Job
Inleiding 1-3 God antwoordt Job 4-7 De fundamenten van de aarde 8-11 De grenzen van de zee 12-15 Dag en nacht 16-18 Ongekende diepten en breedten 19-21 Waar komt het licht vandaan? 22-30 Het weer 31-33 De hemellichamen 34-38 De wolken en de controle daarover
Inleiding

God gaat spreken. Hij sprak tot Adam en Eva en zij verborgen zich. Toen Hij tot Mozes sprak, moest deze zijn schoenen van zijn voeten doen. Elia omwond zijn gezicht toen hij God ontmoette in het zachte suizen van een wind. De stem openbaart, misschien meer nog dan de verschijning, de persoon. Er is in de voorgaande gesprekken door Job en de vrienden en Elihu veel over God gezegd, maar Zijn daadwerkelijke aanwezigheid was niet gevoeld. Nu God Zelf Zich toont, gaat Job veranderen. Zo is dat ook bij ons.

In het spreken van God zullen we geen verklaring horen van het probleem waarmee Job heeft geworsteld. Het probleem komt zelfs niet ter sprake. God verdedigt Zich niet tegen de aanklachten van Job dat Hij onrechtvaardig zou zijn. Hij komt niet als volgende Spreker een nieuwe poging doen om Job te overtuigen, maar Hij komt als Degene Die in majesteit het laatste en beslissende woord spreekt. God komt eenvoudig als de Verhevene.

God komt niet met “nieuwe getuigen” (Jb 10:1717U brengt nieuwe getuigen tegen mij naar voren,
U maakt Uw toorn tegen mij groter;
telkens nieuwe legers [stellen zich] tegen mij [op].
)
naar Job, waarvoor hij zo bang was. Hij komt ook in niet een wervelstorm om Job weg te vagen en niet meer naar hem te horen (Jb 9:16-1816Als ik roep en Hij antwoordt mij,
dan kan ik niet geloven dat Hij mijn stem ter ore neemt.
17Want Hij vermorzelt mij door een storm,
en maakt mijn wonden talrijk, zonder reden.
18Hij laat mij niet toe om op adem te komen,
maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
)
. God komt niet om zijn lijden groter te maken, maar om heel persoonlijk Zelf zielzorg aan Job te besteden. Hij laat dat niet aan anderen blijken. Maar als God Zijn werk, Zijn zorg, aan Job heeft gedaan, stelt Hij hem als een veranderde Job aan de vrienden voor. We zien iets dergelijks in wat de Heer Jezus met Petrus heeft gedaan (1Ko 15:5a5en dat Hij aan Kefas is verschenen, daarna aan de twaalf.; Lk 24:3434De Heer is werkelijk opgewekt en is aan Simon verschenen.; Jh 21:1515Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren.).

Job wilde God dagvaarden voor Zijn rol in het lijden dat hem heeft getroffen. Maar als God aan Job verschijnt, worden de rollen omgedraaid. God roept hem ter verantwoording. Hij stelt Job meer dan zeventig vragen waarop deze geen enkel antwoord heeft. Dat levert het bewijs dat Job niet in staat is om Gods wegen met de natuur te begrijpen, laat staan er macht over heeft. Als hij niet eens daarvan de natuurlijke samenhang kent en begrijpt, hoe zou hij dan kunnen verwachten dat hij Gods handelen met de mens kan begrijpen? Dat leidt er ten slotte toe dat Job overtuigd wordt en tot verbreking komt. Hij veracht zichzelf en doet boete in stof en as (Jb 42:66Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.
)
.

God wordt gekend uit Zijn schepping (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,). Hij spreekt over Zijn wonderwerken, niet over de werken van Job. Van Jobs goede werken wordt geen enkele melding gemaakt. God laat Job door Zijn verschijning aan hem weten dat Hij hem niet heeft opgegeven. Ook verwijt God Job geen bepaalde zonden als oorzaak van zijn lijden. God verwijt Job alleen maar de ongerijmde woorden die hij in zijn verbittering tijdens zijn lijden sprak. Dat is precies wat ook Elihu eerder heeft gedaan, wat bewijst dat Elihu naar de wil van God heeft gesproken.

In hun gesprekken hebben de drie vrienden en Job een moeilijk probleem besproken. Overal in de schepping blijkt dat alles is onderworpen aan vaste inzettingen en wetmatigheden. Als de Schepper met de hele kosmos handelt volgens herkenbare regels, waarom zouden er dan in Zijn omgang met de mensen niet net zulke betrouwbare regels zijn? Zou dat niet logischerwijs bij Job en de drie vrienden tot de gedachte moeten leiden dat het lijden van Job een oorzaak in zijn gedrag had? God laat nu zien, hoezeer de mens zichzelf overschat als hij zich aanmatigt Zijn handelen als Schepper en Onderhouder te begrijpen. En als hij in de natuurlijke dingen het handelen van God al niet begrijpt, hoeveel te minder dan in Zijn wegen met de mensen.


God antwoordt Job

1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
2Wie is hij die [Mijn] raad duister maakt
met woorden zonder kennis?
3Omgord nu als een man uw heupen,
dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij [eens] bekend:

Een van Jobs slotwoorden was: “Laat de Almachtige mij antwoorden” (Jb 31:3535Och, had ik maar iemand die naar mij wilde luisteren!
Zie, mijn ondertekening! Laat de Almachtige mij antwoorden,
en laat mijn Tegenstander een aanklacht op schrift stellen.
; vgl. Jb 9:3535Dan zal ik spreken en niet bevreesd zijn voor Hem,
want zo is het niet bij mij.
; 10:22Ik zal tegen God zeggen: Verklaar mij niet schuldig;
laat mij weten waarover U mij ter verantwoording roept.
; 13:33Maar ík zal tot de Almachtige spreken,
en vind er behagen in [mij] voor God te verdedigen.
)
. Dat antwoord komt nu (vers 11Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
)
. Maar van Jobs voornemen om de Almachtige “als een vorst” (Jb 31:3737Het getal van mijn voetstappen zou ik Hem bekendmaken;
als een vorst zou ik tot Hem naderen.
)
te naderen komt niets terecht. Het antwoord van “de HEERE” komt “uit een storm”, niet om Job door die storm te vermorzelen, maar om hem te antwoorden (vgl. Jb 9:1717Want Hij vermorzelt mij door een storm,
en maakt mijn wonden talrijk, zonder reden.
)
. God antwoordt als “de HEERE”, de Naam die ook in Job 1-2 wordt gebruikt en die kenmerkend is voor de relatie van God met de mens. Die HEERE komt op imponerende wijze tot hem. Job moet erkennen met Wie hij te doen heeft. Maar Hij komt om hem te herstellen, niet om hem te verdelgen. Toen Job in ellende werd gedompeld, heeft Hij ook gesproken door een vreselijke stormwind. Daarbij kwamen al zijn kinderen om het leven (Jb 1:1919En zie, een hevige stormwind kwam van over de woestijn en trof de vier hoeken van het huis, en het viel boven op de jonge mensen, zodat zij stierven; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.).

De eerste woorden van God maken direct duidelijk wat Hij Job kwalijk neemt (vers 22Wie is hij die [Mijn] raad duister maakt
met woorden zonder kennis?
)
. God begint met de vraag: “Wie is hij?” Daarin klinkt al de grote verhevenheid van God en de grote nietigheid van de mens, Job, door. Het zijn geen woorden van verachting of van toorn, maar ze houden een verwijt in. Het zijn woorden van verontwaardiging, want Job heeft de euvele moed gehad Gods raad te verduisteren door Zijn wegen verkeerd voor te stellen. Die verontwaardiging van God is begrijpelijk als we eraan denken dat wij het ook niet waarderen als er dingen van ons worden gezegd die niet waar zijn.

