Job
1-6 Job heeft berouw 7-9 Het gebed van Job voor zijn vrienden 10-17 Het gezegende einde van Job
Job heeft berouw

1Toen antwoordde Job de HEERE en zei:
2Ik weet dat U alles vermag,
en geen plan is onmogelijk voor U.
3Wie is hij, [zegt U,] die [Mijn] raad verbergt zonder kennis?
Zo heb ik verkondigd wat ik niet begreep,
dingen die te wonderlijk voor mij zijn en die ik niet weet.
4Luister nu, en ík zal spreken!
Ik zal U ondervragen: maak [het] mij bekend!
5[Alleen] door het luisteren met het oor had ik U gehoord,
maar nu heeft mijn oog U gezien.
6Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.

Als de HEERE is uitgesproken, antwoordt Job Hem opnieuw (vers 11Toen antwoordde Job de HEERE en zei:
)
. Zijn antwoord getuigt van een diepgaand werk van Gods Geest in hem. Hij heeft de boodschap begrepen dat het er alleen om gaat wat God wil en dat Hij die wil ook uitvoert, zonder daarvan verantwoording af te leggen aan de mens. Job onderwerpt zich aan de regering van God en komt tot de belijdenis die David eeuwen later zal uitspreken: “Ik weet, HEERE, dat Uw oordelen rechtvaardig zijn” (Ps 119:75a75Ik weet, HEERE, dat Uw oordelen rechtvaardig zijn
en [dat] U mij [in Uw] trouw verdrukt hebt.
)
.

Job heeft in zijn eerste antwoord erkend dat hij gering en nietig is (Jb 39:3737Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.
);
nu in zijn tweede antwoord erkent hij Gods almacht, dat Hij alles kan uitvoeren wat Hij Zich voorneemt (vers 22Ik weet dat U alles vermag,
en geen plan is onmogelijk voor U.
)
. Hij ziet in dat God niet alleen de hele schepping verzorgt en de wereld bestuurt, maar dat ook doet in zijn leven. God heeft voor ieder van de Zijnen een plan. Dat plan voert Hij uit tot hun welzijn. Dat blijkt uit het leven van Job. Als Hij daarvoor verdrukking nodig acht, brengt Hij die in het leven van de Zijnen. Als Zijn doel met de verdrukking is bereikt, neemt Hij die weg.

In vers 33Wie is hij, [zegt U,] die [Mijn] raad verbergt zonder kennis?
Zo heb ik verkondigd wat ik niet begreep,
dingen die te wonderlijk voor mij zijn en die ik niet weet.
herhaalt Job wat God in Job 38 tegen hem heeft gezegd, wie hij wel is, dat hij Zijn raad duister maakt, of verbergt (Jb 38:22Wie is hij die [Mijn] raad duister maakt
met woorden zonder kennis?
)
. Deze herhaling betekent dat Job zijn zonde belijdt. Een zonde belijden wil namelijk zeggen dat Gods oordeel over die zonde wordt herhaald en dat ermee wordt ingestemd dat Zijn oordeel daarover rechtvaardig is. Job erkent dat hij meer heeft uitgesproken dan hij begreep (vgl. Ps 131:11Een pelgrimslied, van David.
HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,
ook wandel ik niet in [dingen]
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.
)
. Hij heeft zich een oordeel aangematigd over dingen die te wonderlijk voor hem zijn en die hij niet weet (vgl. Ps 73:21-2221Toen mijn hart verbitterd was
en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
22hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets!
Ik was een redeloos dier bij U.
)
.

Hij ziet in dat hij tegenover God een ongepaste houding heeft aangenomen door Hem te bevelen naar hem te luisteren, want hij zou Hem wel eens wat zeggen (vers 44Luister nu, en ík zal spreken!
Ik zal U ondervragen: maak [het] mij bekend!
; Jb 13:2222Roep dan, en ík zal antwoorden;
of ik zal spreken, en antwoord mij.
)
. Hij zou God ondervragen en dan moest God hem maar eens antwoord geven. Job had God ter verantwoording geroepen en dat mag natuurlijk niet.

