Job
1-5 Ervaring van Gods wegen 6-11 Vermaning voor Job om God te zoeken 12-16 Gods triomf over het kwade 17-27 Het gebruik van kastijding
Ervaring van Gods wegen

1Roep maar – zal er iemand zijn die je antwoordt?
En tot wie van de heiligen wil je je wenden?
2Want de toorn brengt de dwaas om,
en de na-ijver doodt de onnozele.
3Ik heb zelf een dwaas wortel zien schieten,
maar meteen vervloekte ik zijn woning.
4Zijn zonen zijn ver bij de redding vandaan;
zij worden verbrijzeld in de poort, en er is niemand die redt.
5De hongerige eet zijn oogst op,
die hij zelfs tussen de dorens vandaan haalt;
een valstrik slokt hun vermogen op.

Elifaz is zeker van zijn kijk op ‘de zaak Job’. Hij daagt Job uit om iemand als getuige op te roepen die zijn (Jobs) gelijk aantoont (vers 11Roep maar – zal er iemand zijn die je antwoordt?
En tot wie van de heiligen wil je je wenden?
)
. In Job 3 heeft Job een klacht tegen God geuit. Elifaz wil in dit hoofdstuk deze klacht weerleggen. De roep is hier geen roep om hulp, maar een roep om recht. Is er iemand “van de heiligen” tot wie Job zich kan wenden die een soortgelijk lijden als hij te verduren heeft gekregen? Maar, zo klinkt in Elifaz’ uitdaging door, zo’n heilige is er niet, want zo doet God niet met Godvrezende mensen (vgl. Ps 9:11b11Wie Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen,
omdat U, HEERE, niet hebt verlaten wie U zoeken.
; 37:2525Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden,/nun/
maar ik heb de rechtvaardige nooit verlaten gezien,
of zijn nageslacht op zoek naar brood.
)
. Dus moet Job dit lijden aan zichzelf te wijten hebben. Al dat roepen van Job in Job 3 is zinloos geweest. Ook klinkt door dat alle heiligen hierover dezelfde mening hebben als Elifaz en dat Job dus alleen staat in zijn visie op zijn lijden.

De toorn van Job (vers 22Want de toorn brengt de dwaas om,
en de na-ijver doodt de onnozele.
)
tegen de wetmatigheid van God – dat wie zonde zaait, straf maait – is in de ogen van Elifaz meer dan zinloos, het is schadelijk. Elifaz stelt het als volgt: de dwaas en onnozele – dat is Job, want hij is het niet eens met de logica van Elifaz – wordt geprikkeld, toornig, na-ijverig. Hij verzet zich tegen het oordeel, maar deze reactie zal hem uiteindelijk ombrengen en doden.

Ja, dit alles is geen verzinsel van Elifaz, dit heeft hij zelf met eigen ogen gezien (vers 33Ik heb zelf een dwaas wortel zien schieten,
maar meteen vervloekte ik zijn woning.
)
. Hij heeft wel eens een dwaas wortel zien schieten, dat wil zeggen dat zo iemand voorspoed had. Opnieuw redeneert Elifaz vanuit zijn eigen rijke ervaring, wat hij heeft gezien en gehoord (Jb 4:8,128[Maar] zoals ik gezien heb: zij die onrecht ploegen
en moeite zaaien, oogsten dat [ook].
12Verder, er is in het geheim een woord tot mij gebracht;
mijn oor heeft er een fluistering van opgevangen.
)
, maar niet vanuit wat God hem heeft laten zien en horen, want daarvoor staat hij niet open. De vervloeking die hij meteen na zijn waarneming over de woning van de dwaas uitspreekt, spreekt hij uit omdat hij veronderstelt dat de voorspoed van een dwaas door bedrog is verkregen. Het is weer zo’n bedekte toespeling op de voorspoed van Job waaraan hij op oneerlijke wijze moet zijn gekomen gezien de ellende waarin hij nu verkeert.

Naar aanleiding van zijn waarnemingen zinspeelt Elifaz in vers 44Zijn zonen zijn ver bij de redding vandaan;
zij worden verbrijzeld in de poort, en er is niemand die redt.
bedekt op wat Jobs kinderen is overkomen. De dwaas dient God niet en daarom zullen ook zijn kinderen lijden. Zij zijn door de dwaasheid van hun vader, die geen rekening houdt met God, ver van de redding verwijderd. Redding uit een situatie van nood is alleen bij God te vinden. Maar wat moet je als je met Hem geen rekening houdt? Ook “in de poort”, de plaats waar recht wordt gesproken, is er niemand die hen redt, niemand die voor hen opkomt. In plaats van uitredding is er voor hen verbrijzeling.

