Job
Inleiding 1-6 Job handhaaft zijn gerechtigheid 7-12 Tegenstelling met het karakter van een boze 13-18 Het zekere lot van de goddeloze 19-23 Weggedreven in zijn boosheid
Inleiding

Job heeft Bildad de mond gesnoerd (Jb 26:1-41Maar Job antwoordde en zei:
2Hoe heb jij hem geholpen die geen kracht heeft,
[en] de arm verlost die geen macht heeft?
3Hoe heb jij hem raad gegeven die geen wijsheid had,
en [hoe] heb jij [hem] wijsheid in overvloed bekendgemaakt?
4Aan wie heb jij [zulke] woorden bekendgemaakt?
En wiens geest is van jou uitgegaan?
)
en diens inzicht in de majesteit van God over de lichten aan de hemel overtroefd met zijn lofzang over de majesteit van God over het dodenrijk (Jb 26:5-145De gestorvenen zullen [opnieuw] geboren worden
van onder de wateren, en de bewoners daarvan.
6Het graf is naakt voor Hem,
en er is geen bedekking voor het verderf.7Hij strekt het noorden uit over het ledige;
Hij hangt de aarde op aan het niets.
8Hij bindt het water in Zijn wolken;
toch scheurt de wolk daaronder niet.
9Hij bedekt de aanblik van [Zijn] troon;
Hij spreidt Zijn wolk erover uit.
10Hij heeft een begrenzing afgetekend over het wateroppervlak,
tot aan de grens tussen licht en duisternis.
11De pilaren van de hemel sidderen
en zijn verbijsterd vanwege Zijn bestraffing.
12Door Zijn kracht heeft Hij de zee opgezweept,
en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab neergeslagen.
13Door Zijn Geest [kreeg] de hemel schoonheid;
Zijn hand heeft de snelle slang doorboord.14Zie, dit zijn [nog maar] de uiteinden van Zijn wegen;
wat hebben wij [slechts] een fluisterend woord van Hem gehoord!
Wie zou dan de donder van Zijn kracht kunnen begrijpen?
)
. Daarna blijft het stil bij de vrienden. Ze zijn uitgesproken.

Job begint nu aan een monoloog die tot en met Job 31 loopt. Hierin richt hij zich in Job 27 in enkele zinnen nog één keer tot zijn drie vrienden. Zijn toon is rustiger dan in de voorgaande hoofdstukken; de taal blijft meeslepend.


Job handhaaft zijn gerechtigheid

1En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
2[Zo waar] God leeft, Die mijn recht heeft weggenomen,
en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan:
3Voorzeker, zolang mijn adem nog in mij is,
en het blazen van God in mijn neus,
4zullen mijn lippen geen onrecht spreken,
en zal mijn tong geen bedrog uiten!
5Er is geen sprake van dat ik jullie gelijk zou geven;
tot ik de geest geef, zal ik mijn oprechtheid niet van mij wegdoen.
6Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten;
mijn hart zal [die] in mijn dagen niet minachten.

De woorden van vers 11En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
komen hier voor het eerst voor (vgl. Jb 29:11En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
)
. Het betekent dat hier de gebruikelijke orde in de redevoeringen wordt verbroken. Zofar zou aan de beurt zijn geweest, maar hij zwijgt. Dus neemt Job “opnieuw” het woord. Maar het is geen antwoord op een rede van een van de vrienden die hieraan voorafgegaan zou zijn.

Job begint zijn monoloog met een eedzwering (vers 22[Zo waar] God leeft, Die mijn recht heeft weggenomen,
en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan:
)
, maar in zijn bewoordingen klinkt toch zijn worsteling en onbegrip door over wat God hem heeft aangedaan. Hij is rotsvast overtuigd van God als de Levende. Wat hem is overkomen, is hem door God aangedaan. Maar hij is het daar niet mee eens. God heeft zijn recht weggenomen. Dat is voor hem onbegrijpelijk, omdat hij daarvoor in zijn leven geen aanleiding ziet. Hoewel hij daarmee worstelt, weet hij dat God als de Levende hem in leven houdt en ondersteunt. De Almachtige heeft hem bitterheid aangedaan, maar hij weet niet waaraan hij dat heeft verdiend. Soortgelijke woorden kunnen ook bij andere gelovigen worden gevonden, bijvoorbeeld bij Naomi (Ru 1:2020Maar zij zei tegen hen: Noem mij niet Naomi, noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.).