Job heeft met zijn woorden Gods raad, dat is Zijn regering van de wereld, waaronder ook de rampen vallen die hem hebben getroffen, verduisterd. God regeert in rampen en plagen, waarin duidelijk Zijn hand te zien is. Maar Zijn raad wordt verduisterd door menselijke benaderingen, verklaringen en redeneringen daarvan en daarover. Job heeft er ook zijn verklaring van gegeven. Daarbij is hij ertoe gekomen God van onrechtvaardig handelen te beschuldigen en daardoor heeft hij Gods raad verduisterd.

Hij heeft “woorden zonder kennis” over God gesproken omdat hij Gods handelen verkeerd uitlegde. Hij meende te weten wat God wel had moeten doen, maar niet heeft gedaan, dat heeft nagelaten. Ook wij moeten ervoor oppassen dat wij ons niet aanmatigen Gods wil en weg te kennen over situaties waarin iemand of wijzelf zijn terechtgekomen en die wij niet begrijpen. Wij kennen niet alle feiten waarmee God in Zijn handelen rekening houdt en die Hij gebruikt.

God roept Job op om als een man zijn heupen te gorden (vers 33Omgord nu als een man uw heupen,
dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij [eens] bekend:
; Jb 40:1-21Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
2Omgord nu als een man uw heupen,
[dan] zal Ik u ondervragen. Maak Mij [eens] bekend:
; vgl. 1Kn 20:1111Maar de koning van Israël antwoordde en zei: Spreek [tot hem]: Wie [zijn wapens] aangordt, moet zich niet beroemen als iemand die [ze] aflegt.)
. Daarmee zegt God als het ware tegen hem: ‘Zet je maar schrap om naar Mijn vragen te luisteren en geef dan het goede antwoord.’ Job heeft krachtige taal geuit over wat hij allemaal tegen God zou zeggen (Jb 13:2222Roep dan, en ík zal antwoorden;
of ik zal spreken, en antwoord mij.
; 23:4-54Ik zou de rechtszaak voor Zijn aangezicht uiteenzetten,
en ik zou mijn mond vullen met [mijn] verdediging.
5Ik zou de woorden weten [die] Hij mij zou antwoorden;
en ik zou begrijpen wat Hij tegen mij zou zeggen.
)
. God zal de kracht van zijn woorden testen door hem te ondervragen, door hem een aantal vragen te stellen. Gods vragen zullen de verhoudingen in het juiste licht plaatsen.

Het zijn geen vragen die een mens niet kan begrijpen. Het zijn geen ‘quizvragen’ om Jobs kennis te testen, maar opvoedkundige vragen. Gods doel is niet om Job diep van zijn onwetendheid te doordringen en hem daardoor weg te vagen, wat heel eenvoudig zou zijn, maar om hem te brengen tot de ware kennis van zichzelf en van God. In die kennis groeien is groeien in de ware kennis. Dat God zo tot Job komt en hem zo aanspreekt, toont Zijn barmhartigheid ten aanzien van Job.


De fundamenten van de aarde

4Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
5Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers [wel].
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
6Waarop zijn haar pijlers neergezonken?
Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
7toen de morgensterren samen vrolijk zongen,
en al de kinderen van God juichten?

In vers 44Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
begint God met de vragen. Elke vraag maakt Job een stukje kleiner, tot ten slotte het laatste restje trots is verdwenen. Het eerste onderwerp dat God aansnijdt, is de schepping en wel die van de aarde, de verblijfplaats van de mens (vers 44Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
)
. Job klaagde erover dat God de bergen verplaatst en omkeert, de aarde doet wankelen en de zon en de sterren verduistert (Jb 9:5-75Hij verplaatst bergen, zonder dat men het merkt,
Hij keert ze om in Zijn toorn.
6Hij schudt de aarde van haar plaats,
zodat haar pilaren wankelen.
7Hij spreekt tegen de zon, en zij gaat niet op;
Hij verzegelt de sterren.
)
. Maar om vragen over de schepping te kunnen beantwoorden moet hij van de schepping getuige zijn geweest of getuigen kunnen aanvoeren. Job meende dat hij kennis had van de schepping (Jb 9:5-105Hij verplaatst bergen, zonder dat men het merkt,
Hij keert ze om in Zijn toorn.
6Hij schudt de aarde van haar plaats,
zodat haar pilaren wankelen.
7Hij spreekt tegen de zon, en zij gaat niet op;
Hij verzegelt de sterren.
8Hij alleen spant de hemel uit,
en Hij treedt op de hoogten van de zee.
9Hij maakt de Grote Beer, de Orion,
het Zevengesternte en de Kamers van het Zuiden.10Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden;
wonderen, die niet te tellen zijn.
)
. Kan hij ook zeggen waar hij zich bevond toen God “de aarde grondvestte”? ‘Nou Job, zeg het maar, laat het Me maar weten, “maak het bekend”. Als je dat kunt, toon je daarmee aan dat je “echt inzicht hebt”.’

Maar Job was op het moment van de schepping van de aarde natuurlijk nergens te bekennen, hij bestond niet eens. Wat dat betreft, sprak Bildad de waarheid, toen hij tegen Job zei: “Immers, wij zijn van gisteren en weten niets” (Jb 8:99Immers, wij zijn van gisteren en weten niets,
want onze dagen op aarde zijn een schaduw.
)
. Welnu, als iemand geen kennis heeft van de manier waarop de aarde is gegrondvest, ontbreekt hem ook de kennis van de manier waarop de aarde en het leven daarop functioneren en worden bestuurd. Wie ondanks het ontbreken van die kennis daar toch uitspraken over doet, kan alleen speculeren en dwaasheid uitkramen.

Niemand, geen mens, is bij de schepping aanwezig geweest. Door het geloof weten wij dat de Zoon van God de Schepper is (Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.; 11:33Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.). Door Hem bestaan alle dingen (Ko 1:16-1716want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.17En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.). Als God hier spreekt over ‘grondvesten’ (of fundamentlegging) en in vers 55Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers [wel].
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
over ‘het meetlint’, is dat natuurlijk beeldspraak die ontleend is aan het dagelijkse leven. De aarde is niet letterlijk ergens op gegrondvest en er is geen letterlijk meetlint aan te pas gekomen bij het ontwerpen en scheppen van de aarde (vgl. Jb 26:77Hij strekt het noorden uit over het ledige;
Hij hangt de aarde op aan het niets.
)
. God gebruikt deze begrippen om ons duidelijk te maken wat Hij bedoelt.

De vraag in vers 55Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers [wel].
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
sluit aan op de vorige waarin we de Schepper en Onderhouder van het heelal aan het woord horen over het ontwerp en de constructie ervan. God vraagt aan Job Wie de afmetingen ervan heeft bepaald. Heeft hij God een handje geholpen bij het ontwerp, of Hem een tip gegeven bij de bepaling van de afmetingen en verhoudingen, zodat alle onderdelen van de schepping door een evenredige en evenwichtige vorm en hoeveelheid volmaakt harmonieus bij elkaar passen? Weet hij, behalve het feit dat de wereld functioneert, ook hoe en waarom zij functioneert? De woorden “afmetingen” en “meetlint” willen zeggen dat God volgens een volmaakt vooropgesteld plan werkt.

