Job
Inleiding 1-7 De zwaarte van zijn lijden 8-13 Het verlangen door God gedood te worden 14-23 De nutteloosheid van zijn vrienden 24-30 Job daagt uit hem te toetsen
Inleiding

Job gaat in zijn antwoorden steeds in op de laatste spreker, maar het is duidelijk dat hij iets gemeenschappelijks herkent in de houding van ieder van hen. Hij antwoordt de vrienden dan ook steeds gezamenlijk – hij spreekt over “jullie” – en niet ieder individueel.

De overeenkomst tussen het eerste antwoord van Job hier en zijn klacht in Job 3 is opmerkelijk. Wel is hij in zijn antwoord aan Elifaz beheerster. Ook gaat hij op meer dingen in. Maar de last is dezelfde en ook hier spreekt hij zijn verlangen naar de dood uit. Er is geen spoortje hoop.

Dit eerste antwoord, dat Job 6-7 omvat, valt in twee delen uiteen. In Job 6 richt hij zich tot zijn vrienden, waarbij hij eerst een algemene klacht uit (verzen 1-131Maar Job antwoordde en zei:
2Och, werd mijn verdriet maar eens nauwkeurig gewogen,
en legden ze [al] mijn ellende maar bij elkaar in een weegschaal!
3Want het is nu zwaarder dan het zand van de zeeën;
daarom zijn mijn woorden ondoordacht.
4Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,
mijn geest drinkt het vergif ervan;
de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.
5Balkt de wilde ezel bij het malse gras?
Loeit het rund bij zijn voer?
6Wordt het smakeloze gegeten zonder zout?
Zit er smaak aan het wit van een ei?
7Mijn ziel weigert [dat] aan te raken;
het is als ziekmakend voedsel voor mij.8Och, werd mijn begeerte maar vervuld,
en gaf God mij maar [waarop] ik hoop!
9Was God maar zo goed dat Hij mij verbrijzelde,
dat Hij Zijn hand losmaakte en een einde aan mij maakte!
10Dat zou nog een troost voor mij zijn,
ik zou opspringen in [mijn] droefheid [als] Hij [mij] niet spaarde;
want ik heb de woorden van de Heilige niet verloochend.
11Wat is mijn kracht, dat ik [nog] zou kunnen hopen?
Of wat is het doel waarvoor ik mijn leven zou willen verlengen?
12Is mijn kracht soms de kracht van stenen?
Is mijn vlees soms van brons?
13Of is er in mij geen hulp [meer] voor mezelf,
en is de wijsheid uit mij verdreven?
)
, zonder zich nog direct tot de drie vrienden te richten. In Job 7 spreekt hij tot God. Het antwoord is als volgt onder te verdelen:

