Job
Inleiding 1-10 Was ik maar nooit geboren! 11-19 Was ik maar als baby gestorven! 20-26 Wat voor zin heeft een bestaan als het mijne?
Inleiding

Hier begint het grootste en in menig opzicht ingewikkeldste gedeelte van het boek. Het bevat een grote hoeveelheid argumentaties, aanklachten, beschuldigingen, verdachtmakingen, ontkenningen, gedeeltelijk juiste theorieën, filosofieën en theologie. Hier zien we een straaltje geloof en hoop. Alles wat wordt gezegd, gebeurt in schitterende poëtische taal, vaak met gebruikmaking van prachtige oosterse beeldspraak. Dit in tegenstelling tot het begin van het boek (Jb 1-2) en het einde ervan (Jb 42:7-177Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.8Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar Mijn dienaar Job. Breng brandoffers voor u en laat Mijn dienaar Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed zal Ik aannemen, zodat Ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.9Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet [en] Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het gebed van Job aan.10En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job [bezeten] had tot het dubbele toe.11Al zijn broers en al zijn zusters en allen die hem vroeger gekend hadden, kwamen bij hem en gebruikten de maaltijd met hem in zijn huis. Zij betuigden hem hun medeleven en vertroostten hem over al het onheil dat de HEERE over hem gebracht had. Zij gaven hem ieder een geldstuk en een gouden ring.12En de HEERE zegende het latere [leven] van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend juk runderen en duizend ezelinnen.13Hij kreeg zeven zonen en drie dochters.14En hij gaf de eerste de naam Jemima, de tweede de naam Kezia, en de derde de naam Keren-Happuch.15Zulke mooie vrouwen als de dochters van Job waren er in heel het land niet te vinden, en hun vader gaf hun een erfelijk bezit onder hun broers.16Job leefde daarna [nog] honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen, vier generaties.17En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.). Die beide gedeelten zijn geschreven als poëzie, vertelling.

De klacht van Job in dit hoofdstuk kunnen we in drie ongeveer gelijke delen onderverdelen:
1. Job vervloekt zijn geboortedag (verzen 1-101Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn [geboorte]dag.
2Job nam het woord en zei:
3Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben,
en de nacht [waarin] men zei: Er is een jongetje ontvangen.
4Laat die dag duisternis zijn;
laat God er vanuit de hoogte niet naar vragen,
en laat er geen lichtglans over schijnen.
5Laat de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen,
laat wolken hem overdekken,
laat verduisteringen van de dag hem angst aanjagen!
6Die nacht – laat donkerheid hem wegnemen,
laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar,
laat hij in het getal van de maanden niet komen!
7Zie, laat die nacht onvruchtbaar zijn,
laat geen vrolijk gezang erin voorkomen.
8Laten zij die de dag verwensen, hem vervloeken,
die klaar staan om de Leviathan te wekken.
9Laat de sterren van zijn schemering verduisterd worden,
laat hij wachten op het licht, maar laat het er niet zijn.
Laat hij de oogleden van de dageraad niet zien.
10Hij heeft immers de deuren van mijn buik niet gesloten,
en de moeite [niet] voor mijn ogen verborgen.
)
;
2. Job verwenst het dat hij als baby in leven is gehouden (verzen 11-1911Waarom ben ik niet van de baarmoeder af gestorven,
[en] heb ik de geest [niet] gegeven toen ik uit de buik naar buiten kwam?
12Waarom zijn de knieën mij tegemoetgekomen,
en waarom [waren er] borsten, zodat ik kon zuigen?
13Want [dan] zou ik nu neerliggen en stil zijn;
ik zou slapen, dan zou ik rust hebben,
14[samen] met de koningen en raadsheren van de aarde,
die voor zichzelf puinhopen opbouwden;
15of met de vorsten die goud hadden,
die hun huizen met zilver vulden.
16Of ik zou er, als een verborgen misgeboorte, niet zijn;
als de kleine kinderen [die] het licht niet gezien hebben.
17Daar houden de goddelozen op met woelen,
en zij van wie de kracht is uitgeput, rusten daar uit.
18Gevangenen hebben [daar] met elkaar rust;
zij horen de stem van de slavendrijver niet.
19De kleine en de grote zijn daar [samen];
en de slaaf is er vrij van zijn heer.
)
;
3. Job verwenst het dat hij nog verder moet leven (verzen 20-2620Waarom geeft [God] aan een ellendige het [levens]licht,
en het leven aan bitter bedroefden van ziel?
21Zij verlangen naar de dood, maar hij is er niet;
zij speuren ernaar, meer dan naar verborgen schatten.
22Zij zijn blij, tot jubelens toe,
zij zijn vrolijk, als ze het graf vinden.
23[Waarom geeft Hij het levenslicht] aan een man voor wie zijn [eigen] weg verborgen is,
en voor wie God [de weg] verspert?
24Want in plaats van mijn brood komt mijn zuchten,
en mijn jammerklachten worden uitgegoten als water.
25Want wat mij angst aanjoeg, is tot mij gekomen;
dat waarvoor ik beducht was, is mij overkomen.
26Ik ben niet gerust en ik ben niet stil,
ik heb geen rust, er is onrust gekomen.
)
.