Elifaz had nauwelijks iets kunnen uitspreken wat gevoellozer is dan deze zinspeling op de kinderen van Job. Hij zit tegenover een man die zijn hele bezit, zijn gezondheid en bovendien al zijn kinderen heeft verloren en hij weet niets beters te zeggen dan dat de kinderen van een dwaas door het ongeluk zijn verbrijzeld. Laten we ervoor op onze hoede zijn dat we niet zulke ongekend ongenuanceerde, ongevoelige zinspelingen doen tegen iemand die in de diepste ellende zit.

Vervolgens spreekt Elifaz over het bezit van de dwaas (vers 55De hongerige eet zijn oogst op,
die hij zelfs tussen de dorens vandaan haalt;
een valstrik slokt hun vermogen op.
)
. Ook van zijn bezit zal de dwaas niet kunnen genieten, want ook dat wordt hem ontnomen. Hongerige mensen komen om hem te plunderen en om op te eten wat hij voor zichzelf en zijn gezin heeft bedoeld. Zelfs als er iets eetbaars tussen de dorens opgekomen is, is dat niet voor de dwaas, maar voor de hongerige. De dwaas wordt aan zichzelf overgelaten, zonder kinderen en zonder bezit en voedsel.

Het betoog van Elifaz is wel erg doorzichtig. Zonder dat hij de naam van Job noemt, is voor de toehoorder duidelijk dat hij met de dwaas hier Job bedoelt.


Vermaning voor Job om God te zoeken

6Want verdriet komt niet uit het stof voort,
en moeite komt niet op uit de aardbodem.
7Maar de mens wordt voor de moeite geboren,
zoals vonken uit het vuur omhoogvliegen.
8Maar ik zou zelf God zoeken,
en mijn woord tot God richten.
9Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden;
wonderen, die niet te tellen zijn.
10Hij geeft regen op de aarde,
en zendt water op de velden,
11om de nederigen op een hoogte te plaatsen,
om de treurenden in een veilige vesting van heil te zetten.

Elifaz komt terug op zijn thema van het algemene beginsel van zaaien en oogsten (vers 66Want verdriet komt niet uit het stof voort,
en moeite komt niet op uit de aardbodem.
; Jb 4:88[Maar] zoals ik gezien heb: zij die onrecht ploegen
en moeite zaaien, oogsten dat [ook].
)
. Wat boven de grond tevoorschijn komt, is het resultaat van wat gezaaid is. Verdriet en moeite zijn geen op zichzelf staande gebeurtenissen. Het is geen toeval als een mens daardoor getroffen wordt. Zodra een mens geboren is, is moeite zijn deel. Zijn moeiten komen niet uit het niets. Volgens de theologie van Elifaz mag Job dus zijn lijden niet toeschrijven aan toeval of pech of iets dergelijks. Job moet zoeken naar een negatieve oorzaak van zijn negatieve ervaring. Er moet dus aan Jobs lijden zonde ten grondslag liggen.

Elifaz ziet echter ook dat lijden een onderdeel is van ons aardse bestaan. “De mens wordt voor de moeite geboren” (vers 77Maar de mens wordt voor de moeite geboren,
zoals vonken uit het vuur omhoogvliegen.
)
. Deze constatering is juist. Als geboren onder de zonde kan niets anders dan moeite zijn deel zijn. We zondigen omdat we zondaren zijn en we moeten de gevolgen daarvan dragen (Gn 3:17-1917En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten,
is de aardbodem omwille van u vervloekt;
met zwoegen zult u daarvan eten,
al de dagen van uw leven;
18dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
19In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
. Die gevolgen zijn verre van prettig. Maar wij mogen weten dat de Heer Jezus heeft gezegd: “Komt tot Mij allen die vermoeid en belast bent en Ik zal u rust geven” (Mt 11:2828Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.). Ook mogen wij de vermaning ter harte nemen dat de Heer tuchtigt wie Hij liefheeft (Hb 12:5-115en u hebt de vermaning vergeten die tot u als tot zonen spreekt: ‘Mijn zoon, acht [de] tuchtiging van [de] Heer niet gering en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt;6want wie [de] Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.7U verdraagt het tot tuchtiging; God behandelt u als zonen; want welke zoon is er die een vader niet tuchtigt?8Maar als u zonder tuchtiging bent waaraan allen deel hebben, dan bent u bastaarden en geen zonen.9Bovendien, wij hadden de vaders van ons vlees om [ons] te tuchtigen en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij <dan> niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven?10Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.11Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.; Op 3:1919Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.).