1. De zwaarte en werkelijkheid van zijn lijden (Jb 6:1-71Maar Job antwoordde en zei:
2Och, werd mijn verdriet maar eens nauwkeurig gewogen,
en legden ze [al] mijn ellende maar bij elkaar in een weegschaal!
3Want het is nu zwaarder dan het zand van de zeeën;
daarom zijn mijn woorden ondoordacht.
4Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,
mijn geest drinkt het vergif ervan;
de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.
5Balkt de wilde ezel bij het malse gras?
Loeit het rund bij zijn voer?
6Wordt het smakeloze gegeten zonder zout?
Zit er smaak aan het wit van een ei?
7Mijn ziel weigert [dat] aan te raken;
het is als ziekmakend voedsel voor mij.
)
.
2. Het verlangen om door God gedood te worden (Jb 6:8-138Och, werd mijn begeerte maar vervuld,
en gaf God mij maar [waarop] ik hoop!
9Was God maar zo goed dat Hij mij verbrijzelde,
dat Hij Zijn hand losmaakte en een einde aan mij maakte!
10Dat zou nog een troost voor mij zijn,
ik zou opspringen in [mijn] droefheid [als] Hij [mij] niet spaarde;
want ik heb de woorden van de Heilige niet verloochend.
11Wat is mijn kracht, dat ik [nog] zou kunnen hopen?
Of wat is het doel waarvoor ik mijn leven zou willen verlengen?
12Is mijn kracht soms de kracht van stenen?
Is mijn vlees soms van brons?
13Of is er in mij geen hulp [meer] voor mezelf,
en is de wijsheid uit mij verdreven?
)
.
3. De nutteloosheid van zijn vrienden (Jb 6:14-2314Wie wanhopig is, [mag] van zijn vriend goedertierenheid [verwachten];
of hij zou de vreze van de Almachtige verlaten.
15Mijn broeders hebben trouweloos gehandeld, als een beek;
zij gaan voorbij als stromende beken,
16die donker zijn van het ijs,
waarin de sneeuw zich verbergt.
17Op het moment dat zij [weer] stromen, verdwijnen zij;
als het warm wordt, drogen zij op van hun plaats.
18De paden van hun loop gaan alle kanten op,
zij gaan de woestenij in en vergaan.
19De karavanen van Tema kijken ernaar uit,
de reizigers van Sjeba wachten erop.
20Zij worden beschaamd in hun vertrouwen;
als zij erbij komen, worden zij teleurgesteld.
21Voorzeker, [zo] zijn jullie nu [voor mij] geworden: niets!
Jullie hebben de ontzetting gezien en jullie zijn bevreesd geworden.
22Heb ik soms gezegd: Geef mij [iets],
of: Geef een geschenk voor mij van jullie vermogen?
23of: Bevrijd mij uit de hand van de tegenstander,
en verlos mij uit de hand van de geweldplegers?
)
.
4. Hij daagt de vrienden uit om hem te toetsen (Jb 6:24-3024Onderwijs mij, dan zal ík zwijgen,
doe mij begrijpen waarin ik gedwaald heb.
25Wat zijn oprechte woorden krachtig!
Maar wat betekent het straffen [dat] bij jullie vandaan [komt]?
26Willen jullie woorden bedenken om te straffen?
Zijn de woorden van een wanhopige dan wind?
27Jullie zouden zelfs over een wees [het lot] werpen,
jullie zouden jullie vriend verkopen.
28Maar nu, wees zo goed om jullie tot mij te wenden;
zou ik midden in jullie gezicht liegen?
29Kom toch tot inkeer, laat er geen onrecht zijn,
ja, kom tot inkeer; mijn gerechtigheid is er nog.
30Is er onrecht op mijn tong?
Zou mijn gehemelte grote ellende niet onderscheiden?
)
.
5. De kortstondigheid van het leven (Jb 7:1-111Heeft de sterveling niet een strijd [te voeren] op aarde,
en zijn zijn dagen niet als de dagen van een dagloner?
2Zoals een slaaf snakt hij naar schaduw,
zoals een dagloner ziet hij uit naar zijn loon.
3Zo heb ik maanden van doelloosheid geërfd,
en zijn nachten van moeite mij toebedeeld.
4Als ik mij te slapen leg, zeg ik:
Wanneer zal ik opstaan?
[Tot wanneer] heeft [God] de avond afgemeten?
Ik ben verzadigd van onrust tot aan de schemering.
5Mijn vlees is bekleed met maden en heeft een korst van stof,
mijn huid is gekloofd en veretterd.
6Mijn dagen zijn sneller gegaan dan een weversspoel,
ze zijn vergaan zonder hoop.
7Bedenk dat mijn leven een ademtocht is;
mijn oog zal niet opnieuw het goede zien.
8Het oog van degene die mij [nu] ziet, zal mij niet [meer] waarnemen.
Uw ogen zullen op mij zijn, maar ik zal er niet [meer] zijn.
9Een wolk vergaat en verdwijnt;
zo komt degene die in het graf neerdaalt, er niet [weer] uit omhoog.
10Hij keert niet meer terug naar zijn huis,
en zijn [woon]plaats kent hem niet meer.11Ik echter zal mijn mond niet houden.
Ik zal spreken in de benauwdheid van mijn geest.
Ik zal klagen in de bitterheid van mijn ziel.
)
.
6. God is zijn vijand (Jb 7:12-1912Ben ik soms een zee, of een zeemonster,
dat U een wacht om mij heen zet?
13Als ik zeg: Mijn rustbank zal mij troost bieden,
mijn slaapplaats zal [wat] van mijn klacht wegnemen,
14dan ontstelt U mij door dromen,
en door visioenen jaagt U mij angst aan.
15Mijn ziel verkiest de verstikking,
[en] heeft de dood liever dan het leven.
16Ik versmaad het, ik zal niet voor eeuwig leven.
Laat mij met rust, want mijn dagen zijn een zucht.
17Wat is de sterveling dat U hem groot maakt,
en dat U Uw hart op hem richt?
18Dat U hem elke morgen opzoekt,
dat U hem elk ogenblik beproeft?
19Hoelang [duurt het voordat] Uw blik zich van mij afwendt,
voordat U mij de rust gunt om mijn speeksel door te slikken?
)
.
7. Zijn beroep met het oog op de zonde (Jb 7:20-2120Heb ik gezondigd? Wat moet ik voor U doen,
Bewaker van de mens?
Waarom hebt U mij als doelwit voor U gezet,
zodat ik mezelf tot een last ben?
21Waarom vergeeft U mijn overtreding niet,
en doet U mijn ongerechtigheid niet weg?
Want nu zal ik in het stof liggen;
U zult mij ernstig zoeken, maar ik zal er niet [meer] zijn.
)
.


De zwaarte van zijn lijden

1Maar Job antwoordde en zei:
2Och, werd mijn verdriet maar eens nauwkeurig gewogen,
en legden ze [al] mijn ellende maar bij elkaar in een weegschaal!
3Want het is nu zwaarder dan het zand van de zeeën;
daarom zijn mijn woorden ondoordacht.
4Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,
mijn geest drinkt het vergif ervan;
de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.
5Balkt de wilde ezel bij het malse gras?
Loeit het rund bij zijn voer?
6Wordt het smakeloze gegeten zonder zout?
Zit er smaak aan het wit van een ei?
7Mijn ziel weigert [dat] aan te raken;
het is als ziekmakend voedsel voor mij.

Ondanks alle onrechtvaardige aantijgingen die achter Elifaz’ juiste woorden schuilgaan, heeft Job hem laten uitpraten en is hem niet in de rede gevallen. Als Elifaz aan het einde van zijn toespraak is gekomen, ervan verzekerd dat er niets tegenin is te brengen, blijkt dat Job verre van overtuigd is. De reactie van Job wordt ingeleid met de woorden “maar Job antwoordde” (vers 11Maar Job antwoordde en zei:
)
. Met deze woorden begint Jobs weerwoord op de toespraak van een van de vrienden elke keer. Job antwoordt, hoewel hij zich in zijn reactie hier niet direct tot Elifaz richt.

Elifaz heeft Job verweten dat hij bezwijkt onder zijn lijden (Jb 4:55Maar nu overkomt het jezelf, en je bezwijkt;
het treft je, en je wordt door schrik overmand.
)
Als reactie daarop vraagt Job of zijn verdriet toch eens nauwkeurig gewogen, dat wil zeggen serieus genomen, zou worden (vers 22Och, werd mijn verdriet maar eens nauwkeurig gewogen,
en legden ze [al] mijn ellende maar bij elkaar in een weegschaal!
)
. Elifaz zegt het zo gemakkelijk, maar hem is niet aangedaan wat Job is aangedaan. Er is een grote, niet in gewicht uit te drukken hoeveelheid ellende over hem gekomen. Hij is eronder bedolven. De ene na de andere ellende is over hem uitgestort. Het moest maar eens bij elkaar in een weegschaal worden gedaan. Het beeld is hier van een balans met twee schalen. Op een ervan worden de ellende en het lijden van Job opgestapeld. Job stelt het grote gezamenlijke gewicht ervan voor.

