Job
Inleiding 1-4 De ijdelheid van Bildads woorden 5-6 God heerst over de diepten 7-13 God regeert over het heelal 14 Er is nog veel meer
Inleiding

Na zijn antwoord aan Bildad (verzen 1-41Maar Job antwoordde en zei:
2Hoe heb jij hem geholpen die geen kracht heeft,
[en] de arm verlost die geen macht heeft?
3Hoe heb jij hem raad gegeven die geen wijsheid had,
en [hoe] heb jij [hem] wijsheid in overvloed bekendgemaakt?
4Aan wie heb jij [zulke] woorden bekendgemaakt?
En wiens geest is van jou uitgegaan?
)
beschrijft Job nog indrukwekkender en weidser dan Bildad de grootheid van God (verzen 5-145De gestorvenen zullen [opnieuw] geboren worden
van onder de wateren, en de bewoners daarvan.
6Het graf is naakt voor Hem,
en er is geen bedekking voor het verderf.7Hij strekt het noorden uit over het ledige;
Hij hangt de aarde op aan het niets.
8Hij bindt het water in Zijn wolken;
toch scheurt de wolk daaronder niet.
9Hij bedekt de aanblik van [Zijn] troon;
Hij spreidt Zijn wolk erover uit.
10Hij heeft een begrenzing afgetekend over het wateroppervlak,
tot aan de grens tussen licht en duisternis.
11De pilaren van de hemel sidderen
en zijn verbijsterd vanwege Zijn bestraffing.
12Door Zijn kracht heeft Hij de zee opgezweept,
en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab neergeslagen.
13Door Zijn Geest [kreeg] de hemel schoonheid;
Zijn hand heeft de snelle slang doorboord.14Zie, dit zijn [nog maar] de uiteinden van Zijn wegen;
wat hebben wij [slechts] een fluisterend woord van Hem gehoord!
Wie zou dan de donder van Zijn kracht kunnen begrijpen?
)
.


De ijdelheid van Bildads woorden

1Maar Job antwoordde en zei:
2Hoe heb jij hem geholpen die geen kracht heeft,
[en] de arm verlost die geen macht heeft?
3Hoe heb jij hem raad gegeven die geen wijsheid had,
en [hoe] heb jij [hem] wijsheid in overvloed bekendgemaakt?
4Aan wie heb jij [zulke] woorden bekendgemaakt?
En wiens geest is van jou uitgegaan?

Job antwoordt Bildad (vers 11Maar Job antwoordde en zei:
)
. Zijn antwoord klinkt sarcastisch. In zijn toespraken heeft hij laten zien hoe hij zoekt naar rechtvaardiging, maar Bildad zegt doodgemoedereerd dat dit niet mogelijk is. Job erkent dat hij iemand is die geen kracht heeft (vers 22Hoe heb jij hem geholpen die geen kracht heeft,
[en] de arm verlost die geen macht heeft?
)
. Maar wat heeft hij een geweldige hulp van Bildad ervaren. Zijn arm hing onmachtig neer, maar gelukkig, daar was Bildad om hem te verlossen. Aan zo’n vriend heb je nog eens wat. En dan de raad die Bildad heeft gegeven aan de arme Job die het aan wijsheid ontbrak (vers 33Hoe heb jij hem raad gegeven die geen wijsheid had,
en [hoe] heb jij [hem] wijsheid in overvloed bekendgemaakt?
)
. Bildad is er niet karig mee geweest, maar heeft hem “wijsheid in overvloed bekendgemaakt”. Job zegt als het ware: ‘Ik weet natuurlijk niets. Maar wat een geweldig licht hebben jullie over mijn situatie laten schijnen. Het is nu helemaal helder, hoor.’

Maar aan wie heeft Bildad eigenlijk zijn woorden bekendgemaakt (vers 44Aan wie heb jij [zulke] woorden bekendgemaakt?
En wiens geest is van jou uitgegaan?
)
? Bildad heeft al zijn woorden gesproken tot een man in diepe nood. Wat hij heeft gezegd, heeft Job niet geholpen en kracht gegeven en zeker niet verlost uit zijn ellende, maar zijn lijden verzwaard. In plaats van olie en wijn hebben ze zout in zijn wonden gestrooid. De woorden van Bildad hebben niet geholpen het duistere raadsel van zijn huidige lijden op te lossen. Alle woorden die door de vrienden tegen Job zijn gezegd, zijn misplaatst geweest en hebben het failliet van hun wijsheid bewezen.