Wat Job zegt, is de uitspraak van iemand die een goed geweten heeft. Maar er klinkt een eigengerechtigheid in door die niet klopt met de zelfkennis die iemand bezit die in Gods tegenwoordigheid is. Daar is Job nog niet. Hij worstelt en heeft tegelijk ook de zekerheid dat God hem het leven heeft gegeven. Zolang hij leeft, weet hij dat God hem in leven houdt (vers 33Voorzeker, zolang mijn adem nog in mij is,
en het blazen van God in mijn neus,
)
. Hij heeft zijn leven, zijn adem, aan God te danken.

Zolang hij leeft, zal hij met zijn lippen geen onrecht spreken en zal zijn tong geen bedrog uiten (vers 44zullen mijn lippen geen onrecht spreken,
en zal mijn tong geen bedrog uiten!
)
. Hij zal de overtuiging van zijn onschuld nooit prijsgeven. Zijn vrienden hebben van alles geprobeerd om hem ervan te overtuigen dat het niet goed zit met hem. Maar er is geen sprake van dat hij hun gelijk zou geven (vers 55Er is geen sprake van dat ik jullie gelijk zou geven;
tot ik de geest geef, zal ik mijn oprechtheid niet van mij wegdoen.
)
. De vrienden zijn uitgegaan van de ellende waarin hij zit. Hun redenering was simpel: God straft zonden met lijden; Job lijdt, dus moet hij gezondigd hebben; hij lijdt zelfs heel erg, dus moet hij heel erg gezondigd hebben.

Job zal die beschuldiging tot zijn laatste ademtocht, tot hij de geest geeft, verwerpen. Als hij hun wel gelijk zou geven, zou hij liegen, zou hij bedrog uiten met zijn tong, zou hij zijn gerechtigheid prijsgeven, want hij heeft werkelijk niet gedaan wat zij beweren. Hij zal aan zijn gerechtigheid vasthouden en onderstreept die uitspraak door eraan toe te voegen dat hij haar niet zal loslaten (vers 66Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten;
mijn hart zal [die] in mijn dagen niet minachten.
)
.

Job kan op elke dag van zijn leven terugzien als een dag waarop hij in oprechtheid God heeft gediend. Er is in zijn hart geen minachting voor een dag die niet goed besteed zou zijn. Zijn leven is een open boek, waartegen geen beschuldiging is in te brengen. Zolang hij leeft, zal hij aan zijn gerechtigheid vasthouden en daarmee aan het feit dat hij onschuldig lijdt.


Tegenstelling met het karakter van een boze

7Laat mijn vijand zijn als een goddeloze,
en mijn tegenstander als iemand die onrecht doet.
8Want wat is de hoop van de huichelaar, als [God zijn leven] afsnijdt,
als God zijn ziel wegneemt?
9Zal God zijn hulpgeroep horen
als benauwdheid over hem komt?
10Zal hij vreugde scheppen in de Almachtige?
Zal hij God te allen tijde aanroepen?
11Ik zal jullie onderwijzen aangaande de hand van God;
wat bij de Almachtige is, zal ik niet verbergen.
12Zie, jullie hebben het allen zelf gezien.
Waarom blijven jullie dan aan vluchtigheid vasthouden?

In de verzen 7-107Laat mijn vijand zijn als een goddeloze,
en mijn tegenstander als iemand die onrecht doet.
8Want wat is de hoop van de huichelaar, als [God zijn leven] afsnijdt,
als God zijn ziel wegneemt?
9Zal God zijn hulpgeroep horen
als benauwdheid over hem komt?
10Zal hij vreugde scheppen in de Almachtige?
Zal hij God te allen tijde aanroepen?
spreekt Job over het lot van de goddeloze en de huichelaar zoals dat steeds door de vrienden is voorgesteld en op Job is toegepast. Hij sluit zich aan bij wat de vrienden hebben gezegd, want dit is inderdaad de algemene regel. God is een oordelaar van het kwaad. Job past deze waarheid echter heel anders toe dan de vrienden hebben gedaan. Dat zien we vanaf vers 1111Ik zal jullie onderwijzen aangaande de hand van God;
wat bij de Almachtige is, zal ik niet verbergen.
, als hij onderwijs gaat geven over “de hand van God”, het handelen van God.

