Job
1-8 God heeft van niemand iets nodig 9-13 Waarom God soms niet antwoordt 14-16 Leren wachten
God heeft van niemand iets nodig

1Verder antwoordde Elihu en zei:
2Beschouw je dat als recht, [dat] je gezegd hebt:
Mijn gerechtigheid is meer dan die van God?
3Want je zegt: Wat baat het je?
In welk opzicht geeft [dit] mij meer voordeel dan wanneer ik zondig?
4Ík zal [met] woorden antwoord geven,
en je vrienden met je.
5Kijk naar de hemel en zie,
en aanschouw de wolken, die hoger zijn dan jij.
6Als je zondigt, wat doe je [dan] tegen Hem?
Als je overtredingen talrijk zijn, wat doe je Hem [daarmee] aan?
7Als je rechtvaardig bent, wat geef je Hem [daarmee],
of wat ontvangt Hij uit jouw hand?
8Je goddeloosheid zou zijn tegen een man zoals jij,
en je rechtvaardigheid zou zijn ten bate van een mensenkind.

Job heeft gesuggereerd dat Godvruchtig leven geen nut heeft bij God. Daarom gaat Elihu verder met Job te antwoorden en hem te onderwijzen over het ware Godvruchtige leven, mogelijk na een pauze om Job gelegenheid te geven tot een reactie, die echter niet komt (vers 11Verder antwoordde Elihu en zei:
)
. Hij haalt weer iets aan wat Job heeft gezegd (vers 22Beschouw je dat als recht, [dat] je gezegd hebt:
Mijn gerechtigheid is meer dan die van God?
; Jb 32:22Toen ontstak de woede van Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontstak zijn woede, omdat die zichzelf rechtvaardigde tegenover God.)
. Hij zegt in vragende vorm tegen Job of hij het rechtvaardig vindt dat zijn gerechtigheid “meer dan die van God” is. Job vindt dat hij gelijk heeft met de beoordeling van zijn situatie en dat God ongelijk heeft door hem zo te behandelen.

Elihu licht in vers 33Want je zegt: Wat baat het je?
In welk opzicht geeft [dit] mij meer voordeel dan wanneer ik zondig?
met een nieuw citaat van Job toe wat Job in vers 22Beschouw je dat als recht, [dat] je gezegd hebt:
Mijn gerechtigheid is meer dan die van God?
heeft beweerd. Het woord “want” geeft dat aan. Job heeft namelijk beweerd dat niet zondigen niet meer voordeel oplevert dan wel zondigen (vgl. Jb 9:2222Het is een [en hetzelfde]; daarom zeg ik:
Hij brengt zowel de oprechte als de goddeloze om.
; 10:1515Als ik schuldig ben, wee mij!
En als ik rechtvaardig ben, zal ik mijn hoofd niet opheffen,
ik ben verzadigd van schande; zie mijn ellende aan!
)
. Hij heeft niet gezondigd en toch heeft God de vreselijkste rampen over hem gebracht. Wel, dan heeft het ook geen zin om God te vrezen. Paulus spreekt daar heel anders over als hij zegt dat Godsvrucht met tevredenheid wel voordeel, zelfs een grote winst, oplevert (1Tm 6:66Nu is de Godsvrucht met tevredenheid inderdaad een grote winst;; vgl. Ml 3:1414U zegt: God dienen is nutteloos!
Wat voor nut heeft het dat wij [onze] taak ten behoeve van Hem vervullen
en dat wij in het zwart gaan
voor het aangezicht van de HEERE van de legermachten?
)
.

Maar Elihu (‘ík’ heeft nadruk) zal Job daarop antwoorden met woorden die hem duidelijk zullen maken dat hij zich zeer vergist (vers 44Ík zal [met] woorden antwoord geven,
en je vrienden met je.
)
. Dat antwoord is niet alleen voor Job bestemd, maar ook voor zijn vrienden. Ook zij moeten goed naar Elihu luisteren omdat zij Job hebben beschuldigd vanuit hun verkeerde kijk op God.

In vers 55Kijk naar de hemel en zie,
en aanschouw de wolken, die hoger zijn dan jij.
spreekt Elihu over Gods grootheid in de schepping. Aan het einde van zijn toespraak zal hij over niets anders meer spreken. Daar, vanaf Job 36:26, spreekt hij over de wolken en het weer om daarmee te wijzen op Gods besturing van alle dingen. Hij heeft de dingen in de schepping zo ingericht, dat wij die niet kunnen beïnvloeden. Hij is zoveel hoger dan Job.