Job moet het maar zeggen, want hij “weet het immers” hoe de wereld in elkaar steekt. Dat heeft hij in elk geval beweerd. Of heeft hij misschien geholpen bij de uitvoering, dat hij het meetlint heeft vastgehouden toen God alles op zijn plaats zette? Dat heeft Job niet. Hij heeft God geen advies kunnen geven welke afmetingen en eigenschappen Hij aan de onderdelen van Zijn schepping zou toekennen. De les die we hieruit kunnen leren, is dat God alleen van alles de maat bepaalt, of het nu gaat om de schepping of om onze dagen, ons bezit, onze gaven of ons lijden (Pr 3:1-81Voor alles is er een vastgestelde tijd,
en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.2Er is een tijd om geboren te worden
en een tijd om te sterven;
een tijd om te planten
en een tijd om het geplante uit te trekken;3een tijd om te doden
en een tijd om te genezen,
een tijd om af te breken
en een tijd om op te bouwen;4een tijd om te huilen
en een tijd om te lachen,
een tijd om rouw te bedrijven
en een tijd om te huppelen;5een tijd om stenen weg te werpen
en een tijd om stenen te verzamelen,
een tijd om te omhelzen
en een tijd om zich ver te houden van omhelzen;6een tijd om te zoeken
en een tijd om verloren te laten gaan,
een tijd om te bewaren
en een tijd om weg te werpen;7een tijd om stuk te scheuren
en een tijd om dicht te naaien,
een tijd om te zwijgen
en een tijd om te spreken;8een tijd om lief te hebben
en een tijd om te haten,
een tijd van oorlog
en een tijd van vrede.
)
.

In vers 66Waarop zijn haar pijlers neergezonken?
Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
vraagt God niet naar een persoon, maar naar de wijze van werken. Het gaat daarbij om de duurzaamheid van het scheppingswerk. Kan Job ook zeggen hoe God te werk is gegaan om de aarde de stabiliteit te geven die ze heeft? Kan hij iets maken wat blijft bestaan? God gebruikt ook hier beeldspraak als Hij spreekt over “haar pijlers” en “haar hoeksteen”. Pijlers houden een gebouw omhoog en de hoeksteen zorgt ervoor dat het fundament goed ligt. God toont Job door deze beelden aan dat alles wat Hij heeft gebouwd, solide en stabiel is.

Wie wel bij Gods scheppingswerken aanwezig waren, zijn de engelen, die hier “morgensterren” en “zonen van God” – dat is betere vertaling dan ‘kinderen van God’ (Jb 1:66Het gebeurde [op] een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam.; 2:11[Opnieuw] was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam om zijn opwachting te maken bij de HEERE.) worden genoemd (vers 77toen de morgensterren samen vrolijk zongen,
en al de kinderen van God juichten?
)
. Engelen zijn zonen van God – niet door geboorte of door adoptie zoals de nieuwtestamentische gelovigen, maar – vanwege hun schepping door God. In dezelfde zin wordt dat bij de mensen alleen van Adam gezegd (Lk 3:3838van Enos, van Seth, van Adam, van God.). Engelen zijn geschapen voordat God het zichtbare universum schiep. Toen God uit het niets, dat wil zeggen uit wat voor het oog onzichtbaar is, de schepping tot stand bracht, hebben zij dat gezien en daarover gejubeld en gejuicht.

[NB “Vrolijk zongen” (vers 77toen de morgensterren samen vrolijk zongen,
en al de kinderen van God juichten?
)
is geen goede vertaling. Engelen zingen niet. Dat hebben ze ook niet in de velden van Efratha gedaan. Zingen is voorbehouden aan mensen die door God van hun slavernij en hun zonden zijn verlost. Zie bijvoorbeeld Ex15:1, waar voor het eerst in de Bijbel wordt gezongen, en Op 5:99En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,; 14:33En zij zingen <als> een nieuw lied vóór de troon en vóór de vier levende wezens en de oudsten; en niemand kon het lied leren dan de honderdvierenveertigduizend die van de aarde gekocht waren.; 15:33En zij zingen het lied van Mozes, de slaaf van God, en het lied van het Lam en zeggen: Groot en wonderbaar zijn Uw werken, Heer, God de Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de naties!, waar dat voor de laatste keer in de Bijbel gebeurt.]

God heeft niet vanuit het niets, maar vanuit Zichzelf geschapen. De engelen hadden nog nooit iets gezien van materie en alles wat daarbij hoort aan materiaal en hun eigenschappen, zoals vorm, kleur en omvang. En ineens was het daar. Ze zagen het omdat God, Die “de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn” (Rm 4:17b17(zoals geschreven staat: ‘Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld’) voor het aangezicht van God Die hij geloofde – Die de doden levend maakt en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn –,), ze tevoorschijn had geroepen. Dat bracht hen tot een uitbundige uiting van hun bewondering voor de wijsheid en macht van God, hun Schepper.


De grenzen van de zee

8Of [wie] heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte [en] uit de baarmoeder naar buiten kwam,
9toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere [wolken] als haar omslagdoek.
10Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.

In de verzen 8-118Of [wie] heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte [en] uit de baarmoeder naar buiten kwam,
9toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere [wolken] als haar omslagdoek.
10Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
verandert God van onderwerp. Hij gaat van de aarde over naar de zee en stelt Job daarover enkele vragen. In die vragen laat Hij zien dat Hij zowel de Maker als de Meester ervan is. Hij beheerst en controleert de zee. De oorsprong van de aarde is door God vergeleken met het bouwen van een huis. Voor de oorsprong van de zee gebruikt Hij het beeld van een geboorte (vers 88Of [wie] heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte [en] uit de baarmoeder naar buiten kwam,
)
en wel van een onstuimige geboorte. Direct bij de geboorte toont de zee haar temperament van wildheid en woestheid die door God beteugeld moet worden.

God stelt over de zee verder geen vragen aan Job, maar beschrijft Zijn handelwijze ermee. Daaruit blijkt Zijn volkomen beheersing ervan en ook Zijn zorg ervoor. Hij vergelijkt de zee zelfs met een pasgeboren kind dat helemaal van Zijn verzorging afhankelijk is (vgl. Ez 16:2-42Mensenkind, laat Jeruzalem zijn gruweldaden weten,3en zeg: Zo zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische.4Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld.). Hij bekleedt de zee met “een wolk” en geeft haar “de donkere [wolken] als haar omslagdoek” (vers 99toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere [wolken] als haar omslagdoek.
)
. Deze kleding geeft een uiterlijk dat de dreiging vergroot die altijd al voor de mens van de zee is uitgegaan. Het maakt hem nog meer bewust van zijn machteloosheid en nietigheid tegenover die macht vol dreiging.

Als er door God geen paal en perk aan de zee wordt gesteld en Hij die niet controleert (vers 1010Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
)
, kan niemand de zee verhinderen een alles verwoestend werk te doen. Geweldige overstromingen door stormen, tsunami’s en springvloeden zijn daarvan indrukwekkende bewijzen. Op de verschrikkelijkste manier woedde het water toen God een wereldwijde zondvloed als oordeel over de aarde gebruikte (Gn 7:1111In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op die dag zijn alle bronnen van de grote watervloed opengebarsten en de sluizen van de hemel opengezet.; 8:22Ook werden de bronnen van de watervloed en de sluizen van de hemel gesloten, en de regen uit de hemel werd gestopt.).

Is er een mens die de zee kan temmen of begrenzen? De mens kan met zijn bekwaamheden allerlei voorzieningen treffen om een watersnoodramp te voorkomen, zoals de enorme Deltawerken, tot bescherming van zijn kusten. Maar een garantie dat een nieuwe watersnoodramp uitgesloten is, kunnen zelfs zulke meesterlijke prestaties niet geven. Alleen God heeft de macht het water een halt toe te roepen. Hij heeft grenzen gesteld en grendels en deuren geplaatst, zodat zij niet zonder Zijn wil buiten de gestelde grenzen gaat (vgl. Ps 104:9-109U hebt een grens gesteld, die ze niet zullen overgaan,
ze zullen de aarde nooit meer bedekken.10Hij wijst de bronnen hun loop naar de dalen,
[zodat] ze tussen de bergen door stromen.
; Jr 5:2222Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,
of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?
Ik, Die het zand gemaakt heb tot een grens voor de zee,
een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.
Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen [uitrichten],
al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.
; Sp 8:2929toen Hij voor de zee zijn plaats bepaalde,
zodat het water Zijn bevel niet zou overtreden,
toen Hij de fundamenten van de aarde verordende,
)
.

