Job
1-7 Elihu roept Job op om te luisteren 8-13 God is groter dan Job 14-22 God spreekt één of twee keer 23-30 Gods Afgezant en Zijn werk 31-33 Elihu wil Job wijsheid leren
Elihu roept Job op om te luisteren

1Maar luister nu toch naar mijn betoog, Job!
en hoor al mijn woorden aan.
2Zie toch, ik heb mijn mond geopend;
mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
3Wat ik zeg, zal de oprechtheid van mijn hart uitspreken,
en de kennis van mijn lippen dat wat zuiver is.
4De Geest van God heeft mij gemaakt,
en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt.
5Als je kunt, antwoord mij [dan];
stel je [dan] op vóór mij, ga staan.
6Zie, ik ben voor God net als jij;
ook ik ben [maar] uit leem gevormd.
7Zie, laat mijn bedreiging je geen angst aanjagen,
en mijn hand zal niet zwaar op je drukken.

Elihu spreekt rechtstreeks tot Job, hij noemt uitdrukkelijk zijn naam, dit in tegenstelling tot de drie vrienden. Hij vraagt Job om naar zijn betoog te luisteren en al zijn woorden aan te horen (vers 11Maar luister nu toch naar mijn betoog, Job!
en hoor al mijn woorden aan.
)
. “Mijn betoog” is het hele verhaal. “Al mijn woorden” zijn de afzonderlijke woorden die het verhaal vormen. Hij spreekt zo, om de aandacht te vestigen op de belangrijkheid van wat hij gaat zeggen. Hij opent zijn mond om woorden te spreken die de moeite waard zijn om gehoord te worden (vers 22Zie toch, ik heb mijn mond geopend;
mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
)
. Zijn woorden zijn geen betekenisloze uitingen van een man die ook zijn zegje over een zaak wil doen. Het zijn woorden die hij als het ware met zijn gehemelte heeft geproefd. Hij is bedachtzaam in zijn woordkeus, hij spreekt niet onstuimig.

Wat hij zegt, komt uit een oprecht hart, en de kennis die hij uitspreekt, is zuiver (vers 33Wat ik zeg, zal de oprechtheid van mijn hart uitspreken,
en de kennis van mijn lippen dat wat zuiver is.
)
. Hij spreekt niet met verborgen bedoelingen. Het zijn geen mooie, aangenaam klinkende woorden om Job voor zijn inzichten te winnen, maar woorden die hij in oprechtheid voor God uitspreekt.

Hij kan zo spreken, omdat hij zich bewust is dat de Geest van God hem heeft gemaakt en dat hij door de adem van de Almachtige het leven heeft (vers 44De Geest van God heeft mij gemaakt,
en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt.
)
. Hiermee geeft hij opnieuw aan dat hij geen wijsheid van zichzelf heeft, maar alles te danken heeft aan Hem Die hem het leven heeft gegeven en hem helpt dat leven tot Zijn eer te leven. Daarom kan hij door God gebruikt worden voor Job. God kan ook ons alleen gebruiken om harten van anderen te winnen als wij dit beseffen.

In vers 55Als je kunt, antwoord mij [dan];
stel je [dan] op vóór mij, ga staan.
nodigt Elihu Job uit hem te antwoorden – zoals Job God heeft gevraagd om op zijn klacht te antwoorden (Jb 13:33Maar ík zal tot de Almachtige spreken,
en vind er behagen in [mij] voor God te verdedigen.
)
–, want daartoe heeft Job het recht. Job hoeft niet te accepteren wat Elihu zegt om wie deze is, want hij heeft zijn eigen verbinding met God. God maakt Zijn gedachten vriendelijk bekend. Het gaat Elihu er niet om Job met verwijten of verdachtmakingen te overladen, zoals de vrienden dat hebben gedaan. Hij biedt Job zijn gedachten aan op voet van gelijkheid met hem.

Elihu stelt zich niet boven Job op, maar gaat naast hem staan (vers 66Zie, ik ben voor God net als jij;
ook ik ben [maar] uit leem gevormd.
)
. Hij weet namelijk dat hij en Job beiden in dezelfde verhouding tot God staan. God heeft zowel hem als Job “uit leem gevormd” (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.; vgl. Hd 10:2626Petrus echter richtte hem op en zei: Sta op, ik ben zelf ook een mens.). Hij is net als Job een zwak, breekbaar schepsel. In zijn broosheid is hij voor God niet meer dan Job. Dit bewustzijn van eigen zwakheid is belangrijk als we een falende broeder willen winnen (Gl 6:11Broeders, zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt.). Als we iemand de voeten willen wassen, moeten we ons voor hem buigen (Jh 13:1-51Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.2En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op4en legde Zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich.5Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.).