Al zijn opgehoopte ellende is zwaarder dan het zand van de zeeën (vers 33Want het is nu zwaarder dan het zand van de zeeën;
daarom zijn mijn woorden ondoordacht.
)
. Is het dan een wonder dat hij door de zwaarte van zijn lijden tot ondoordachte uitspraken is gekomen? Het klinkt als een verontschuldiging, want hij heeft geen onjuiste of onbezonnen uitspraken gedaan.

Maar is het niet zo, dat dit ieder kan gebeuren die zwaar lijden te verduren krijgt? We zullen begrip moeten leren krijgen voor dergelijke ondoordachte uitingen en daar niet onze kille beoordeling over geven. Tegelijk mogen wij denken aan een man die ook enorm geleden heeft, maar daarover spreekt als “de kortstondige lichtheid van onze verdrukking”. Hij kon dit doen omdat hij daar tegenover “een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid” zag (2Ko 4:1717Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid;). Paulus, want hij zegt dit, zag boven de omstandigheden de verheerlijkte Heer. Dit kent Job niet. Voor de Heer Jezus geldt het nog sterker dat Hij uitzag naar de vreugde die voor Hem lag (Hb 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.).

Er is iets wat voor Job nog zwaarder weegt dan het lichamelijke lijden en dat is het bewustzijn dat het de pijlen van God, “de Almachtige”, zijn die hem treffen (vers 44Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,
mijn geest drinkt het vergif ervan;
de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.
; vgl. Jb 16:12-1312Ik had rust, maar Hij heeft mij gebroken,
en mij bij de nek gegrepen en mij verpletterd;
Hij heeft mij neergezet als een doelwit voor Hem.
13Zijn schutters omringen mij;
Hij splijt mijn nieren en spaart [mij] niet,
Hij giet mijn gal op de aarde uit.
)
. Pijlen veroorzaken een hevige, brandende pijn. Hij voelt zich het mikpunt van de Almachtige, tegen Wie niemand opgewassen is. Dit is de eerste keer dat Job in zijn betoog God de schuld geeft van zijn lijden (Jb 7:11-2111Ik echter zal mijn mond niet houden.
Ik zal spreken in de benauwdheid van mijn geest.
Ik zal klagen in de bitterheid van mijn ziel.
12Ben ik soms een zee, of een zeemonster,
dat U een wacht om mij heen zet?
13Als ik zeg: Mijn rustbank zal mij troost bieden,
mijn slaapplaats zal [wat] van mijn klacht wegnemen,
14dan ontstelt U mij door dromen,
en door visioenen jaagt U mij angst aan.
15Mijn ziel verkiest de verstikking,
[en] heeft de dood liever dan het leven.
16Ik versmaad het, ik zal niet voor eeuwig leven.
Laat mij met rust, want mijn dagen zijn een zucht.
17Wat is de sterveling dat U hem groot maakt,
en dat U Uw hart op hem richt?
18Dat U hem elke morgen opzoekt,
dat U hem elk ogenblik beproeft?
19Hoelang [duurt het voordat] Uw blik zich van mij afwendt,
voordat U mij de rust gunt om mijn speeksel door te slikken?20Heb ik gezondigd? Wat moet ik voor U doen,
Bewaker van de mens?
Waarom hebt U mij als doelwit voor U gezet,
zodat ik mezelf tot een last ben?
21Waarom vergeeft U mijn overtreding niet,
en doet U mijn ongerechtigheid niet weg?
Want nu zal ik in het stof liggen;
U zult mij ernstig zoeken, maar ik zal er niet [meer] zijn.
; 9:16-3516Als ik roep en Hij antwoordt mij,
dan kan ik niet geloven dat Hij mijn stem ter ore neemt.
17Want Hij vermorzelt mij door een storm,
en maakt mijn wonden talrijk, zonder reden.
18Hij laat mij niet toe om op adem te komen,
maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
19Als het op kracht [aankomt], zie, Hij is sterk;
en als het op recht [aankomt], wie zal mij dagvaarden?
20Al ben ik rechtvaardig, mijn [eigen] mond zal mij veroordelen;
al ben ik oprecht, Hij zal mij toch schuldig verklaren.
21Ik ben oprecht, [maar] ik sla geen acht op mijn ziel;
ik veracht mijn leven.
22Het is een [en hetzelfde]; daarom zeg ik:
Hij brengt zowel de oprechte als de goddeloze om.
23Als plotseling de gesel doodt,
spot Hij met de wanhoop van de onschuldigen.
24De aarde is overgegeven in de hand van de goddeloze;
Hij bedekt het gezicht van haar rechters.
Als Híj het niet is, wie is het dan?25Mijn dagen zijn sneller voorbijgegaan dan een ijlbode;
zij zijn weggevlucht, zij hebben het goede niet gezien.
26Zij zijn voorbijgegaan als boten van riet,
zoals een arend op voedsel afvliegt.
27Als ik zeg: Ik zal mijn klacht vergeten,
ik zal een ander gezicht zetten en mij verkwikken,
28dan ben ik beducht voor al mijn leed;
ik weet dat U mij niet voor onschuldig zult houden.29Ik zal [toch] schuldig verklaard worden;
waarom zou ik mij tevergeefs afmatten?
30Als ik mij was met sneeuwwater,
en mijn handen zuiver met loog,
31dan dompelt U mij in de put,
en mijn kleren hebben een afschuw van mij.
32Want Hij is niet een man zoals ik, aan Wie ik antwoord zou kunnen geven,
als wij samen voor het gerecht komen.
33Er is geen scheidsrechter tussen ons,
[die] zijn hand op ons beiden kan leggen.
34Laat Hij Zijn roede bij mij weghalen,
laat Zijn bedreiging mij geen angst [meer] aanjagen.
35Dan zal ik spreken en niet bevreesd zijn voor Hem,
want zo is het niet bij mij.
; 13:15-2815Zie, [al] zou Hij mij doden, zou ik niet hopen?
Maar toch zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
16Ook zal Hij mij tot verlossing zijn;
maar een huichelaar zal niet voor Zijn aangezicht komen.
17Luister aandachtig naar mijn woorden,
en [laat] mijn uiteenzetting in jullie oren [komen].
18Zie toch, ik heb de rechtszaak uiteengezet;
ik weet dat ík rechtvaardig ben.
19Wie is hij die een rechtszaak met mij voert?
Als ik nu zweeg, zou ik de geest geven.20Alleen, doe twee dingen niet met mij,
dan zal ik mij niet voor Uw aangezicht verbergen.
21Doe Uw hand die op mij [drukt], ver weg,
en laat Uw bedreiging mij geen angst [meer] aanjagen.
22Roep dan, en ík zal antwoorden;
of ik zal spreken, en antwoord mij.
23Hoeveel ongerechtigheden en zonden heb ik?
Maak mij mijn overtreding en mijn zonde bekend.24Waarom verbergt U Uw aangezicht,
en houdt U mij voor Uw vijand?
25Wilt U een weggewaaid blad schrik aanjagen,
en wilt U droge stoppels achtervolgen?
26Want U schrijft bittere dingen tegen mij uit,
en U rekent mij de ongerechtigheden van mijn jeugd toe.
27U legt mijn voeten in het blok,
en let op al mijn paden;
U maakt een teken in mijn voetzolen.
28En [dat bij iemand die] veroudert als [iets] dat verrot,
als een kleed dat de motten opeten.
)
.