God verliest nooit de controle over de zee (vers 1111en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
)
. Hij kan incidenteel toelaten dat de zee die grenzen doorbreekt. Dan opent Hij de deuren om de mens aan zijn totale onvermogen te herinneren om ook maar enige invloed op de verwoestende massa en de kracht van het water uit te oefenen. Daarna verzamelt Hij de wateren weer in de door Hem daarvoor bestemde bewaarplaatsen (Ps 33:77Hij verzamelt het water van de zee als een dam,
Hij sluit de diepe wateren op in schatkamers.
)
en brengt ze tot rust.

God heerst over de zee eenvoudig daardoor dat Hij tegen de zee “zei”, dat wil zeggen door Zijn woord. De wateren gehoorzamen het woord van God (2Pt 3:5-65Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het Woord van God [de] hemelen van oudsher waren en een aarde bestaande uit water en door water,6waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is.). Hij spreekt tot hen alsof ze als persoon voor Hem staan, met een eigen, opstandige wil, en aan wie Hij laat weten wat hun grens is om zich daaraan te houden.

Als God de volkomen controle heeft over de zee, welk recht heeft de mens dan, die de zee niet heeft doen ontstaan en die ook niet kan controleren, om God te bekritiseren over de manier waarop Hij daarmee omgaat? We kunnen dit toepassen op de beproevingen en moeiten die het leven van een gelovige kunnen treffen. Ze komen niet toevallig over hem, maar komen voort uit ‘de schoot van Gods raad’ voor hem. Maar God is en blijft ook in de beproevingen bij ons (Js 43:22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
)
. Hij heeft aan de nood en ellende een grens gesteld, zodat de gelovige er niet aan ten onder gaat (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.). Hij houdt met Zijn beproevingen de hoogmoed van de mensen in toom, zoals Hij de hoogmoed van de wateren in toom houdt.

Er is één moment in de geschiedenis geweest, waarin God alle grendels en deuren heeft weggehaald, waardoor een grenzeloze ellende over Iemand is gekomen. Dat is geweest toen de Heer Jezus in de drie uren van duisternis op het kruis tot zonde werd gemaakt. Toen riep Hij het uit: “Watervloed roept tot watervloed, terwijl Uw waterkolken bruisen; al Uw baren en Uw golven zijn over Mij heen gegaan” (Ps 42:88Watervloed roept tot watervloed,
terwijl Uw waterkolken bruisen;
al Uw baren en Uw golven
zijn over mij heen gegaan.
)
. Hij werd daar ondergedompeld in de toorn van God over de zonde. Wat dat voor Hem betekende, kunnen wij niet peilen. Maar we zullen Hem er eeuwig voor aanbidden dat Hij voor ons Gods toorn over de zonde onderging.


Dag en nacht

12Hebt u in uw dagen de morgen ontboden?
Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen,
13om de einden van de aarde vast te grijpen,
zodat de goddelozen van haar afgeschud worden?
14[De aarde] verandert als leem door een zegel,
en [de dingen] krijgen vorm als een kleed.
15De goddelozen wordt hun licht onthouden,
en de opgeheven arm wordt gebroken.

Na vragen over het begin van de schepping is het volgende onderwerp waarover God vragen aan Job stelt, het begin van de dag. Heeft Job, sinds hij leeft, er ooit een keer voor gezorgd dat het dag werd, dat de morgen begon te gloren en de dageraad gezien werd (vers 1212Hebt u in uw dagen de morgen ontboden?
Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen,
)
? Heeft hij de wisseling tussen dag en nacht kunnen beïnvloeden? Heeft hij bepaald wanneer en waar dat zou gebeuren? Ook op deze vraag komt geen antwoord. God verwacht ook geen antwoord. Alle vragen moeten Job naar het enig juiste antwoord voeren en dat is dat hij geen enkel weerwoord meer heeft op Gods regering in zijn leven. Als Hij Gods leiding erkent, heeft hij geen antwoorden nodig.

Job en ook wij zouden nooit op die vraag zijn gekomen. Het op- en ondergaan van de zon is zo alledaags, zo vanzelfsprekend, dat we er helemaal niet over nadenken Wie daarachter zit. We staan er ook niet bij stil dat dit proces aan de gang is sinds de schepping, toen God zei: “Laat er licht zijn.” Geen mens kan bewerken dat het dag wordt en geen mens kan dat dagelijks terugkerende wonder doorbreken. De dag en ook de nacht behoren God toe (Ps 74:1616De dag is van U, ook de nacht behoort U toe,
Ú hebt het licht en de zon hun plaats gegeven.
)
.

Het aanbreken van de dag heeft ook een gevolg voor de goddelozen (vers 1313om de einden van de aarde vast te grijpen,
zodat de goddelozen van haar afgeschud worden?
)
. Als het licht wordt, is dat “om de einden van de aarde vast te grijpen”. Bij het opkomen van de zon wordt plotseling de hele horizon verlicht. Dat geeft het beeld dat het is alsof het licht de aarde als een tafelkleed vastgrijpt om de kruimels eraf te schudden. De goddelozen worden hier dan gezien als de kruimels die van de aarde worden afgeschud.

We zien hier het effect van het licht op hen die de werken van de duisternis liefhebben. Zij haten het licht (Jh 3:19-2019En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, want hun werken waren boos.20Want ieder die kwade dingen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden.), want het openbaart hun boze werken (Ef 5:1313Alle dingen echter, als zij door het licht aan de kaak gesteld zijn, worden openbaar; want het is het licht dat alles openbaar maakt.). Zodra het licht wordt, ontvluchten ze het licht; ze zijn bang voor het licht en worden erdoor verdreven (vgl. Jb 24:1717Ja, de schaduw van de dood is voor hen allen [als] de morgen,
want men kent de verschrikkingen van de schaduw van de dood.
)
. God vraagt Job of hij de dageraad al eens bevel heeft gegeven om dat te doen.

Een ander gevolg van het aanbreken van de dag na de nacht is dat de vorm van alle dingen weer zichtbaar wordt (vers 1414[De aarde] verandert als leem door een zegel,
en [de dingen] krijgen vorm als een kleed.
)
. In de nacht is alles donker en vervagen de omtrekken. De aarde lijkt dan een vormeloos en kleurloos stuk “leem”. Maar zoals de indruk van een zegel in het zachte leem de vorm van het leem verandert in iets herkenbaars, zo verandert het aanbreken van de dag de vorm van de aarde in een vorm die we herkennen. Het “kleed” van de aarde, waarbij we bijvoorbeeld kunnen denken aan de bomen en de bloemen die we ’s nachts niet zien, wordt gezien. In het morgenlicht zien we de hele structuur en schoonheid van de aarde.