Het advies van Elifaz aan Job is om God te zoeken en Hem zijn situatie voor te leggen (vers 88Maar ik zou zelf God zoeken,
en mijn woord tot God richten.
)
. Het is goed mensen erop te wijzen dat ze hun zaken aan God moeten voorleggen in het vertrouwen dat Hij het beste weet wat goed is (Ps 62:99Vertrouw op Hem te allen tijde, volk;
stort uw hart uit voor Zijn aangezicht.
God is voor ons een toevlucht. /Sela/
; 1Pt 5:77terwijl u al uw bezorgdheid op Hem werpt, want Hij zorgt voor u.)
. Maar in dit geval, waarin Job ervan wordt beschuldigd dat hij zijn lijden te wijten heeft aan verborgen zonden, roept zo’n advies alleen maar weerstand op. Dat heeft er ook mee te maken dat Elifaz zegt wat hij zelf zou doen als hij Job was. Als hij Job was, zou hij van niemand bijstand verwachten (vers 11Roep maar – zal er iemand zijn die je antwoordt?
En tot wie van de heiligen wil je je wenden?
)
en zijn woorden rechtstreeks tot God richten en Hem zeker niet aanklagen.

Maar Elifaz is niet Job en hij bevindt zich al helemaal niet in de omstandigheden waarin Job verkeert. Wat weet hij van het enorme verlies en het diepe verdriet van Job en diens grote vragen naar het waarom? Het is altijd gevaarlijk om te zeggen wat je zou doen als je in de ander zijn schoenen stond, omdat je toch niet weet hoe je zelf zou reageren als je echt overkwam wat de ander is overkomen.

Om zijn betoog kracht bij te zetten beschrijft Elifaz de grootheid van God door de woorden van vers 99Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden;
wonderen, die niet te tellen zijn.
. God doet grote dingen, die niemand kan doorgronden”. Daarom is er een eeuwigheid nodig om daar steeds meer van te gaan zien en Hem daar steeds meer om te gaan bewonderen. Elifaz zegt dit om Job te laten zien dat hij God toch niet kan narekenen in Zijn handelingen en dat hij maar het beste zijn juiste plaats tegenover Hem, de Almachtige en Ondoorgrondelijke, kan innemen door zijn schuld te erkennen en zijn opstand tegen Hem te belijden.

Als Elifaz zelf zou geloven in de ware woorden die hij over God zegt, zou hij hebben gezwegen en zelf God hebben gezocht. God is “de God Die wonderen doet” (Ps 77:1515U bent de God Die wonderen doet,
U hebt Uw macht bekendgemaakt onder de volken.
)
. Elifaz plaatst de grootheid van God voor Job, opdat Job maar zal inzien hoe groot God is en hoe klein hij zelf is. Maar Elifaz heeft er geen oog voor dat God bezig is om ook in het leven van Job wonderen te bewerken. Hij is blind voor de wonderen van God in Zijn regering, wonderen waarover wij ons alleen kunnen verbazen. Elifaz zegt als het ware tegen Job dat hij, Job, Gods handelen met hem niet begrijpt, maar dat hij, Elifaz, Gods handelen met Job wel begrijpt.

In de verzen 10-1110Hij geeft regen op de aarde,
en zendt water op de velden,
11om de nederigen op een hoogte te plaatsen,
om de treurenden in een veilige vesting van heil te zetten.
noemt Elifaz enkele van die ondoorgrondelijke dingen en wonderen waaruit Gods heerschappij en macht blijken. Hij wijst op de regen die God geeft (vers 1010Hij geeft regen op de aarde,
en zendt water op de velden,
)
. God zendt regen en water tot zegen. We bezien regen vaak als iets heel gewoons, maar als we goed bekijken hoe het ontstaat en wat het uitwerkt, zien we dat het een groot werk is van de macht en goedheid van God (Mt 5:4545opdat u zonen wordt van uw Vader Die in [de] hemelen is; want Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.; Hd 14:1717hoewel Hij Zich niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.). Het is een werk in de natuur ten gunste van de aarde en de velden.