Was ik maar nooit geboren!

1Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn [geboorte]dag.
2Job nam het woord en zei:
3Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben,
en de nacht [waarin] men zei: Er is een jongetje ontvangen.
4Laat die dag duisternis zijn;
laat God er vanuit de hoogte niet naar vragen,
en laat er geen lichtglans over schijnen.
5Laat de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen,
laat wolken hem overdekken,
laat verduisteringen van de dag hem angst aanjagen!
6Die nacht – laat donkerheid hem wegnemen,
laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar,
laat hij in het getal van de maanden niet komen!
7Zie, laat die nacht onvruchtbaar zijn,
laat geen vrolijk gezang erin voorkomen.
8Laten zij die de dag verwensen, hem vervloeken,
die klaar staan om de Leviathan te wekken.
9Laat de sterren van zijn schemering verduisterd worden,
laat hij wachten op het licht, maar laat het er niet zijn.
Laat hij de oogleden van de dageraad niet zien.
10Hij heeft immers de deuren van mijn buik niet gesloten,
en de moeite [niet] voor mijn ogen verborgen.

“Daarna” (vers 11Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn [geboorte]dag.
)
wil zeggen na alle voorgaande dagen en gebeurtenissen, tot en met de afgelopen zeven dagen dat zijn vrienden stilzwijgend bij hem zitten. Maar tijdens het zwijgen staan de gedachten niet stil. Dat blijkt als Job en daarna de vrienden hun mond openen.

Het geduld van Job is op, hij kan niet langer zwijgen. Hij ziet geen hoop op verlichting van zijn lot of vertroosting daarin. Hij kan er niet meer tegen en stort in. Zijn eerste woorden zijn woorden van vervloeking. Die vervloeking betreft zijn geboortedag (vgl. Jr 20:14-1814Vervloekt is de dag
waarop ik geboren ben.
De dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft,
laat die niet gezegend zijn.
15Vervloekt is de man
die mijn vader de boodschap bracht:
U hebt een kind gekregen, een jongetje,
[en] hem zeer blij maakte.
16Ja, laat die man zijn als de steden
die de HEERE ondersteboven heeft gekeerd terwijl het Hem niet berouwde.
Laat hij in de morgen hulpgeroep horen,
geschreeuw in het middaguur,
17omdat Hij mij niet al in de baarmoeder gedood heeft.
Dan was mijn moeder mijn graf geworden
en haar baarmoeder eeuwig zwanger geweest.
18Waarom toch ben ik uit de baarmoeder naar buiten gekomen,
om moeite en verdriet te zien
en opdat mijn dagen zouden eindigen in schande?
)
. Zijn vervloeking betreft niet God! Hij zegt God niet vaarwel, maar houdt door alles heen aan Hem vast. Wie met iemand worstelt, is daardoor tegelijk op heel nauwe wijze aan zo iemand verbonden (vgl. Gn 32:2424Maar Jakob bleef alleen achter, en een Man worstelde met hem, totdat de dageraad aanbrak.). Wie met iemand worstelt, wil hem niet kwijt, maar wil hem overwinnen.

Het is vaker zo, dat iemand tijdens een grote beproeving stand houdt, maar instort als na verloop van tijd de pijn van de situatie begint door te dringen. Juist overrompelende gebeurtenissen geven soms een bovenmenselijke kracht om de schok te verdragen. Maar als na de schokkende gebeurtenissen de stilte komt, komt ook vaak de strijd.

Job is de eerste die het stilzwijgen verbreekt (vers 22Job nam het woord en zei:
)
. Hij neemt het woord om een antwoord te geven op de situatie waarin hij is terechtgekomen. De geestelijke toon van Jobs leven verandert hier dramatisch. De man van geduld en geloof zinkt weg in een toestand van wanhoop en geestelijke depressie. Dit is een toestand die zo vaak het hoofdprobleem vormt voor hen die zware en langdurige lichamelijke ziekten of zwakten te verduren krijgen.

Het is denkbaar dat de verandering van het gedrag van Job het gevolg is van een verandering van gedachten over God. Het woord ‘God’ is hier voor de eerste keer het enkelvoudige Eloah in plaats van het gangbare Elohim (God in het meervoud). Dat laat de vraagtekens zien die Job hier over God heeft. Eerst zag Job Hem als de goeddoende Bestuurder en Beheerser van de elementen. Maar het lijkt erop dat naarmate de beproeving voortduurde, Job is gaan twijfelen aan Gods rechtvaardigheid en goedheid.