Nadat hij zich zo naast Job heeft geplaatst, stelt hij Job gerust over wat hij gaat zeggen (vers 77Zie, laat mijn bedreiging je geen angst aanjagen,
en mijn hand zal niet zwaar op je drukken.
)
. Hij zal Job ernstige dingen voorhouden, maar Job hoeft er niet bang voor te worden. Hij zal zijn hand niet zwaar op hem laten drukken. Job voelt Gods hand zwaar op hem drukken (Jb 13:2121Doe Uw hand die op mij [drukt], ver weg,
en laat Uw bedreiging mij geen angst [meer] aanjagen.
)
. Door zich naast Job op te stellen neemt Elihu die angst weg. De vrienden hebben het lijden van Job verzwaard door hem van zonden te beschuldigen als oorzaak van zijn lijden. Dat zal Elihu niet doen. Hij zal zijn lijden niet verzwaren, maar verlichten door Gods licht erover te laten schijnen.


God is groter dan Job

8Zeker, je hebt ten aanhoren van mij gezegd,
en ik heb de stem van [je] woorden gehoord:
9Ik ben rein, zonder overtreding;
ik ben onschuldig en heb geen misdaad [begaan].
10Zie, Hij vindt gronden voor een aanklacht tegen mij,
Hij beschouwt mij als Zijn vijand.
11Hij legt mijn voeten in het blok,
Hij let op al mijn paden.
12[Maar] zie, antwoord ik jou, hierin ben je niet rechtvaardig;
want God is groter dan een sterveling.
13Waarom heb je Hem ter verantwoording geroepen?
Hij legt immers van geen van Zijn daden verantwoording af.

Elihu heeft tegen Job gezegd dat hij niet hard tegen hem zal optreden. Dat betekent niet dat hij Job niet op zijn fouten wijst en hem daarop aanspreekt. Toch spreekt hij anders dan de vrienden. Daarom komt er geen weerwoord van Job. Job is er aan toe om naar Elihu te luisteren.

Elihu begint met Job te herinneren aan iets wat hij uit zijn mond heeft gehoord (vers 88Zeker, je hebt ten aanhoren van mij gezegd,
en ik heb de stem van [je] woorden gehoord:
)
. Dit is niet vaag, raadselachtig of veronderstellend, maar concreet. Ieder die bij de gesprekken aanwezig is, zal de juistheid bevestigen. Elihu citeert niet letterlijk wat Job heeft gezegd, maar wel helemaal naar de inhoud ervan. Hij vat het betoog van Job samen en geeft de hoofdlijnen ervan weer.

Job heeft herhaaldelijk beweerd dat hij oprecht en onschuldig is (vers 99Ik ben rein, zonder overtreding;
ik ben onschuldig en heb geen misdaad [begaan].
; Jb 9:2121Ik ben oprecht, [maar] ik sla geen acht op mijn ziel;
ik veracht mijn leven.
; 10:77Het is U bekend dat ik niet schuldig ben;
maar er is niemand die redt uit Uw hand.
; 13:18,2318Zie toch, ik heb de rechtszaak uiteengezet;
ik weet dat ík rechtvaardig ben.
23Hoeveel ongerechtigheden en zonden heb ik?
Maak mij mijn overtreding en mijn zonde bekend.
; 16:1717[en dat] terwijl er geen geweld in mijn handen is,
en mijn gebed zuiver is!
; 23:1010Maar Hij kent de weg [die] ik [ga].
Laat Hij mij beproeven – ik zal er als goud uitkomen.
; 27:55Er is geen sprake van dat ik jullie gelijk zou geven;
tot ik de geest geef, zal ik mijn oprechtheid niet van mij wegdoen.
)
. Vooral in Job 31 voert hij een krachtig pleidooi voor zijn onschuld. Elihu vat dat samen in de vier begrippen “rein”, “zonder overtreding”, “onschuldig” en “geen misdaad [begaan]”. Dat was geen aanmatiging van Job. Elihu werpt Job dat ook niet als beschuldiging voor de voeten. Jobs bewering van onschuld is terecht, zoals we uit Job 1:1 weten. Job bedoelt hier niet dat hij zondeloos is (vgl. Jb 7:2121Waarom vergeeft U mijn overtreding niet,
en doet U mijn ongerechtigheid niet weg?
Want nu zal ik in het stof liggen;
U zult mij ernstig zoeken, maar ik zal er niet [meer] zijn.
; 13:2626Want U schrijft bittere dingen tegen mij uit,
en U rekent mij de ongerechtigheden van mijn jeugd toe.
)
, maar dat hij niets heeft gedaan wat het oordeel van zijn zware lijden verdient.