Job komt tot volledige overgave aan God. Nadat hij God in Zijn eerste toespraak heeft horen spreken, is hij tot het inzicht gekomen dat hij God beter niet meer tegen kan spreken (Jb 39:3838Eén keer heb ik gesproken, maar ik zal niet antwoorden;
twee keer, maar ik zal niet verdergaan.
)
. Dat is wel goed, maar het is niet genoeg, want hij heeft God wel tegengesproken en dat moet hij nog belijden. Dat doet hij naar aanleiding van Gods tweede toespraak. Daarin heeft hij God gezien in Zijn werken en hoe Hij alles bestuurt (vers 55[Alleen] door het luisteren met het oor had ik U gehoord,
maar nu heeft mijn oog U gezien.
)
. Dat verbreekt hem. Hij veracht zichzelf en doet boete “in stof en as” (vers 66Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.
)
dat wil zeggen gezeten in letterlijk stof en as die tegelijk dienen als symbolen van rouwbetoon (Jb 2:88En [Job] nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij midden in de as zat.; Jr 6:2626Dochter van Mijn volk, omgord u met een rouwgewaad,
wentel u in de as,
bedrijf rouw over een enig [kind],
betoon een zeer bittere rouwklacht,
want plotseling zal over ons
de verwoester komen.
; 25:3434Weeklaag, herders, en schreeuw het uit!
Wentel u in de as, gebieders van de kudde!
Want uw dagen zijn aangebroken, dat men afslachten zal,
en uw verstrooiing, zodat u zult vallen als kostbaar vaatwerk.
; Jn 3:66Toen dat woord de koning van Ninevé bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, hulde zich in een rouwgewaad en ging in het stof zitten.)
. Wat hij nu zegt, heeft hij niet gezegd in de dagen van zijn voorspoed.


Het gebed van Job voor zijn vrienden

7Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job. 8Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar Mijn dienaar Job. Breng brandoffers voor u en laat Mijn dienaar Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed zal Ik aannemen, zodat Ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job. 9Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet [en] Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het gebed van Job aan.

Als Job is waar hij moet zijn, wendt de HEERE Zich in brandende toorn tot de vrienden van Job (vers 77Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.). Hij richt zich tot Elifaz, die hoogstwaarschijnlijk de oudste van de vrienden is en het eerst het woord tegen Job heeft opgenomen. Er staat opmerkelijk dat dit gebeurt “nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had” en niet ‘nadat Job zichzelf had veracht en boete had gedaan in stof en as’. Job is wel waar hij zijn moet, maar God heeft hem daar gebracht door tot hem te spreken en Zich aan hem te laten zien. Nu wil Hij ook de vrienden tot erkenning van hun zonden brengen.

Tegenover hen rechtvaardigt God Job, die Hij net als in het begin van dit boek “Mijn dienaar” noemt. Job is ook Zijn dienaar geweest tijdens zijn lijden. God houdt Elifaz voor dat Job ‘juist’ over Hem heeft gesproken en dat hij en zijn twee vrienden dat niet hebben gedaan. Zeker heeft Job in zijn spreken over God dingen gezegd die niet terecht zijn. Maar tegenover de vrienden neemt God Job in bescherming. Hij ziet dat ook tijdens de kwalijke uitspraken die Job over Hem deed, diens hart op Hem was gericht. Daardoor kan Hij tegenover de vrienden voorbijgaan aan de zondige woorden die Job over Hem heeft gesproken.

Deze houding van Job tegenover God ontbrak bij de vrienden. Hun hart was niet op God gericht, maar op Job. Zij hebben aan Job een God voorgesteld Die in strikte rechtvaardigheid het kwaad oordeelt en dat doet door rampen over mensen te brengen. Zonder dat ze enig bewijs hadden van zonden die Job zou hebben gedaan, hebben ze tegen hem gezegd dat God zo met hem handelde, omdat hij gezondigd zou hebben. Daardoor hebben zij “niet juist” over God gesproken en een volkomen verkeerd beeld van Hem aan Job en de omstanders voorgehouden. Ze hebben niet zozeer Job onrecht aangedaan, maar God. Daarom is Zijn toorn tegen hen ontbrand.