Het voelt voor hem alsof hij zich in de handen van een rechterlijke macht bevindt, die hem laat lijden voor wat hij niet heeft gedaan, zonder een weg om te ontkomen. Dat maakt hem wanhopig en daarom wenst hij dat hij nooit geboren was. [De enige van wie ooit is gezegd dat het beter was als hij niet geboren was – en dat door de Heer Jezus Zelf –, is Judas, de verrader van de Heer (Mt 26:24-2524De Zoon des mensen gaat wel heen zoals van Hem geschreven staat, maar wee die mens door wie de Zoon des mensen wordt overgeleverd.25Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was. Judas nu, die Hem overleverde, antwoordde en zei: Ik toch niet, Rabbi? Hij zei tot hem: Jij hebt het gezegd.).]

Zolang zijn lijden uiterlijk of lichamelijk is, is Job kalm; maar als twijfels over God zijn hart binnendringen, stort hij in. Toch behaalt de satan ook hier geen overwinning, want nooit zegt Job God vaarwel. Hij vervloekt wel zijn geboortedag, maar niet God. Hij blijft op God hopen, hoe hij ook in vertwijfeling raakt door wat God hem heeft aangedaan (Jb 13:15a15Zie, [al] zou Hij mij doden, zou ik niet hopen?
Maar toch zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
)
.

Dit hoofdstuk is een bron van vertroosting voor hen die op soortgelijke wijze worden beproefd als ze zien dat zelfs een groot man als Job zo’n worsteling met het geloof kan hebben. God geeft er de voorkeur aan dat we eerlijk met Hem spreken, zelfs in momenten van de diepste somberheid, liever dan dat we ons uiten in vage clichés die ver van de werkelijkheid verwijderd zijn.

We moeten daarbij ook nog het volgende bedenken. Wíj hebben in Job een voorbeeld van ongekend lijden en kunnen uit zijn geschiedenis troost putten als ons iets ergs overkomt. Maar Job had een dergelijk voorbeeld niet. Hij moest het helemaal alleen uitvechten met God. Ook dat aspect maakt hem uniek.

Alleen de Heer Jezus stijgt boven Job uit. Hij is door alle lijden heen gegaan dat een mens maar kan treffen. Daarin is Hij nooit opstandig geweest, want Hij gaf alles over aan Hem Die rechtvaardig oordeelt (1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;). Daarbovenuit is Hij ook in een lijden geweest dat alleen Hem kon treffen en dat is het plaatsvervangende lijden vanwege de zonde.

In een ontzettende klacht stort Job zijn hart uit over zijn geboorte (vers 33Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben,
en de nacht [waarin] men zei: Er is een jongetje ontvangen.
)
. Het is een wilde uitbarsting van een opgekropte en niet langer tegen te houden stroom van gevoelens. De bom barst. Hij wenst dat hij niet geboren was of nog beter, hij wil dat die dag en dat moment helemaal niet hebben bestaan. De dag die ieder jaar een gedenkdag is, moet van de kalender verdwijnen. Het moet een dag worden die er nooit is geweest, omdat er aan die dag geen vreugde, maar diepe ellende verbonden is. Naast de dag dat hij geboren is, noemt hij ook de nacht negen maanden tevoren, toen hij verwekt is. Dit wordt later in de verzen 6-96Die nacht – laat donkerheid hem wegnemen,
laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar,
laat hij in het getal van de maanden niet komen!
7Zie, laat die nacht onvruchtbaar zijn,
laat geen vrolijk gezang erin voorkomen.
8Laten zij die de dag verwensen, hem vervloeken,
die klaar staan om de Leviathan te wekken.
9Laat de sterren van zijn schemering verduisterd worden,
laat hij wachten op het licht, maar laat het er niet zijn.
Laat hij de oogleden van de dageraad niet zien.
uitgewerkt.

Die dag moet een duistere plek op de kalender zijn (vers 44Laat die dag duisternis zijn;
laat God er vanuit de hoogte niet naar vragen,
en laat er geen lichtglans over schijnen.
)
. Geen mens moet hem kunnen ontdekken. En God, voor Wie de duisternis licht is als de dag, moet er niet naar vragen. Hij moet Zich er vanuit Zijn verheven woonplaats ook niet mee bezighouden, zo lijkt Job aan Hem voor te stellen. Die dag moet in de duisternis verdwijnen alsof hij nooit heeft bestaan. Er mag geen straaltje licht op vallen, want er is met die dag geen straaltje licht verbonden. Ook kunnen we denken aan de duisternis in Genesis 1:3 toen God begon met de schepping van het licht. Daarmee wil Job God vragen of Hij de scheppingsdaad van zijn geboorte terug wil draaien.

Die dag mag worden opgeëist door de duisternis en de schaduw van de dood (vers 55Laat de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen,
laat wolken hem overdekken,
laat verduisteringen van de dag hem angst aanjagen!
)
. Daar hoort zijn geboortedag thuis en niet in het land van licht en leven. De zon mag er niet over schijnen; daarom wenst Job dat er wolken over die dag zijn. Die dag wordt als een persoon voorgesteld die angst aangejaagd wordt door plotselinge verduisteringen.