Maar Job is doorgeschoten door God ervan te verdenken dat Hij iets bij hem zoekt en dat Hij daarom zo met hem handelt (vers 1010Zie, Hij vindt gronden voor een aanklacht tegen mij,
Hij beschouwt mij als Zijn vijand.
)
. Job meent dat God iets bij hem zoekt om hem te kunnen aanklagen en dat Hij met hem als Zijn vijand handelt (Jb 13:2424Waarom verbergt U Uw aangezicht,
en houdt U mij voor Uw vijand?
; 19:1111Hij heeft Zijn toorn tegen mij laten ontbranden,
en mij tegenover Hem beschouwd als [een van] Zijn vijanden.
; 30:2121U bent veranderd in een wreedaard tegen mij;
met de macht van Uw hand hebt U Zich tegen mij gekeerd.
)
. Elihu heeft Job horen zeggen dat God zijn voeten in het blok legt en dat Hij op al zijn paden let (Jb 13:2727U legt mijn voeten in het blok,
en let op al mijn paden;
U maakt een teken in mijn voetzolen.
)
. Daarop gaat Elihu in (vers 1111Hij legt mijn voeten in het blok,
Hij let op al mijn paden.
)
.

Het antwoord van Elihu daarop is dat Job daarin “niet rechtvaardig” is (vers 1212[Maar] zie, antwoord ik jou, hierin ben je niet rechtvaardig;
want God is groter dan een sterveling.
)
. Hierin heeft hij niet recht gedaan aan Wie God is en wie hij zelf is. Hij is vergeten Wie God is en wie hijzelf is, want “God is groter dan een sterveling” zoals Job. Hoe heeft Job het aangedurfd God, Die zoveel groter is dan een sterveling, ter verantwoording te roepen (vers 1313Waarom heb je Hem ter verantwoording geroepen?
Hij legt immers van geen van Zijn daden verantwoording af.
)
? Dat God groter is dan een sterveling, ziet niet alleen op God als Schepper, maar hier vooral ook op de grootheid en verhevenheid van Zijn handelingen met de mens.

Verder heeft Job God ervan beschuldigd dat hij tot Hem riep, maar dat God hem niet antwoordde (Jb 19:77Zie, ik roep: Geweld! maar ik krijg geen antwoord;
ik roep om hulp, maar er is geen recht.
; 30:2020Ik roep tot U, maar U antwoordt mij niet;
ik sta [daar], maar U let niet op mij.
)
. Dat kan God toch niet maken?! Hij kan toch wel zeggen waaróm Hij hem zo laat lijden? Daar heeft hij toch recht op? Maar God is God. Hij is op geen enkele manier verplicht om van Zijn doen en laten verantwoording aan de mens af te leggen, ook niet aan de Zijnen.

Wat Job zegt, zien we in veel sterkere mate en ook in opstandige vorm keer op keer in de geschiedenis van de mensheid tot op vandaag. Bij Job is er geen opstandigheid, maar een worsteling. Hij zet geen grote mond op tegen God. Bij de opstandige mens is dat wel zo. Bij die mens is verzet, weerstand en opstand tegen Gods handelen, dat wordt ingegeven door ongeloof en zelfverheffing. De mens zet God in de beklaagdenbank en daagt Hem uit nu maar eens te vertellen waarom Hij dingen toelaat of bewerkt (Rm 9:2020Ja maar, mens, wie bent u, dat u tegen God het woord opneemt? Zal het maaksel tegen zijn maker zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?).


God spreekt één of twee keer

14Want God spreekt één of twee keer,
[maar] men slaat er geen acht op:
15in een droom, een visioen in de nacht,
als een diepe slaap op de mensen valt,
in de sluimer op de slaapplaats.
16Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen,
en Hij verzegelt hun tuchtiging,
17om de mens [van een verkeerde] daad af te brengen.
Hij verbergt de hoogmoed voor een man.
18Hij houdt zijn ziel af van het verderf,
en zijn leven van het omkomen door de werpspies.
19Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats,
en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.
20Zijn leven verfoeit zelfs het brood,
en zijn ziel het begerenswaardige voedsel.
21Zijn vlees vergaat, zodat het niet [meer] te zien is,
en zijn beenderen, [die] niet te zien waren, steken [nu] uit.
22Zijn ziel nadert het graf,
en zijn leven [nadert] de dingen die doden.

