Job
Inleiding 1-6 De schatten van de aarde 7-11 De verborgen schatten 12-14 Niet geopenbaard door de natuur 15-19 Haar onbetaalbare en onvergelijkbare waarde 20-22 De wijsheid is niet zichtbaar en niet hoorbaar 23-27 De wijsheid is van God 28 De openbaring
Inleiding

Dit hoofdstuk is een nieuw deel in de monoloog van Job. Het thema van dit hoofdstuk is dat wijsheid voor niemand toegankelijk is dan alleen voor iemand die God vreest. Het thema van de wijsheid sluit goed aan bij het vorige hoofdstuk dat de rijke en zijn aardse rijkdom en het einde daarvan beschrijft. Hier komt nu de ware rijkdom, die niet vergaat, de wijsheid die bij God is. Het is een loflied op de wijsheid (verzen 12,2012Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden?
En waar is de plaats van het inzicht?
20De wijsheid dus, waar komt zij vandaan,
en waar is de plaats van het inzicht?
)
.

Dit hoofdstuk is als volgt samen te vatten: de mens kan de aarde doorwroeten (verzen 1-111Voorzeker, er is voor het zilver een plaats waar het tevoorschijn gebracht wordt,
en een plaats voor het goud [waar] het gezuiverd wordt.
2Het ijzer wordt uit de aarde gehaald,
en [uit] gesteente wordt koper gesmolten.
3[De mens] bepaalt het einde voor de duisternis,
en elke grens onderzoekt men,
het gesteente [in] het donker en de schaduw van de dood.
4Hij hakt een [mijn]schacht uit, ver van [de plaats] waar hij verblijft;
zonder steun van de voet hangen zij,
ver van de sterveling zweven zij.
5Uit de aarde komt het brood voort,
en onder in haar wordt zij veranderd, als [door] vuur.
6Haar gesteente is de plaats van saffier,
en zij bevat goudstofjes.7De roofvogel kent het pad [erheen] niet,
en het oog van de kiekendief heeft het niet waargenomen.
8De trotse jonge dieren hebben het niet betreden,
geen felle leeuw is er overheen gegaan.
9[De mens] slaat zijn hand aan het harde gesteente,
hij keert de bergen vanaf de wortel om.
10In de rotsen hakt hij gangen uit,
zijn oog ziet alles wat kostbaar is.
11Hij damt de rivieren af, zodat er geen druppel doorheen komt,
en wat verborgen is, brengt hij naar buiten in het licht.
)
, maar het kostbaarste, de wijsheid, weet hij niet te vinden (verzen 12-1912Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden?
En waar is de plaats van het inzicht?
13De sterveling kent haar waarde niet,
zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.
14De watervloed zegt: In mij is zij niet;
en de zee zegt: Bij mij is zij niet.15Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden,
en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen.
16Zij kan met het fijne goud van Ofir niet betaald worden,
[en evenmin] met de kostbare onyx en saffier.
17Haar waarde kan niet met goud of kristal gemeten worden,
en zij is [niet] in te ruilen voor een kleinood van zuiver goud.
18Aan koraal en kristal wordt niet [meer] gedacht,
want de prijs van de wijsheid is hoger dan die van robijnen.
19Haar waarde kan niet met die van een topaas uit Cusj gemeten worden;
en met het fijne zuivere goud kan zij niet betaald worden.
)
. God alleen kent haar (verzen 20-2820De wijsheid dus, waar komt zij vandaan,
en waar is de plaats van het inzicht?
21Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden,
en voor de vogels in de lucht is zij verborgen.
22Het verderf en de dood zeggen:
Met onze oren hebben wij [slechts] een gerucht over haar gehoord.23God begrijpt haar weg,
en Híj kent haar plaats.
24Want Híj ziet tot aan de einden der aarde,
Hij ziet onder heel de hemel,
25terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt,
en de wateren meet met een maat.
26Toen Hij een verordening maakte voor de regen,
en een weg voor het weerlicht van de donder –
27toen zag Hij haar, en peilde haar.
Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar.28Maar tegen de mens heeft Hij gezegd:
Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid,
en zich afkeren van het kwade is inzicht.
)
.