God wil ook de vrienden ter wille zijn en hen met Zichzelf en met Job verzoenen. Zijn toorn kan alleen gestild worden op de manier die Hij aangeeft en dat is door het brengen van brandoffers aan Hem en door voorbede van Job voor hen (vers 88Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar Mijn dienaar Job. Breng brandoffers voor u en laat Mijn dienaar Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed zal Ik aannemen, zodat Ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.). De vrienden moeten met zeven jonge stieren en zeven rammen” naar Job gaan. Dat is een groot offer (Nm 23:11Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen.; Ez 45:22-2322Dan moet de vorst op die dag voor zichzelf en voor de hele bevolking van het land voor een jonge stier als zondoffer zorgen.23En [op] de zeven dagen van het feest moet hij elke dag [gedurende] de zeven dagen voor een brandoffer voor de HEERE zorgen, van zeven jonge stieren en zeven rammen, zonder enig gebrek, en elke dag een zondoffer van een geitenbok.). Het moet een groot offer zijn omdat hun zonde groot is en omdat zij voorname mannen zijn met een voorbeeldfunctie.

In de tegenwoordigheid van Job moeten ze deze brandoffers voor zichzelf aan God offeren. Daarmee erkennen ze dat ze voor God alleen kunnen bestaan op grond van het brandoffer. Wij weten dat God daarin het offer van Zijn Zoon ziet, Die Zichzelf als een brandoffer aan God heeft geofferd. De Onschuldige stierf in de plaats van de schuldige. Daardoor zijn de vrienden met God in het reine gekomen.

Nu moet het nog in orde komen tussen hen en Job. Daarvoor wordt van Job gevraagd om voor hen te bidden. Hun vraag aan Job om dat te doen is een belijdenis van hun zonden tegenover hem. Als Job voor hen bidt, betekent dit dat hij hun belijdenis aanvaardt en hen vergeeft. God zegt erbij dat het gebed van Job voor Hem de voorwaarde is om niet met hen naar hun dwaasheid te doen. Hij herhaalt dat ze Zijn toorn hebben verdiend omdat zij niet juist over Hem hebben gesproken, zoals “Mijn dienaar Job”. Het brengen van brandoffers is dus niet genoeg als er ook nog iets met een ander in orde moet worden gebracht. God vergeeft pas, als het in orde is gemaakt met alle betrokkenen.

De drie vrienden, die nu afzonderlijk met hun naam worden genoemd, verootmoedigen zich (vers 99Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet [en] Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het gebed van Job aan.). Iemand kan wel hoofdverantwoordelijk zijn, zoals Elifaz, wiens naam alleen wordt genoemd (vers 77Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.), maar hij kan geen offer brengen voor de schuld die anderen ook op zich hebben geladen. Dat moet ieder persoonlijk doen. De drie vrienden geven gehoor aan het bevel van God en buigen zich daarmee onder Zijn oordeel. Daarmee bewijzen ze dat ze God meer liefhebben dan hun eigen aanzien en dat is een grote vreugde voor God. Dat ze de door God voorgeschreven offers hebben gebracht, wordt niet vermeld, maar ligt opgesloten in de woorden dat ze “deden zoals de HEERE tot hen gesproken had”.

Over de aanname van het offer door de HEERE wordt verder niets gezegd. Dat is geen vraag. Dat heeft Hij natuurlijk aangenomen. Wat wel wordt gezegd, is dat de HEERE het gebed van Job aannam. Dat legt toch wel een bijzondere nadruk op het gebed van Job voor zijn vrienden. Als Job heeft gebeden, is alles tussen de vrienden en God en tussen de vrienden en Job in orde.