Het woord “want” dat Elihu in vers 1414Want God spreekt één of twee keer,
[maar] men slaat er geen acht op:
gebruikt, geeft aan dat hij gaat verklaren wat hij in de voorgaande verzen heeft gezegd. De beschuldiging van Job dat hij heeft geroepen en dat God niet heeft geantwoord, is niet terecht. God heeft wél van Zich laten horen, Hij heeft wél gesproken. Wat Job als een onrechtvaardig handelen van God met hem beschouwt, is in werkelijkheid Gods spreken tot hem. Alleen heeft Job Gods stem niet herkend. Daarom zendt God in Zijn genade een man als Elihu om Job dat uit te leggen.

Hoewel God oneindig ver boven de mens verheven is, staat Hij niet onverschillig tegenover Zijn zwakke schepsel of handelt met hem naar willekeur. Hij spreekt tot hem. Dat doet Hij “één of twee keer”. Dat de mens er geen acht op slaat, ligt niet aan God, maar aan de mens zelf. God spreekt en dat doet Hij meerdere keren. De ene keer gebruikt hij “een droom, een visioen in de nacht” (vers 1515in een droom, een visioen in de nacht,
als een diepe slaap op de mensen valt,
in de sluimer op de slaapplaats.
)
, de andere keer gebruikt Hij ziekte en lijden (vers 1919Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats,
en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.
)
. De ene keer gebruikt Hij Zijn rede, Zijn Woord, de andere keer Zijn roede, Zijn tuchtiging.

Als de mens in “een diepe slaap …, in de sluimer op de slaapplaats” is, zijn er geen invloeden van buiten die hem kunnen afleiden. Iemand die slaapt, voelt niet of hij arm is of rijk, of hij gezond is of ziek, of hij honger heeft of niet. Die omstandigheid van rust kan God in Zijn genade gebruiken om tot hem in een droom of een visioen te spreken en Zijn wil bekend te maken. In de tijd van de aartsvaders, maar ook later, sprak God in dromen of visioenen, zoals bij Abraham, Jozef en Daniel, maar ook bij iemand als Abimelech, Laban, de farao en Nebukadnezar. Dit is kenmerkend voor de tijd dat de Bijbel nog niet compleet was. Toen sprak God “vele malen en op vele wijzen” (Hb 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,).

Nu de Bijbel compleet is, maakt God Zijn wil bekend door Zijn Woord, de Bijbel. Zeker spreekt Hij ook nu nog in bepaalde gevallen door een droom. Dat betreft dan gewoonlijk mensen die geen Bijbel hebben. Maar zeker in het westerse, na-christelijke, deel van de wereld, waar het licht van de Bijbel al zolang heeft geschenen, heeft de christen genoeg aan het geschreven Woord van God.

Als God tot een mens in een droom spreekt, openbaart Hij Zijn wil “voor het oor van de mensen” (vers 1616Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen,
en Hij verzegelt hun tuchtiging,
)
. Hier wordt het oor genoemd en niet het oog, wat we toch bij dromen en visioenen zouden verwachten. Het gaat echter niet om zien, maar om horen. Het gaat om Gods spreken en dat is altijd op het oor gericht. Het gaat om luisteren naar wat God te zeggen heeft.

De dromen of visioenen blijken geen lieflijke of aangename taferelen te bevatten. Het zijn geen ‘zoete dromen’, maar waarschuwende dromen of visioenen, waardoor een mens letterlijk en ook in geestelijke zin wakker schrikt (Gn 41:88En het gebeurde de [volgende] morgen dat zijn geest verontrust was. Hij stuurde [boden] en [liet] al de magiërs van Egypte en al zijn wijzen roepen, en de farao vertelde hun zijn droom. Er was echter niemand die hem aan de farao kon uitleggen.). God “verzegelt” daarmee “hun tuchtiging”. Hij zet Zijn zegel erop dat het zo zal gaan als Hij in de droom of het visioen heeft laten zien. Het woord ‘tuchtiging’ houdt vermaning, waarschuwing, onderwijzing in. De verzegeling houdt Gods zekerheidsstelling in dat de mededeling betrouwbaar is en uitgevoerd zal worden.

God spreekt op deze wijze omdat Hij de mens tot bezinning wil brengen en tot stilstand, zodat hij afziet van de verkeerde daad die hij wilde begaan (vers 1717om de mens [van een verkeerde] daad af te brengen.
Hij verbergt de hoogmoed voor een man.
)
. Het gaat niet om die enkele daad, maar om zijn hele leven dat alleen uit slechte daden bestaat. Hij wordt daarin geleid door zijn hoogmoed. Het einde daarvan is het verderf (vers 1818Hij houdt zijn ziel af van het verderf,
en zijn leven van het omkomen door de werpspies.
)
. Maar God komt in genade tussenbeide en waarschuwt hem. Daardoor houdt Hij “zijn ziel af van het verderf”, want God heeft geen vreugde in de dood van een mens, maar daarin dat hij zich bekeert en leeft (Ez 33:1111Zeg tegen hen: [Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik vind geen vreugde in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft! Bekeer u, bekeer u van uw slechte wegen, want waarom zou u sterven, huis van Israël?).