De schatten van de aarde

1Voorzeker, er is voor het zilver een plaats waar het tevoorschijn gebracht wordt,
en een plaats voor het goud [waar] het gezuiverd wordt.
2Het ijzer wordt uit de aarde gehaald,
en [uit] gesteente wordt koper gesmolten.
3[De mens] bepaalt het einde voor de duisternis,
en elke grens onderzoekt men,
het gesteente [in] het donker en de schaduw van de dood.
4Hij hakt een [mijn]schacht uit, ver van [de plaats] waar hij verblijft;
zonder steun van de voet hangen zij,
ver van de sterveling zweven zij.
5Uit de aarde komt het brood voort,
en onder in haar wordt zij veranderd, als [door] vuur.
6Haar gesteente is de plaats van saffier,
en zij bevat goudstofjes.

Job is bekend met de mijnbouw (vers 11Voorzeker, er is voor het zilver een plaats waar het tevoorschijn gebracht wordt,
en een plaats voor het goud [waar] het gezuiverd wordt.
)
. De kopermijnen van Timna liggen niet ver van Jobs woonplaats. Hij beschrijft het moeilijke en gevaarlijke proces van delfstoffenwinning. Het zou wijsheid van de mens zijn als hij dezelfde energie waarmee hij zich inzet voor aardse weelde, zou inzetten om de ware rijkdom, de wijsheid, te vinden (Sp 2:1-51Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt,
en mijn geboden bij je opbergt,
2om je oor acht te doen slaan op de wijsheid,
[als] je je hart neigt naar het inzicht,
3ja, als je roept om het verstand,
je stem laat klinken om inzicht,
4als je het zoekt als zilver,
het naspeurt als verborgen schatten,
5dan zul je de vreze des HEEREN begrijpen,
de kennis van God vinden.
; 1Ko 2:6-136Maar wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid niet van deze wereld, ook niet van de oversten van deze wereld, die tenietgedaan worden;7maar wij spreken Gods wijsheid in verborgenheid, de bedekte [wijsheid], die God vóór alle eeuwen heeft voorbestemd tot onze heerlijkheid,8die geen van de oversten van deze wereld heeft gekend (want als zij haar hadden gekend, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben);9maar zoals geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’.10Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.11Want wie van de mensen kent het innerlijk van de mens, dan de geest van de mens die in hem is? Zo kent ook niemand het innerlijk van God, dan de Geest van God.12En wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest Die uit God is, opdat wij weten de dingen die ons door God geschonken zijn.13Hiervan spreken wij ook, niet met woorden door menselijke wijsheid geleerd, maar met [woorden] door [de] Geest geleerd, terwijl wij geestelijke [dingen] door geestelijke [woorden] meedelen.)
.

God heeft de edelmetalen in de aarde geplaatst. Ze liggen niet aan de oppervlakte, zo voor het oprapen, maar er moet met hard werken naar worden gegraven. Als zilver en goud gevonden zijn, moeten ze worden gezuiverd, zodat er zuiver zilver en zuiver goud overblijft. Hetzelfde geldt voor “het ijzer” en het “koper”, waarbij voor de winning ervan verschillend te werk wordt gegaan (vers 22Het ijzer wordt uit de aarde gehaald,
en [uit] gesteente wordt koper gesmolten.
)
.

Om deze felbegeerde metalen te verkrijgen moet de mens de onderaardse duisternis ingaan (vers 33[De mens] bepaalt het einde voor de duisternis,
en elke grens onderzoekt men,
het gesteente [in] het donker en de schaduw van de dood.
)
. Hij maakt een einde aan de duisternis door het licht van zijn lamp. Bij het licht van de lamp zoekt hij de grenzen op van het gesteente dat zich in “het donker en de schaduw van de dood” bevindt.