Job beschrijft zijn vrienden als “mijn vijand” en “mijn tegenstander” (vers 77Laat mijn vijand zijn als een goddeloze,
en mijn tegenstander als iemand die onrecht doet.
)
. Zij hebben hem als “een goddeloze” toegesproken, “iemand die onrecht doet” en hem op die manier als een vijand en een tegenstander benaderd. Hij wil hun duidelijk maken hoe onmogelijk het is iemand als hij te verwarren met een goddeloze en iemand die onrecht doet. Hij is niet zo iemand.

Inderdaad is er voor de huichelaar – voor de vrienden is Job zo iemand – geen hoop als God zijn leven afsnijdt en zijn ziel, zijn leven, wegneemt (vers 88Want wat is de hoop van de huichelaar, als [God zijn leven] afsnijdt,
als God zijn ziel wegneemt?
)
. Maar Job is geen huichelaar en is ook niet zonder hoop. Hij blijft op God hopen, dwars door alle vragen heen die hij over zijn lijden heeft.

God hoort het hulpgeroep van de huichelaar niet als die in zijn benauwdheid tot Hem roept (vers 99Zal God zijn hulpgeroep horen
als benauwdheid over hem komt?
)
. De oorzaak daarvan is dat de huichelaar geen echte relatie heeft met God, de Almachtige. Hij wil dat ook niet, hij schept geen vreugde in Hem (vers 1010Zal hij vreugde scheppen in de Almachtige?
Zal hij God te allen tijde aanroepen?
)
. Daarom roept hij God niet te allen tijde aan, maar alleen als er benauwdheid over hem komt. Bij Job is dat anders. Job schept wel vreugde in de Almachtige en roept Hem te allen tijde aan. Dat heeft hij ook gedaan toen hij in voorspoed leefde. Hoewel Job (nog) geen antwoord krijgt op zijn hulpgeroep, weet hij dat God hem hoort.

In plaats van door de vrienden onderwezen te worden over het doen en laten van God kan Job hun wel wat onderwijs “aangaande de hand van God” geven (vers 1111Ik zal jullie onderwijzen aangaande de hand van God;
wat bij de Almachtige is, zal ik niet verbergen.
)
. Hij draait de rollen om. Hij kent de Almachtige en zal niet voor hen verbergen wat hij van Hem weet. Ze hebben toch zelf gezien hoe hij vroeger was, dat er geen onrecht bij hem was (vers 1212Zie, jullie hebben het allen zelf gezien.
Waarom blijven jullie dan aan vluchtigheid vasthouden?
)
? Waarom blijven ze dan toch aan hun “vluchtigheid”, hun lege praatjes, hun holle frasen, vasthouden?


Het zekere lot van de goddeloze

13Dit is het deel van de goddeloze mens bij God,
en het erfelijk bezit van de geweldplegers, [dat] zij van de Almachtige ontvangen:
14als zijn kinderen talrijk worden, is het voor het zwaard,
en zijn nakomelingen zullen niet met brood verzadigd worden.
15Wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dood begraven worden,
en zijn weduwen zullen niet wenen.
16Als hij zilver ophoopt als stof,
en kleding vervaardigt als leem,
17zal hij die vervaardigen, maar de rechtvaardige zal die aantrekken,
en de onschuldige zal het zilver verdelen.
18Hij heeft zijn huis als een mot gebouwd,
en als een hut die een wachter gemaakt heeft.