Als een mens niet naar Gods spreken in dromen en visioenen luistert, spreekt Hij op een andere manier en wel door tuchtiging in de zin van kastijding, die hier in de vorm van een ernstige ziekte door Elihu wordt voorgesteld (vers 1919Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats,
en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.
)
. Dat is wat Job is overkomen. Maar Elihu maakt Job niet het verwijt dat de vrienden Job zo vaak hebben gemaakt, dat zijn lijden het bewijs is van een geheim zondig leven.

Elihu beschrijft in de verzen 19-2219Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats,
en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.
20Zijn leven verfoeit zelfs het brood,
en zijn ziel het begerenswaardige voedsel.
21Zijn vlees vergaat, zodat het niet [meer] te zien is,
en zijn beenderen, [die] niet te zien waren, steken [nu] uit.
22Zijn ziel nadert het graf,
en zijn leven [nadert] de dingen die doden.
het proces van een slopende ziekte, met de bedoeling dat Job oog krijgt voor Gods bemoeienis daarin, dat hij het spreken van God door dit alles kan vernemen. Het begint “met pijn op zijn slaapplaats”, wat aangeeft dat de plaats van rust (vgl. vers 1515in een droom, een visioen in de nacht,
als een diepe slaap op de mensen valt,
in de sluimer op de slaapplaats.
)
een plaats van kwelling wordt. De koorts woedt zonder ophouden in zijn beenderen. Zijn eetlust verdwijnt niet alleen, maar hij verfoeit het brood, hij moet er niet aan denken iets te eten (vers 2020Zijn leven verfoeit zelfs het brood,
en zijn ziel het begerenswaardige voedsel.
)
. Hij gruwt zelfs van zijn lievelingseten.

Daardoor vermagert hij zozeer, dat er van zijn vlees niets meer te zien is en zijn beenderen, die eerst niet te zien waren, er nu uitsteken en te zien zijn (vers 2121Zijn vlees vergaat, zodat het niet [meer] te zien is,
en zijn beenderen, [die] niet te zien waren, steken [nu] uit.
)
. Zo vloeien zijn krachten weg en daarmee het leven. Wat steeds dichterbij komt, is het graf (vers 2222Zijn ziel nadert het graf,
en zijn leven [nadert] de dingen die doden.
)
. Zijn leven staat op het punt in de greep van de dood te komen. En juist met het oog daarop brengt God lijden over de mens. Hij wil hem tuchtigen voor zijn bestwil, omdat hij oog in oog staat met de dood, opdat hij zich tot Hem keert.


Gods Afgezant en Zijn werk

23Als er dan een afgezant bij hem is,
een bemiddelaar, één uit duizend,
om de mens bekend te maken wat zijn recht is,
24dan zal Hij hem genadig zijn, en zeggen:
Verlos hem, zodat hij niet neerdaalt in het graf;
Ik heb verzoening gevonden.
25Zijn vlees zal frisser worden dan het was in [zijn] jeugd;
hij zal terugkeren tot de dagen van zijn jeugd.
26Hij zal vurig tot God bidden, en Die zal hem goedgezind zijn
en zijn aangezicht aanzien met gejuich,
want Hij zal de sterveling zijn gerechtigheid teruggeven.
27Hij zal de mensen aanschouwen en zeggen:
Ik had gezondigd en wat recht is, krom gemaakt,
maar Hij heeft het mij niet vergolden.
28[Maar God] heeft mijn ziel verlost, zodat zij niet in het graf kwam,
en mijn leven [nu] in het licht ziet.
29Zie, dit alles doet God
twee [of] drie keer met een man,
30om zijn ziel terug te brengen van het graf,
opdat hij wordt verlicht met het licht van het leven.

Om baat te hebben bij de kastijding moet een mens de bedoeling ervan begrijpen en daarvoor is weer iemand nodig die de bedoeling verklaart (vers 2323Als er dan een afgezant bij hem is,
een bemiddelaar, één uit duizend,
om de mens bekend te maken wat zijn recht is,
)
. Elifaz heeft beweerd dat geen middelaar in de hemel ooit naar Job zou luisteren (Jb 5:11Roep maar – zal er iemand zijn die je antwoordt?
En tot wie van de heiligen wil je je wenden?
)
. Maar Elihu getuigt dat er wel zo Iemand is. Bij de “afgezant”, een woord dat ook kan worden vertaald met ‘engel’, kunnen we het best denken aan ‘de Engel van de HEERE’, de oudtestamentische verschijning van de Heer Jezus. Dat blijkt ook uit de volgende benaming die Elihu gebruikt, “een bemiddelaar”. Wij kennen de Heer Jezus als de “Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus” (1Tm 2:55Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus,).