Het werk is moeizaam en zwaar, maar geen moeite is hem te groot. Er moet een schacht worden gegraven (vers 44Hij hakt een [mijn]schacht uit, ver van [de plaats] waar hij verblijft;
zonder steun van de voet hangen zij,
ver van de sterveling zweven zij.
)
. Naarmate de diepte ervan vordert, wordt hij aan touwen naar beneden gelaten. Daar bungelt hij, zonder houvast voor zijn voet, en zweeft naar beneden, steeds verder verwijderd van de plaats “waar hij verblijft”, dat wil zeggen van de bewoonde wereld.

In vers 55Uit de aarde komt het brood voort,
en onder in haar wordt zij veranderd, als [door] vuur.
staat wat normaal voor de aarde is en dat is brood voortbrengen (Ps 104:1414Hij doet het gras groeien voor de dieren,
het gewas ten dienste van de mens.
Hij brengt voedsel uit de aarde voort:
)
. Maar de mens is daarmee niet tevreden. In zijn verlangen naar schatten woelt hij ook het binnenste van de aarde om, zodat het er uitziet alsof er een vuur heeft gewoed. Het gaat hem om de waardevolle saffier (Ex 28:1818De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant.; 39:1111De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant.) en goudstofjes (vers 66Haar gesteente is de plaats van saffier,
en zij bevat goudstofjes.
)
.


De verborgen schatten

7De roofvogel kent het pad [erheen] niet,
en het oog van de kiekendief heeft het niet waargenomen.
8De trotse jonge dieren hebben het niet betreden,
geen felle leeuw is er overheen gegaan.
9[De mens] slaat zijn hand aan het harde gesteente,
hij keert de bergen vanaf de wortel om.
10In de rotsen hakt hij gangen uit,
zijn oog ziet alles wat kostbaar is.
11Hij damt de rivieren af, zodat er geen druppel doorheen komt,
en wat verborgen is, brengt hij naar buiten in het licht.

“De roofvogel” heeft een heel scherp oog, maar hij kan het pad dat de mens naar de bodemschatten heeft gehakt, niet zien (vers 77De roofvogel kent het pad [erheen] niet,
en het oog van de kiekendief heeft het niet waargenomen.
)
. De “kiekendief” is ook een roofvogel en heeft ook een scherp oog. Hij onderscheidt zich van de andere roofvogels doordat hij zijn nest niet in de bomen, maar op de grond bouwt. Hij vliegt ook laag over de grond om zijn prooi te vangen. Trotse jonge dieren en felle leeuwen lopen met grote kracht en moed over de aarde, maar kunnen geen gat in de grond maken om bodemschatten te delven (vers 88De trotse jonge dieren hebben het niet betreden,
geen felle leeuw is er overheen gegaan.
)
.

De mens, de mijnwerker, komt op plaatsen die de roofvogel niet ziet en de leeuw niet bereiken kan. Hij bewerkt de hardste gesteenten om te zien of er iets waardevols in zit (vers 99[De mens] slaat zijn hand aan het harde gesteente,
hij keert de bergen vanaf de wortel om.
)
. Ook hoogten schuwt hij niet, maar graaft die af tot in de diepte waar de wortels, dat zijn de diepere delen van de bergen, zijn. Hij baant zich een weg door de rotsen door er gangen in uit te hakken en zo te zien of er wat kostbaars in die rotsen is (vers 1010In de rotsen hakt hij gangen uit,
zijn oog ziet alles wat kostbaar is.
)
. Dat ziet hij zo, want daar speurt hij naar en daar werkt hij voor. Hij damt ook het grondwater af om zo aan het licht te laten komen wat in de duisternis van het water verborgen ligt (vers 1111Hij damt de rivieren af, zodat er geen druppel doorheen komt,
en wat verborgen is, brengt hij naar buiten in het licht.
)
.


Niet geopenbaard door de natuur

12Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden?
En waar is de plaats van het inzicht?
13De sterveling kent haar waarde niet,
zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.
14De watervloed zegt: In mij is zij niet;
en de zee zegt: Bij mij is zij niet.