Dat God het gebed van Job aanneemt, betekent ook dat Job volledig in zijn relatie met God is hersteld, al is er in zijn uiterlijke omstandigheden nog niets veranderd. Job kan een voorbidder zijn. Zijn zonden zijn hem vergeven, waardoor hij als een rechtvaardige een krachtig gebed kan bidden (Jk 5:1616Belijd dus elkaar de zonden en bidt voor elkaar, opdat u gezond wordt. Een krachtig gebed van een rechtvaardige vermag veel.). Hij is weer geschikt om een dienst voor andere gelovigen te doen. We zien deze dienst van voorbede bijvoorbeeld ook bij Abraham (Gn 20:7,177Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet [dan] dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.17Abraham bad tot God en God genas Abimelech, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij [weer] kinderen konden krijgen.), Mozes (Ex 32:30-3230En het gebeurde de volgende dag dat Mozes tegen het volk zei: Ú hebt een grote zonde begaan, maar nu zal ik naar de HEERE opklimmen. Misschien zal ik verzoening kunnen bewerken voor uw zonde.31Toen keerde Mozes terug tot de HEERE en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde begaan, want zij hebben voor zichzelf een gouden god gemaakt.32Nu dan, of U toch hun zonden wilde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt.; Nm 11:22Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes bad tot de HEERE, en het vuur doofde.; 21:77En het volk kwam naar Mozes toe. Zij zeiden: Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen de HEERE en tegen u gesproken. Bid tot de HEERE dat Hij de slangen van ons wegneemt. Toen bad Mozes voor het volk.) en Samuel (1Sm 12:19,2319En heel het volk zei tegen Samuel: Bid voor uw dienaren tot de HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij ook nog dit kwaad gedaan dat wij een koning voor ons verlangd hebben.23En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.). Bovenal is Job hier een type van de Heer Jezus als de Voorbidder (Rm 8:3434wie is het die veroordeelt? Christus <Jezus> is het Die gestorven is, ja nog meer, Die opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt.).


Het gezegende einde van Job

10En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job [bezeten] had tot het dubbele toe. 11Al zijn broers en al zijn zusters en allen die hem vroeger gekend hadden, kwamen bij hem en gebruikten de maaltijd met hem in zijn huis. Zij betuigden hem hun medeleven en vertroostten hem over al het onheil dat de HEERE over hem gebracht had. Zij gaven hem ieder een geldstuk en een gouden ring. 12En de HEERE zegende het latere [leven] van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend juk runderen en duizend ezelinnen. 13Hij kreeg zeven zonen en drie dochters. 14En hij gaf de eerste de naam Jemima, de tweede de naam Kezia, en de derde de naam Keren-Happuch. 15Zulke mooie vrouwen als de dochters van Job waren er in heel het land niet te vinden, en hun vader gaf hun een erfelijk bezit onder hun broers. 16Job leefde daarna [nog] honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen, vier generaties. 17En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.

Als Job in zijn hart vrij is van de beschuldigingen van zijn vrienden en hij voor hen heeft gebeden en hen daarmee zijn vergeving bewijst, gaat God hem zegenen (vers 1010En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job [bezeten] had tot het dubbele toe.). God geeft hem dubbel zoveel als hij is kwijtgeraakt (vgl. Js 40:22spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
; 61:77In plaats van uw dubbele schaamte en schande
zullen zij juichen over hun deel.
Daarom zullen zij in hun land het dubbele in erfelijk bezit hebben,
zij zullen eeuwige blijdschap hebben.
; Zc 9:1212Keer terug naar de burcht,
[u,] gevangenen die hoop hebt!
Ook heden verkondig Ik: Ik zal u dubbel vergoeden,
)
.

Krijgen de vrienden dan toch gelijk dat voorspoed het gevolg is van vroomheid? Of nog erger, krijgt de satan gelijk met zijn bewering dat God dienen heel lonend is? Het antwoord op deze vragen is, dat ze geen van allen gelijk krijgen. Job heeft dit niet verwacht en heeft er al helemaal niet naar gestreefd. Hij krijgt zijn voorspoed niet vanwege een Godvrezend leven, maar door een onverwachte goedheid van God. De satan heeft al helemaal geen gelijk, want Job heeft God niet vaarwel gezegd toen Hij hem alles afnam, wat de satan had gesuggereerd.