Er is geen andere mogelijkheid voor hem dan met zijn geest “het vergif ervan” te drinken. Zo ervaart hij wat God hem aandoet. God is zijn vijand Die de ellende die over hem is gekomen als een geordend leger tegen hem opstelt. Wat kan hij daartegen beginnen? God is zo machtig, zo bekwaam in het opstellen van Zijn verschrikkingen. Daartegen is geen verzet mogelijk.

Wij weten dat deze visie van Job op God niet juist is, maar Job kent dan ook niet wat wij mogen kennen en kunnen weten (Jk 1:22Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt,; 2Ko 4:16-1816Daarom worden wij niet moedeloos; maar al raakt ook onze uiterlijke mens in verval, toch wordt onze innerlijke van dag tot dag vernieuwd.17Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid;18daar wij ons oog niet richten op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.). Hij kent God niet als zijn liefhebbende Vader. Maar ondanks dat wij dit weten, vergeten we het ook wel eens. Als onze omstandigheden ons blikveld vullen, komen we er niet bovenuit. Alleen als we ons oog kunnen richten op de verheerlijkte Christus en het liefhebbende Vaderhart, is het mogelijk te roemen in de verdrukking (Rm 5:33En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding werkt,).

In beeldrijke taal wijst Job op wat enkele dieren laten horen als zij eten, of beter wat zij niet laten horen als zij eten. Een dier – een “wilde ezel”, of een “rund” – dat lekker voedsel krijgt, is tevreden, je hoort het niet (vers 55Balkt de wilde ezel bij het malse gras?
Loeit het rund bij zijn voer?
)
. Job krijgt echter op de eettafel van zijn leven rampen opgediend en dat in een zeer gevarieerde samenstelling. Hoe zou hij daarvan tevreden kunnen ‘eten’ en rustig kunnen zijn! Walgelijke spijs eet je immers niet zonder gemopper. Job kan zijn lijden en ook de woorden van de vrienden niet zien als aangenaam voedsel. Als het wel smakelijk voedsel was, zou hij niet klagen.

Maar wat hij voorgeschoteld krijgt, is een buitengewoon smakeloos menu (vers 66Wordt het smakeloze gegeten zonder zout?
Zit er smaak aan het wit van een ei?
)
. “Het wit van een ei” kan ook worden vertaald met ‘een walgelijk smakend slijm van een bepaalde plant’. Het is op geen enkele manier aantrekkelijk. Er ontbreken ingrediënten aan die het smakelijk en eetbaar zouden maken. Hij weigert dat menu dan ook aan te raken, laat staan dat hij het zou eten (vers 77Mijn ziel weigert [dat] aan te raken;
het is als ziekmakend voedsel voor mij.
)
. Alleen al de aanblik ervan maakt hem ziek. Job weigert gewoon zo’n leven te leven.

Job spreekt hier niet de taal van het geloof, dat wil zeggen van het geloofsvertrouwen, zoals we dat bijvoorbeeld bij Paulus zien. Paulus had een welbehagen in wat hem aan smaadheden en lijden voor Christus overkwam (2Ko 12:1010Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen en benauwdheden voor Christus; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk.). Job heeft licht nodig en moet leren God te vertrouwen, ook daar waar hij Hem niet kan begrijpen. Ook voor ons, in elk geval voor de meesten van ons, geldt dat wij dat moeten leren.


Het verlangen door God gedood te worden

8Och, werd mijn begeerte maar vervuld,
en gaf God mij maar [waarop] ik hoop!
9Was God maar zo goed dat Hij mij verbrijzelde,
dat Hij Zijn hand losmaakte en een einde aan mij maakte!
10Dat zou nog een troost voor mij zijn,
ik zou opspringen in [mijn] droefheid [als] Hij [mij] niet spaarde;
want ik heb de woorden van de Heilige niet verloochend.
11Wat is mijn kracht, dat ik [nog] zou kunnen hopen?
Of wat is het doel waarvoor ik mijn leven zou willen verlengen?
12Is mijn kracht soms de kracht van stenen?
Is mijn vlees soms van brons?
13Of is er in mij geen hulp [meer] voor mezelf,
en is de wijsheid uit mij verdreven?