Job heeft beschreven welke inspanningen de mens bereid is te leveren en wat hij allemaal waagt om edelmetalen uit de aarde op te diepen. In de volgende verzen vergelijkt hij deze intensieve werkzaamheden met de pogingen van de mens om wijsheid te krijgen. De mens weet waar edelmetalen te vinden zijn, maar “de wijsheid”, waar is die te vinden (vers 1212Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden?
En waar is de plaats van het inzicht?
)
? Wijsheid is een onvergelijkbaar grotere schat dan het kostbaarste edelmetaal dat in de aarde verborgen ligt en waarvan de waarde ook nog eens van voorbijgaande aard is. En waar moet “het inzicht” gezocht worden, op welke plaats?

De constatering is dat mensen daarnaar niet met dezelfde bezieling en overgave zoeken als waarmee zij naar bodemschatten zoeken. Ze kennen de waarde ervan niet, noch de weg erheen (verzen 13-1413De sterveling kent haar waarde niet,
zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.
14De watervloed zegt: In mij is zij niet;
en de zee zegt: Bij mij is zij niet.
)
. De bronnen of vindplaatsen van de wijsheid liggen dan ook niet in de natuur of “in het land van de levenden”, dat wil zeggen in de mens. Er moet hoger worden gekeken dan de aarde en de mens om de ware wijsheid te vinden. De wijsheid is niet te vinden in of op de aarde, maar is verborgen in God.

De wijsheid is nergens in de natuur door de natuurlijke mens of enig schepsel te ontdekken. In een prachtige personificatie zeggen de watervloed en de zee dat zij geen wijsheid herbergen. De diepste duikers in de diepten van de oceanen en zij die over zee de verst verwijderde plaatsen aandoen, ontdekken niets van de wijsheid van God. Om de wijsheid te ontdekken moeten ze eerst aanvaarden dat God er is. Dan pas kunnen ze zien dat Hij Zijn werken alle met wijsheid heeft gemaakt (Ps 104:2424Hoe groot zijn Uw werken, HEERE,
U hebt alles met wijsheid gemaakt,
de aarde is vol van Uw rijkdommen.
)
.

De menselijke inspanning en het menselijk verstand schieten volledig tekort om tot kennis van de wijsheid van God te komen (1Ko 1:2121Want daar in de wijsheid van God de wereld niet door de wijsheid tot kennis van God is gekomen, heeft het God behaagd door de dwaasheid van de prediking te behouden hen die geloven.). De wijsheid van God is voor ons te vinden in Christus, want Hij is de “wijsheid van Godswege” (1Ko 1:3030Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing;; Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.). En in Christus kunnen we aan God de ons ontbrekende wijsheid vragen (Jk 1:55Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen, Die aan allen mild en zonder verwijt geeft en zij zal hem gegeven worden.).


Haar onbetaalbare en onvergelijkbare waarde

15Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden,
en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen.
16Zij kan met het fijne goud van Ofir niet betaald worden,
[en evenmin] met de kostbare onyx en saffier.
17Haar waarde kan niet met goud of kristal gemeten worden,
en zij is [niet] in te ruilen voor een kleinood van zuiver goud.
18Aan koraal en kristal wordt niet [meer] gedacht,
want de prijs van de wijsheid is hoger dan die van robijnen.
19Haar waarde kan niet met die van een topaas uit Cusj gemeten worden;
en met het fijne zuivere goud kan zij niet betaald worden.

In dit gedeelte worden heel wat verschillende bodemschatten opgesomd waarvoor een mens zijn leven waagt om die te bezitten. Maar de wijsheid is niet verkrijgbaar tegen betaling van welke aardse rijkdom ook. Ze is er ook niet mee te vergelijken.