Tegenover de herkenbaarheid van Gods scheppingswerken in het licht staat het verdwijnen van de goddelozen (vers 1515De goddelozen wordt hun licht onthouden,
en de opgeheven arm wordt gebroken.
)
. Het daglicht breekt door, maar zij hebben er geen baat bij. Integendeel, ze willen het licht niet en kruipen ervoor weg. Omdat ze het licht niet willen zien, maar de voorkeur geven aan de duisternis, zullen ze het licht nooit zien. Hun “opgeheven arm”, een beeld van hun opstand tegen God, zal voor altijd gebroken worden (vgl. Nm 15:3030Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden,; Ps 10:1515Breek de arm van de goddeloze en de kwaaddoener, /sjin/
eis [rekenschap van hem] over zijn goddeloosheid, [tot] U er niets [meer] van vindt.
; 37:1717Want de armen van de goddelozen worden gebroken,
maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
)
. In het vrederijk, wanneer Christus als de Zon der gerechtigheid is opgegaan, zal Hij elke morgen alle goddelozen uit het land uitroeien (Ml 4:2-32Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
3U zult de goddelozen vertrappen.
Voorzeker, stof zullen zij worden
onder uw voetzolen
op die dag die Ik bereiden zal,
zegt de HEERE van de legermachten.
; Ps 101:88Elke morgen zal ik
alle goddelozen in het land ombrengen,
door allen die onrecht bedrijven,
uit de stad van de HEERE uit te roeien.
)
.


Ongekende diepten en breedten

16Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee?
Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed?
17Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard?
Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien?
18Reikt uw inzicht tot de breedten van de aarde?
Maak het bekend, als u dit allemaal weet.

God vraagt aan Job of hij iets weet van “de bronnen van de zee” en “de bodem van de watervloed” (vers 1616Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee?
Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed?
)
. Heeft hij de bodem van de zee gezien en afgespeurd, zodat hij de bronnen heeft ontdekt waar de zee ontspringt? En is hij zo thuis op de bodem van de watervloed, dat hij daar heeft gewandeld? De zee bevat ongekende diepten waar het volledig donker is, waar de mens niet kan komen en als hij er kon komen niets kan zien.

Maar voor God kennen deze ontoegankelijke diepten geen geheimen. Hij wandelt daar op volkomen bekend terrein (Ps 77:2020Uw weg was door de zee,
Uw pad door grote wateren,
en Uw voetstappen werden niet bekend.
)
. De mens mist de kennis van die diepten, omdat hij daar niet kan komen. Als hij de natuurlijke diepten niet kent, wat weet hij dan over Gods weg in zijn leven met de diepten waar Hij hem soms doorheen voert? Het mag genoeg zijn dat God zijn levenspad en het doel kent, dwars door de zee en grote wateren van beproevingen heen.

In vers 1717Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard?
Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien?
houdt God aan Job een vraag voor over een nog grotere en donkerdere diepte dan die van de zee en wel de diepten van het dodenrijk. Zolang iemand in het land van de levenden is, blijft het een raadsel wat “de poorten van de dood” precies zijn, hoe hij zich die moet voorstellen. Hij heeft er geen kijk op en geen inzicht in. Door ook over “de poorten van de schaduw van de dood” te spreken voegt God aan de toestand van de dood nog het aspect van duisternis toe.

Om antwoord op deze vragen te kunnen geven moet een mens het eerst ervaren. Maar als hij het heeft ervaren, kan hij niet meer terug om het te vertellen omdat hij dood is. De mens weet niet uit ervaring wat de dood is of op welke manier hij uit het leven vertrekt en hoe dat voelt. Voor God echter kent de dood geen geheimen (Jb 26:66Het graf is naakt voor Hem,
en er is geen bedekking voor het verderf.
)
. Hij weet precies hoe de dood werkt.

De nieuwtestamentische gelovige weet ook niet hoe de dood precies werkt. Wat hij wel mag weten, is dat de dood geen gezag meer over hem heeft. Het kan gebeuren dat hij sterft. Hij weet niet hoe dat gaat, maar hij weet wel waar hij heen gaat, namelijk naar zijn Heer en Heiland in het paradijs (Lk 23:4343En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.; Fp 1:2323maar ik word van beide kanten gedrongen: ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, <want> dit is verreweg het beste;). De gelovige hoort bij de gemeente, waarvan de Heer Jezus heeft gezegd: “En [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen” (Mt 16:18b18En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.).

Na de diepten gaat het over de breedten. God stelt de vraag aan Job of zijn inzicht reikt “tot de breedten van de aarde” (vers 1818Reikt uw inzicht tot de breedten van de aarde?
Maak het bekend, als u dit allemaal weet.
)
. De betekenis van de vraag is of Job speciale aandacht aan de breedten van de aarde, dat wil zeggen de oppervlakte van de aarde (in tegenstelling tot de zee) heeft gegeven, zodat hij als gevolg daarvan er een grondige en uitgebreide kennis van heeft opgedaan. Job had er geen kennis van dat de aarde een bol is en dat de breedste plek op aarde de evenaar is. Voor hem waren de breedten van de aarde wat hij om zich heen zag. Het moet Job tot het inzicht brengen dat het gezichtsveld van de mens beperkt is tot de horizon, maar dat God alles overziet.

God besluit deze vragenserie met de uitnodiging, of misschien meer de uitdaging, aan Job dat hij het Hem maar bekend moet maken als hij dit “allemaal” weet. Het gaat Hem niet om het concrete antwoord op de afzonderlijke vragen, maar om het antwoord op alle vragen, op de samenhang ervan, want alle vragen hangen met elkaar samen. Job zwijgt en antwoordt niet. In het licht van wat God aan hem vraagt, begint het tot hem door te dringen dat hij “woorden zonder kennis” heeft gesproken (vers 22Wie is hij die [Mijn] raad duister maakt
met woorden zonder kennis?
)
.


Waar komt het licht vandaan?

19Waarheen is de weg [waar] het licht woont?
En de duisternis, waar is zijn [woon]plaats,
20zodat u die naar zijn gebied kunt brengen,
en dat u de paden naar zijn huis kunt opmerken?
21U weet het [vast wel], want u was toen [al] geboren,
en uw dagen zijn groot in aantal.

Na een eerdere vraag over het licht (vers 1212Hebt u in uw dagen de morgen ontboden?
Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen,
)
vraagt God nu aan Job of hij weet waar het licht verblijft als het zich vanwege het invallen van de duisternis terugtrekt (vers 1919Waarheen is de weg [waar] het licht woont?
En de duisternis, waar is zijn [woon]plaats,
)
. Waar woont het licht? Kan hij de weg laten zien die naar die woonplaats leidt? En kan hij ook de woonplaats van de duisternis aanwijzen? Als het weer licht wordt, trekt de duisternis zich terug. Als Job de woonplaats weet, dan kan hij het licht naar zijn gebied begeleiden (vers 2020zodat u die naar zijn gebied kunt brengen,
en dat u de paden naar zijn huis kunt opmerken?
)
.

God gebruikt hier prachtige beeldspraak. Hij stelt het licht voor als op reis. Licht is altijd in beweging en heeft geen vaste verblijfplaats, maar is op weg. In tegenstelling daarmee is de duisternis, de afwezigheid van licht, tot een plaats beperkt, “zijn [woon]plaats”. Door de wijze waarop God hierover spreekt, wordt het duidelijk hoe onmogelijk het voor de mens is om aan te wijzen waar het licht verblijft als het nacht is en waar de duisternis verblijft als het dag is.

‘Maar’, zegt God ironisch tegen Job, ‘u weet het natuurlijk wel, want u was erbij toen zij geschapen werden (vers 2121U weet het [vast wel], want u was toen [al] geboren,
en uw dagen zijn groot in aantal.
)
. U bent immers al zo lang op aarde, dat u zich wel herinnert dat licht en duisternis van elkaar werden gescheiden’ (Gn 1:44En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.). God zegt daarmee op een zachte en tegelijk duidelijke manier dat Job er helemaal niets van weet. We horen ook hier geen reactie van Job. Zijn zwijgen zegt veel.