Maar ook de nacht moet door donkerheid – de schaduw van de dood (Jb 10:21-2221voordat ik wegga – en niet meer terugkom –
naar een land van duisternis en schaduw van de dood,
22een stikdonker land, als de duisternis zelf,
de schaduw van de dood, zonder enige orde;
het [licht] schijnt er als duisternis.
)
– worden weggenomen (vers 66Die nacht – laat donkerheid hem wegnemen,
laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar,
laat hij in het getal van de maanden niet komen!
)
. De nacht moet nacht blijven en geen daglicht gaan zien. De vreugde van het daglicht van zijn geboorte is ongewenst en ongepast. Er is geen enkele reden tot vreugde over zijn geboorte. Die nacht moet onvruchtbaar blijven en niet verenigd worden met het daglicht van het leven; die dag moet van de dagen van de maand verdwijnen.

De nacht van zijn verwekking moet onvruchtbaar zijn (vers 77Zie, laat die nacht onvruchtbaar zijn,
laat geen vrolijk gezang erin voorkomen.
)
. Het vrolijke gezang over zijn geboorte, “de geboorte van een jongetje” (vgl. vers 33Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben,
en de nacht [waarin] men zei: Er is een jongetje ontvangen.
)
– waaraan grotere vreugde-uitingen waren verbonden dan aan de geboorte van een meisje –, is volkomen misplaatst. De vreugde-uitingen moeten zwijgen, want er is geen reden om vrolijk te zijn over de geboorte van iemand die door zulke verschrikkelijke rampen is getroffen, terwijl daarvoor geen oorzaak aanwezig is.

De dag van zijn geboorte is zo verschrikkelijk voor hem, dat hij er niet alleen zelf de vloek over uitspreekt, maar ook allen oproept die dag te vervloeken die maar kunnen vervloeken, die er hun beroep van hebben gemaakt, zoals bijvoorbeeld een Bileam (vers 88Laten zij die de dag verwensen, hem vervloeken,
die klaar staan om de Leviathan te wekken.
; Nm 22:5-65Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, in Pethor, aan de rivier [de Eufraat], in het land van zijn volksgenoten, om hem bij zich te laten roepen: Zie, er is een volk uit Egypte getrokken; zie, het heeft het oppervlak van het land bedekt, en het blijft recht tegenover mij liggen.6Nu dan, kom toch, vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het verslaan en kan ik het uit het land verdrijven, want ik weet: wie u zegent, is gezegend, en wie u vervloekt, is vervloekt.)
. Een gelovige behoort niet de hulp in te roepen van een bezweerder. Maar we moeten ons hier voorstellen dat de nood van Job zo groot is, dat hij bij wijze van spreken de hulp van bezweerders zou aanvaarden. Deze bezweerders worden omschreven als degenen die in staat zijn om de Leviathan te wekken. Deze Leviathan, een vernietigend zeemonster (Js 27:11Op die dag zal de HEERE vergelding doen
met Zijn hard, groot en sterk zwaard
aan de Leviathan, de snelle slang,
ja, de Leviathan, de kronkelende slang;
Hij zal het monster dat in de zee is, doden.
)
, zou dan de schepping zo kunnen verstoren, dat de nacht van Jobs verwekking en de dag van Jobs geboorte tenietgedaan zouden worden.

Er mag zelfs geen schemering van de sterren worden gezien, want het enige wat passend is voor die dag, is volslagen duisternis (vers 99Laat de sterren van zijn schemering verduisterd worden,
laat hij wachten op het licht, maar laat het er niet zijn.
Laat hij de oogleden van de dageraad niet zien.
)
. Daarom moet de schemering van de sterren, waardoor het toch niet helemaal donker is, verduisterd worden. De nacht kan wel wachten op het licht, maar dat zal niet komen. In prachtige taal spreekt Job over het aanbreken van een nieuwe dag als over het opengaan van “de oogleden van de dageraad”. Hiermee kan hij ook het pasgeboren leven bedoelen dat de ogen openslaat in een nieuwe wereld.

Job is geboren omdat de moederschoot niet gesloten bleef, want de deuren van de buik waarin hij was, zijn opengegaan (vers 1010Hij heeft immers de deuren van mijn buik niet gesloten,
en de moeite [niet] voor mijn ogen verborgen.
)
. Daardoor is het zover gekomen, dat de moeiten waarin hij zich nu bevindt niet voor zijn ogen verborgen zijn gebleven, maar die nu moet aanzien. Hij ziet het leven niet meer als een gave van God en in betrekking met Hem, maar hij meet de waarde van zijn leven nu af naar de ellende waarin hij zich bevindt.


Was ik maar als baby gestorven!