Job heeft maar één ding aan God te vragen. Hij heeft slechts één begeerte waarvan hij graag wil dat God die vervult en slechts één hoop waarvan hij graag wil dat God die geeft (vers 88Och, werd mijn begeerte maar vervuld,
en gaf God mij maar [waarop] ik hoop!
)
. Het is niet zijn begeerte en hoop dat God hem alles teruggeeft wat hij is kwijtgeraakt, maar dat God hem uit het leven wegneemt. Voor hem heeft het leven geen zin meer. God kan Zijn goedheid aan hem laten zien door hem niet verder te laten leven, maar hem te verbrijzelen (vers 99Was God maar zo goed dat Hij mij verbrijzelde,
dat Hij Zijn hand losmaakte en een einde aan mij maakte!
)
. Als God hem maar eens losliet door Zijn hand van hem af te trekken, dan zou dat voor hem het einde van zijn leven betekenen. Die handelwijze van God zou hij bijzonder kunnen waarderen. We zien door alles heen dat zelfdoding voor deze Godvrezende man nooit een optie is geweest.

Wat zou hij zich getroost voelen (vers 1010Dat zou nog een troost voor mij zijn,
ik zou opspringen in [mijn] droefheid [als] Hij [mij] niet spaarde;
want ik heb de woorden van de Heilige niet verloochend.
)
. Ja, als God hem niet spaarde, maar zijn leven wegnam, zou dat hem in al zijn verdriet zoveel kracht geven, dat hij zou opspringen van vreugde. Hij heeft ook geen enkele angst voor de dood, want hij heeft “de woorden van de Heilige niet verloochend”. Job heeft woorden van God gehoord. Hij leefde immers in gemeenschap met Hem. Hij heeft ook geleefd naar wat God hem heeft meegedeeld. Hij heeft steeds rekening gehouden met wat Hij heeft gezegd en is zich niet bewust van een overtreding van een van Zijn geboden. Toch ondergaat hij dit lot. Zo rechtvaardigt hij zichzelf, terwijl hij in bedekte termen Gods gerechtigheid ter discussie stelt.

Job zegt niets te veel als hij zegt dat hij de woorden van God niet heeft verloochend. Maar het lijkt erop dat hij het als een prestatie van zichzelf ziet en niet als iets wat hij door genade kan zeggen. Paulus zegt ook dat hij zich van niets bewust is, maar hij beroemt zich daar niet op. Hij zegt erbij dat hij daardoor niet gerechtvaardigd is (1Ko 4:44Want ik ben van mij niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij Die mij beoordeelt, is [de] Heer.).

Job bespeurt dat God zijn begeerte om te sterven niet vervult. Dat maakt hem krachteloos, en wel zo krachteloos, dat hij geen hoop, geen uitzicht meer heeft (vers 1111Wat is mijn kracht, dat ik [nog] zou kunnen hopen?
Of wat is het doel waarvoor ik mijn leven zou willen verlengen?
)
. Indirect is dit een antwoord op de vermaning van Elifaz die tegen hem heeft gezegd vooral toch maar hoop te houden (Jb 5:1616Zo is er hoop voor de arme,
en onrecht sluit zijn mond.
)
. Maar het leven heeft voor hem totaal geen zin meer. Hij heeft in zijn leven geen doel meer dat hem nog enig perspectief biedt om ernaar uit te zien toch nog wat langer te blijven leven.

God geeft Job niet waar deze zozeer naar verlangt, omdat Hij andere gedachten over het leven van Job heeft. We zien dat ook bij Elia, die ook eens de wens heeft geuit om te mogen sterven (1Kn 19:44Hijzelf liep echter een dagreis de woestijn in, ging onder een bremstruik zitten en bad om te mogen sterven. Hij zei: Het is genoeg. Neem nu mijn leven, HEERE, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.). God heeft de wens van Elia niet vervuld omdat Hij andere, hogere gedachten over diens levenseinde had (2Kn 2:1,111Het gebeurde nu, toen de HEERE Elia in een storm zou opnemen in de hemel, dat Elia met Elisa uit Gilgal wegging.11Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.). Zo heeft God ook andere, hogere gedachten over het levenseinde van Job.

Als God andere gedachten heeft, zijn dat altijd betere en zegenrijke gedachten. Ook wij kunnen God wel danken dat Hij ons niet altijd geeft of heeft gegeven wat wij graag willen of wilden. Dat doen we als we zien dat Gods liefde groter is en verder ziet dan de kortzichtigheid waarmee wij de dingen bezien die ons overkomen.

Job kan niet begrijpen dat God hem zo’n zware last te dragen geeft. Hij heeft toch niet “de kracht van stenen” (vers 1212Is mijn kracht soms de kracht van stenen?
Is mijn vlees soms van brons?
)
? Zijn geest is gebroken. En zijn vlees is toch niet “van brons”? Dat is wel aan zijn etterende wonden te zien. Hij is maar een gewoon mens van vlees en bloed. Alleen God kan de kracht geven om deze ellende te dragen. Hij ziet God echter niet als een Helper in zijn leed, maar als de Veroorzaker ervan. Wij, christenen, mogen weten dat God ons wil sterken met kracht naar de innerlijke mens. Daar mogen we in navolging van Paulus voor bidden, voor onszelf en voor elkaar (Ef 3:1616opdat Hij naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid u geeft door Zijn Geest met kracht gesterkt te worden naar de innerlijke mens,).

Job ziet geen hulp meer in zichzelf (vers 1313Of is er in mij geen hulp [meer] voor mezelf,
en is de wijsheid uit mij verdreven?
)
. De innerlijke, geestelijke kracht die hij eens had, heeft hem verlaten. Ook de wijsheid die hij eens bezat, is verdwenen. Bij God kan hij niet terecht, want Die is tegen hem, zo ervaart hij dat althans. Dan wordt hij op zichzelf teruggeworpen. Maar ook in zichzelf is niets waaraan hij enig houvast heeft, iets waardoor hij moed zou kunnen vatten om verder te leven. Dan blijven zijn vrienden over. Die stellen hem echter ook zwaar teleur, zoals we in de volgende verzen horen.