Elihu wijst Job op de hemel en de wolken boven hem. Daarbij vergeleken moet hij zich toch wel heel nietig voelen. Ze zijn enorm ver boven hem verheven. Wat kan hij ermee doen? Helemaal niets. Hij kan ze niet aanraken en niet bereiken. Ze liggen volledig buiten zijn machtsgebied. De hemel strekt zich onbewogen boven hem uit. De wolken drijven voorbij. Op geen van beide kan hij invloed uitoefenen, waardoor ze van plaats of koers veranderen.

Zo is het ook met God. Als Job of een mens tegen God zondigt, verandert dat niets aan of in Hem (vers 66Als je zondigt, wat doe je [dan] tegen Hem?
Als je overtredingen talrijk zijn, wat doe je Hem [daarmee] aan?
; vgl. Jr 7:1919Verwekken zij Mij tot toorn? spreekt de HEERE. [Doen zij het] zichzelf niet aan, tot schande van hun [eigen] gezicht?)
. Hij blijft altijd dezelfde God Die oneindig ver boven hem verheven is. Al overtreedt een mens talrijke keren Zijn geboden, dan wordt Hij daar niet negatief door beïnvloed, het beschadigt Hem niet. De mens kan Hem niets afnemen.

Hetzelfde geldt in het tegenovergestelde geval (vers 77Als je rechtvaardig bent, wat geef je Hem [daarmee],
of wat ontvangt Hij uit jouw hand?
)
. Als Job of een mens als een rechtvaardige leeft, wordt God daar niet rijker door. Een mens kan Hem niets geven wat Hij niet bezit, want alles is van Hem. God is op niemand aangewezen, er ontbreekt Hem niets. Hij heeft alle geluk in Zichzelf, Hij is “de gelukkige God” (1Tm 1:1111volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd.). Niemand kan Zijn geluk verminderen of vermeerderen. Hij kan er wel anderen in laten delen. Dat is het grote onderwerp van het Nieuwe Testament: de liefde van God.

Nee, Jobs slechte of goede daden hebben geen enkel effect op God. Wat Job doet, heeft alleen gevolgen voor andere mensen. Als hij goddeloosheid zou bedrijven en daarmee Gods Naam oneer zou aandoen, heeft dat alleen gevolgen voor zijn gelijke, een man als hij (vers 88Je goddeloosheid zou zijn tegen een man zoals jij,
en je rechtvaardigheid zou zijn ten bate van een mensenkind.
)
. Die berokkent hij schade door zijn goddeloosheid. Hetzelfde geldt voor een rechtvaardige daad die hij zou doen. Daar zou alleen een mensenkind bij gebaat zijn.


Waarom God soms niet antwoordt

9Vanwege de vele verdrukkingen laten zij [de onderdrukten] om hulp roepen;
zij schreeuwen het uit vanwege de arm van de groten.
10Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker,
Die psalmen geeft in de nacht?
11Die ons meer wijsheid bijbrengt dan de dieren op de aarde,
en ons wijzer maakt dan de vogels in de lucht?
12Daar roepen zij, maar Hij antwoordt niet,
vanwege de hoogmoed van de kwaaddoeners.
13Zeker zal God de leugen niet verhoren,
en de Almachtige zal die niet aanschouwen.

God staat wel ver boven de mens, maar is daarom nog niet zonder aandacht voor de mens. Dat kan wel zo lijken, omdat Hij soms geen antwoord geeft op hulpgeroep (vers 99Vanwege de vele verdrukkingen laten zij [de onderdrukten] om hulp roepen;
zij schreeuwen het uit vanwege de arm van de groten.
)
. Dat hulpgeroep komt tot Hem van onderdrukten die het uitschreeuwen omdat “de arm van de groten” zwaar op hen drukt. En die onderdrukkingen gaan maar door, zonder dat God ingrijpt. Ze schreeuwen het wel uit, maar dat is alleen om uit de macht van hun onderdrukkers bevrijd te worden en niet om vrij te zijn voor God.