Zo werkt God ook in de mensenwereld. Hij is begaan met de nederigen en de treurenden (vers 1111om de nederigen op een hoogte te plaatsen,
om de treurenden in een veilige vesting van heil te zetten.
)
. De nederigen geeft Hij een hoge plaats (Lk 1:52b52Hij heeft machtigen van tronen gestoten en nederigen verhoogd;). Voor de treurenden heeft Hij ook een speciale plaats. Hij zet hen “in een veilige vesting van heil”. Als Job zich zo tegenover God opstelt, zal hij beleven wat Elifaz hem vertelt.


Gods triomf over het kwade

12Hij verijdelt de plannen van de sluwen,
zodat hun handen niets wezenlijks kunnen uitrichten.
13Hij vangt de wijzen in hun [eigen] sluwheid,
zodat de raad van hen die slinks zijn, mislukt.
14Overdag ontmoeten zij duisternis,
op de middag tasten zij rond zoals in de nacht.
15Maar de arme verlost Hij van het zwaard [dat] uit hun mond [gaat],
en van de hand van de sterke.
16Zo is er hoop voor de arme,
en onrecht sluit zijn mond.

De waarheid van de verzen 12-1312Hij verijdelt de plannen van de sluwen,
zodat hun handen niets wezenlijks kunnen uitrichten.
13Hij vangt de wijzen in hun [eigen] sluwheid,
zodat de raad van hen die slinks zijn, mislukt.
wordt extra onderstreept door Paulus. Hij haalt deze verzen namelijk aan in de eerste brief aan Korinthe (1Ko 3:1919Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God. Want er staat geschreven: ‘Die de wijzen vangt in hun sluwheid’;). De apostel wil daarmee de Korinthiërs hun vleselijke vertrouwen op menselijke wijsheid ontnemen. Wat Elifaz zegt, is zeker waar, hoewel God zeker niet altijd alle plannen van alle sluwe mensen verijdelt. Maar het is in elk geval verkeerd om deze waarheid op Job en zijn omstandigheden toe te passen. Job had geen sluwe plannen; die kunnen dus ook niet door God verijdeld zijn (vers 1212Hij verijdelt de plannen van de sluwen,
zodat hun handen niets wezenlijks kunnen uitrichten.
; vgl. Ne 4:1515Daarna gebeurde het, toen onze vijanden hoorden dat [hun plan] ons bekend was geworden en God hun plan verijdeld had, dat wij allen terugkeerden naar de muur, ieder naar zijn werk.; Es 7:3-103Toen antwoordde koningin Esther en zei: Als ik genade in uw ogen heb gevonden, koning, en als het de koning goeddunkt, dat men mij dan op mijn vraag mijn leven zal geven, en op mijn verzoek [het leven] van mijn volk.4Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, om te worden weggevaagd, gedood en omgebracht. Zouden wij als slaven en als slavinnen verkocht zijn, [dan] zou ik hebben gezwegen, hoewel [ook dan] de tegenstander de schade voor de koning zeker niet zou kunnen vergoeden.5Toen sprak koning Ahasveros en zei tegen koningin Esther: Wie is hij en waar is hij die zijn hart vervuld heeft om zo te handelen?6Esther zei: De man, de tegenstander en vijand, is deze slechte Haman. Toen werd Haman door angst overvallen in de tegenwoordigheid van de koning en de koningin.7Woedend stond de koning op van het drinken van de wijn en [ging] naar de tuin van het paleis. Haman bleef staan om bij koningin Esther voor zijn leven te smeken, want hij zag dat bij de koning het onheil over hem ten volle besloten was.8Toen de koning uit de tuin van het paleis terugkwam in de zaal waar men de wijn gedronken had, was Haman neergevallen op het rustbed waarop Esther [lag]. En de koning zei: [Zou hij] ook [nog] de koningin in huis aanranden in mijn bijzijn? [Toen] dit woord uit de mond van de koning was gekomen, bedekte men het gezicht van Haman.9En Charbona, een van de hovelingen die in dienst [stond] van de koning, zei: Zie, ook de galg die Haman heeft gemaakt voor Mordechai, die goed voor de koning gesproken heeft, staat bij het huis van Haman, vijftig el hoog. Toen zei de koning: Hang hem daaraan.10Toen hingen zij Haman aan de galg die hij voor Mordechai had laten oprichten. Toen bedaarde de woede van de koning.)
. God vangt inderdaad de wijzen in hun eigen sluwheid, maar Job is geen slinkse man van wie God de raad heeft laten mislukken (vers 1313Hij vangt de wijzen in hun [eigen] sluwheid,
zodat de raad van hen die slinks zijn, mislukt.
)
.