Wij weten door het geloof dat God de bron van het licht is en dat Hij licht en duisternis heeft geschapen (Gn 1:3-53En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.4En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.5En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.). We weten uit ervaring, door de wetmatigheid die we elk etmaal waarnemen, het verschil tussen licht en duisternis. Maar hoe het een voor het ander in de plaats komt, de oorzaak daarvan, weten we niet. Die oorzaak is God Zelf en Hij is niet te doorgronden. Dat besef brengt ons tot aanbidding (Rm 11:33-3633O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!34Want wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?35Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden?36Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.).


Het weer

22Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?
Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,
23die Ik achterhoud voor een tijd van benauwdheid,
voor een dag van strijd en oorlog?
24Waarheen is de weg [waar] het licht zich verdeelt,
[en] de oostenwind zich verspreidt over de aarde?
25Wie klieft voor de [stort]vloed een waterloop,
en een weg voor het weerlicht van de donder,
26om het te laten regenen op het land, [waar] niemand is,
[op] de woestijn, waarin geen mens is,
27om [het gebied van] verwoesting en vernietiging te verzadigen,
en om het opkomende groen te laten groeien?
28Heeft de regen een vader?
Of wie brengt de druppels van de dauw voort?
29Uit wiens buik komt het ijs naar buiten?
En wie baart de rijp van de hemel?
30Het water wordt hard als een steen,
en het oppervlak van de watervloed raakt vastgevroren.

God wijst Job op “de schatkamers van de sneeuw” en “de schatkamers van de hagel” (vers 2222Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?
Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,
)
. De schatkamers zijn de wolken. Er zijn daarin geen voorraden sneeuw en hagel aanwezig, maar wel de waterdamp om ze te vormen. God hoeft alleen maar de weersomstandigheden te besturen om in de wolken sneeuw en hagel te laten ontstaan. Heeft Job er al eens een kijkje in genomen om te zien hoe ze gemaakt worden?

We weten nu natuurkundig hoe sneeuw en hagel ontstaan, maar weten we hoe het komt dat de weersomstandigheden zo zijn dat ze kunnen ontstaan? De mens weet al veel over weersverschijnselen, maar is er nog ver van verwijderd alle verschijnselen te begrijpen, laat staan ze te veroorzaken of te verhinderen.

Het gebruik dat God van natuurgeweld maakt, licht Hij voor Job toe in Zijn gebruik van de hagel. Hij licht hem in over het doel dat Hij daarmee heeft (vers 2323die Ik achterhoud voor een tijd van benauwdheid,
voor een dag van strijd en oorlog?
)
. Aan dat aspect denkt een mens al helemaal niet. God zegt hier dat Hij ze bewaart om daardoor “een tijd van benauwdheid” over Zijn volk te brengen en hen daardoor tot bekering op te roepen. Dan gebruikt Hij de hagel als tuchtroede. Hij zal de hagel ook inzetten op “een dag van strijd en oorlog” om de vijanden van Zijn volk te oordelen en Zijn volk te bevrijden. We hebben daarvan enkele voorbeelden in de Schrift (Ex 9:2323Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel, en de HEERE gaf donder en hagel. Vuur schoot naar de aarde, en de HEERE liet hagel neerkomen op het land Egypte.; Jz 10:1111Het gebeurde, toen zij voor Israël vluchtten [en] de helling van Beth-Horon af[gingen], dat de HEERE vanuit de hemel grote stenen op hen wierp, tot Azeka toe, zodat zij stierven. Er waren er meer die door de hagelstenen stierven, dan die de Israëlieten met het zwaard doodden.; Ps 18:13-1413Door de lichtglans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken weg.
Hagel en vurige kolen!
14De HEERE deed het in de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.
; Js 28:1717Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.
De hagel zal het toevluchtsoord van de leugen wegvagen,
het water zal de schuilplaats overspoelen.
; Ez 13:1313Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een [alles] wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een [vernietigend] einde.; Op 16:2121En een grote hagel, [elke steen] ongeveer een talent zwaar, viel uit de hemel op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag daarvan is zeer groot.)
.

Kan Job ook zeggen waarheen de weg is waar het licht zich verdeelt (vers 2424Waarheen is de weg [waar] het licht zich verdeelt,
[en] de oostenwind zich verspreidt over de aarde?
)
? Als het dag wordt, verdeelt het licht zich op aarde. Het lijkt vanuit een verzamelplaats in het oosten te komen en zich dan ineens over de aarde te verspreiden. Kan Job er iets over zeggen hoe dat in zijn werk gaat? Weet hij waarom het in het ene seizoen op het ene halfrond van de aarde steeds langer dag is en in hetzelfde seizoen op het andere halfrond steeds korter dag is? Op de Noordpool en op de Zuidpool is het zelfs zo, dat het afwisselend zes maanden dag en zes maanden nacht is. De mens kan dat constateren en door studie van de natuurwetten ook aangeven hoe het proces verloopt, maar de oorzaak ervan waardoor dat proces zich precies voltrekt, is alleen bij God bekend.

Wat voor het daglicht geldt, geldt ook voor de oostenwind. De oostenwind waait uit de richting van waar de zon opkomt. Hij neemt de hitte van de zon mee en verspreidt die over de aarde. Waardoor de wind gaat waaien, is ook natuurkundig uit te leggen. Daardoor is het ook redelijk voorspelbaar uit welke hoek de wind zal waaien en met welke kracht. Het feit dat deze wind uit het oosten komt, zegt iets over de windrichting, maar niet welke weg de wind neemt. Het blijft een raadsel hoe de wind zich verspreidt. Niemand weet van de wind “waar hij vandaan komt en waar hij heengaat” (Jh 3:88De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heengaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is.).

In vers 2525Wie klieft voor de [stort]vloed een waterloop,
en een weg voor het weerlicht van de donder,
spreekt God over het klieven van een waterloop voor de stortvloed. Dit is ook weer prachtige beeldspraak, waarmee God aansluit bij het spraakgebruik dat onder de mensen gebruikelijk is. Mensen graven geulen om een grote hoeveelheid water naar plaatsen te dirigeren waar het nodig is. Maar wie graaft die waterloop in de lucht om de watermassa van de stortvloed te verspreiden? Dat kan geen mens doen. Maar voor God is dat een kleinigheid. Hij “klieft” de wolken, waardoor zij breken. Op die manier laat Hij de stortvloed op diverse plaatsen neerkomen.

Heeft Job ook een idee wie een weg klieft voor het weerlicht van de donder? God stelt het zo voor, dat er voor de bliksem een pad in de donkere wolk wordt geopend. De bliksem lijkt ineens door de donkere wolk heen te breken. Alsof de weg is vrijgemaakt van hindernissen, volgt hij een zigzag koers door de lucht naar beneden. De vraag is wie hem de vrijheid geeft en zijn weg heeft klaargemaakt die hij vervolgens gaat. Wie anders kan dat zijn dan de Almachtige?

Het openbreken van de wolken heeft een doel. Het is “om het te laten regenen op het land, [waar] niemand is, [op] de woestijn, waarin geen mens is” (vers 2626om het te laten regenen op het land, [waar] niemand is,
[op] de woestijn, waarin geen mens is,
)
. Dit kan in onze ogen een zinloze actie zijn, een verspilling van kostbare regen die elders zo hard nodig is. Maar een dergelijke beoordeling bewijst onze kortzichtigheid. Dan zijn wij net als Job bezig en beoordelen wij God. Net als Job spreken we dan “woorden zonder kennis”.

