Johannes
1 Een bruiloft op de derde dag 2-5 Gebrek aan wijn 6-10 De Heer verandert water in wijn 11 Het begin van de tekenen 12-17 De tempelreiniging 18-22 Vraag naar het teken van Zijn gezag 23-25 Jezus weet Zelf wat in de mens is
Een bruiloft op de derde dag

1En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galiléa; en de moeder van Jezus was daar.

Johannes, de schrijver van dit evangelie, spreekt hier van “de derde dag”. Daarmee kan hij de derde dag na de komst van de Heer in Galiléa bedoelen of ook de derde dag na het gesprek van de Heer met Nathanaël aan het slot van het vorige hoofdstuk. Eerder heeft hij enkele keren gesproken over “de volgende dag” (Jh 1:29,35,4429De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.35De volgende dag stond Johannes [daar] weer, en twee van zijn discipelen.44De volgende dag wilde Hij naar Galiléa vertrekken en Hij vond Filippus; en Jezus zei tot hem: Volg Mij.). Dat Johannes daar telkens over spreekt, heeft niet slechts een historische betekenis, maar daar bovenuit vooral een profetische betekenis. In deze op elkaar volgende dagen kunnen we een volgorde zien van elkaar opvolgende perioden met elk een bijzonder kenmerk. In elk van die perioden staat de Heer Jezus centraal, maar waarin Hij telkens in een andere betrekking en heerlijkheid wordt gezien.

Aan de eerste keer dat er sprake is van ‘de volgende dag’ (Jh 1:2929De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.), gaat een dag vooraf. Die dag kunnen we de eerste dag noemen. Die dag staat in het teken van de prediking van Johannes (Jh 1:19-2819En dit is het getuigenis van Johannes, toen de Joden priesters en Levieten uit Jeruzalem <naar hem toe> gezonden hadden om hem te vragen: Wie bent u?20En hij beleed en loochende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet.21En zij vroegen hem: Wat dan? Bent u Elia? En hij zei: Ik ben het niet. Bent u de profeet? En hij antwoordde: Nee.22Zij zeiden dan tot hem: Wie bent u? opdat wij antwoord geven aan hen die ons hebben gezonden. Wat zegt u van uzelf?23Hij zei: Ik ben [de] stem van een roepende in de woestijn: ‘Maakt de weg van [de] Heer recht!’, zoals de profeet Jesaja heeft gesproken.24En zij waren gezonden uit de farizeeën.25En zij vroegen hem en zeiden tot hem: Waarom doopt u dan, als u de Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet?26Johannes antwoordde hun en zei: Ik doop met water; midden onder u staat [Een] Die u niet kent, Die na mij komt;27ik ben niet waard Zijn schoenriem los te maken.28Dit gebeurde in Bethanië, over de Jordaan, waar Johannes doopte.). Ook aan die eerste dag gaat iets vooraf en dat is wat in het eerste gedeelte van Johannes 1 staat (Jh 1:1-181In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.2Dit was in [het] begin bij God.3Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.4In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen.5En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.6Er was een mens, van God gezonden; zijn naam was Johannes.7Deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloofden.8Hij was het licht niet, maar [hij was] om van het licht te getuigen.9Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en iedere mens verlicht.10Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend.11Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.12Maar allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij [het] recht kinderen van God te worden, hun die in Zijn Naam geloven;13die niet uit bloed, niet uit [de] wil van [het] vlees, niet uit [de] wil van een man, maar uit God geboren zijn.14En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.15(Johannes getuigt van Hem en heeft geroepen en gezegd: Deze was het van Wie ik zei: Hij Die na mij komt, is mij voor, want Hij was eerder dan ik.)16Want uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade.17Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.18Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft [Hem] verklaard.). Dat gedeelte vormt een algemene inleiding op het hele evangelie. Het gaat daarin over het Woord dat eeuwig is en dat vlees is geworden en op die manier in de wereld is gekomen, waardoor de eeuwigheid zich met de tijd en het leven op aarde verbindt. Zodra dat het geval is, klinkt het getuigenis van Johannes de doper. Johannes de doper is verbonden aan het Oude Testament, maar zijn komst sluit die periode af (Mt 11:1313Want alle profeten en de wet hebben tot op Johannes geprofeteerd.). Het gaat om Hem Die na hem komt.

Op Hem wijst hij ‘de volgende dag’ (Jh 1:2929De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.) als het Lam van God Dat de zonde van de wereld wegneemt en geeft van Hem getuigenis dat Hij de Zoon van God is (Jh 1:29-3429De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.30Deze is het van Wie ik zei: Na mij komt een Man Die mij vóór is, want Hij was eerder dan ik.31En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël openbaar wordt, daarom ben ik komen dopen met water.32En Johannes getuigde en zei: Ik heb de Geest zien neerdalen als een duif uit [de] hemel, en Hij bleef op Hem.33En ik kende Hem niet; maar Hij Die mij heeft gezonden om te dopen met water, Die zei mij: Op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met [de] Heilige Geest doopt.34En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van God is.). Dat is een op zichzelf staand getuigenis over de Persoon en het werk van Christus, waarvan de resultaten zich tot in alle eeuwigheid uitstrekken.