11Waarom ben ik niet van de baarmoeder af gestorven,
[en] heb ik de geest [niet] gegeven toen ik uit de buik naar buiten kwam?
12Waarom zijn de knieën mij tegemoetgekomen,
en waarom [waren er] borsten, zodat ik kon zuigen?
13Want [dan] zou ik nu neerliggen en stil zijn;
ik zou slapen, dan zou ik rust hebben,
14[samen] met de koningen en raadsheren van de aarde,
die voor zichzelf puinhopen opbouwden;
15of met de vorsten die goud hadden,
die hun huizen met zilver vulden.
16Of ik zou er, als een verborgen misgeboorte, niet zijn;
als de kleine kinderen [die] het licht niet gezien hebben.
17Daar houden de goddelozen op met woelen,
en zij van wie de kracht is uitgeput, rusten daar uit.
18Gevangenen hebben [daar] met elkaar rust;
zij horen de stem van de slavendrijver niet.
19De kleine en de grote zijn daar [samen];
en de slaaf is er vrij van zijn heer.

In vers 1111Waarom ben ik niet van de baarmoeder af gestorven,
[en] heb ik de geest [niet] gegeven toen ik uit de buik naar buiten kwam?
stelt Job de eerste ‘waaromvraag’ aan God. Er volgen nog meer ‘waaromvragen’ (Jb 3:12,2012Waarom zijn de knieën mij tegemoetgekomen,
en waarom [waren er] borsten, zodat ik kon zuigen?
20Waarom geeft [God] aan een ellendige het [levens]licht,
en het leven aan bitter bedroefden van ziel?
; 7:20,2120Heb ik gezondigd? Wat moet ik voor U doen,
Bewaker van de mens?
Waarom hebt U mij als doelwit voor U gezet,
zodat ik mezelf tot een last ben?
21Waarom vergeeft U mijn overtreding niet,
en doet U mijn ongerechtigheid niet weg?
Want nu zal ik in het stof liggen;
U zult mij ernstig zoeken, maar ik zal er niet [meer] zijn.
; 10:1818Waarom hebt U mij uit de baarmoeder naar buiten laten komen?
Had ik maar de geest gegeven, en had geen oog mij maar gezien!
; 13:14,2414waarom ik mijn vlees tussen mijn tanden neem,
en mijn leven in de waagschaal stel.
24Waarom verbergt U Uw aangezicht,
en houdt U mij voor Uw vijand?
; 21:77Waarom leven de goddelozen, worden zij oud,
[en] wordt zelfs [hun] vermogen groot?
; 24:11Waarom zijn de tijden niet verborgen voor de Almachtige,
terwijl zij die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
)
. Op geen enkele ervan geeft God Job antwoord, want Hij is God. Maar Hij maakt er Job ook geen verwijt over.

God ziet de tijd al als aanwezig dat alle ‘waaromvragen’ zijn overgegaan in een lofprijzing. Dan zal Job en zullen wij zien dat elke dag, de blijde en de droevige, er was omdat Hij die wilde. En Zijn wil is goed. Dan zullen we Hem als het ware met terugwerkende kracht prijzen voor elke dag die ons op aarde gegeven is.

In de verzen 1-101Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn [geboorte]dag.
2Job nam het woord en zei:
3Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben,
en de nacht [waarin] men zei: Er is een jongetje ontvangen.
4Laat die dag duisternis zijn;
laat God er vanuit de hoogte niet naar vragen,
en laat er geen lichtglans over schijnen.
5Laat de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen,
laat wolken hem overdekken,
laat verduisteringen van de dag hem angst aanjagen!
6Die nacht – laat donkerheid hem wegnemen,
laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar,
laat hij in het getal van de maanden niet komen!
7Zie, laat die nacht onvruchtbaar zijn,
laat geen vrolijk gezang erin voorkomen.
8Laten zij die de dag verwensen, hem vervloeken,
die klaar staan om de Leviathan te wekken.
9Laat de sterren van zijn schemering verduisterd worden,
laat hij wachten op het licht, maar laat het er niet zijn.
Laat hij de oogleden van de dageraad niet zien.
10Hij heeft immers de deuren van mijn buik niet gesloten,
en de moeite [niet] voor mijn ogen verborgen.
heeft Job zijn geboortedag verwenst. Hij heeft zijn geboorte echter niet kunnen voorkomen. ‘Maar’, zo roept hij het uit, ‘waarom ben ik dan niet direct bij mijn geboorte gestorven door de geest te geven toen ik uit de buik naar buiten kwam?’ (vgl. Gn 49:3333Toen Jakob klaar was met het geven van bevelen aan zijn zonen, legde hij zijn voeten bij elkaar op het bed en gaf de geest; en hij werd verenigd met zijn voorgeslacht.). Elke liefdedienst na zijn geboorte, de zorg aan de zuigeling Job, ziet hij als een wrede daad.