In vers 2727om [het gebied van] verwoesting en vernietiging te verzadigen,
en om het opkomende groen te laten groeien?
verklaart God waarom Hij dat doet. Het gebied waar geen mens is, is een gebied van “verwoesting en vernietiging”. Deze omschrijving geeft aan dat het een uitzonderlijk verlaten gebied is, verlaten van mensen, maar niet van God. Als er geen mensen zijn om dat woeste gebied te bewerken, neemt Hij Zelf de zorg ervoor op Zich. Hij verzadigt het met water, want er is daar opkomend groen. Dat groen dient als voedsel voor de dieren die daar zijn (vgl. Ps 104:13-14a13Hij bevochtigt de bergen vanuit Zijn hemelzalen,
de aarde wordt verzadigd door de vrucht van Uw werken.
14Hij doet het gras groeien voor de dieren,
het gewas ten dienste van de mens.
Hij brengt voedsel uit de aarde voort:
)
. God zorgt niet alleen voor de mensen, maar ook voor de dieren in de woestijn.

God vraagt Job of de regen een vader heeft (vers 2828Heeft de regen een vader?
Of wie brengt de druppels van de dauw voort?
)
. Daarmee bedoelt Hij of Job weet wat de oorsprong van de regen is, wie ervoor zorgt dat het gaat regenen. En weet Job soms wie de ontelbare druppels van de dauw voortbrengt? Het een noch het ander is mensenwerk. Mensen kunnen ook niet verklaren hoe ze ontstaan. Voor het geloof is het eenvoudig. De Godvrezende belijdt dat als volgt: Zijn er onder de nietige [afgoden] van de heidenvolken die het laten regenen, of kan de hemel regendruppels geven? Bent U dat niet, de HEERE, onze God? Wij zien naar U uit, want al deze dingen doet U!” (Jr 14:2222Zijn er onder de nietige [afgoden] van de heidenvolken die het laten regenen,
of kan de hemel regendruppels geven?
Bent U dat niet, de HEERE, onze God?
Wij zien naar U uit,
want al deze dingen doet U!
)
.

God is de vader of verwekker van de regen en Hij is ook de moeder van de druppels van de dauw. In deze zelfde zin spreekt God ook over het ontstaan van de natuurverschijnselen “ijs” en “rijp” (vers 2929Uit wiens buik komt het ijs naar buiten?
En wie baart de rijp van de hemel?
)
. Beide zijn de tegenhangers van de regen en de dauw. De hagelstenen zijn in de lucht bevroren regen en vallen op de grond. De rijp ontstaat door bevriezing van dauw waardoor ijskristallen ontstaan. Dat is een prachtig gezicht en levert schitterende plaatjes op. Maar is er iemand in staat de rijp op alle bomen te leggen? Het is het werk van God alleen. Hij stelt het voor alsof Hij de moeder daarvan is. Uit Zijn buik komt het ijs naar buiten en Hij baart de rijp van de hemel. Het gevolg is dat “het water … hard als steen” wordt en “het oppervlak van de watervloed … vastgevroren” raakt (vers 3030Het water wordt hard als een steen,
en het oppervlak van de watervloed raakt vastgevroren.
; Jb 37:1010Door de adem van God geeft Hij ijs,
zodat de brede wateren verstijven.
)
.

Wij zijn zo gewend aan de idee dat er ijs op het water komt als de temperatuur onder het vriespunt daalt, dat het wonder ervan ons ontgaat en nog meer dat we er niet denken aan Wie dat doet. Maar is het niet een groot mysterie dat in korte tijd een vloeibare watermassa verborgen wordt onder een laag ijs? Welke geschapen macht is in staat een zo grote verandering aan te brengen en dat zonder enig geluid te maken? Dit kan alleen een almachtige Schepper, Die hierin op onhoorbare wijze Zijn kracht toont. Het water waar eerst schepen doorheen voeren, wordt nu zo hard als een steen waardoor men eroverheen kan lopen, zelfs met zware lasten.


De hemellichamen

31Kunt u de banden van het Zevengesternte vastbinden,
of de ketenen van de Orion losmaken?
32Kunt u de Mazzarot tevoorschijn laten komen op zijn tijd,
en kunt u de Wagen met zijn kinderen leiden?
33Kent u de verordeningen van de hemel,
of kunt u op aarde zijn beleid bepalen?

God richt de blik van Job naar boven, naar de sterrenhemel (vers 3131Kunt u de banden van het Zevengesternte vastbinden,
of de ketenen van de Orion losmaken?
)
. Hij plaatst Job oog in oog met het onmetelijke heelal. Niemand heeft ooit het heelal kunnen doorgronden. Met steeds sterkere telescopen kan men steeds dieper in het heelal kijken. De getallen die worden genoemd over afstanden en omvang van sterren en planeten en de ruimte van het heelal, zijn duizelingwekkend. We kunnen dat niet bevatten. En voortdurend worden nieuwe sterrenstelsels ontdekt. Al die sterren heeft Hij met Zijn vingers gemaakt en een plaats in het heelal gegeven. Het bepaalt de mens bij de onbeschrijflijke grootheid van God en zijn eigen absolute nietigheid (Ps 8:4-54Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
5wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
)
.

In zijn ongebreidelde nieuwsgierigheid vraagt de mens zich af waar de grens van het heelal is. Er zijn al heel wat sterrenstelsels in kaart gebracht, maar, zo wordt gezegd, het is nog maar een miljoenste deel van het heelal, althans van wat zij denken dat het heelal of universum is. En een grens is nog nooit ontdekt.

Voor het geloof is het weer eenvoudig. God heeft hemel en aarde geschapen, het universum. Hij heeft de hemel bekleed met ontelbare sterren. Van elke ster kent Hij de naam (Ps 147:4-54Hij telt het aantal sterren,
Hij noemt ze alle bij [hun] naam.
5Onze Heere is groot en geweldig in kracht,
Zijn inzicht is onmetelijk.
; Js 40:2626Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door [Zijn] grote vermogen en [Zijn] sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.
)
. Hij noemt Job de namen van “het Zevengesternte” en “de Orion” (vgl. Jb 9:99Hij maakt de Grote Beer, de Orion,
het Zevengesternte en de Kamers van het Zuiden.
)
. Daaraan verbindt Hij de vraag of Job van de een de banden kan vastbinden en van de ander de ketenen kan losmaken. Kan Job deze hemellichamen vastbinden zodat ze gestopt worden in hun beweging door het heelal, of kan hij ze losmaken, zodat ze een andere baan volgen dan die hun door God is voorgeschreven?

Kan Job er soms voor zorgen dat “de Mazzarot” op de voor hem bestemde tijd tevoorschijn komt (vers 3232Kunt u de Mazzarot tevoorschijn laten komen op zijn tijd,
en kunt u de Wagen met zijn kinderen leiden?
)
? Mogelijk zijn het zuidelijke sterren die bij hun verschijning de zomer aankondigen. Of is hij zo machtig, dat hij “de Wagen met zijn kinderen leiden” kan? Dat is een noordelijk sterrenbeeld waarvan de Grote Beer of de Wagen de helderste ster is en “zijn kinderen” de minder heldere zijn.

God heeft de sterrenbeelden als “verordeningen van de hemel” in het heelal geplaatst (vers 3333Kent u de verordeningen van de hemel,
of kunt u op aarde zijn beleid bepalen?
)
. De verordeningen zijn de wetmatigheden die Hij heeft ingesteld, de vaste plaats die sterren ten opzichte van elkaar hebben en de vaste regelmaat waarmee de hemellichamen zich in het heelal voortbewegen (Ps 148:66Hij heeft ze vast doen staan, voor eeuwig en altijd,
hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.
; Jr 31:35-3635Zo zegt de HEERE,
Die de zon tot een licht geeft overdag
en de vaste orde van maan en sterren
tot een licht in de nacht,
Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
36Als deze verordeningen [ooit] zouden wijken
van voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE,
[dan] zou ook het nageslacht van Israël ophouden
een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!
)
. Kent Job die verordeningen? Heeft hij inzicht in hun werking?