Ze roepen niet tot Hem in de erkenning dat Hij hun Maker is (vers 1010Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker,
Die psalmen geeft in de nacht?
)
. Job heeft dat wél erkend (Jb 10:88Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt.
Zij zijn beide om [mij] heen, en U verslindt mij.
)
. Die erkenning ontbreekt bij de verdrukten. Zou die er wel zijn, dan zou dat inhouden dat ze Hem ook dienen en dat willen ze niet. Door hun ontkenning van hun Maker blokkeren ze ook de weg naar een blij leven, een leven dat ze zullen leven zelfs als de omstandigheden heel moeilijk zijn, als het nacht in hun leven is. God geeft aan hen die Hem als hun Maker erkennen “psalmen … in de nacht” (vgl. Hd 16:2525Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.; Ps 42:99Maar de HEERE zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden;
's nachts zal Zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God van mijn leven.
)
. Dat is, omdat zij vertrouwen in Hem hebben in de moeilijkheden. Maar dan moeten ze wel een relatie met Hem hebben.

De erkenning van de mens als rechtopstaand wezen dat God zijn Maker is, is de wijsheid die hij bezit boven de dieren op aarde en de vogels in de lucht (vers 1111Die ons meer wijsheid bijbrengt dan de dieren op de aarde,
en ons wijzer maakt dan de vogels in de lucht?
)
. Bij de dieren is geen Godsbesef aanwezig. Zij roepen wel tot Hem (Ps 147:99Die aan het vee zijn voedsel geeft
en aan de jonge raven wanneer zij roepen.
)
, maar zonder Godsbesef. De mens die Hem niet als Maker erkent, is niet eens gelijk aan deze dieren, maar verlaagt zichzelf tot beneden de dieren. Dieren weten niet beter, terwijl de mens God moedwillig als zijn Maker buitensluit (2Pt 3:55Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het Woord van God [de] hemelen van oudsher waren en een aarde bestaande uit water en door water,; Rm 1:19-2319omdat wat van God gekend kan worden, onder hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard20– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,21omdat zij, hoewel zij God kennen, [Hem] als God niet verheerlijkt of gedankt hebben, maar in hun overleggingen zijn zij tot dwaasheid vervallen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.22Bewerend wijzen te zijn, zijn zij dwaas geworden23en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door [iets] dat lijkt op [het] beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.).

Zulke mensen roepen wel tot God als ze in nood zijn (vers 1212Daar roepen zij, maar Hij antwoordt niet,
vanwege de hoogmoed van de kwaaddoeners.
)
, maar ze willen zich niet voor Hem als hun Maker buigen. Hun roepen is onoprecht en hol. Ze zijn hoogmoedig en daarom antwoordt God niet. Elihu stelt dat God niet onverschillig is voor mensen, maar dat de mensen onverschillig zijn voor Hem. De mensen willen dat God hen redt, maar ze zijn er niet in geïnteresseerd Hem te eren als hun Schepper, Bevrijder en Bron van wijsheid.

Dit is het soort mensen dat honger heeft en brood wil, terwijl ze God niet willen. Dat heeft de Heer Jezus ook gezegd tegen de menigte: “U zoekt Mij … omdat u van de broden hebt gegeten en verzadigd bent” (Jh 6:2626Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: u zoekt Mij, niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u van de broden hebt gegeten en verzadigd bent.). Hun hart ging alleen naar Hem uit omdat Hij hun een volle maag gaf, maar Zijn boodschap wilden ze niet. Een beroep op God moet in de juiste geest geschieden, in de erkenning van Wie Hij is (Ps 51:1919De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
)
.

God luistert niet naar de leugen, naar wat niet in overeenstemming met de waarheid is (vers 1313Zeker zal God de leugen niet verhoren,
en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
)
. De blindgeborene sluit zich bij Elihu aan als hij zegt: “Wij weten dat God geen zondaars hoort, maar als iemand Godvrezend is en Zijn wil doet, die hoort Hij” (Jh 9:3131Wij weten dat God geen zondaars hoort, maar als iemand Godvrezend is en Zijn wil doet, die hoort Hij.). God verhoort de leugenspreker niet en als de Almachtige ziet Hij hem niet staan. Hij keert oor en oog van hem af. God kan alleen iemand aanschouwen in verbinding met Christus. Een zondaar die erkent een zondaar te zijn, mag weten dat Christus voor hem alles heeft volbracht. Op grond daarvan neemt God hem aan.