Wijsheid kan niet in ruil voor “fijn goud” verkregen worden (vers 1515Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden,
en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen.
)
. Iemand kan nog zoveel fijn goud als ruilmiddel voor wijsheid aanbieden, maar het ruilmiddel schiet tekort. Het is ook onmogelijk om een hoeveelheid zilver in een weegschaal te leggen die evenredig is aan het gewicht van de wijsheid. De wijsheid is niet te wegen.

Er is ook geen betaalmiddel dat de waarde van de wijsheid overtreft, al zou dat betaalmiddel “het fijne goud van Ofir”, dat is het kostbaarste goud, of “de kostbare onyx en saffier”, zijn (vers 1616Zij kan met het fijne goud van Ofir niet betaald worden,
[en evenmin] met de kostbare onyx en saffier.
)
. Wijsheid is oneindig veel waardevoller. De waarde van wijsheid is eenvoudig niet te meten met wat naar aardse maatstaven van de grootste waarde is, zoals goud of kristal (vers 1717Haar waarde kan niet met goud of kristal gemeten worden,
en zij is [niet] in te ruilen voor een kleinood van zuiver goud.
)
. Kristal of glas was in de oudheid net zo kostbaar als edelstenen. Ook “een kleinood van zuiver goud” kan onmogelijk als ruilmiddel voor de wijsheid dienen. De waarde van de wijsheid ligt daar ver boven.

“Koraal en kristal” komen niet in de gedachten op als het erom gaat wijsheid te verkrijgen (vers 1818Aan koraal en kristal wordt niet [meer] gedacht,
want de prijs van de wijsheid is hoger dan die van robijnen.
)
. Ze zijn waardeloos als het erom gaat wijsheid in bezit te krijgen. Ook de waarde van robijnen is volkomen ontoereikend om wijsheid te verwerven (Sp 3:13-1513Welzalig is de mens [die] wijsheid vindt,
de mens [die] inzicht verkrijgt,
14want haar opbrengst is beter dan de opbrengst van zilver
en haar inkomen [beter] dan bewerkt goud,
15zij is kostbaarder dan robijnen.
Al jouw wensen zijn met haar niet te vergelijken.
)
. De waarde van “een topaas uit Cusj” valt in het niet bij de waarde van wijsheid (vers 1919Haar waarde kan niet met die van een topaas uit Cusj gemeten worden;
en met het fijne zuivere goud kan zij niet betaald worden.
)
. Wie wijsheid wil kopen, hoeft niet aan te komen “met het fijne zuivere goud”.

De wijsheid is eenvoudigweg niet te betalen met of in te ruilen tegen alle bodemschatten van de hele wereld bij elkaar. Ze hoort niet bij het zichtbare en tastbare bestaan van de mens op aarde, maar bij de onzichtbare wereld van God. De wijsheid is niet te koop met aardse betaalmiddelen. Ze is alleen te koop voor hen die geen geld hebben, dat wil zeggen die God erom vragen of Hij haar wil geven (vgl. Js 55:1-21O, alle dorstigen, kom tot de wateren,
en u die geen geld hebt, kom,
koop en eet, ja, kom, koop zonder geld,
zonder prijs, wijn en melk.
2Waarom weegt u geld af voor wat geen brood is,
en uw arbeid voor wat niet verzadigen kan?
Luister aandachtig naar Mij, eet het goede,
en laat uw ziel vreugde scheppen in de overvloed.
; Jk 1:55Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen, Die aan allen mild en zonder verwijt geeft en zij zal hem gegeven worden.)
.


De wijsheid is niet zichtbaar en niet hoorbaar

20De wijsheid dus, waar komt zij vandaan,
en waar is de plaats van het inzicht?
21Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden,
en voor de vogels in de lucht is zij verborgen.
22Het verderf en de dood zeggen:
Met onze oren hebben wij [slechts] een gerucht over haar gehoord.