Job verfoeit de lieflijke aanblik van een moeder die vol liefde een pasgeboren kind op de knieën neemt en het de borst geeft (vers 1212Waarom zijn de knieën mij tegemoetgekomen,
en waarom [waren er] borsten, zodat ik kon zuigen?
)
. Die knieën of de schoot waarop hij lag en vertroeteld werd en waardoor hij gedragen werd (Gn 50:2323Jozef zag van Efraïm de derde generatie; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op de knieën van Jozef geboren.; Js 66:1212Want zo zegt de HEERE:
Zie, Ik doe de vrede naar haar toestromen
als een rivier,
en de luister van de heidenvolken
als een [alles] overstromende beek.
Dan zult u zuigen, u zult op de heup gedragen
en op de knieën vertroeteld worden.
)
en de borsten die hem voedsel gaven, hebben ervoor gezorgd dat hij nu zoveel ellende beleeft. Hadden ze dat niet gedaan, dan was hij tenminste gestorven.

Job verkiest de dood boven het leven. Vergeleken met zijn huidig bestaan is de dood voor hem een benijdenswaardig lot. Om de weldaad van die situatie te beschrijven gebruikt hij vier uitdrukkingen (vers 1313Want [dan] zou ik nu neerliggen en stil zijn;
ik zou slapen, dan zou ik rust hebben,
)
. Hij zou
“neerliggen”
“stil zijn”
“slapen”
“rust hebben”
.

“Neerliggen” geeft de gedachte aan weldadige rust. “Stil zijn” betekent niet in moeiten zijn en er ook niet bang voor zijn dat ze komen. “Slapen” is niet alleen stilte, maar ook geen besef hebben dat er mogelijk ergens gevaar dreigt. Hij zou dan “rust hebben” in plaats van de huidige ellende te beleven.

Hij ziet het dodenrijk voor zich als een verblijfplaats waar hij samen is met koningen en raadsheren die zo machtig waren, dat zij steden herbouwden om hun naam te laten voortbestaan (vers 1414[samen] met de koningen en raadsheren van de aarde,
die voor zichzelf puinhopen opbouwden;
)
. Hij ziet zich ook samen met vorsten, mensen die geslaagd waren in het leven en die goud en een overvloed aan zilver hadden (vers 1515of met de vorsten die goud hadden,
die hun huizen met zilver vulden.
)
.

Een andere optie is dat hij als een misgeboorte er niet zou zijn, als een klein kind dat het daglicht nooit heeft aanschouwd (vers 1616Of ik zou er, als een verborgen misgeboorte, niet zijn;
als de kleine kinderen [die] het licht niet gezien hebben.
; Pr 6:3-53Als iemand honderd [kinderen] verwekt
en vele jaren leeft,
zodat de dagen van zijn jaren vele zijn,
maar hij zichzelf niet verzadigt met het goede,
en er zelfs geen graf voor hem is,
[dan] is, zeg ik, een misgeboorte beter af dan hij.
4Want die komt tevergeefs [ter wereld],
gaat heen in duisternis
en zijn naam wordt in de duisternis bedekt.
5Ook heeft hij de zon niet gezien
of gekend:
Hij heeft meer rust dan die man.
; Ps 58:99Laten zij vergaan als een smeltende slak;
laat hen, [als] de misgeboorte van een vrouw, de zon niet zien.
)
. In elk geval is er in het dodenrijk rust, zowel voor de goddelozen als voor hen die uitgeput zijn (vers 1717Daar houden de goddelozen op met woelen,
en zij van wie de kracht is uitgeput, rusten daar uit.
)
. Ook voor de gevangenen is daar rust (vers 1818Gevangenen hebben [daar] met elkaar rust;
zij horen de stem van de slavendrijver niet.
)
. Ze hoeven geen dwangarbeid meer te doen. De stem van de slavendrijver horen ze daar niet. In het dodenrijk is geen onderscheid tussen groot en klein, oud en jong, aanzienlijk en veracht (vers 1919De kleine en de grote zijn daar [samen];
en de slaaf is er vrij van zijn heer.
)
. Ook de slaaf is er vrij.

Voor Job is het dodenrijk de bevrijding van alle ellende, onrust en gebondenheid. Maar Job zoekt bij de dood wat alleen God kan geven. Wat Job zegt van het dodenrijk in deze verzen, is alleen uiterlijk zo. De Heer Jezus laat zien hoe het er werkelijk is en dat er in het dodenrijk onderscheid is tussen gelovigen en ongelovigen (Lk 16:22-2322Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.23De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.).


Wat voor zin heeft een bestaan als het mijne?

20Waarom geeft [God] aan een ellendige het [levens]licht,
en het leven aan bitter bedroefden van ziel?
21Zij verlangen naar de dood, maar hij is er niet;
zij speuren ernaar, meer dan naar verborgen schatten.
22Zij zijn blij, tot jubelens toe,
zij zijn vrolijk, als ze het graf vinden.
23[Waarom geeft Hij het levenslicht] aan een man voor wie zijn [eigen] weg verborgen is,
en voor wie God [de weg] verspert?
24Want in plaats van mijn brood komt mijn zuchten,
en mijn jammerklachten worden uitgegoten als water.
25Want wat mij angst aanjoeg, is tot mij gekomen;
dat waarvoor ik beducht was, is mij overkomen.
26Ik ben niet gerust en ik ben niet stil,
ik heb geen rust, er is onrust gekomen.