De nutteloosheid van zijn vrienden

14Wie wanhopig is, [mag] van zijn vriend goedertierenheid [verwachten];
of hij zou de vreze van de Almachtige verlaten.
15Mijn broeders hebben trouweloos gehandeld, als een beek;
zij gaan voorbij als stromende beken,
16die donker zijn van het ijs,
waarin de sneeuw zich verbergt.
17Op het moment dat zij [weer] stromen, verdwijnen zij;
als het warm wordt, drogen zij op van hun plaats.
18De paden van hun loop gaan alle kanten op,
zij gaan de woestenij in en vergaan.
19De karavanen van Tema kijken ernaar uit,
de reizigers van Sjeba wachten erop.
20Zij worden beschaamd in hun vertrouwen;
als zij erbij komen, worden zij teleurgesteld.
21Voorzeker, [zo] zijn jullie nu [voor mij] geworden: niets!
Jullie hebben de ontzetting gezien en jullie zijn bevreesd geworden.
22Heb ik soms gezegd: Geef mij [iets],
of: Geef een geschenk voor mij van jullie vermogen?
23of: Bevrijd mij uit de hand van de tegenstander,
en verlos mij uit de hand van de geweldplegers?

Job is in nood en heeft alle moed verloren. Dit is een situatie waarin hij de hulp van zijn vrienden hard nodig heeft. Medelijden is een verplichting ten opzichte van ieder die in nood is. Hij houdt het zijn vrienden voor dat hij wanhopig is en daarom goedertierenheid (chased, trouw, loyaliteit) van hen verwacht (vers 1414Wie wanhopig is, [mag] van zijn vriend goedertierenheid [verwachten];
of hij zou de vreze van de Almachtige verlaten.
)
Als ze dat niet doen, verlaten ze daarmee “de vreze van de Almachtige”. Wie een broeder in nood niet helpt, veracht hem in feite en zondigt (vgl. Sp 14:21a21Wie zijn naaste veracht, zondigt,
maar welzalig is hij die zich over ellendigen ontfermt.
)
. Er is geen broederliefde in hem, maar ook geen eerbied voor God, de Almachtige. Je kunt zelfs niet eens spreken over een relatie met God (vgl. 1Jh 3:1717Wie nu aardse goederen heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde van God in hem?).

In vers 1414Wie wanhopig is, [mag] van zijn vriend goedertierenheid [verwachten];
of hij zou de vreze van de Almachtige verlaten.
spreekt Job over een “vriend” en in vers 1515Mijn broeders hebben trouweloos gehandeld, als een beek;
zij gaan voorbij als stromende beken,
over “mijn broeders” (vgl. 2Sm 1:2626Ik ben benauwd om jou, mijn broeder Jonathan!
Je was mij zeer lief;
je liefde was mij wonderlijker dan de liefde van vrouwen.
)
. In Spreuken 17 worden deze twee namen ook met elkaar verbonden: “Een vriend heeft te allen tijde lief, en een broeder wordt in benauwdheid geboren” (Sp 17:1717Een vriend heeft te allen tijde lief,
en een broeder wordt in benauwdheid geboren.
)
. Helaas is dit niet van toepassing op de vrienden van Job. Job bevindt zich in een tijd in zijn leven dat hij meer dan ooit hartelijke vriendschap kan gebruiken. Met een vriend bestaat een vertrouwensband. Je kunt met een vriend de diepste gevoelens van je hart delen, omdat hij je zal begrijpen of je in elk geval geen verwijten zal maken over de dingen die je met hem deelt.

Job is in grote benauwdheid, maar de vrienden tonen geen teken van warme verwantschap met Job die kenmerkend is voor broederliefde. Ze hebben wel de moeite gedaan om hem te bezoeken (Jb 2:1111Toen de drie vrienden van Job van al dit onheil, dat hem overkomen was, hoorden, kwamen zij, elk uit zijn [woon]plaats: Elifaz, de Temaniet, Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet. Zij spraken met elkaar af om [naar hem toe] te gaan om hem hun medeleven te betuigen en hem te troosten.) en ze hebben een week lang gezwegen, onder de indruk van het grote lijden van Job. En toch toont Elifaz in zijn betoog weinig begrip voor het lijden van Job. Integendeel, de drie vrienden overladen Job met hevige verwijten. Dat komt omdat ze zijn lijden toeschrijven aan zonden die hij begaan moet hebben. Ze staan niet naast hem, maar tegenover hem. Ze laten hem op alle manieren in de kou staan en voegen hem nog meer kilte toe door hun koelbloedige beoordeling van zijn situatie en hun gevoelloze veronderstellingen over door hem bedreven zonden.

De Heer Jezus heeft Zich de ware Vriend van Zijn discipelen getoond. Zijn liefde was er altijd. Hij heeft hen liefgehad tot het einde (Jh 13:11Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.). Hij heeft Zijn grote liefde voor Zijn vrienden bewezen door Zijn leven voor hen af te leggen (Jh 15:1313Niemand heeft groter liefde dan deze, dat iemand zijn leven voor zijn vrienden aflegt.). Hij heeft hen vrienden genoemd, omdat Hij hun alles wat Hij van de Vader heeft gehoord, bekendgemaakt heeft (Jh 15:1515Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, bekendgemaakt heb.).

Hij noemt Zijn discipelen ook Zijn broeders (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.). We noemen Hem niet ‘Broeder’ – zo wordt Hij nergens in de Schrift genoemd –, maar Hij is wel de ware Broeder Die “in alles aan Zijn broeders gelijk geworden is” om hen te kunnen helpen in hun nood (Hb 2:1717Daarom moest Hij in alles aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en trouw Hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om voor de zonden van het volk verzoening te doen.). Hij heeft niet gedaan als de vrienden van Job, maar heeft deelgenomen aan de benauwdheid van de Zijnen (Js 63:99In al hun benauwdheid
was Hij benauwd;
de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost.
Door Zijn liefde en door Zijn genade
heeft Híj hen bevrijd;
Hij hief hen op en droeg hen
al de dagen van weleer.
)
.