Nog eens stelt Job de vraag naar de oorsprong en vindplaats van de wijsheid en het inzicht (vers 2020De wijsheid dus, waar komt zij vandaan,
en waar is de plaats van het inzicht?
; vers 1212Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden?
En waar is de plaats van het inzicht?
)
. Er is een openbaring van God voor nodig om te weten waar de wijsheid vandaan komt, namelijk van God Zelf. Om te weten waar de plaats van het inzicht is, geldt hetzelfde. “De ogen van alle levenden”, dat zijn de mensen, ontdekken de wijsheid niet. Zij is voor hen bedekt, verborgen (vers 2121Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden,
en voor de vogels in de lucht is zij verborgen.
)
. Met “de vogels in de lucht” kunnen in verband met het eerste deel van dit vers en het eerste deel van het volgende vers (boze) geestelijke machten worden bedoeld. Ook voor de sluwste geesten met een intelligentie die vele malen hoger is dan die van de mens, is de Goddelijke wijsheid verborgen.

“Het verderf en de dood” zijn de plaatsen waar de geesten van de ongelovigen na hun dood zich bevinden (vers 2222Het verderf en de dood zeggen:
Met onze oren hebben wij [slechts] een gerucht over haar gehoord.
)
. Wie daarmee door een sterfgeval in zijn familie of omgeving in aanraking komt, beseft dat het hem aan wijsheid ontbreekt om te doorgronden wat deze plaatsen inhouden, wat er achter de dood ligt. In die zin dringt er een gerucht door in de oren van de mens. God doorziet met Zijn wijsheid wat duister is voor de mens (Sp 15:1111Graf en verderf liggen [open] voor de HEERE –
hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen.
)
. Hij kan de sluier ervan oplichten en inzicht geven in de toestand na de dood (Lk 16:19-2319Nu was er een rijk mens, en hij ging gekleed in purper en fijn linnen en vierde elke dag schitterend feest.20Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren,21begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken.22Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.23De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.).

Samengevat zien we drie terreinen waar de wijsheid niet is (vgl. Fp 2:1010opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,). De wijsheid is
1. niet op aarde bij alle levenden, bij de mensen;
2. niet boven de aarde bij de vogels in de lucht of de wereld van de geesten;
3. niet onder de aarde in het dodenrijk bij het verderf en de dood.


De wijsheid is van God

23God begrijpt haar weg,
en Híj kent haar plaats.
24Want Híj ziet tot aan de einden der aarde,
Hij ziet onder heel de hemel,
25terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt,
en de wateren meet met een maat.
26Toen Hij een verordening maakte voor de regen,
en een weg voor het weerlicht van de donder –
27toen zag Hij haar, en peilde haar.
Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar.

Van de natuur wendt Job zich nu tot de Oorsprong van de wijsheid (vers 2323God begrijpt haar weg,
en Híj kent haar plaats.
)
. Hier is het antwoord en dat is dat de Schepper van de wereld de wijsheid kent. Hij alleen begrijpt de weg van de wijsheid, want het is Zijn wijsheid. Hij kent ook de plaats van de wijsheid, want de wijsheid woont bij Hem. In één oogopslag overziet Hij alles op aarde, Hij ziet tot in de verst verwijderde uithoeken ervan (vers 2424Want Híj ziet tot aan de einden der aarde,
Hij ziet onder heel de hemel,
)
. Hij ziet alles “onder heel de hemel”, dat is het hele heelal.

Hij ziet wat Hij heeft geschapen en Hij bestuurt het ook allemaal. Alles is in Zijn hand. Zo bepaalt Hij “de kracht van de wind” (vers 2525terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt,
en de wateren meet met een maat.
)
. De wateren die onder opstuwing van de wind over de aarde worden uitgegoten, worden door Hem gemeten (vgl. Js 40:1212Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
)
. De wateren van de regen die Hij over de aarde uitgiet, gaan gepaard met donder en bliksem, met onweer (vers 2626Toen Hij een verordening maakte voor de regen,
en een weg voor het weerlicht van de donder –
)
. God regelt de omvang en de duur van een storm die met regen en onweer gepaard gaat. De mens staat hier machteloos tegenover. Dat de mens onbekwaam is om Gods scheppingswerken te beheren en te besturen, betekent niet dat God de controle erover is kwijtgeraakt. Hij heeft nog steeds de regie vast in handen.