Job kan de dag van zijn geboorte niet uitwissen (verzen 1-101Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn [geboorte]dag.
2Job nam het woord en zei:
3Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben,
en de nacht [waarin] men zei: Er is een jongetje ontvangen.
4Laat die dag duisternis zijn;
laat God er vanuit de hoogte niet naar vragen,
en laat er geen lichtglans over schijnen.
5Laat de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen,
laat wolken hem overdekken,
laat verduisteringen van de dag hem angst aanjagen!
6Die nacht – laat donkerheid hem wegnemen,
laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar,
laat hij in het getal van de maanden niet komen!
7Zie, laat die nacht onvruchtbaar zijn,
laat geen vrolijk gezang erin voorkomen.
8Laten zij die de dag verwensen, hem vervloeken,
die klaar staan om de Leviathan te wekken.
9Laat de sterren van zijn schemering verduisterd worden,
laat hij wachten op het licht, maar laat het er niet zijn.
Laat hij de oogleden van de dageraad niet zien.
10Hij heeft immers de deuren van mijn buik niet gesloten,
en de moeite [niet] voor mijn ogen verborgen.
)
en zijn geboorte niet ongedaan maken (verzen 11-1911Waarom ben ik niet van de baarmoeder af gestorven,
[en] heb ik de geest [niet] gegeven toen ik uit de buik naar buiten kwam?
12Waarom zijn de knieën mij tegemoetgekomen,
en waarom [waren er] borsten, zodat ik kon zuigen?
13Want [dan] zou ik nu neerliggen en stil zijn;
ik zou slapen, dan zou ik rust hebben,
14[samen] met de koningen en raadsheren van de aarde,
die voor zichzelf puinhopen opbouwden;
15of met de vorsten die goud hadden,
die hun huizen met zilver vulden.
16Of ik zou er, als een verborgen misgeboorte, niet zijn;
als de kleine kinderen [die] het licht niet gezien hebben.
17Daar houden de goddelozen op met woelen,
en zij van wie de kracht is uitgeput, rusten daar uit.
18Gevangenen hebben [daar] met elkaar rust;
zij horen de stem van de slavendrijver niet.
19De kleine en de grote zijn daar [samen];
en de slaaf is er vrij van zijn heer.
)
. Dan blijft de vraag over wat voor zin zijn leven verder nog heeft, nu hij zo in de ellende zit. Hij vraagt zich af waarom God mensen in leven laat die er de voorkeur aan geven om te sterven. Daarover gaat het in de verzen 20-2620Waarom geeft [God] aan een ellendige het [levens]licht,
en het leven aan bitter bedroefden van ziel?
21Zij verlangen naar de dood, maar hij is er niet;
zij speuren ernaar, meer dan naar verborgen schatten.
22Zij zijn blij, tot jubelens toe,
zij zijn vrolijk, als ze het graf vinden.
23[Waarom geeft Hij het levenslicht] aan een man voor wie zijn [eigen] weg verborgen is,
en voor wie God [de weg] verspert?
24Want in plaats van mijn brood komt mijn zuchten,
en mijn jammerklachten worden uitgegoten als water.
25Want wat mij angst aanjoeg, is tot mij gekomen;
dat waarvoor ik beducht was, is mij overkomen.
26Ik ben niet gerust en ik ben niet stil,
ik heb geen rust, er is onrust gekomen.
. Zo’n vraag is hoogstwaarschijnlijk niet bij hem opgekomen toen hij voorspoed had. Hij meet de waarde van zijn leven af naar zijn omstandigheden, niet naar Gods bedoeling. Doen wij dat ook niet vaak?

Job is een ellendige en rekent zichzelf tot de “bitter bedroefden van ziel” (vers 2020Waarom geeft [God] aan een ellendige het [levens]licht,
en het leven aan bitter bedroefden van ziel?
)
. Hij spreekt in het meervoud over de bedroefden van ziel. Het is een categorie van mensen die naar de dood verlangen (vers 2121Zij verlangen naar de dood, maar hij is er niet;
zij speuren ernaar, meer dan naar verborgen schatten.
)
. De dood is voor hen het einde van al hun lichamelijke lijden en al de bitterheid van hun ziel. Maar de dood laat zich niet zien.