Job spreekt in het meervoud (“broeders), hoewel alleen Elifaz nog maar aan het woord is geweest en hij antwoordt op wat deze heeft gezegd. Dat Job de vrienden gezamenlijk aanspreekt, zal zijn omdat wat Elifaz heeft gezegd zeker ook uit naam van de andere vrienden is gebeurd (Jb 5:2727Zie dit, wij hebben het onderzocht, zo is het;
en jij, luister ernaar en weet het voor jezelf.
)
. Misschien hebben ze bij de woorden van hun vriend instemmend zitten knikken of instemmende geluiden laten horen.

Job is zwaar teleurgesteld in zijn vrienden. Hij heeft van hen enige verkwikking verwacht, zoals een vermoeide en dorstige reiziger dat verwacht van wadi’s in de woestijn, namelijk stromende beken van regenwater of van gesmolten sneeuwwater (vers 1616die donker zijn van het ijs,
waarin de sneeuw zich verbergt.
)
. Maar als hij er uitgeput bij neervalt om die verkwikking te nemen, blijken ze uitgedroogd te zijn (vers 1717Op het moment dat zij [weer] stromen, verdwijnen zij;
als het warm wordt, drogen zij op van hun plaats.
)
. Ze hebben een andere loop genomen en zijn alle kanten uitgegaan en daar door de hitte van de zon vergaan zonder dat er iets overblijft voor de dorstige (vers 1818De paden van hun loop gaan alle kanten op,
zij gaan de woestenij in en vergaan.
)
. Deze teleurstellende ervaring hebben de karavanen van Tema en de reizigers van Sjeba opgedaan (verzen 19-2019De karavanen van Tema kijken ernaar uit,
de reizigers van Sjeba wachten erop.
20Zij worden beschaamd in hun vertrouwen;
als zij erbij komen, worden zij teleurgesteld.
)
. Hoopvol zijn ze naar de beken gegaan, maar hoe beschaamd is hun vertrouwen geworden. Hoe teleurstellend is hun constatering als ze bij de beek komen, dat er geen water is.

De vergelijking met wat hij van zijn vrienden, zijn broeders, heeft verwacht, is duidelijk. Hun vriendschap in de dagen van zijn voorspoed leek heel wat te beloven, maar nu hij in de hitte van de beproeving zit, laten ze hem in de steek. Hij valt naar zijn vrienden uit en zegt dat zij voor hem zijn geworden als de opgedroogde beken voor de reizigers (vers 2121Voorzeker, [zo] zijn jullie nu [voor mij] geworden: niets!
Jullie hebben de ontzetting gezien en jullie zijn bevreesd geworden.
)
. Hij laat er geen misverstand over bestaan hoe hij hen ziet: “Voorzeker, [zo] zijn jullie nu [voor mij] geworden: niets!” Hij houdt hun voor dat ze zijn ontzetting zien, maar dat ze daar geen raad mee weten.

We kunnen hier zeker wel van leren dat we zelfs onze beste vriend niet tussen onszelf en God moeten plaatsen. We mogen weten dat de Heer Jezus als de Hogepriester hulp op de juiste tijd geeft (Hb 4:1616Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.). Toch is het wel gemakkelijk praten als je zelf niet in nood zit. De Heer heeft toch ook anderen om ons heen gegeven juist ook voor de tijd dat we het alleen niet redden? Is een beroep op de hulp van een ander altijd verkeerd? Nee, dat is het niet. Wat ons wel teleurstelling zal geven, is dat wij verwachten dat de ander helpt op een manier waarop alleen God kan helpen. Ook is het niet goed om hulp van andere te eisen, die hulp te claimen.

Job heeft geen hulp geëist. Hij heeft niet tegen hen gezegd dat ze hem iets, wat dan ook, moeten geven om zijn verlies, al is het maar enigszins, te compenseren (vers 2222Heb ik soms gezegd: Geef mij [iets],
of: Geef een geschenk voor mij van jullie vermogen?
)
. Hij doet geen aanspraak op een geschenk van hun vermogen. Hij heeft ook niet hun hulp gevraagd om uit de hand van de tegenstander en de geweldpleger te ontkomen (vers 2323of: Bevrijd mij uit de hand van de tegenstander,
en verlos mij uit de hand van de geweldplegers?
)
. Hier lijkt hij op God te doelen. Het enige wat hij verwacht heeft, is medelijden en dat is niet gekomen. Dit is inderdaad heel teleurstellend. Beschaming van terechte verwachtingen veroorzaakt veel pijn.


Job daagt uit hem te toetsen

24Onderwijs mij, dan zal ík zwijgen,
doe mij begrijpen waarin ik gedwaald heb.
25Wat zijn oprechte woorden krachtig!
Maar wat betekent het straffen [dat] bij jullie vandaan [komt]?
26Willen jullie woorden bedenken om te straffen?
Zijn de woorden van een wanhopige dan wind?
27Jullie zouden zelfs over een wees [het lot] werpen,
jullie zouden jullie vriend verkopen.
28Maar nu, wees zo goed om jullie tot mij te wenden;
zou ik midden in jullie gezicht liegen?
29Kom toch tot inkeer, laat er geen onrecht zijn,
ja, kom tot inkeer; mijn gerechtigheid is er nog.
30Is er onrecht op mijn tong?
Zou mijn gehemelte grote ellende niet onderscheiden?

Als ze hem maar eens konden overtuigen van een zonde die hij zou hebben gedaan (vers 2424Onderwijs mij, dan zal ík zwijgen,
doe mij begrijpen waarin ik gedwaald heb.
)
! Het enige wat hij van hen wil weten, is of hij in enig opzicht een misstap heeft begaan en daardoor, zoals zij beweren, zich dit onheil op de hals heeft gehaald. Jobs pleidooi is dat hij een vrij geweten heeft en zich daarom verdedigt tegen de valse beschuldigingen van de vrienden.