En van Wie anders kan met waarheid worden gezegd dat Hij “één uit duizend” is, een uitdrukking die aangeeft dat Hij werkelijk uniek is (vgl. Pr 7:28b28die ik nog [altijd] zoek,
maar niet heb gevonden.
Eén man onder duizend heb ik gevonden.
Een vrouw onder die allen heb ik echter niet gevonden.
)
? Er is niemand zoals Hij, Die bekend is met de wegen van God en Die meer dan iemand anders gekwalificeerd is om die bekend te maken.

Christus is in de wereld gekomen “om de mens bekend te maken met wat zijn recht is”. Dat wil zeggen dat Christus de mens heeft bekendgemaakt met wat voor hem de rechte weg is. Die rechte weg is Hijzelf. Dit wordt toegelicht in vers 2424dan zal Hij hem genadig zijn, en zeggen:
Verlos hem, zodat hij niet neerdaalt in het graf;
Ik heb verzoening gevonden.
. Wie luistert naar de Afgezant, de Bemiddelaar, en Zijn verklaring van de rechte weg aanvaardt, mag erop rekenen dat God hem genadig zal zijn. Die genade komt tot uiting in de opdracht die Hij geeft om de lijdende van zijn ziekte te verlossen, “zodat hij niet neerdaalt in het graf”. God doet dat niet zomaar. Voor die verlossing heeft Hij een rechtvaardige grondslag en dat is de verzoening. Hij kan geen verlossing geven zonder dat er verzoening tot stand is gebracht.

Het klinkt dan ook als een uitroep van vreugde uit de mond van God: “Ik heb verzoening gevonden.” Het wil zeggen dat Hij een bedekking voor de zonden heeft gevonden, de losprijs van het bloed van Christus, waardoor Hij kan verlossen. Hier zien we het werk van de Afgezant. Hij is gekomen om verzoening te bewerken. Dat heeft Hij gedaan door het geven van Zijn leven, Zijn bloed. Hij stortte Zijn bloed, wat betekent dat Hij in de dood ging. Want “zonder bloedstorting is er geen vergeving” (Hb 9:22b22En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving.). Daardoor en door niets anders kan God genade bewijzen aan schuldige, zondige mensen en hen verlossen van de dood. Wij zijn “met God verzoend … door de dood van Zijn Zoon” (Rm 5:1010Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door Zijn leven.).

Heel bijzonder is dat de verzen 23-2423Als er dan een afgezant bij hem is,
een bemiddelaar, één uit duizend,
om de mens bekend te maken wat zijn recht is,
24dan zal Hij hem genadig zijn, en zeggen:
Verlos hem, zodat hij niet neerdaalt in het graf;
Ik heb verzoening gevonden.
elk jaar tijdens de Grote Verzoendag worden aangehaald in de Joodse gebeden.

In de verzen 25-2825Zijn vlees zal frisser worden dan het was in [zijn] jeugd;
hij zal terugkeren tot de dagen van zijn jeugd.
26Hij zal vurig tot God bidden, en Die zal hem goedgezind zijn
en zijn aangezicht aanzien met gejuich,
want Hij zal de sterveling zijn gerechtigheid teruggeven.
27Hij zal de mensen aanschouwen en zeggen:
Ik had gezondigd en wat recht is, krom gemaakt,
maar Hij heeft het mij niet vergolden.
28[Maar God] heeft mijn ziel verlost, zodat zij niet in het graf kwam,
en mijn leven [nu] in het licht ziet.
beschrijft Elihu de gelukkige gevolgen van de verlossing voor wie daar door Gods genade deel aan heeft. Na de verzoening en de ontvangen vergeving is er voor Job ook de lichamelijke genezing, de terugkeer van gezondheid en welvarendheid met de frisheid van de jeugd (vers 2525Zijn vlees zal frisser worden dan het was in [zijn] jeugd;
hij zal terugkeren tot de dagen van zijn jeugd.
; Jb 42:10-1710En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job [bezeten] had tot het dubbele toe.11Al zijn broers en al zijn zusters en allen die hem vroeger gekend hadden, kwamen bij hem en gebruikten de maaltijd met hem in zijn huis. Zij betuigden hem hun medeleven en vertroostten hem over al het onheil dat de HEERE over hem gebracht had. Zij gaven hem ieder een geldstuk en een gouden ring.12En de HEERE zegende het latere [leven] van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend juk runderen en duizend ezelinnen.13Hij kreeg zeven zonen en drie dochters.14En hij gaf de eerste de naam Jemima, de tweede de naam Kezia, en de derde de naam Keren-Happuch.15Zulke mooie vrouwen als de dochters van Job waren er in heel het land niet te vinden, en hun vader gaf hun een erfelijk bezit onder hun broers.16Job leefde daarna [nog] honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen, vier generaties.17En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.; vgl. 2Kn 5:1414Daarom daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, overeenkomstig het woord van de man Gods. Zijn lichaam werd weer gezond, als het vlees van een kleine jongen, en hij werd rein.)
. Het is een beeld van de situatie van het vrederijk, waar het zwaar beproefde gelovig overblijfsel de zegen van vergeving, genezing en verlossing van het verderf zal genieten (Ps 103:3-43Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,
4Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,
)
. God zal dan Zijn doel met de eerste schepping hebben bereikt. In die situatie leven wij nog niet.