Dan zullen ze naar de dood op zoek gaan, ernaar speuren, dat wil zeggen er met de grootst mogelijke inspanning naar zoeken, want er is hen alles aan gelegen hem te vinden. Ze gaan ernaar op zoek met nog meer ijver dan ze naar verborgen schatten zouden speuren. Al zouden ze nog zoveel verborgen schatten vinden, ze weten dat de grootste schat hen niet van hun lijden en bitterheid kan verlossen. Dat kan volgens hen alleen de dood. Daarom zijn ze tot jubelens toe blij als ze het graf vinden (vers 2222Zij zijn blij, tot jubelens toe,
zij zijn vrolijk, als ze het graf vinden.
)
. Dan hebben ze eindelijk rust.

Job ziet niet hoe zijn weg verder zal moeten gaan (vers 2323[Waarom geeft Hij het levenslicht] aan een man voor wie zijn [eigen] weg verborgen is,
en voor wie God [de weg] verspert?
)
. Vertwijfeld vraagt hij waarom God het levenslicht geeft aan iemand die niet weet hoe hij verder moet leven, welke weg hij moet gaan. Bij al zijn worstelingen is niets te bespeuren wat erop zou wijzen dat hij zijn leven in eigen hand wil nemen en wel zelfmoord zou willen plegen. Dat was voor Job geen optie. Zelfmoord betekent dat alle hoop en zicht op God verloren is. Dat is bij Job niet het geval. Hij is integendeel in een verwoed gesprek met God gewikkeld, dat wil zeggen hij spreekt alles uit wat er in zijn hart is aan onbegrip over wat God hem heeft laten overkomen.

Job geeft God er zelfs de schuld van, dat Hij hem elke weg verspert (vgl. Kl 3:99Hij heeft mijn wegen versperd met gehouwen stenen, /gimel/
mijn paden heeft Hij krom gemaakt.
)
. Het is voor Job alsof de God, Die eerst hem en zijn bezit van alle kanten beschutte en zo afschermde voor alle kwaad (Jb 1:1010Hebt Ú niet voor hem en voor zijn huis en alles wat hij heeft, een beschutting gemaakt? Het werk van zijn handen hebt U gezegend en zijn vee breidt zich [steeds verder] uit in het land.), hem nu te midden van alle kwaad plaatst en hem zo afschermt, dat hij er niet aan kan ontkomen, hem geen enkele uitweg geeft (vgl. Kl 3:2-72Mij heeft Hij geleid en doen gaan /aleph/
[in] duisternis, en niet [in] licht.
3Ja, Hij heeft telkens weer Zijn hand /aleph/
tegen mij gekeerd, de hele dag.
4Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, /beth/
Hij heeft mijn beenderen gebroken.
5Hij heeft tegen mij aan gebouwd en Hij heeft [mij] omsingeld /beth/
[met] gal en moeite.
6In duistere oorden doet Hij mij wonen, /beth/
als degenen die allang dood zijn.
7Hij heeft een muur om mij heen opgeworpen, zodat ik er niet uit kan gaan; /gimel/
Hij heeft mijn bronzen ketenen zwaar gemaakt.
)
. Als wij in een dergelijke situatie terechtkomen en ook geen uitweg zien, wil God onze blik richten op de enige uitweg die altijd overblijft: de uitweg naar boven (2Ko 4:8b8in alles verdrukt, maar niet benauwd; geen uitweg ziende, maar niet geheel zonder uitweg;).

Voor Job is God de veroorzaker van het kwaad dat hem heeft getroffen en niet de satan. Nergens spreekt Job over de satan als de bewerker van zijn rampen. Hij heeft niet, zoals wij, achter de schermen gekeken en weet dus niet van het optreden van de satan. Aan de mogelijkheid daarvan denkt hij niet. Hij denkt alleen aan God, ook in zijn verdere strijd. Dit is een kenmerk van echte Godsvrucht.

Hij weet dat God hem eerst brood heeft gegeven (vers 2424Want in plaats van mijn brood komt mijn zuchten,
en mijn jammerklachten worden uitgegoten als water.
)
. Daarvan is niets over. Alles is hem afgenomen. Het enige wat hem enige verlichting geeft, is zuchten. Ook water heeft hij niet. Zijn jammerklachten zijn daarvoor in de plaats gekomen. Het geeft ook aan dat de pijnen als een niet eindigende stroom over hem heen gaan.

In vers 2525Want wat mij angst aanjoeg, is tot mij gekomen;
dat waarvoor ik beducht was, is mij overkomen.
zien we dat Job tijdens al de voorspoed die hij genoot, toch ook werd geplaagd door de angst dat zijn voorspoed een keer zou worden weggenomen. Hij was beducht voor een ramp. Er is een groot aantal rampen in alle hevigheid over hem gekomen. In zijn voorspoed had Job al geen rust en veiligheid. En die heeft hij nu helemaal niet (vers 2626Ik ben niet gerust en ik ben niet stil,
ik heb geen rust, er is onrust gekomen.
)
. De stilte is verdwenen. Hij was al niet rustig, maar nu is de innerlijke onrust pas goed gekomen en heeft zulke grote vormen aangenomen, dat die hem tot wanhoop drijft.


Lees verder