God is met de wijsheid omgegaan als een bedreven vakman (vers 2727toen zag Hij haar, en peilde haar.
Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar.
)
. Hij “zag haar”, “peilde haar”, “stelde haar vast” en “onderzocht … haar”. De wijsheid zien wil zeggen dat Hij weet waar de wijsheid is. Het is een opmerken van de aanwezigheid ervan. Hij peilt of doorgrondt de wijsheid, wat wil zeggen dat Hij alle facetten en aspecten ervan kent. Vervolgens stelt Hij de wijsheid vast voor het werk dat Hij gaat doen of de handeling die Hij gaat verrichten. Ten slotte onderzoekt Hij de wijsheid om te weten op welke wijze Hij haar gaat toepassen. Kortom, God kent de wijsheid door en door.

De schepping is het werk van Zijn wijsheid (Sp 3:1919De HEERE heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,
de hemel met inzicht gevestigd.
).Vanwege
die wijsheid is de schepping een vlekkeloos werk, zonder gebreken, een werk waarvan gezegd kon worden dat het zeer goed was (Gn 1:3131En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.). God kent Zijn schepping van binnen en van buiten in de hele complexiteit ervan. Zij is ook een volmaakt geheel. Duizenden jaren is zij oud en nog steeds functioneert alles zoals Hij het heeft verordend. Neem de wind en de regen. Die zijn er nog steeds. Ze hoefden nooit bijgesteld te worden. Ze hoeven nooit vervangen te worden door iets beters, zoals dat wel het geval is met alles wat de mens bedenkt en maakt.


De openbaring

28Maar tegen de mens heeft Hij gezegd:
Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid,
en zich afkeren van het kwade is inzicht.

Hier zien we hoe de mens, als hij eenmaal weet waar de wijsheid is, deze wijsheid kan krijgen. Dat is door het vrezen van de Heere (Adonai). Dit is wat Job heeft gedaan, evenals dat hij zich heeft afgekeerd van het kwade (Jb 1:11Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job. En die man was vroom en oprecht; hij was Godvrezend en keerde zich af van het kwaad.). Deze twee gaan altijd samen. Wie God vreest, kan niet anders dan het kwade haten en er zich van afkeren. Wijsheid is niet waarheid zonder meer, maar waarheid toegepast op het geweten. Dat wil zeggen waarheid die de mens op zijn ware plaats zet en hem in staat stelt te ontvangen wat God heeft te zeggen. Het gevolg is dat het kwade de rug wordt toegekeerd.

De “vreze des Heeren” doet de mens buigen voor Hem, voor Wie de serafs hun aangezichten bedekken. Die vrees is geen angst, maar ontzag en eerbied, aanbidding. Als deze vrees er is, kan God overal worden gezien: in de diepte, op aarde en in het luchtruim, overal in het universum (Ps 111:1010De vreze des HEEREN is het beginsel van wijsheid, /resj/
allen die ernaar handelen, hebben een goed inzicht; /sin/
Zijn lof houdt voor eeuwig stand. /taw/
; Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
; 9:1010Het beginsel van wijsheid is de vreze des HEEREN
en de kennis van de heiligen is inzicht.
; Pr 12:1313De slotsom van al wat [door u] gehoord is, [is dit]:
Vrees God,
en houd u aan Zijn geboden,
want dit [geldt voor] alle mensen.
)
. De materialistische mens ziet het vrezen van God niet als waardevol. Hij is alleen uit op materialistisch voordeel voor dit leven.

God is de “alleen wijze God” (Rm 16:2727[de] alleen wijze God, door Jezus Christus, Hem zij de heerlijkheid tot in <alle> eeuwigheid! Amen.). Job weet dat hij de wijsheid niet bezit en dat ook de vrienden die niet bezitten en dat zij alleen bij God te vinden is. De reikwijdte van deze woorden zal hij pas aan het einde van het boek zelf ondervinden.


Lees verder