De daarop ‘volgende dag’ (Jh 1:3535De volgende dag stond Johannes [daar] weer, en twee van zijn discipelen.) wordt Christus het aantrekkingspunt voor de gelovigen (Jh 1:35-4335De volgende dag stond Johannes [daar] weer, en twee van zijn discipelen.36En toen hij op Jezus zag, Die daar wandelde, zei hij: Zie, het Lam van God.37En de twee discipelen hoorden hem spreken en volgden Jezus.38En Jezus keerde Zich om en zag dat zij Hem volgden, en zei tot hen:39Wat zoekt u? En zij zeiden tot Hem: Rabbi (wat vertaald wil zeggen: Meester), waar verblijft U?40Hij zei tot hen: Komt en u zult het zien. Zij kwamen dan en zagen waar Hij verbleef, en zij verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer [het] tiende uur.41Andréas, de broer van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren.42Deze vond eerst zijn eigen broer Simon en zei tot hem: Wij hebben de Messias gevonden – wat vertaald is: Christus.43Hij leidde hem tot Jezus. Jezus zag hem aan en zei: Jij bent Simon, de zoon van Jona, jij zult Kefas heten – wat vertaald wordt: steen.). Dat kunnen we in verband brengen met de tijd waarin wij leven en waarin de Heer Jezus door de Heilige Geest de gemeente vormt en aan Zichzelf verbindt. Dat mag beleefd worden als gelovigen rondom Hem samenkomen (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

Op weer een ‘volgende dag’ (Jh 1:4444De volgende dag wilde Hij naar Galiléa vertrekken en Hij vond Filippus; en Jezus zei tot hem: Volg Mij.) horen we het getuigenis van Nathanaël. In dit getuigenis belijdt Nathanaël dat de Heer Jezus de Zoon van God en de Koning van Israël is. Zo heeft Nathanaël als Godvrezende Israëliet Hem uit Psalm 2 leren kennen (Ps 2:6-76Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.7Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
)
. Nathanaël is een beeld van het gelovig overblijfsel van Israël dat Hem als Zoon van God en Koning van Israël zal erkennen. Dat zal gebeuren als Hij na de periode van het vergaderen van de gemeente terugkeert naar Zijn volk Israël om voor dat volk de lang beloofde zegen in vervulling te doen gaan.

Vervolgens en ten slotte is er in Johannes 2 sprake van ‘de derde dag’ (Jh 2:11En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galiléa; en de moeder van Jezus was daar.). De derde dag spreekt in de Schrift vaak van de opstanding van de Heer Jezus en daarmee van de invoering van een nieuwe orde van zaken. Hier zien we Christus in het vrederijk, waar Hij zegen en vreugde brengt voor Zijn volk en door hen voor de hele aarde. Vandaar dat Johannes in verbinding met de ‘derde dag’ spreekt over een bruiloft. Het is een illustratie van de ‘grotere dingen’ waarover de Heer in het laatste vers van het vorige hoofdstuk heeft gesproken.

Dat het een zegen is waaraan ook het volk Israël deel zal hebben, zien we aan de vermelding dat ook “de moeder van Jezus” daar was. Christus is immers uit Israël geboren (Rm 9:4-54Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften;5tot hen behoren de vaderen, en uit hen is naar [het] vlees de Christus, Die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid. Amen.). Naast de algemene zegen voor de hele aarde is er ook een speciale zegen voor Israël. Die zegen kan pas komen als dit volk, dat wil zeggen een gelovig overblijfsel, zich zal hebben bekeerd tot Hem. In verbinding met die bekering wordt ook gesproken over een ‘derde dag’ (Hs 6:1-21Kom, laten wij terugkeren naar de HEERE,
want Hij heeft verscheurd, maar Hij zal ons genezen;
Hij heeft geslagen, maar Hij zal ons verbinden.2Na twee dagen zal Hij ons levend maken,
op de derde dag zal Hij ons doen opstaan
en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
)
.


Gebrek aan wijn

2Jezus nu was ook op de bruiloft genodigd, alsook Zijn discipelen. 3En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn. 4<En> Jezus zei tot haar: Wat heb Ik met u te doen, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen. 5Zijn moeder zei tot de dienstknechten: Wat Hij u ook zegt, doet dat.

Zoals we in de andere evangeliën zien, wordt de Heer Jezus geregeld ergens uitgenodigd en vaak neemt Hij deze uitnodiging ook aan. Hier is Hij, samen met de discipelen die Hij in het vorige hoofdstuk om Zich heeft vergaderd, op de bruiloft uitgenodigd. We vinden hier een mooie aanwijzing voor alle bruiloften van gelovigen. Een bruiloft is een zaak die door God is ingesteld (Gn 2:2424Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.; Mt 19:4-54Hij antwoordde echter en zei: Hebt u niet gelezen dat Hij Die hen heeft geschapen, hen van [het] begin af als man en vrouw heeft gemaakt5en gezegd heeft: ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn’?; Ef 5:30-3230Want wij zijn leden van Zijn lichaam, <van Zijn vlees en van Zijn gebeente>.31‘Daarom zal een man <zijn> vader en <zijn> moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn’.32Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en op de gemeente.) en die pas dan tot zijn volle recht en ontplooiing komt als deze wordt gevierd in aanwezigheid van de Heer Jezus en de gelovigen. Het is een erkenning van Zijn instelling van het huwelijk en een vraag om Zijn zegen daarover.

Het lijkt er trouwens op, dat de Heer hier wel is uitgenodigd, maar dat Hij niet bijzonder is opgevallen. Hij is Een van de andere gasten en dat is een plaats die Hem tekortdoet. Waar Hij is, behoort Hij de eerste plaats te krijgen.

Op een gegeven moment is er gebrek aan wijn. Dat is voor een bruiloft een ramp, want het betekent het einde van de vreugde, waarvan de wijn een beeld is (Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?; Ps 104:1515wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. De moeder van de Heer Jezus merkt dat op en meldt dat bij haar Zoon. Ze weet dat Hij in die nood kan voorzien.

De Heer wijst Zijn moeder terecht met een antwoord waaruit blijkt dat zij Hem tot een voortijdig handelen wil brengen. Mogelijk speelt ook haar moedergevoel mee, dat redeneert dat dit een mooie gelegenheid is voor haar Zoon om Zich bekend te maken. Hij laat Zich echter niet leiden door natuurlijke genegenheden die overigens goed en gepast zijn. Hij is God Die voor alles volmaakt de juiste tijd van handelen kent.

