw goud en zilver is verroest en hun roest zal tot een getuigenis tegen u zijn en uw vlees als een vuur verteren. U hebt schatten verzameld in [de] laatste dagen.). Je kunt deze brief in zeker opzicht dan ook een ‘eindtijdbrief’ noemen.

Daarom is deze brief ook voor ons actueel. Ook wij leven in een eindtijd en wel de eindtijd van de christenheid. Ook de eindtijd waarin wij leven, zal worden afgesloten met oordelen. Tevens staan wij op de drempel van een nieuwe tijd die na de oordelen zal aanbreken. Die nieuwe tijd beslaat een periode van duizend jaren, een periode die wordt gekenmerkt door vrede in de hemel en op de aarde onder de zegenrijke regering van de Heer Jezus.

In de volgorde die we in de Bijbel hebben, volgt deze brief op de brief aan de Hebreeën. Het lijkt erop dat de brief aan de Hebreeën later is geschreven dan de brief van Jakobus. In de brief aan de Hebreeën, ook geschreven aan Joden, klinkt de oproep om uit te gaan buiten de legerplaats (Hb 13:1313Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen.). Die oproep klinkt mede met het oog op de aanstaande verwoesting van Jeruzalem. Een dergelijke oproep vinden we niet in deze brief.

Het volk Israël wordt nog aangesproken. Jakobus schrijft aan hen die in de verstrooiing zijn, namelijk aan de Israëlieten die overal onder de volken verstrooid zijn. Hij ziet nog het hele volk, zoals Elia (1Kn 18:3131Elia nam twaalf stenen, overeenkomstig het getal van de stammen van de zonen van Jakob, tot wie het woord van de HEERE was gekomen: Israël zal uw naam zijn.; vgl. Ea 6:1717Zij offerden ter inwijding van dit huis van God honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en als zondoffer voor heel Israël twaalf geitenbokken, naar het aantal stammen van Israël.) en Paulus (Hd 26:77waartoe onze twaalf stammen, terwijl zij vurig nacht en dag [God] dienen, hopen te komen; over deze hoop, o koning, word ik door [de] Joden beschuldigd.) hebben gedaan, totdat God het oordeel heeft voltrokken.

Jakobus heeft in de gemeente in Jeruzalem een vooraanstaande plaats. Je kunt wel zeggen dat hij de leider van deze gemeente is. De gemeente in Jeruzalem bestaat uit Joden die tot geloof in de Heer Jezus zijn gekomen, maar die zich, wat de uitoefening van hun godsdienst betreft, niet onderscheiden van hun ongelovige volksgenoten. Onder hen geldt Jakobus, samen met Petrus en Johannes, als een steunpilaar (Gl 2:99en toen zij de genade die mij gegeven is, erkenden, gaven Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, mij en Barnabas [de] rechterhand van gemeenschap, opdat wij naar de volken en zij naar de besnedenen [gingen];).

Als Paulus na zijn derde zendingsreis in Jeruzalem komt, gaat hij naar Jakobus, bij wie alle oudsten van Jeruzalem ook komen. In het onderhoud dat volgt, wordt aan Paulus verteld dat er al tienduizenden Joden tot geloof zijn gekomen die allen ijveraars voor de wet zijn (Hd 21:2020Toen zij nu dit hadden gehoord, verheerlijkten zij God en zij zeiden tot hem: U ziet, broeder, hoevele tienduizenden er onder de Joden zijn die geloven, en allen zijn zij ijveraars voor de wet.). Onder aanvoering van Jakobus wordt Paulus een voorstel gedaan, waardoor hij kan laten zien dat hij ook een wetsgetrouwe Jood is. De instemming van Paulus met dit voorstel betekent het einde van zijn openbare dienst.

Hier zie je hoe groot de invloed van Jakobus is. Die grote invloed zie je ook tijdens de apostelvergadering waar Jakobus het beslissende antwoord geeft dat de volken niet onder de wet gesteld mogen worden (Hd 15:13-2113En nadat dezen zwegen, antwoordde Jakobus en zei: Mannen broeders, hoort naar mij.14Simeon heeft verhaald hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit [de] volken een volk aan te nemen voor Zijn Naam.15En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat:16‘Daarna zal Ik terugkeren en de tent van David weer opbouwen die vervallen is; en wat daarvan is omvergehaald, zal Ik weer opbouwen en Ik zal haar weer oprichten,17opdat de overigen van de mensen de Heer zoeken, en alle volken waarover Mijn Naam is uitgeroepen, zegt [de] Heer Die deze dingen doet’,18die van eeuwigheid af bekend zijn.19Daarom ben ik van oordeel, dat men hen die zich uit de volken tot God bekeren, niet in moeilijkheden moet brengen,20maar hun aanschrijven zich te onthouden van de verontreinigingen van de afgoden, van de hoererij, van <het> verstikte en van het bloed.21Want Mozes heeft er van oude geslachten af in elke stad die hem prediken, daar hij op elke sabbat in de synagogen wordt gelezen.).


Lees verder