Hij vraagt hun hem te laten begrijpen waarin hij gedwaald heeft, want daarvan beschuldigen zij hem. Job stelt zich hier open, transparant en kwetsbaar op. In nieuwtestamentische taal staat Job open voor een voetwassing van de zijde van de drie vrienden. Elifaz – en bij monde van hem ook de twee andere vrienden – heeft een aantal beschuldigingen geuit, echter zonder ook maar iets te bewijzen. Laat ze hun best maar doen om hun beschuldigingen hard te maken.

Echte vriendschap blijkt ook uit het aanwijzen van de zonde, waardoor die kan worden beleden en de weg weer vrij is voor de omgang met God en met elkaar. Vaag op de zonde zinspelen is een list van de duivel waarmee hij veel onvrede sticht. We mogen niemand van zonde beschuldigen, tenzij we een duidelijk bewijs van schuld kunnen overleggen.

Met enig sarcasme zegt Job dat de vrienden “oprechte woorden” spreken, die hij ook nog eens “krachtig” noemt (vers 2525Wat zijn oprechte woorden krachtig!
Maar wat betekent het straffen [dat] bij jullie vandaan [komt]?
)
. Dat ze sarcastisch bedoeld zijn, blijkt uit de volgende regel. Daar zegt hij dat hun bestraffende woorden helemaal niets betekenen. Ze bedenken maar wat, zonder werkelijk te beseffen wat ze zeggen (vers 2626Willen jullie woorden bedenken om te straffen?
Zijn de woorden van een wanhopige dan wind?
)
. Hun woorden hebben geen inhoud en geen basis, terwijl ze zelf vinden dat ze krachtig zijn. Daartegenover achten ze de woorden van de geplaagde Job als wind, als vluchtig, inhoudsloos, terwijl die vanuit grote wanhoop gesproken zijn. Ze hebben niet echt naar Jobs smartelijke woorden geluisterd, zijn zielenleed genegeerd, zijn hartenkreet niet serieus genomen.

Paulus schrijft dat hij ook wanhopig is geweest, dat hij en anderen met hem “aan het leven wanhoopten” (2Ko 1:88Want wij willen niet, broeders, dat u onbekend bent met onze verdrukking die [ons] in Asia is overkomen, dat wij uitermate bezwaard zijn geworden boven vermogen, zodat wij zelfs aan het leven wanhoopten.). Het waren wel andere omstandigheden die dat met zich meebrachten dan die waarin Job zich bevindt. Het grote verschil tussen Job en Paulus is echter dat Job zowel aan het leven als aan God wanhoopt, terwijl dat bij Paulus niet zo was. Paulus wanhoopte niet aan God, maar vertrouwde op Hem “Die de doden opwekt, Die ons uit een zo grote dood heeft verlost en zal verlossen” (2Ko 1:1010Die ons uit een zo grote dood heeft verlost en zal verlossen; op Hem hebben wij onze hoop gevestigd dat Hij ons ook verder zal verlossen;).

Opnieuw valt Job tegen zijn vrienden uit. Hij maakt hen nu uit voor de meest onbarmhartige mensen die hij kan bedenken. Hij ziet hen ertoe in staat een weerloze wees te verdobbelen om eraan te verdienen (vers 2727Jullie zouden zelfs over een wees [het lot] werpen,
jullie zouden jullie vriend verkopen.
)
. Ook zouden ze er volgens hem de hand niet voor omdraaien hun vriend te verkopen. Job is zo teleurgesteld in hen, dat hij hen van dingen beschuldigt die niet waar zijn. Maar voor zijn gevoel is het zo. Hij loopt helemaal stuk op hun onbarmhartigheid en gemis aan medegevoel. Zijn uitval is niet goed te praten, maar wel te begrijpen door wat de vrienden tegen hem zeggen.

Dan komt hij weer enigszins tot zichzelf en vraagt hun of ze toch zijn kant op willen komen, dat wil zeggen of ze toch begrip voor hem kunnen opbrengen (vers 2828Maar nu, wees zo goed om jullie tot mij te wenden;
zou ik midden in jullie gezicht liegen?
)
. Hij houdt hen toch niet in hun gezicht voor de gek? Hij is werkelijk ten einde raad en hij kan de aanleiding daartoe niet bedenken. Hij roept hen op tot inkeer te komen, waarmee hij bedoelt dat zij hun mening over hem en de oorzaak van zijn leed zullen herzien (vers 2929Kom toch tot inkeer, laat er geen onrecht zijn,
ja, kom tot inkeer; mijn gerechtigheid is er nog.
)
. Met hun kijk op hem en de oorzaak van zijn leed begaan ze onrecht. Hij staat echt in zijn recht. Zijn “gerechtigheid is er nog”. Laat ze dus tot inkeer komen.

Job betoogt dat niet hij zich heeft vergist, maar dat zij zich hebben vergist. Op zijn tong is geen onrecht (vers 3030Is er onrecht op mijn tong?
Zou mijn gehemelte grote ellende niet onderscheiden?
)
. Hij heeft geen enkel leugenachtig woord gesproken. Hij stelt het zelfs zo voor, dat hij een fijnproever is, dat hij het echt wel zou weten als hij door eigen schuld in deze “grote ellende” was terechtgekomen. Job benadrukt dat hij eerlijk en oprecht is. Hij beweert dat hij nog steeds rechtvaardig en integer is, dat hij volkomen toerekeningsvatbaar is voor het beoordelen van zijn eigen situatie en dat zijn geweten volkomen rein is en niet belast is door een of andere niet beleden zonde.

Job beroemt zich hier er ten onrechte op dat hij onberispelijk is in zijn woorden. Hij vergeet dat hij niet volmaakt is. Er is er slecht Eén Die kon zeggen: “Wie van u overtuigt Mij van zonde?” (Jh 8:46a46Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik [de] waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet?).


Lees verder