Toen God de sterren(beelden) schiep, zei Hij dat ze onder andere “tot aanduiding van vaste tijden” (Gn 1:1414En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!) zouden zijn. Daarbij kunnen we denken aan de seizoenen (vgl. Gn 8:2222Voortaan, al de dagen van de aarde,
zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte,
zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.
)
. Dat betekent dat God door middel van de verordeningen van de hemel Zijn beleid op aarde bepaalt. Het verschijnen en verdwijnen (niet meer zichtbaar zijn) van sterren staat ook in verbinding met het wisselen van de seizoenen. Kan Job een bijdrage leveren aan de uitvoering van dat door God ingestelde beleid? Ook hier is het stellen van de vraag tegelijk het antwoord erop.


De wolken en de controle daarover

34Kunt u uw stem tot de wolken verheffen,
zodat een overvloed van water u overdekt?
35Kunt u bliksemflitsen sturen, zodat zij gaan,
en tegen u zeggen: Zie, [hier] zijn wij?
36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gelegd?
Of wie heeft aan het hart het inzicht gegeven?
37Wie kan de wolken met wijsheid tellen?
En wie kan de kruiken van de hemel neerleggen,
38zodat het stof vast wordt als iets dat gegoten is,
en de kluiten aan elkaar kleven?

In vers 3434Kunt u uw stem tot de wolken verheffen,
zodat een overvloed van water u overdekt?
komt God terug op het weer, op de wolken en de regen. Hij vraagt aan Job of hij zo hard kan roepen, dat de wolken hem horen en hem gehoorzamen, zodat er een stortbui over hem heen komt. Natuurlijk kan Job dat niet. Hij kan zo hard en zo lang roepen als hij wil, maar de wolken zullen onbewogen hun weg vervolgen zonder een druppel water te laten vallen. Ze luisteren alleen naar de stem van God. Als we willen dat het regent, moeten we dat aan Hem vragen (Zc 10:11Vraag de HEERE om regen ten tijde van de late regen.
De HEERE maakt de onweerswolken,
en Hij zal hun regen geven
voor ieder gewas op het veld,
; Jk 5:1818En hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort.)
.

Ook bij het versturen en gebieden van de bliksemflitsen komt Job er niet aan te pas (vers 3535Kunt u bliksemflitsen sturen, zodat zij gaan,
en tegen u zeggen: Zie, [hier] zijn wij?
)
. God alleen heeft daarover het gezag (Lv 10:22Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.; Nm 11:11En het gebeurde, toen het volk zich beklaagde, [dat] het kwaad was in de oren van de HEERE, want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontbrandde. En het vuur van de HEERE brandde onder hen en verteerde, aan de rand van het kamp.; 16:3535En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.; 2Kn 1:10,1210Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman over vijftig: Als ik een man Gods ben, laat er [dan] vuur uit de hemel neerkomen en u en uw vijftigtal verteren. Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal.12Maar Elia antwoordde en sprak tot hen: Als ik een man Gods ben, laat er [dan] vuur uit de hemel neerkomen en u en uw vijftigtal verteren. Toen kwam het vuur van God uit de hemel neer en verteerde hem en zijn vijftigtal.). Ze gaan en komen op Zijn bevel en staan in Zijn dienst.

Alles wat een mens kan zien van de schepping, alles wat hij aan wijsheid daarover heeft, is door God in zijn binnenste gelegd (vers 3636Wie heeft de wijsheid in het binnenste gelegd?
Of wie heeft aan het hart het inzicht gegeven?
)
. Niemand heeft enig inzicht in de werken van God anders dan door het inzicht dat God in zijn hart legt. De mens is van nature verduisterd in zijn verstand (Ef 4:1818verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.). Daardoor tast hij in het duister over het ontstaan van de schepping. Alleen als God hem wijsheid en inzicht geeft, ziet hij hoe alles is ontstaan en ook hoe alles in stand wordt gehouden.

Ondanks de wijsheid die en het inzicht dat God een mens kan geven, blijft de mens onbekwaam om de wolken met wijsheid te tellen (vers 3737Wie kan de wolken met wijsheid tellen?
En wie kan de kruiken van de hemel neerleggen,
)
. Alleen God kan het aantal wolken tellen, zodat er genoeg zijn om ergens een door Hem bepaalde hoeveelheid regen uit te gieten. Ook kan geen mens “de kruiken van de hemel neerleggen”, waarmee wordt bedoeld dat de wolken als kruiken zijn die met water zijn gevuld en die worden neergelegd om het water eruit te laten lopen (vgl. Jb 26:88Hij bindt het water in Zijn wolken;
toch scheurt de wolk daaronder niet.
)
.

Wat de regen met het stof en met de kluiten doet, is en blijft een wonder voor de mens (vers 3838zodat het stof vast wordt als iets dat gegoten is,
en de kluiten aan elkaar kleven?
)
. Het onsamenhangende stof klontert door het water, en als het opdroogt, wordt het als “iets dat gegoten is”, dat wil zeggen dat het hard wordt als gegoten metaal. Kluiten die hard zijn, worden door het water zacht en kleven aan elkaar. De mens kan dit proces als zodanig niet namaken. Het is niet door een mens bedacht. God heeft dat proces in Zijn schepping opgenomen.

Als toepassing kunnen we hier een liefdevolle handeling van God met de mens zien. Hij is het Die de regen geeft. De mens is stof (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
; Jb 30:1919Hij heeft mij in het slijk geworpen,
en ik ben gelijk geworden aan stof en as.
)
en reageert van nature met verharding (Ef 4:1818verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.) op de gave van God. God moet eerst een werk aan de mens doen, Hij moet de ‘grond’ van zijn hart ploegen en voorbereiden, zodat Zijn woord aangenomen wordt (vgl. Mt 13:3-9,18-233En Hij sprak tot hen vele dingen in gelijkenissen en zei: Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.4En terwijl hij zaaide, vielen sommige [zaden] bij de weg, en de vogels kwamen en aten ze op.5Andere nu vielen op de rotsachtige bodems, waar ze niet veel aarde hadden, en ze kwamen terstond op, doordat ze geen diepe aarde hadden.6Toen echter de zon was opgegaan, verschroeiden ze, en doordat ze geen wortel hadden, verdorden ze.7Andere [zaden] nu vielen tussen de dorens, en de dorens schoten op en verstikten ze.8Andere [zaden] nu vielen in de goede aarde en gaven vrucht, het ene honderdvoudig, het andere zestigvoudig en het andere dertigvoudig.9Wie oren heeft <om te horen>, laat hij horen.18U dan, hoort de gelijkenis van de zaaier.19Als iemand het Woord van het koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft weg wat in zijn hart was gezaaid; dit is hij die bij de weg is gezaaid.20Hij nu die op de rotsachtige bodems is gezaaid, die is het die het Woord hoort en het terstond met vreugde aanneemt;21hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar is [iemand] van het ogenblik; als nu verdrukking of vervolging komt om het Woord, dan wordt hij terstond ten val gebracht.22Hij nu die tussen de dorens is gezaaid, die is het die het Woord hoort, en de zorg van het leven en het bedrieglijke van de rijkdom verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar.23Hij nu die in de goede aarde is gezaaid, die is het die het Woord hoort en verstaat, die dus vrucht draagt en voortbrengt, de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig en de ander dertigvoudig.). Het zwijgen van Job toont aan dat Gods ploeg al diepe voren in zijn hart heeft getrokken.


Lees verder