Niet het verstand van Elifaz met zijn menselijke conclusies weet de waarheid juist te gebruiken, maar een hart dat de waarheid liefheeft en in gemeenschap met God leeft. Dat laatste ontbreekt bij Elifaz. Job bevindt zich weliswaar op klaarlichte dag in de duisternis (vers 1414Overdag ontmoeten zij duisternis,
op de middag tasten zij rond zoals in de nacht.
)
, maar niet vanwege redenen die Elifaz veronderstelt. Job tast rond in de nacht en ziet geen pad voor zijn voet, maar dat is niet omdat hij God vaarwel heeft gezegd.

In tegenstelling tot de sluwen – het woord “maar” geeft aan dat er een tegenstelling met het voorgaande volgt – helpt God de armen. Als Job maar de plaats van een arme zou innemen, zou God hem wel verlossen van hen die hem met hun woorden pijn doen met hun valse beschuldigingen en die macht over hem uitoefenen (vers 1515Maar de arme verlost Hij van het zwaard [dat] uit hun mond [gaat],
en van de hand van de sterke.
)
. Elifaz is zich ook hier er niet van bewust dat hij zelf zo iemand is. Wie Gods kant kiest, zo gaat Elifaz verder, heeft hoop, want aan Hem behoort de overwinning over het kwaad (vers 1616Zo is er hoop voor de arme,
en onrecht sluit zijn mond.
)
. Wat Elifaz hier niet vermoedt, is dat Job dit inderdaad ook zal ervaren als hij zich aan het eind van het boek tot God wendt.


Het gebruik van kastijding

17Zie, welzalig is de sterveling die door God gestraft wordt;
verwerp daarom de bestraffing van de Almachtige niet.
18Want Hij doet smart aan én Hij verbindt;
Hij verwondt én Zijn handen genezen.
19In zes benauwdheden zal Hij je redden,
en in zeven zal het kwaad je niet treffen.
20In de honger verlost Hij je van de dood,
en in de oorlog van het geweld van het zwaard.
21Voor de gesel van de tong zul je verborgen zijn,
en je zult niet bevreesd zijn voor de verwoesting, als die komt.
22Om de verwoesting en om de honger zul je lachen,
en voor de wilde dieren van de aarde zul je niet bevreesd zijn.
23Want je hebt een verbond met de stenen van het veld,
en je hebt vrede met de wilde dieren van de aarde.
24Je zult ondervinden dat je tent in vrede is;
je zult zorgen voor je woning, en [daarin] niet falen.
25Je zult ondervinden dat je nageslacht talrijk is,
en je nakomelingschap als het gewas van de aarde.
26Je zult in hoge ouderdom in het graf komen,
zoals een korenhoop op zijn tijd binnengehaald wordt.
27Zie dit, wij hebben het onderzocht, zo is het;
en jij, luister ernaar en weet het voor jezelf.

In het slotgedeelte van deze eerste toespraak van Elifaz ontvangen we weer in schitterende taal prachtig onderwijs over God en Zijn handelen met de mens. Alleen wordt het door Elifaz op de verkeerde manier toegepast, omdat hij het op de verkeerde persoon toepast.

Elifaz spreekt over God Die de sterveling – met wie hij Job bedoelt – straft en bestraft. Toch noemt hij die sterveling “welzalig” (vers 1717Zie, welzalig is de sterveling die door God gestraft wordt;
verwerp daarom de bestraffing van de Almachtige niet.
; Ps 94:1212Welzalig de man die U bestraft, HEERE,
en die U onderwijst uit Uw wet.
)
. Hij bedoelt hier te zeggen dat tuchtiging of bestraffing zulke belangrijke voordelen heeft, dat we ons daaraan zouden moeten onderwerpen zonder daarover te klagen. Wat Elifaz ontgaat, is dat als God iemand tuchtigt, dat niet per se gebeurt als een uiting van Zijn ongenoegen over zo iemand. Tuchtiging wijst op het bestaan van een relatie. God wil door tuchtiging die relatie verbeteren (Hb 12:5-6,105en u hebt de vermaning vergeten die tot u als tot zonen spreekt: ‘Mijn zoon, acht [de] tuchtiging van [de] Heer niet gering en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt;6want wie [de] Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.10Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.; Sp 3:11-1211Mijn zoon, verwerp de vermaning van de HEERE niet
en heb geen afkeer van Zijn bestraffing.
12Want de HEERE straft wie Hij liefheeft,
zoals een vader [doet] met de zoon die hij goedgezind is.
)
.