Op gepaste wijze wijst Hij Zijn moeder terecht. Ze moet wachten op het uur of het moment dat Hij bepaalt. In beeld geeft Hij hiermee aan dat het uur van Zijn verheerlijking nog niet is gekomen. Eerst zal het uur komen waarin Hij Zichzelf zal overgeven om te lijden en te sterven (Jh 7:3030Zij trachtten Hem dan te grijpen; en niemand sloeg de hand aan Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was.; 8:2020Deze woorden sprak Hij bij de schatkist terwijl Hij leerde in de tempel, en niemand greep Hem, omdat Zijn uur nog niet was gekomen.; 12:2727Nu is Mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur? Maar daarom ben Ik in dit uur gekomen.). Pas daarna zal het uur van Zijn verheerlijking komen (Jh 12:2323Maar Jezus antwoordde hun en zei: Het uur is gekomen dat de Zoon des mensen wordt verheerlijkt.; 13:11Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.; 17:11Dit sprak Jezus en Hij hief Zijn ogen op naar de hemel en zei: Vader, het uur is gekomen: verheerlijk Uw Zoon, opdat <Uw> Zoon U verheerlijkt;).

We zien in Zijn terechtwijzing van Maria een duidelijk bewijs hoe misplaatst de Mariaverering is. Ook zij was een feilbaar mens, hoe bevoorrecht ze ook was om de moeder van de Heer Jezus te zijn. Zij had net als ieder ander mens de verlossing nodig die Hij aan het kruis tot stand heeft gebracht.

Maria is door de terechtwijzing van haar Zoon niet in verzet gekomen. Ze heeft die begrepen en als terecht aanvaard. Dat blijkt uit haar woorden tot de dienaren. Haar vertrouwen in Hem is ongeschokt gebleven. Ze weet dat Hij uitkomst zal geven, maar dan op Zijn tijd. Daarom geeft ze de dienaren de aanwijzing alles te doen wat Hij zegt.

Het zijn de laatste woorden die we van Maria in de Bijbel hebben. Op elk woord van de zin “wat Hij u ook zegt, doet dat” kan de nadruk worden gelegd.
1. ‘Wat’ …’ook’ wil zeggen: wat het ook maar mag zijn.
2. ‘Hij’ is de Heer Jezus, de Gebieder, Die spreekt.
3. ‘U’ is ieder die persoonlijk wordt aangesproken.
4. ‘Zegt’ wijst op de woorden die Hij spreekt.
5. ‘Doet’ is het uitvoeren wat Hij zegt.
6. ‘Dat’ moet er gebeuren en niet iets anders; niet handelen naar eigen inzicht.


De Heer verandert water in wijn

6Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet, volgens het reinigingsgebruik van de Joden, elk met een inhoud van twee of drie metréten. 7Jezus zei tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. 8En Hij zei tot hen: Schept nu en brengt het naar de ceremoniemeester; en zij brachten het. 9Toen nu de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet vanwaar die was, maar de dienstknechten die het water geschept hadden, wisten het), riep de ceremoniemeester de bruidegom en zei tot hem: 10Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men veel gedronken heeft, de mindere; u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. –

Er staan zes stenen watervaten. Die zijn daar neergezet, opdat de gasten zich aan de Joodse regels voor reiniging kunnen houden. De inhoud van de vaten varieert van twee tot drie metréten ofwel tweemaal of driemaal negenendertig liter. De Heer geeft de opdracht de watervaten met water te vullen. Het lijkt erop dat ze leeg zijn.

Dat laat symbolisch zien dat er volgens het Joodse reinigingsgebruik geen reinheid voor God te verwachten is. De uiterlijke reinheid die met de Joodse reinigingsgebruiken wordt nagestreefd, wordt door de Heer in andere evangeliën scherp veroordeeld (Mt 15:1-91Toen kwamen er tot Jezus farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem en zeiden:2Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden?3Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten. Hij echter antwoordde en zei tot hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God ter wille van uw overlevering?4Want God heeft gezegd: ‘Eer uw vader en moeder’ en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’.5Maar u zegt: ‘Wie tot zijn vader of moeder zegt: [Het is] een gave, wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, – die zal zijn vader <of zijn moeder> geenszins eren.6En u hebt [zo] het Woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering.7Huichelaars, treffend heeft Jesaja over u aldus geprofeteerd:8‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan;9en tevergeefs vereren zij Mij, door leringen te leren die geboden van mensen zijn’.; Mk 7:1-161En tot Hem verzamelden zich de farizeeën en sommigen van de schriftgeleerden die van Jeruzalem waren gekomen;2en toen zij zagen dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten,3– want de farizeeën en al de Joden eten niet tenzij zij hun handen grondig wassen, daar zij de overlevering van de ouden houden;4en als zij van de markt [komen], eten zij niet tenzij zij zich hebben gereinigd; en er zijn vele andere dingen die zij hebben aanvaard om zich daaraan te houden: reinigingen van drinkbekers en kannen en koperen vaten <en rustbanken> –5vroegen de farizeeën en schriftgeleerden Hem: Waarom wandelen Uw discipelen niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten het brood met onreine handen?6Hij zei echter tot hen: Treffend heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven staat: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan;7en tevergeefs vereren zij Mij, door leringen te leren die geboden van mensen zijn’.8Terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u de overlevering van de mensen.9En Hij zei tot hen: Treffend doet u het gebod van God teniet, opdat u uw overlevering bewaart.10Want Mozes heeft gezegd: ‘Eer uw vader en uw moeder’, en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’.11Maar u zegt: ‘Als een mens tot zijn vader of zijn moeder zegt: [Het is] korban (dat is: een gave), wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, –12dan laat u hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen,13terwijl u het Woord van God krachteloos maakt door uw overlevering die u hebt overgeleverd; en vele dergelijke dingen doet u.14En toen Hij opnieuw de menigte bij Zich had geroepen, zei Hij tot hen: Hoort allen naar Mij en verstaat.15Er is niets dat van buiten de mens in hem gaat dat hem kan verontreinigen; maar wat uit de mens naar buiten gaat, dat is het wat de mens verontreinigt. <16Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen!>). Mensen die aan een uiterlijk ritueel hangen, maken zichzelf belangrijk. Het ontbreekt hun aan ware vreugde omdat er geen gemeenschap met Christus is. Alleen Hij kan in die holle, doodse rituelen verandering brengen door het water dat Hij geeft en dat Hij verandert in wijn.