Job stelt hun duidelijk voor dat de aanleiding dat alles hem door God is ontnomen niet ligt in het feit van een zondig leven dat Gods toorn verdiende. Hij is geen goddeloze. God heeft voor “de goddeloze mens” een ander deel (vers 1313Dit is het deel van de goddeloze mens bij God,
en het erfelijk bezit van de geweldplegers, [dat] zij van de Almachtige ontvangen:
)
. “De geweldplegers” krijgen van God een “erfelijk bezit”. Dat heeft Zofar ook al betoogd in zijn tweede toespraak (Jb 20:2929Dit is het [wat] de goddeloze mens van Godswege ten deel [valt],
en het erfelijk bezit van zijn woorden van Godswege.
)
. Het is iets wat zij niet per se nu al, in dit leven, ontvangen, maar het kan ook na hun dood zijn. Maar de Almachtige bewaart het bij Zich tot het moment van de afrekening, waarbij het er niet toe doet of dat moment al op aarde of pas na dit leven zal zijn (vgl. 1Tm 5:2424Van sommige mensen zijn de zonden tevoren openbaar en gaan [hun] voor in het gericht; maar bij anderen volgen zij.).

De goddeloze en de geweldplegers kunnen wel een talrijk nageslacht hebben, maar ze zullen een gewelddadige dood of de hongerdood sterven (vers 1414als zijn kinderen talrijk worden, is het voor het zwaard,
en zijn nakomelingen zullen niet met brood verzadigd worden.
)
. Een voorbeeld daarvan hebben we in wat er gebeurde met de kinderen van Haman, de Jodenhater (Es 5:1111Haman vertelde hun [over] de luister van zijn rijkdom, zijn vele zonen en [over] alles waarmee de koning hem had grootgemaakt en waarmee hij hem had verheven boven de vorsten en dienaren van de koning.; 9:6-106In de burcht Susan hebben de Joden vijfhonderd man gedood en omgebracht.7En [ook] Parsandatha, Dalfon, Asfata,8Poratha, Adalia, Aridatha,9Parmastha, Arisai, Aridai en Vaizatha,10de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de tegenstander van de Joden, doodden zij, maar ze staken hun hand niet uit naar de buit.). “Door de dood begraven worden” betekent door de pest omkomen (vers 1515Wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dood begraven worden,
en zijn weduwen zullen niet wenen.
)
. De weduwen zullen er geen traan om laten. Ze zijn er misschien zelfs wel blij om van hem verlost te zijn.

Van zijn “zilver” en zijn prachtige “kleding”, die hij beide in enorme hoeveelheden heeft, zal hij zelf geen blijvend genot hebben. Ze zullen voor “de rechtvaardige” en “de onschuldige” zijn (verzen 16-1716Als hij zilver ophoopt als stof,
en kleding vervaardigt als leem,
17zal hij die vervaardigen, maar de rechtvaardige zal die aantrekken,
en de onschuldige zal het zilver verdelen.
; Sp 13:2222De goede [mens] doet zijn kleinkinderen erven,
maar het vermogen van de zondaar is weggelegd voor de rechtvaardige.
; Es 8:1-21Op diezelfde dag gaf koning Ahasveros aan koningin Esther het huis van Haman, de tegenstander van de Joden; en Mordechai kwam bij de koning, want Esther had verteld wat hij voor haar [was].2Vervolgens deed de koning zijn zegelring af, die hij van Haman afgenomen had, en gaf die aan Mordechai. Esther stelde Mordechai aan over het huis van Haman.)
.

Een huis dat “als een mot gebouwd” is, is een huis dat net zo snel en gemakkelijk in elkaar stort als de cocon van een motlarve (vers 1818Hij heeft zijn huis als een mot gebouwd,
en als een hut die een wachter gemaakt heeft.
; vgl. Jb 4:1919Hoeveel te meer [dan mensen], die in lemen huizen wonen,
waarvan het fundament in het stof is?
Zij worden nog eerder verbrijzeld dan een mot.
)
. Het is niet meer dan een provisorisch hutje dat een wachter maakt in de wijngaard voor de tijd van de druivenoogst. Zo is het huis van de goddeloze.


Weggedreven in zijn boosheid

19Rijk legt hij zich te slapen; hij wordt [wel] niet weggenomen,
[maar als] hij zijn ogen opendoet, is het er niet [meer].
20Verschrikkingen treffen hem als water;
's nachts zal een wervelwind hem wegnemen.
21De oostenwind zal hem opnemen, en [daar] gaat hij;
hij zal hem van zijn plaats wegvagen.
22[God] zal [dit alles] over hem werpen en [hem] niet sparen;
voor Zijn hand zal hij snel wegvluchten.
23Men zal over hem zijn handen ineenslaan,
en [van afschuw] over hem sissen vanuit zijn [woon]plaats.