Elifaz ziet de bestraffing door God als het bewijs dat er iets zondigs in het leven van Job is. Hij roept Job op naar die bestraffing te luisteren en die niet te verwerpen, maar er gehoor aan te geven. Job moet weten dat de smart en verwondingen die zijn deel zijn, hem door de Almachtige zijn aangedaan (vers 1818Want Hij doet smart aan én Hij verbindt;
Hij verwondt én Zijn handen genezen.
)
. Ze komen van Hem. Maar Job mag ook weten dat diezelfde Almachtige in staat is te verbinden en dat Zijn handen helen. De verlossing zal komen van dezelfde hand die slaat (vgl. Hs 6:11Kom, laten wij terugkeren naar de HEERE,
want Hij heeft verscheurd, maar Hij zal ons genezen;
Hij heeft geslagen, maar Hij zal ons verbinden.
)
.

Voor het eerst spreekt Elifaz niet in bedekte termen tot Job, maar spreekt hij hem met ‘je’ en ‘jij’ direct aan. We kunnen de “zes benauwdheden” (vers 1919In zes benauwdheden zal Hij je redden,
en in zeven zal het kwaad je niet treffen.
)
die Job hebben getroffen, als volgt toepassen: drie in zijn bezittingen, de vierde in zijn kinderen, de vijfde in zijn gezondheid, de zesde in zijn vrouw. Er is nog een zevende benauwdheid. Die herkennen we in zijn vrienden. Net als bij de zes eerdere plagen moeten we ook hier erkennen dat de komst van de vrienden door God is geregeld. Hun bijdrage aan het leed van Job moeten we zien als afkomstig van God. God heeft ook met hun optreden Zijn bedoeling in Zijn opvoeding van Job. Hij wil hen gebruiken om door hen Job aan zichzelf te ontdekken.

Misschien kunnen we van deze getallen ook het volgende zeggen. Zes is het getal van het zwoegen van de mens, zeven is het getal van volmaaktheid. Dat brengt tot de gedachte dat na het zwoegen van de mens de rust bij God volgt.

Elifaz houdt Job nog meer zegeningen voor die zijn deel zullen zijn als hij de bestraffing van de Almachtige aanvaardt. Zo zal God hem dan niet de hongerdood laten sterven, maar hem daarvan verlossen (vers 2020In de honger verlost Hij je van de dood,
en in de oorlog van het geweld van het zwaard.
)
. Hij zal ook niet gedood worden als er een oorlog tegen hem wordt gevoerd. Als hij op God vertrouwt, zal God hem beschermen in tijden van honger en oorlog.

God zal er ook voor zorgen dat zijn reputatie niet door lasterpraat van boze tongen wordt aangetast (vers 2121Voor de gesel van de tong zul je verborgen zijn,
en je zult niet bevreesd zijn voor de verwoesting, als die komt.
)
. Dat doet Hij door ervoor te zorgen dat de waarheid de leugen en lasterpraat ontmaskert. Hij zal ook niet bang hoeven te zijn voor dreigende verwoestingen, zoals hij nu heeft meegemaakt. Als zulke verwoestingen zich aandienen, zal hij veilig en gelukkig zijn. Hij zal er zelfs om lachen (vers 2222Om de verwoesting en om de honger zul je lachen,
en voor de wilde dieren van de aarde zul je niet bevreesd zijn.
)
, wat wil zeggen dat hij ze niet serieus neemt omdat ze geen bedreiging voor hem vormen.

Hetzelfde geldt voor de wilde dieren, waarmee altijd rekening moet worden gehouden. Hij hoeft er niet bang voor te zijn dat deze dieren hem zullen aanvallen. Ze zullen ook geen schade aan zijn oogst veroorzaken.