God is soeverein om zegen weg te nemen, maar kan die zegen met dezelfde soevereiniteit ook weer schenken. Jakobus schrijft over de zegen die Job krijgt: U hebt van de volharding van Job gehoord en hebt [uit] het einde van [de] Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontfermend is” (Jk 5:1111Zie, wij prijzen hen gelukkig die volhard hebben. U hebt van de volharding van Job gehoord en hebt [uit] het einde van [de] Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontfermend is.). Het einde van de Heer is de zegen die Hij Job geeft. God verootmoedigt ons en stelt ons op de proef, om ons “uiteindelijk wel te doen” (Dt 8:1616Die u in de woestijn het manna liet eten, dat uw vaderen niet gekend hadden, opdat Hij u zou verootmoedigen en u op de proef zou stellen, om u uiteindelijk wel te doen;). Hij wil ons ertoe brengen dat we zeggen: Het is goed voor mij dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw verordeningen zou leren” (Ps 119:7171Het is goed voor mij dat ik verdrukt ben geweest,
opdat ik Uw verordeningen zou leren.
)
.

Als de HEERE een omkeer in het levenslot van Job heeft gebracht, komen al zijn broers en al zijn zusters en allen die hem vroeger gekend hadden” bij hem (vers 1111Al zijn broers en al zijn zusters en allen die hem vroeger gekend hadden, kwamen bij hem en gebruikten de maaltijd met hem in zijn huis. Zij betuigden hem hun medeleven en vertroostten hem over al het onheil dat de HEERE over hem gebracht had. Zij gaven hem ieder een geldstuk en een gouden ring.). Er blijkt geen wrok bij Job te zijn, er zijn geen bittere gevoelens, dat ze hem tijdens zijn beproeving in de steek hebben gelaten (Jb 19:14-1914Mijn naaste verwanten blijven weg,
en mijn bekenden vergeten mij.
15Mijn huisgenoten en mijn slavinnen beschouwen mij als een vreemde;
een buitenstaander ben ik in hun ogen.
16Ik riep mijn dienaar, maar hij antwoordt niet;
ik moet hem smeken met mijn mond.
17Mijn adem is vreemd voor mijn vrouw;
en ik stink voor de kinderen van mijn buik.
18Zelfs de jonge kinderen verachten mij;
als ik opsta, spreken zij mij tegen.
19Alle mensen met wie ik vertrouwelijk overlegde, hebben een afschuw van mij,
en hen die ik liefhad, hebben zich tegen mij gekeerd.
)
, want ze gebruiken “de maaltijd met hem in zijn huis”. Toen hij diep leed, waren ze met een boog om hem heengelopen, maar nu zoeken ze hem weer op. En Job ontvangt hen met dezelfde gastvrijheid als vroeger (Jb 31:31-3231Als de mensen van mijn tent niet hebben gezegd:
Wie werd er níet verzadigd van zijn vlees?
32De vreemdeling overnachtte niet op de straat;
ik opende mijn deuren voor de reiziger.
)
.

Terwijl ze met hem aan tafel zitten, betuigen ze hem hun medeleven en vertroosten hem “over al het onheil dat de HEERE over hem gebracht had”. Zij weten ook dat het onheil dat hem had getroffen, door de HEERE over hem was gebracht. Het geldstuk en de gouden ring die ieder van hen meebracht, kunnen gewoon geschenken zijn geweest als bewijzen van medeleven. Ze kunnen tevens gediend hebben als ‘startkapitaal’ voor zijn nieuwe vermogen.

Job krijgt van de HEERE meer overvloed dat hij had voordat hem alles werd afgenomen (vers 1212En de HEERE zegende het latere [leven] van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend juk runderen en duizend ezelinnen.; vgl. Jb 8:6-76als je zuiver en oprecht bent,
dan zal Hij nu voorzeker ter wille van jou ontwaken,
en de woning van je gerechtigheid herstellen.
7Je begin zal wel klein zijn,
maar je einde zal zeer groot worden.
)
. Zo is God altijd aan het werk. Als Hij ons iets afneemt, is dat om ons er meer voor terug te geven. De genade geeft ons altijd veel meer dan we door de zonde zijn kwijtgeraakt. We hebben het paradijs door onze zonde verloren. We krijgen er door genade de hele schepping voor terug waarover we samen met de Heer Jezus mogen regeren. Dat is alles op grond van Zijn offer. Wij hebben daar deel aan, omdat wij door genade Zijn offer mochten aannemen.