Leren wachten

14Zo [is het] ook wanneer u zegt dat u Hem niet waarneemt.
Er is [echter] een rechtszaak voor Zijn aangezicht, wacht dan op Hem.
15Welnu, omdat Zijn toorn niet gestraft heeft,
en [omdat] Hij weinig aandacht aan de dwaasheid heeft geschonken,
16heeft Job met vluchtigheid zijn mond geopend,
[en] zonder kennis woorden vermenigvuldigd.

Elihu heeft uitgelegd waarom God soms niet antwoordt als er tot Hem wordt geroepen. Hij bedoelt daarmee niet te zeggen dat Job een hoogmoedige zondaar is, die onoprecht is en God niet vreest. God Zelf heeft daarover Zijn duidelijke getuigenis laten horen (Jb 1:1,81Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job. En die man was vroom en oprecht; hij was Godvrezend en keerde zich af van het kwaad.8De HEERE zei tegen de satan: Hebt u [ook] acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is Godvrezend en keert zich af van het kwaad.; 2:33De HEERE zei tegen de satan: Hebt u [ook] acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is Godvrezend en keert zich af van het kwaad. Hij houdt nog steeds vast aan zijn vroomheid, hoewel u Mij tegen hem opgezet hebt om hem zonder reden te verslinden.). Wat Elihu Job wil duidelijk maken, is dat de aanleiding van het zwijgen van God bij de mens ligt.

Job heeft gezegd dat hij God niet waarneemt (vers 1414Zo [is het] ook wanneer u zegt dat u Hem niet waarneemt.
Er is [echter] een rechtszaak voor Zijn aangezicht, wacht dan op Hem.
; Jb 23:33Och, wist ik maar dat ik Hem zou vinden,
[dan] zou ik naar Zijn woonplaats toe komen.
)
, dat God niet reageert op zijn klachten en Zich niet laat zien. Hij is in grote nood en worstelt met de reden daarvan. In zijn leven kan hij geen rechtvaardiging vinden van de ellende die God over hem heeft gebracht. Daardoor is hij ertoe gekomen God van ongerechtigheid te beschuldigen en als het ware een “rechtszaak voor Zijn aangezicht” te beginnen (Jb 23:44Ik zou de rechtszaak voor Zijn aangezicht uiteenzetten,
en ik zou mijn mond vullen met [mijn] verdediging.
)
. Maar tot zijn grote teleurstelling komt God niet op de rechtszitting opdagen!

Elihu maakt Job hierover geen verwijt, maar geeft hem een advies: “Wacht dan op Hem.” Het is belangrijk dat Job een andere houding tegenover God gaat aannemen. Hij moet ophouden met God ter verantwoording te roepen en te dwingen hem te rechtvaardigen. Hij kan alleen geduldig die wachtende houding gaan aannemen als hij aanvaardt en erkent dat God geen mens is en dat hij Hem niet naar zijn hand kan zetten. God laat Zich niet commanderen. Dan zal hij wachten op God in het vertrouwen dat Hij alles in de hand heeft.

Elihu wijst Job erop dat hij dankbaar mag zijn dat God niet op zijn dagvaarding is ingegaan en niet op de door hem geplande rechtszitting is verschenen. God heeft Zich terughoudend tegenover hem opgesteld en hem in Zijn toorn niet gestraft (vers 1515Welnu, omdat Zijn toorn niet gestraft heeft,
en [omdat] Hij weinig aandacht aan de dwaasheid heeft geschonken,
)
. In diezelfde terughoudendheid heeft God ook “weinig aandacht aan de dwaasheid … geschonken” die Job over Hem heeft geuit.

Dat God Zich zo heeft opgesteld, is door Job uitgelegd als onverschilligheid. Dat heeft hem innerlijk zo in beroering gebracht, dat hij zijn mond niet kon houden (vers 1616heeft Job met vluchtigheid zijn mond geopend,
[en] zonder kennis woorden vermenigvuldigd.
)
. Er is een veelheid aan woorden uit zijn mond gekomen, zowel naar God als naar zijn vrienden, om zichzelf te verdedigen. Uit die woorden is echter gebleken dat hij geen kennis heeft van de wegen die God met een mens, met hem, gaat, en met het doel dat Hem daarbij voor ogen staat. Kortom, veel geschreeuw, maar weinig wol.

Van christenen mogen we wel inzicht verwachten over wie God is. De wetenschap dat God “zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft” (Rm 8:3232Hoe zal Hij Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?), is voldoende om in alle moeilijkheden te weten dat niets en niemand “ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heer” (Rm 8:3939noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.).


Lees verder