Aan het bevel van de Heer wordt gehoor gegeven en de vaten worden tot de rand toe met water gevuld. Het is goed om op een bevel van de Heer met de grootst mogelijke gehoorzaamheid te reageren. Dan is de zegen ook het grootst. We zien ook dat Hij steeds opdrachten geeft die mensen kunnen vervullen en dat Hij vervolgens doet wat mensen niet kunnen. Zo geeft Hij ook mensen het bevel de steen voor het graf van Lazarus weg te nemen, waarna Hij Lazarus tot leven roept (Jh 11:39,4339Jezus zei: Neemt de steen weg. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: Heer, hij riekt al, want hij is [daar] vier dagen.43En na dit gezegd te hebben riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten!).

Nadat de vaten met water zijn gevuld, zegt Hij uit de vaten te scheppen en het naar de ceremoniemeester te brengen. Deze man is verantwoordelijk voor de voortgang van het feest. Hij is dan ook met de situatie zeer verlegen en is bij een oplossing het meest gebaat. Ze brengen wat ze uit de watervaten hebben geschept naar de ceremoniemeester. Dan blijkt dat de Heer het water in wijn heeft veranderd. Hij heeft dat gedaan zonder enig speciaal woord of een bijzondere handeling.

Het is een prachtig beeld van de wijze waarop de vreugde het leven van een mens binnenkomt. Eerst moet een mens door het Woord van God – waarvan het water een beeld is (Jh 13:5-115Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.6Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten?7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen.8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.9Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.11Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.; 15:33U bent al rein om het woord dat Ik tot u heb gesproken. Blijft in Mij, en Ik in u.; Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,) – gereinigd worden. Dat gebeurt als hij zichzelf in het licht van Gods Woord als zondaar ziet, zijn zonden belijdt en gelooft in de Heiland Jezus Christus. Het resultaat daarvan is vreugde. Dit zal ook gebeuren met de herschepping van hemel en aarde voor het vrederijk. Als deze door het oordeel is gereinigd, kan er algemene vreugde op aarde komen.

De ceremoniemeester proeft van het water dat de dienaren hem brengen. Hij proeft geen water, maar wijn. Als de dienaren het water uit de watervaten scheppen, is het nog steeds water, maar als de ceremoniemeester het proeft, proeft hij wijn. Christus heeft door Zijn macht een wonder tot stand gebracht dat niemand heeft zien gebeuren, maar waarvan de resultaten worden genoten door hen die ervan proeven.

Na Zijn Goddelijke alwetendheid bij Nathanaël (Jh 1:4949Nathanaël zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat Filippus je riep, terwijl je onder de vijgenboom was, zag Ik je.) toont de Heer hier Zijn Goddelijke almacht. Iedereen kan van Zijn almacht ‘proeven’, maar alleen zij die ‘doen wat Hij u ook zegt’, zien Wie achter deze daden van almacht staat. De ceremoniemeester weet niet waar de wijn vandaan komt. Hij geniet alleen het resultaat. De dienaren weten wel waar de wijn vandaan komt. Zij hebben immers de vaten met water gevuld en daarna eruit geschept. Maar ze weten niet hoe het water in wijn is veranderd.

De ceremoniemeester vraagt niet aan de dienaren hoe zij aan deze goede wijn komen, maar roept de bruidegom erbij. Hij concludeert zonder verder onderzoek dat de bruidegom verantwoordelijk is voor deze gang van zaken. Hij denkt niet aan een wonder en al helemaal niet aan de Heer Jezus, maar heeft zelf een natuurlijke verklaring. Zo reageren ongelovige mensen op alles wat ze meemaken. Ze zien de schepping, maar de Zoon van God wordt geloochend als de oorsprong.

De handelwijze van de Heer is niet zoals mensen te werk gaan. Mensen willen eerst het goede en als hun mogelijkheden voor het goede zijn uitgeput, gaan ze naar een mindere kwaliteit. Bij Hem is het andersom. Hij bewaart het goede voor later. Voor het geloof is dat een grote bemoediging. De gelovige mag weten dat er bij de Heer overvloed van blijdschap is (Ps 16:1111U maakt mij het pad ten leven bekend;
overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,
lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.
)
. Christus is Zelf een weg van lijden gegaan, terwijl Hij daarbij zag op de vreugde die Hij aan het einde van die weg zou genieten (Hb 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.). Ook voor mensen in diepe ellende is het een grote bemoediging. De Heer brengt ieder mens die vanuit de diepte tot Hem roept tot de grootste hoogte.


Het begin van de tekenen

11Dit deed Jezus als begin van Zijn tekenen in Kana in Galiléa en openbaarde Zijn heerlijkheid; en Zijn discipelen geloofden in Hem.