Er zullen geen stenen op zijn land liggen die zijn weg onbegaanbaar maken of die het opkomen van het koren verhinderen (vers 2323Want je hebt een verbond met de stenen van het veld,
en je hebt vrede met de wilde dieren van de aarde.
; 2Kn 3:1919U zult alle versterkte steden en alle uitnemende steden verslaan, alle goede bomen vellen, alle waterbronnen dichtstoppen en alle goede stukken [land] met stenen bederven.; Js 5:22Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
; 62:1010Ga door, ga door, de poorten door,
bereid de weg voor het volk,
verhoog, verhoog de gebaande weg,
zuiver [hem] van stenen,
steek een banier omhoog boven de volken.
)
. Hij zal in vrede met de wilde dieren leven. Een dergelijke harmonie tussen de mens en de dieren zal in het vrederijk werkelijkheid zijn (Js 11:6-96Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest [vee] zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7Koe en berin zullen [samen] weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
9Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
; Hs 2:1717Ik zal voor hen een verbond sluiten op die dag
met de dieren van het veld, met de vogels in de lucht
en de kruipende dieren op de aarde.
En boog, zwaard en strijd zal Ik van de aarde doen verdwijnen,
en Ik zal hen onbezorgd doen neerliggen.
)
. Alle elementen van de natuur die tegen de mens kunnen zijn, werken dan samen met de rechtvaardige.

Ook in zijn woning zal er vrede zijn (vers 2424Je zult ondervinden dat je tent in vrede is;
je zult zorgen voor je woning, en [daarin] niet falen.
)
. Als hij onderweg is, hoeft hij zich geen zorgen te maken over wat er thuis gebeurt. De zorg voor zijn woning, voor alles wat er gebeurt, heeft hij feilloos geregeld. God zal daarvoor zorgen bij iemand die op Hem vertrouwt. Hetzelfde geldt voor zijn nageslacht (vers 2525Je zult ondervinden dat je nageslacht talrijk is,
en je nakomelingschap als het gewas van de aarde.
)
. Het zal talrijk en voorspoedig zijn (Ps 128:1,31Een pelgrimslied.
Welzalig is eenieder die de HEERE vreest,
die in Zijn wegen gaat.
3Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok
binnen in uw huis,
uw kinderen zullen zijn als jonge olijfbomen
rondom uw tafel.
)
.

Ten slotte wijst Elifaz op het lange leven dat het deel is van wie op God vertrouwt (vers 2626Je zult in hoge ouderdom in het graf komen,
zoals een korenhoop op zijn tijd binnengehaald wordt.
)
. Hij zal heel oud worden en niet door een ziekte of een ongeluk als gevolg van een zonde voortijdig midden uit het leven worden weggerukt. Hij zal pas uit het leven worden weggenomen als hij volledig van het leven verzadigd is en de vrucht van de gerechtigheid in zijn leven rijp is geworden. Elifaz vergelijkt het met “een korenhoop” die, als het koren rijp is, “op zijn tijd binnengehaald wordt”. Koren wordt niet afgesneden als het nog groen is, maar pas als het goudgeel is.

Van het hele door Elifaz geschetste beeld is niets bij Job te herkennen. Er moet met hem dus iets fout zijn. Daarom besluit Elifaz zijn eerste rede tot Job met nog eens nadrukkelijk te wijzen op het onderzoek dat hij en zijn vrienden hebben gedaan naar oorzaak en gevolg van zonden (vers 2727Zie dit, wij hebben het onderzocht, zo is het;
en jij, luister ernaar en weet het voor jezelf.
)
. Weer horen we dat hij zich baseert op zijn waarneming (“onderzocht”). De uitslag van zijn onderzoek en dat van zijn vrienden biedt geen ruimte voor discussie, want “zo is het”. Het is de stelligheid van iemand die zegt: ‘Ik heb de waarheid, en ik alleen.’

Elifaz lijkt hier op iemand die eens werd aangesproken op een zeer ongezonde uitleg van de Schrift. Het antwoord dat deze persoon gaf, was: ‘We hebben veel tijd gestopt in die uitleg en zijn zeker niet over een nacht ijs gegaan.’ Zo’n antwoord zegt dat je dus onder de indruk moet komen van hun onderzoek en dat je op grond daarvan het resultaat, de uitleg, maar moet aannemen. Zo’n benadering is natuurlijk verwerpelijk. Iemand die een dergelijke houding aanneemt, diskwalificeert zich als betrouwbare Schriftuitlegger.