Als we in Job 1:3 zien wat Job eerst aan vee bezat, zien we dat hij nu door de HEERE met het dubbele wordt gezegend. Hij krijgt ook het dubbele aan kinderen (vers 1313Hij kreeg zeven zonen en drie dochters.). Hij heeft zeven zonen en drie dochters gehad (Jb 1:22Er werden zeven zonen en drie dochters bij hem geboren.). Die zijn wel omgekomen, maar daarom is hij ze niet kwijt. Zijn vee was hij kwijt, zijn kinderen niet. Zij zijn hem vooruitgegaan. Hij krijgt er nog zeven zonen en drie dochters bij.

Van zijn kinderen worden alleen de namen van zijn drie dochters genoemd die Job hun heeft gegeven (vers 1414En hij gaf de eerste de naam Jemima, de tweede de naam Kezia, en de derde de naam Keren-Happuch.). Dat betekent dat we van deze namen iets kunnen leren. De eerste dochter geeft hij de naam “Jemima”. Het is een naam met verschillende betekenissen, zoals ‘de [heldere] dag’, ‘duif’, ‘gelukkig’. Het spreekt van de heldere dag na de donkere dagen van beproeving, de nieuwe vrede, het nieuwe geluk. De tweede dochter geeft hij de naam “Kezia”. Die naam is ontleend aan het welriekende specerij kassia. Er gaat van het leven van Job een welriekende geur uit. De derde dochter noemt hij “Keren-Happuch”, dat betekent ‘hoorn van de mooie kleuren’. In die hoorn zaten de kleuren waarmee de vrouwen zich opmaakten. Er ging niet alleen een goede reuk van Job via zijn dochters uit, maar alles was ook aangenaam om naar te kijken.

Van de dochters van Job wordt gezegd dat zulke mooie vrouwen als zij in het hele land niet te vinden waren (vers 1515Zulke mooie vrouwen als de dochters van Job waren er in heel het land niet te vinden, en hun vader gaf hun een erfelijk bezit onder hun broers.). We zien hier dat wat uit de beproeving tevoorschijn komt, al het andere in schoonheid en lieflijkheid overtreft. Job kan zeggen dat het oude voorbij is en dat alles nieuw is geworden en dat het nieuwe het oude volledig in de schaduw stelt. Dit geldt ook voor ons in onze nieuwe natuur.

Job is een goede vader voor zijn dochters. Hij geeft hun niet alleen namen, maar ook “een erfelijk bezit onder hun broers”. Er is geen sprake van vrouwen die achtergesteld worden bij mannen. Juist het feit dat alleen hun namen worden genoemd en alleen van hen wordt vermeld dat zij ook een erfelijk bezit onder hun broers krijgen, toont de hoge plaats die zij in de gedachten van Job en van God hebben. Petrus spreekt er in zijn eerste brief over dat de vrouwen “mede-erfgenamen van het leven” met hun mannen zijn (1Pt 3:77Mannen, evenzo, woont bij hen met verstand als bij een zwakker vat, het vrouwelijke, en bewijst hun eer, omdat zij ook mede-erfgenamen van [de] genade van [het] leven zijn, opdat uw gebeden niet verhinderd worden.).

Job leeft nadat er een omkeer in zijn levenslot is gekomen nog honderdveertig jaar (vers 1616Job leefde daarna [nog] honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen, vier generaties.). Als hier hetzelfde geldt als voor zijn bezit, betekent het dat hij zeventig was toen de rampen hem troffen en dat hij tweehonderdtien jaar oud is geworden. Hij ziet zijn nageslacht tot in de vierde generatie. Dat is een grote zegen en moet een groot genot voor hem zijn geweest.

Dan volgt het bericht van de dood van Job (vers 1717En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.). Hij is oud geworden. Hij kan terugkijken op een veelbewogen leven waarin hij de hand van de Heer zowel in zijn lijden als in zijn voorspoed heeft gezien. Hij is oud geworden en van dagen verzadigd. Dat hij van dagen verzadigd is, wil niet zeggen dat hij het leven beu is, maar dat hij op aarde alles heeft genoten wat God hem had gegeven. Hij kan in vrede sterven en gaan naar de plaats van louter vrede en geluk. Maar zijn geschiedenis sterft niet …