In dit eerste teken wordt de heerlijkheid van de Heer Jezus in genade geopenbaard. In Hem keert de heerlijkheid van God terug Die Zich uit Israël, uit Zijn tempel, heeft moeten terugtrekken vanwege de zonden van Zijn volk (Ez 11:2323Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Die heerlijkheid is teruggekeerd naar de hemel. Nu is Gods heerlijkheid weer op aarde gekomen in de Persoon van de Zoon.

Dit eerste teken bevat een belangrijke les over de openbaring van Zijn heerlijkheid die we moeten leren om Zijn heerlijkheid werkelijk te kunnen zien en te kunnen genieten. In dit eerste van Zijn tekenen wordt namelijk duidelijk dat er alleen duurzame vreugde (wijn) kan zijn, als deze vreugde is gebaseerd op reiniging (water).

Door dit teken worden de discipelen bevestigd in hun groeiende geloof. Maria verwachtte dat de Heer een wonder zou doen. Wat Hij deed, was ook een wonder, maar toch noemt Johannes het niet zo. Hij wil niet de nadruk leggen op het verrichten van wonderen, maar op de betekenis van deze bijzondere gebeurtenis. Johannes wordt door de Geest geïnspireerd de bijzondere verrichtingen voor te stellen als tekenen die duidelijk maken wat het doel van de komst van de Heer Jezus is. Dat doel is: mensen invoeren in de blijdschap van Zijn koninkrijk en nog hoger, in de blijdschap van de gemeenschap met de Vader en Hemzelf (Jh 15:1111Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u is en uw blijdschap volkomen wordt.; 17:1313Maar nu kom Ik tot U en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap volkomen hebben in zichzelf.; 1Jh 1:44En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.).

Johannes heeft na dit eerste teken van het veranderen van water in wijn nog meer tekenen van de Heer in zijn evangelie opgenomen: drie genezingen (Jh 4:53-5453De vader nu wist dat het op dat uur was, dat Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde, hij en zijn hele huis.54– Dit tweede teken <nu> heeft Jezus weer gedaan, toen Hij uit Judéa in Galiléa was gekomen.; 5:99En terstond werd de mens gezond, en hij nam zijn rustbed op en wandelde. Nu was het sabbat op die dag.; 9:6-76Na dit gezegd te hebben spuwde Hij op [de] grond en maakte slijk van het speeksel en streek het slijk op zijn ogen7en zei tot hem: Ga heen, was u in de vijver Silóam – wat vertaald wordt: uitgezonden. Hij dan ging weg, waste zich en kwam ziende [terug].), een opwekking uit de doden (Jh 11:42-4342Ik wist wel dat U Mij altijd hoort, maar ter wille van de menigte die rondom Mij staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij geloven dat U Mij hebt gezonden.43En na dit gezegd te hebben riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten!), een spijziging (Jh 6:1-151Daarna vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galiléa, [of] van Tibérias.2En een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij deed aan de zieken.3En Jezus ging de berg op en ging daar zitten met Zijn discipelen.4En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij.5Toen nu Jezus de ogen opsloeg en zag dat een grote menigte naar Hem toe kwam, zei Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten?6Dit nu zei Hij om hem op de proef te stellen; want Hij wist Zelf wat Hij zou doen.7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd denaren broden is voor hen niet genoeg dat ieder een klein beetje krijgt.8Een van Zijn discipelen, Andréas, de broer van Simon Petrus, zei tot Hem:9Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat op zovelen?10Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. Dus gingen ze zitten, de mannen ongeveer vijfduizend in getal.11Jezus dan nam de broden, en toen Hij gedankt had, verdeelde Hij ze onder hen die daar zaten; op gelijke wijze ook van de vissen, zoveel zij wilden.12En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot Zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat.13Zij verzamelden ze dan en vulden twaalf handkorven met brokken van de vijf gerstebroden, die waren overgelaten door hen die hadden gegeten.14Toen nu de mensen het teken hadden gezien dat <Jezus> had gedaan, zeiden zij: Deze is waarlijk de Profeet Die in de wereld zou komen.15Daar nu Jezus wist dat zij zouden komen en Hem met geweld wegvoeren om Hem koning te maken, ontweek Hij opnieuw op de berg, Hij alleen.) en een visvangst (Jh 21:66Hij nu zei tot hen: Werpt het net uit aan de rechterkant van het schip en u zult vinden. Zij dan wierpen het uit en konden het niet meer trekken vanwege de menigte van de vissen.). De Heer heeft er nog wel meer gedaan dan Johannes vermeldt, maar de tekenen die Johannes vermeldt, dienen het speciale doel dat de lezer van zijn evangelie zal geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en dat wie gelooft het leven heeft in Zijn Naam (Jh 20:30-3130Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van Zijn discipelen gedaan, die niet geschreven zijn in dit boek;31maar deze zijn geschreven opdat u gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat u gelovend [het] leven hebt in Zijn Naam.).


De tempelreiniging

12Daarna daalde Hij af naar Kapernaüm, Hij, Zijn moeder, Zijn broers en Zijn discipelen, en zij bleven daar niet vele dagen. 13En het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. 14En Hij vond in de tempel hen die runderen, schapen en duiven verkochten, en de wisselaars die [daar] zaten. 15En Hij maakte een zweep van touwen en dreef allen uit de tempel, ook de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars stortte Hij uit en de tafels keerde Hij om; 16en tot hen die de duiven verkochten zei Hij: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel. 17Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ’De ijver voor Uw huis zal Mij verteren’.