De goddeloze rijke legt zich neer om te slapen zonder zich te realiseren dat het voor de laatste keer kan zijn (vers 1919Rijk legt hij zich te slapen; hij wordt [wel] niet weggenomen,
[maar als] hij zijn ogen opendoet, is het er niet [meer].
)
. Als hij zijn ogen opendoet, is alles verdwenen. De Heer Jezus vertelt over zo iemand in de gelijkenis van de rijke dwaas (Lk 12:16-2116Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.). Zijn ogen, die zo lang gesloten waren voor alles wat van God getuigt, zullen opengaan in een andere wereld. De Heer Jezus vertelt over een andere rijke die zijn ogen opsloeg in de hades, in de pijnen (Lk 16:2323De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.), wat overigens geen gelijkenis is, maar de werkelijke toestand na de dood. Job beschrijft dit einde rustig, omdat hij weet dat dit niet zíjn einde is.

De verzen 20-2120Verschrikkingen treffen hem als water;
's nachts zal een wervelwind hem wegnemen.
21De oostenwind zal hem opnemen, en [daar] gaat hij;
hij zal hem van zijn plaats wegvagen.
doen denken aan de gelijkenis die de Heer Jezus vertelt over een huis dat door een dwaas op het zand is gebouwd (Mt 7:24-2724Ieder dan die deze Mijn woorden hoort en ze doet, zal vergeleken worden met een wijs man, die zijn huis op de rots heeft gebouwd;25en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en beukten tegen dat huis; en het viel niet, want het was op de rots gegrondvest.26En ieder die deze Mijn woorden hoort en ze niet doet, zal vergeleken worden met een dwaas man, die zijn huis op het zand heeft gebouwd;27en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis; en het viel, en zijn val was groot.). Als daar de waterstromen en winden tegenaan beuken, stort het in. Er is ook een plotseling aspect. De goddeloze mens wordt plotseling door een verzengende wind of een hevige storm getroffen en weggenomen. De verschrikkingen komen over hem, terwijl het onmogelijk is ze af te wenden of zich ertegen te verzetten. Het staat er zo indrukwekkend: “En [daar] gaat hij.”

Al deze rampen worden door God over de goddeloze gezonden (vers 2222[God] zal [dit alles] over hem werpen en [hem] niet sparen;
voor Zijn hand zal hij snel wegvluchten.
)
. Hij zal snel willen wegvluchten, maar dat is onmogelijk. Als God niet spaart, is er geen ontkomen aan. Zo heeft God Zijn Zoon niet gespaard, maar Hem geoordeeld in de plaats van ieder die in Hem gelooft. Maar Hij spaart ook de hardnekkige zondaar niet, die zich tegen Hem blijft verzetten (2Pt 2:4-54Want als God engelen die gezondigd hadden niet gespaard, maar hen in de afgrond geworpen en overgeleverd heeft aan ketenen van donkerheid om tot [het] oordeel bewaard te worden;5en als Hij [de] oude wereld niet gespaard, maar Noach, een prediker van [de] gerechtigheid, een van de acht, behoed heeft toen Hij [de] zondvloed over [de] wereld van [de] goddelozen bracht;; Jh 3:3636Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal [het] leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.).

“Men”, dat zijn de medemensen, zal verbijsterd zijn over de afloop van de voorspoedige goddeloze (vers 2323Men zal over hem zijn handen ineenslaan,
en [van afschuw] over hem sissen vanuit zijn [woon]plaats.
)
. Men zal hoorbaar en zichtbaar uiting geven aan de ontzetting die hen heeft bevangen (Kl 2:1515Alle voorbijgangers hebben over u /samech/
de handen ineengeslagen.
Zij sisten [van afschuw] en schudden hun hoofd
over de dochter van Jeruzalem:
Is dit de stad waarvan men zei:
Volmaakt van schoonheid,
een vreugde voor heel de aarde?
; vgl. Op 18:99En de koningen van de aarde die met haar gehoereerd en weelderig geleefd hebben, zullen over haar wenen en weeklagen, wanneer zij de rook van haar brand zien,)
.


Lees verder