In geestelijke zin kunnen we dit toepassen op de nieuwe geboorte, het nieuwe leven dat iemand bij zijn bekering ontvangt. Dat nieuwe leven komt ook tot uiting. Het eerste waarin het zichtbaar wordt, is gebed, en wel vurig gebed (vers 2626Hij zal vurig tot God bidden, en Die zal hem goedgezind zijn
en zijn aangezicht aanzien met gejuich,
want Hij zal de sterveling zijn gerechtigheid teruggeven.
)
. Er is verlangen naar gemeenschap met God door het gebed. Van Paulus wordt na zijn bekering als eerste activiteit vermeld dat hij bidt (Hd 9:1111En de Heer zei tot hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt.).

Iemand die met vurig gebed tot God nadert, is Hij “goedgezind”. Hij neemt hem met grote vreugde, “met gejuich”, op in Zijn gunst. Hij verheugt Zich over ieder die er intens naar verlangt om gemeenschap met Hem te hebben. Zo iemand zal Hij ter wille zijn en ondersteunen in zijn geestelijke ontwikkeling.

De herstelde gelovige, die in zichzelf een zwakke sterveling is, is door God rechtvaardig verklaard in Zijn Zoon. Hij staat voor Gods aangezicht bekleed met Zijn gerechtigheid en niet in het kleed van zijn eigen gerechtigheid. Elke eigen roem is afwezig. Wie voor God staat, getuigt ervan voor de mensen dat alles alleen aan Gods genade te danken is (vers 2727Hij zal de mensen aanschouwen en zeggen:
Ik had gezondigd en wat recht is, krom gemaakt,
maar Hij heeft het mij niet vergolden.
)
.

Iemand die verlost is, zal in een openlijke schuldbelijdenis zijn zonde bekennen. Het is niet een belijdenis die in algemeenheden wordt uitgesproken, maar een belijdenis waarbij de zonde bij de naam wordt genoemd. Zijn zonde bestond eruit dat hij krom maakte wat recht is, het verdraaien van het recht. De zonde ontwricht alles, maakt alles scheef en verwrongen. Dat is het verwoestende werk van de mens zonder God. Maar door het werk van Christus aan het kruis wordt weer recht wat krom is (Js 40:44Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
; 42:1616En Ik zal blinden leiden langs een weg [die] zij niet gekend hebben,
Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.
Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht
en wat krom is in wat recht is.
Deze dingen zal Ik voor hen doen,
Ik zal hen niet verlaten.
; Lk 3:55Elk dal zal gevuld en elke berg en heuvel zal verlaagd worden, en wat krom is zal tot een rechte [weg] worden, en de oneffen tot vlakke wegen.)
. Dat zal ook in het vrederijk worden gezien, als de Heer Jezus alle dingen herstelt naar de oorspronkelijke bedoeling van God (Hd 3:2121Die [de] hemel moet opnemen tot op [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher.).

Wie zich de genade van God bewust is, zal Hem er ook voor prijzen dat Hij hem niet heeft vergolden naar zijn zonden (Ps 103:1010Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
)
. God heeft zijn ziel verlost, zijn leven gered (vers 2828[Maar God] heeft mijn ziel verlost, zodat zij niet in het graf kwam,
en mijn leven [nu] in het licht ziet.
)
. Dat heeft Hij kunnen doen omdat de prijs van de verzoening is betaald, waarvoor Hij Zelf heeft gezorgd door Zijn Zoon daarvoor in de dood te geven. Daardoor is de zondaar niet in het graf gekomen, in de duisternis van de dood, maar ziet zijn leven het licht. Met deze woorden laat Elihu Job hier over de dood en het graf heen kijken – wat Job voor zichzelf als enige vooruitzicht had –, naar het leven in het licht. Jobs tegenwoordige duisternis is niet het einde. Job eindigt niet in de duisternis, maar in het licht.