Nadat de Heer in Kana Zijn heerlijkheid heeft geopenbaard, daalt Hij af naar Kapernaüm. Hij neemt het initiatief, Hij gaat voorop, terwijl Zijn moeder, Zijn broers en Zijn discipelen met Hem meegaan. Jozef ontbreekt. De laatste keer dat hij wordt genoemd, is als de Heer Jezus twaalf jaar is (Lk 2:4848En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld; en Zijn moeder zei tot Hem: Kind, waarom heb Je ons dit aangedaan? Zie, Je vader en ik hebben Je met smart gezocht.). Ongetwijfeld is hij vóór het openbare optreden van de Heer gestorven. De broers van de Heer geloven op dit moment nog niet in Hem (Jh 7:55Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.). Later zijn ze tot geloof gekomen (Hd 1:1414Deze allen volhardden eendrachtig in het gebed, met [enige] vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers.).

De Heer gaat op naar Jeruzalem naar aanleiding van het Pascha. Dit is het eerste Pascha dat tijdens Zijn leven op aarde wordt genoemd (Jh 6:44En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij.; 11:5555Het Pascha van de Joden nu was nabij, en velen uit het land gingen op naar Jeruzalem vóór het Pascha, om zich te reinigen.). Het is veelzeggend dat Johannes spreekt over “het Pascha van de Joden”. Dit betekent dat Gods Geest het hier niet ziet als een “Pascha voor de HEERE”, zoals het oorspronkelijk is bedoeld (Ex 12:1111En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.; Lv 23:55In de eerste maand, op de veertiende [dag] van de maand, tegen het vallen van de avond, is het Pascha voor de HEERE.). De Joden hebben er een eigen feest van gemaakt (vgl. Jh 5:11Daarna was er een feest van de Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.; 7:22Nu was het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, nabij.). Met Gods rechtvaardige en heilige eisen en Zijn bedoeling met dit feest houden ze geen enkele rekening. Het ware Pascha, Christus (1Ko 5:77Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.), is aanwezig en zij verwerpen Hem. Hoe kunnen ze dan een feest vieren dat God welgevallig is?

Ter gelegenheid van het feest zijn veel Joden vanuit het hele land naar Jeruzalem gekomen. Zij die van ver zijn gekomen, hebben geen offerdieren meegenomen. God heeft het zo geregeld dat zulke Israëlieten geld kunnen meenemen en in Jeruzalem offerdieren kunnen kopen (Dt 14:24-2624Als de weg voor u te lang is, zodat u dat [alles] niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft,25het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen.26[Daar] moet u dat geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel [maar] wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin.). Om een dergelijke situatie gaat het niet als de Heer in de tempel de verkopers van offerdieren en de geldwisselaars aantreft. De mensen die daar zitten om te verkopen, zijn mensen die uit zijn op het maken van zoveel mogelijk winst. Ze rekenen niet met God, ze denken alleen aan zichzelf. Dat roept verontwaardiging bij de Heer op die Hem ertoe brengt de tempel schoon te vegen met een eigenhandig van touwen gemaakte zweep.

Deze tempelreiniging vindt plaats voordat de Heer aan Zijn openbare optreden begint. In de andere evangeliën vindt nog een tempelreiniging plaats en wel aan het einde van Zijn leven op aarde (Mt 21:1212En Jezus ging de tempel binnen en dreef allen uit die verkochten en kochten in de tempel, en de tafels van de wisselaars keerde Hij om, en de stoelen van hen die de duiven verkochten.; Mk 11:1515En zij kwamen in Jeruzalem; en toen Hij de tempel was ingegaan, begon Hij hen die verkochten en kochten in de tempel, uit te drijven, en de tafels van de wisselaars en de stoelen van hen die de duiven verkochten, keerde Hij om;; Lk 19:4545En Hij ging de tempel binnen en begon hen die [daar] verkochten uit te drijven). Dat Johannes al aan het begin van Zijn optreden een tempelreiniging vermeldt, is er een bewijs van dat hij begint waar de andere evangelisten eindigen. De andere evangeliën werken naar de verwerping van de Heer door het volk toe en andersom ook naar de verwerping van Israël door de Heer. In dit evangelie is Christus vanaf het begin verworpen en is ook het volk door Hem verworpen (Jh 1:1111Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.).

We zien in dit optreden van de Heer een voorafschaduwing van Jahweh – dat is de Heer Jezus – Die plotseling tot Zijn tempel komt om te oordelen (Ml 3:11Zie, Ik zend Mijn engel,
die voor Mij de weg bereiden zal.
Plotseling zal naar Zijn tempel komen
die Heere Die u aan het zoeken bent,
de Engel van het verbond,
in Wie u uw vreugde vindt.
Zie, Hij komt,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Aan het brengen van zegen en vreugde op grond van reiniging door bekering, zoals we in de vorige geschiedenis zien, gaat een reinigen in oordeel vooraf. Dat zien we in de reiniging van de tempel. In dit centrum van het godsdienstige leven wordt duidelijk hoe noodzakelijk reiniging is.

Hetzelfde vinden we bijvoorbeeld in de roomse relikwieën. Ze kunnen worden gekocht door ‘de gelovigen’. Ook in het protestantisme is die handel er. Men werkt steeds meer met kaarsen en afbeeldingen. Ook replica’s van spijkers waarmee de Heer Jezus zou zijn gekruisigd, zijn een gewild artikel. Het rooms-katholicisme is behalve een godsdienstige macht ook een economische macht. De Heer Jezus zal over beide machten het oordeel brengen (Op 17:1616En de tien horens die u hebt gezien en het beest, dezen zullen de hoer haten en haar eenzaam en naakt maken, en haar vlees eten en haar met vuur verbranden.; 18:1-31Hierna zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen, die grote macht had; en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.2En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.3Want van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij hebben alle naties gedronken en de koningen van de aarde hebben met haar gehoereerd en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de macht van haar weelde.).