Elifaz zegt iets dergelijks tegen Job. Laat Job nu maar zo verstandig zijn zich bij de resultaten van hun onderzoek neer te leggen en zijn nut daarmee te doen. Daartegen ingaan is natuurlijk heel dom. Dan schuif je hun ‘gedegen’ onderzoek zomaar aan de kant. Dat zou wel erg eigenwijs zijn. Het is het sussende: ‘Luister maar naar ons, dan komt alles goed.’ Op een dergelijke manier inspelen op de nood waarin iemand is, noemen we vandaag ‘manipuleren’. Maar Job laat zich niet manipuleren zoals de twee volgende hoofdstukken laten zien.

De houding van Elifaz en zijn vrienden in het begin kan een voorbeeld zijn voor ons. Ze nemen maar liefst eerst een stilte van een week in acht. Maar als ze gaan spreken, zien we dat de persoonlijke worsteling van Job op een hoge muur van onbegrip stuit. Elifaz komt met stevige kritiek (Jb 4:1-111Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:
2Als wij een woord tot jou trachten [te richten], bezwijk je [dan]?
Echter, wie zou [nu zijn] woorden kunnen inhouden?
3Zie, je hebt velen onderwezen,
en je hebt slappe handen versterkt.
4Je woorden hebben degene die struikelde, opgericht,
en de knikkende knieën heb je sterk gemaakt.
5Maar nu overkomt het jezelf, en je bezwijkt;
het treft je, en je wordt door schrik overmand.6Is je vrezen [van God dan] niet je verwachting,
de oprechtheid van je wegen je hoop?
7Denk er toch aan: wie is [ooit] als onschuldige omgekomen,
en waar zijn er [ooit] oprechten uitgeroeid?
8[Maar] zoals ik gezien heb: zij die onrecht ploegen
en moeite zaaien, oogsten dat [ook].
9Door de adem van God komen zij om,
en door het blazen van Zijn neus worden zij vernietigd.
10Het gebrul van de leeuw, de stem van de felle leeuw,
maar de tanden van de jonge leeuwen worden gebroken.
11De leeuw komt om, omdat er geen prooi is,
en de welpen van een leeuwin worden verspreid.
)
, met waterdichte theologische argumenten (Jb 4:1717Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God?
Zou een man rein zijn voor zijn Maker?
; 5:77Maar de mens wordt voor de moeite geboren,
zoals vonken uit het vuur omhoogvliegen.
)
, met persoonlijke ervaring – een visioen dat hij ten onrechte aan God toeschrijft (Jb 4:12-2112Verder, er is in het geheim een woord tot mij gebracht;
mijn oor heeft er een fluistering van opgevangen.
13In de beangstigende gedachten van de visioenen in de nacht,
als een diepe slaap op de mensen valt.
14Angst en huiver kwamen over mij,
en zij joegen de veelheid van mijn beenderen angst aan.
15Een geest trok aan mijn gezicht voorbij;
hij deed het haar van mijn lichaam te berge rijzen.
16Hij bleef staan, maar ik herkende zijn gedaante niet;
er was een gestalte voor mijn ogen.
Er was stilte, en [toen] hoorde ik een stem, [die zei]:
17Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God?
Zou een man rein zijn voor zijn Maker?
18Zie, [zelfs] Zijn dienaren vertrouwt Hij niet,
en Zijn engelen legt Hij dwaling ten laste.
19Hoeveel te meer [dan mensen], die in lemen huizen wonen,
waarvan het fundament in het stof is?
Zij worden nog eerder verbrijzeld dan een mot.
20Van de morgen tot de avond worden zij verpletterd;
onopgemerkt komen zij voor altijd om.
21Hun tentkoord wordt bij hen losgetrokken;
zij sterven, maar niet in wijsheid.
)
. Hij spreekt met zo’n overtuiging van zijn eigen gelijk, dat hij Job uitdaagt om zich maar zelf tot God te wenden; dan zal hij van God hetzelfde horen als wat hij van hem heeft gehoord (Jb 5:88Maar ik zou zelf God zoeken,
en mijn woord tot God richten.
)
. Ten slotte, als klap op de vuurpijl, verklaart Elifaz in zijn hoogmoed als een alwetende – alsof hij zelf God zou zijn – zijn eigen gelijk, door te zeggen “zo is het” (Jb 5:2727Zie dit, wij hebben het onderzocht, zo is het;
en jij, luister ernaar en weet het voor jezelf.
)
.


Lees verder