Elihu wijst Job erop dat God geduldig is in Zijn werk met een man (vers 2929Zie, dit alles doet God
twee [of] drie keer met een man,
)
. Hij doet “dit alles”, Hij laat allerlei dingen in het leven gebeuren, om een man als Job het ware zicht op het leven te geven. Zo is God “twee [of] drie keer met een man” bezig. Dat wil zeggen dat Hij keer op keer Zijn bemoeienis met iemand laat blijken. Daarbij bedient Hij Zich van verschillende methoden, zoals Elihu die hiervoor heeft genoemd.

Hij doet dat, opdat een man niet in de duisternis van het graf terechtkomt, maar “wordt verlicht met het licht van het leven” (vers 3030om zijn ziel terug te brengen van het graf,
opdat hij wordt verlicht met het licht van het leven.
)
. Dit herinnert sterk aan de Heer Jezus, Die heeft gezegd: “Ik ben het licht van het leven” (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.). Het gaat dan ook ten diepste over Hem. De God over Wie Elihu spreekt, is geen andere God dan Jezus Christus, de in het vlees gekomen Zoon van God, in Wie de volheid van de Godheid lichamelijk op aarde woonde en nog steeds woont, nu Hij in de hemel is (Ko 1:1919Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen; 2:99Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk,). Bij Hem is de bron van het leven en in Zijn licht zien wij het licht (Ps 36:1010Want bij U is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.
)
. In Zijn licht wordt het leven in vreugde geleefd.


Elihu wil Job wijsheid leren

31Sla er acht op, Job! Luister naar mij;
zwijg, dan zal ík spreken.
32Als er tegenwerpingen zijn, antwoord mij [dan];
spreek, want ik verlang ernaar jou te rechtvaardigen.
33Zo niet, luister jij [dan] naar mij;
zwijg, en ik zal je wijsheid leren.

Opnieuw roept Elihu Job op om acht op te slaan op wat hij zojuist heeft gezegd en ook op wat hij nog meer te zeggen heeft (vers 3131Sla er acht op, Job! Luister naar mij;
zwijg, dan zal ík spreken.
)
. Dan zal hij niet in zijn vertwijfeling blijven steken en God niet langer ongerijmde dingen toeschrijven. Elihu vraagt aan Job wat hij hierop heeft te zeggen (vers 3232Als er tegenwerpingen zijn, antwoord mij [dan];
spreek, want ik verlang ernaar jou te rechtvaardigen.
)
. Job mag zijn tegenwerpingen laten horen. Het is Elihu er niet om te doen een debat te winnen, maar om de werkelijkheid te laten zien.

Hij wenst alleen maar Job te helpen om hem “te rechtvaardigen”. Hij bedoelt daarmee dat hij Job in de juiste verhouding tot God wil brengen, dat hij Job ertoe wil brengen God te vertrouwen en Hem niet aan te klagen. Hij zegt als het ware tegen Job: ‘De vrienden staan fout Job, maar jij ook. God is rechtvaardiger dan jij.’ Hier zien we in Elihu een beeld van Christus Die ernaar verlangt een mens te rechtvaardigen tegenover God.

Job antwoordt niet (vers 3333Zo niet, luister jij [dan] naar mij;
zwijg, en ik zal je wijsheid leren.
)
. Hij heeft geen tegenwerpingen. Zijn stilzwijgen mag worden gezien als instemming met wat is gezegd. Dan gaat Elihu verder. Hij zal Job wijsheid leren die van God komt, dat is inzicht geven in wat God heeft gedaan en wat zoveel discussie heeft veroorzaakt. Job is een wijs man, maar hij kan nog toenemen in wijsheid als hij verder luistert naar wat Elihu te zeggen heeft (Sp 9:99Geef [onderricht] aan een wijze, en hij zal nog wijzer worden,
onderwijs een rechtvaardige, en hij zal inzicht vermeerderen.
)
.

Elihu spreekt met groot vertrouwen in de waarheid van wat hij gaat zeggen, zonder dat er van arrogantie sprake is. Hij behandelt Job met het grootste respect en zorgt ervoor dat hij diens gevoelens niet verwondt of hem ongerechtigheid toeschrijft.


Lees verder