De Heer noemt de tempel nog wel “het huis van Mijn Vader”. Niet dat God er nog woont. Zijn heerlijkheid heeft immers de tempel verlaten (Ez 10:1818Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.; 11:2323Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.) en ook de ark staat er niet in. Deze tempel is gebouwd door Herodes, zonder opdracht van God. Toch is, op het moment dat de Zoon van God de tempel betreedt en zolang Hij daar is, Gods heerlijkheid er aanwezig en is de tempel het huis van Zijn Vader.

Hij gebiedt allen die van het huis van Zijn Vader een huis van koophandel hebben gemaakt, hun spullen op te pakken en weg te brengen. Hij handelt als de Heer met Goddelijke rechten. Door Zijn optreden worden de discipelen herinnerd aan een citaat uit Psalm 69 (Ps 69:1010Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd;
al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.
)
. Van Hem Die Zich openlijk identificeert met de belangen van Zijn Vader en Diens huis, is gesproken door de Geest van de profetie. Dat komt de discipelen in gedachten. Hoe goed is het om Gods Woord te kennen, zodat de Geest ons in bepaalde omstandigheden daaraan kan herinneren tot onze bemoediging.


Vraag naar het teken van Zijn gezag

18De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Welk teken toont U ons, dat U deze dingen doet? 19Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten. 20De Joden zeiden dan: In zesenveertig jaar is dit tempelhuis gebouwd, en U zult het in drie dagen oprichten? 21Maar Hij sprak over het tempelhuis van Zijn lichaam. 22Toen Hij dan uit [de] doden was opgewekt, herinnerden Zijn discipelen zich dat Hij dit gezegd had; en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had.

De Joden reageren heel anders dan de discipelen aan wie de Geest het Woord indachtig kan maken. Dat kan Hij bij de Joden niet omdat zij de Zoon verwerpen. Zij vragen Hem hun een teken te laten zien als een bewijs dat Hij gezag heeft voor dit handelen. Joden zijn altijd uit op tekenen (1Ko 1:22-2322Immers, Joden begeren tekenen en Grieken zoeken wijsheid,23maar wij prediken Christus, [de] Gekruisigde, voor Joden een aanleiding tot vallen en voor volken een dwaasheid,). In de evangeliën vragen ze er steeds naar (Mt 12:39-4039Hij antwoordde echter en zei tot hen: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken worden gegeven dan het teken van de profeet Jona.40Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.; 16:44Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken worden gegeven dan het teken van Jona. En Hij verliet hen en ging weg.). Maar wie blind is voor het grootste teken, dat is Hijzelf, kan door geen enkel ander teken worden overtuigd.

Toch geeft Hij een teken. Het teken waarop Hij hen wijst, heeft te maken met Zijn lichaam. Hij geeft de Joden aan dat zij Zijn lichaam zullen afbreken, het zullen doden. Dat is echter niet Zijn einde. De Heer zegt dat Hij na drie dagen weer zal opstaan. Hij spreekt hier over de kracht die Hij bezit om Zelf uit de doden op te staan (Jh 10:1717Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem.).

De Joden begrijpen niet waarover Hij spreekt. Ze menen dat Hij over de tempel van Herodes spreekt, waarover zesenveertig jaar is gedaan om die te bouwen. Ze kunnen dat als ongelovigen ook niet begrijpen (1Ko 2:1414Maar [de] natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest <van God> is, want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoordeeld wordt.).

Johannes verklaart ons als zijn lezers dat de Heer Jezus over Zijn lichaam als tempel sprak (vgl. 1Ko 6:1919Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?). Ook de discipelen hebben de volle betekenis van Zijn woorden pas na Zijn opstanding begrepen. Dan geven ze ook krachtig getuigenis van Zijn opstanding (Hd 2:24-3224Hem heeft God opgewekt door de weeën van de dood te ontbinden, aangezien het niet mogelijk was dat Hij door deze werd vastgehouden.25Want David zegt van Hem: ‘Ik zag de Heer altijd voor Mij, want Hij is aan Mijn rechterhand, opdat Ik niet wankel.26Daarom heeft Mijn hart zich verblijd en Mijn tong zich verheugd, ja, ook Mijn vlees zal rusten in hoop,27want U zult Mijn ziel niet aan [de] hades overlaten en Uw Heilige geen ontbinding te zien geven.28U hebt Mij [de] wegen van [het] leven bekendgemaakt; U zult Mij met blijdschap vervullen bij Uw aangezicht’.29Mannen broeders, het is geoorloofd met vrijmoedigheid tot u te spreken over de aartsvader David, dat hij én gestorven én begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.30Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,31heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.32Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.). Zijn opstanding bewijst dat Hij Gods Zoon is in kracht (Rm 1:44Die verklaard is als Gods Zoon in kracht naar [de] Geest van de heiligheid, door dodenopstanding), Jezus Christus onze Heer –).


Jezus weet Zelf wat in de mens is

23En toen Hij in Jeruzalem was op het Pascha, op het feest, geloofden velen in Zijn Naam, toen zij de tekenen zagen die Hij deed. 24Maar Jezus Zelf vertrouwde Zich aan hen niet toe, omdat Hij allen kende, 25en omdat Hij niet nodig had dat iemand van de mens getuigde, want Hij wist Zelf wat in de mens was.

Hier komen we bij een nieuw deel van het evangelie, waarin het gaat om de mens en de toestand waarin hij verkeert. In het eerste deel van dit hoofdstuk (verzen 1-121En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galiléa; en de moeder van Jezus was daar.2Jezus nu was ook op de bruiloft genodigd, alsook Zijn discipelen.3En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.4<En> Jezus zei tot haar: Wat heb Ik met u te doen, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen.5Zijn moeder zei tot de dienstknechten: Wat Hij u ook zegt, doet dat.6Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet, volgens het reinigingsgebruik van de Joden, elk met een inhoud van twee of drie metréten.7Jezus zei tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.8En Hij zei tot hen: Schept nu en brengt het naar de ceremoniemeester; en zij brachten het.9Toen nu de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet vanwaar die was, maar de dienstknechten die het water geschept hadden, wisten het), riep de ceremoniemeester de bruidegom en zei tot hem:10Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men veel gedronken heeft, de mindere; u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. –11Dit deed Jezus als begin van Zijn tekenen in Kana in Galiléa en openbaarde Zijn heerlijkheid; en Zijn discipelen geloofden in Hem.12Daarna daalde Hij af naar Kapernaüm, Hij, Zijn moeder, Zijn broers en Zijn discipelen, en zij bleven daar niet vele dagen.) is in de verandering van water in wijn de vreugde van het koninkrijk voorgesteld. In het tweede deel van het hoofdstuk (verzen 13-1713En het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem.14En Hij vond in de tempel hen die runderen, schapen en duiven verkochten, en de wisselaars die [daar] zaten.15En Hij maakte een zweep van touwen en dreef allen uit de tempel, ook de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars stortte Hij uit en de tafels keerde Hij om;16en tot hen die de duiven verkochten zei Hij: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.17Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ’De ijver voor Uw huis zal Mij verteren’.) is in de reiniging van de tempel de kracht van het koninkrijk voorgesteld, waarna in de verzen 18-2218De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Welk teken toont U ons, dat U deze dingen doet?19Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten.20De Joden zeiden dan: In zesenveertig jaar is dit tempelhuis gebouwd, en U zult het in drie dagen oprichten?21Maar Hij sprak over het tempelhuis van Zijn lichaam.22Toen Hij dan uit [de] doden was opgewekt, herinnerden Zijn discipelen zich dat Hij dit gezegd had; en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had. het recht van de Heer op het koninkrijk is vastgesteld.

Nu moet nog worden vastgesteld wie met Hem het koninkrijk kunnen ingaan. De Joden nemen als vaststaand aan dat zij het koninkrijk zullen binnengaan. Maar de Heer Zelf vertrouwt Zich aan hen niet toe. Daarom volgt in Johannes 3 wat nodig is om in te kunnen gaan.

De Heer Jezus, Jahweh en Messias, is tijdens het Pascha in de door God uitverkoren stad. Het Pascha is het feest dat het meest Gods barmhartigheid tegenover Zijn volk toont. De vele lammeren die op die dag worden geslacht, hadden de Joden eraan moeten herinneren dat God een rechtvaardige Rechter is Die de zondaar moet oordelen, tenzij hij schuilt achter het bloed van het Paaslam. Nu staat het Lam van God voor hen, maar ze erkennen Hem niet. Wel zien ze dat Hij veel tekenen doet. Dat brengt velen ertoe in Zijn Naam te geloven.

Wat de uiterlijke omstandigheden betreft, lijkt alles ervoor klaar te zijn dat Christus door Zijn volk aangenomen zal worden. Er zijn immers velen die in Zijn Naam geloven. Het geloof is hier echter niet de innerlijke overtuiging van de waarheid van God die tot onderwerping aan God brengt. Het geloof van deze mensen is hun beoordeling over wat hun voldoening geeft, over wat zij als aangenaam ervaren. Hun geloof is gebaseerd op wat ze zien. Ze concluderen dat de Heer Jezus de Messias is, maar ze onderwerpen zich niet aan God en nemen Zijn getuigenis niet aan. De mens zit op de troon en oordeelt. Hun oordeel vloeit voort uit hun genegenheden.

Wat ons een gelukkig gevoel geeft, geloven we gemakkelijk. Maar we verzetten ons tegen en we verwerpen wat ons tot niets maakt en ons veroordeelt. Zolang Jezus kan worden gezien als de verbeteraar van de mensheid en de omstandigheden waarin de mens leeft, is er het snelste en warmste welkom. Hij is dan een aanvulling op een gemis in en van de mens. Die mens heeft veel goeds, maar mist nog net iets voor het optimale geluk. Als Jezus daarin wil voorzien, kan de mens zichzelf handhaven en zelfs schitteren. Maar hoe zal hij ontvangen wat hem tot niets maakt, wat hem geestelijk veroordeelt, wat hem de ernstige waarschuwing voorhoudt van het eeuwig oordeel en de poel van vuur? Dat haat hij en daarbij de Persoon om Wie het bij God gaat.

Christus vertrouwt Zich alleen toe aan wie verbroken is (Ps 51:1919De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
)
en zich voor God in het stof buigt onder belijdenis van zonden. Dan is er sprake van bekering die door de genade van God is gewerkt. Het is ontnuchterend te lezen dat de Heer Zich niet toevertrouwt aan mensen die toch in Hem geloven. De oorzaak is dat we te maken hebben met Iemand Die wel vlees geworden is, maar Die tevens de alwetende God en de Rechter van levenden en doden is. Hij kent allen volmaakt. Niemand kan Hem iets voorspiegelen. Hij laat Zich niet door uiterlijke dingen leiden.

Hij weet wat hun geloof waard is en dat er geen sprake is van enig gevoel van zonde voor God of het inzien van de noodzaak van berouw en bekering. Niemand hoeft Hem iets te vertellen over de toestand waarin de mens is. Hij weet volmaakt wat er in de mens aanwezig is, wat de mens drijft. De oorzaak dat Hij Zich niet aan hen toevertrouwt, ligt in de onverbeterlijke boosheid van de mens en dat de mens dat niet inziet. De Zoon van God stelt in dit evangelie vanaf het begin de onverbeterlijke verdorvenheid van de mens vast, want God is niet in zijn gedachten, maar het eigen ik staat centraal.


Lees verder