En wat is de oorsprong van Bildads woorden? Welke geest heeft hem die ingegeven en is in de woorden die hij heeft gesproken van hem uitgegaan? Het is duidelijk dat Bildad geen boodschapper van God is. De toespraken van Bildad en zijn vrienden zijn niet door God ingegeven, maar door hun eigen gedachten over God. De toespraak van Bildad ademt de geest van Elifaz (Jb 4:1717Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God?
Zou een man rein zijn voor zijn Maker?
)
. Wat de vrienden hebben gezegd, komt in niets overeen met hoe God Zich werkelijk bezighoudt met een mens die in lijden ondergedompeld is. Daarom ontbrandt Gods toorn ook tegen de vrienden (Jb 42:7-97Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.8Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar Mijn dienaar Job. Breng brandoffers voor u en laat Mijn dienaar Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed zal Ik aannemen, zodat Ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.9Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet [en] Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het gebed van Job aan.).


God heerst over de diepten

5De gestorvenen zullen [opnieuw] geboren worden
van onder de wateren, en de bewoners daarvan.
6Het graf is naakt voor Hem,
en er is geen bedekking voor het verderf.

Bildad heeft over Gods grootheid in de hoge gesproken, Job doet het hier over Gods grootheid in de diepte. Het ziet op duivelse machten, op de sheol (het dodenrijk) en zijn bewoners (vers 55De gestorvenen zullen [opnieuw] geboren worden
van onder de wateren, en de bewoners daarvan.
)
. Ook de verlorenen zijn onder de macht van God. Wij zien hen niet, maar zij zijn niet buiten Zijn gezichtsveld. Hij ziet hen en kent hen volkomen.

Op Zijn tijd zullen ze sidderend opstaan. Waar ze zich ook maar mogen bevinden, daarvandaan zal Hij hen door Zijn macht tevoorschijn roepen om hen vervolgens te oordelen (Op 20:1313En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.). In het dodenrijk regeert niet de satan, maar God (Ps 139:88Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar;
of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent [daar].
; Fp 2:1010opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,)
. Alles ligt open voor God, ook het graf, niets is voor Hem verborgen (vers 66Het graf is naakt voor Hem,
en er is geen bedekking voor het verderf.
; Sp 15:1111Graf en verderf liggen [open] voor de HEERE –
hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen.
; Hb 4:1313En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.)
.


God regeert over het heelal

7Hij strekt het noorden uit over het ledige;
Hij hangt de aarde op aan het niets.
8Hij bindt het water in Zijn wolken;
toch scheurt de wolk daaronder niet.
9Hij bedekt de aanblik van [Zijn] troon;
Hij spreidt Zijn wolk erover uit.
10Hij heeft een begrenzing afgetekend over het wateroppervlak,
tot aan de grens tussen licht en duisternis.
11De pilaren van de hemel sidderen
en zijn verbijsterd vanwege Zijn bestraffing.
12Door Zijn kracht heeft Hij de zee opgezweept,
en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab neergeslagen.
13Door Zijn Geest [kreeg] de hemel schoonheid;
Zijn hand heeft de snelle slang doorboord.

Job gaat verder met zijn beschrijving van de grootheid van God en kijkt daarbij nu naar het noorden en naar boven (vers 77Hij strekt het noorden uit over het ledige;
Hij hangt de aarde op aan het niets.
)
. Hij ziet de enorme uitgestrektheid van het heelal. Hij kijkt naar het noorden – de plaats van waaruit God regeert (Js 14:13-1413En ú zei in uw hart:
Ik zal opstijgen naar de hemel;
tot boven Gods sterren
zal ik mijn troon verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting
aan de noordzijde.
14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.
)
–, het noordelijke hemelgewelf, dat als een gordijn die uitgestrektheid overkoepelt. In dat enorme uitgestrekte “ledige”, waar niets is waaraan iets kan worden opgehangen, hangt de aarde. God heeft de aardbol “aan het niets” opgehangen.

Dat de aarde “hangt”, is een vastgesteld feit. Als de Schrift iets vermeldt over de schepping, dan is dat Gods waarheid. Wetenschappelijke ‘waarheid’ is anders. Wetenschappelijke taal is snel achterhaald. Wetenschappelijke conclusies moeten regelmatig herschreven worden omdat nieuwe inzichten de vorige om zeep helpen. De Bijbel, door God geïnspireerd en dus foutloos, is niet geschreven in wetenschappelijke taal, maar in dagelijkse taal en hoeft nooit aangepast te worden. Alles wat God heeft gezegd, blijft voor alle tijden en generaties actueel (2Tm 3:16-1716Alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in [de] gerechtigheid,17opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust.).

Zo bindt God ook de wateren bijeen in de wolken (vers 88Hij bindt het water in Zijn wolken;
toch scheurt de wolk daaronder niet.
; vgl. Sp 30:44Wie is er naar de hemel opgestegen en [vandaar] neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, u weet het immers?
)
, zonder dat de wolk door het gewicht ervan scheurt. Het is God Die de dampen van de aarde samenbalt in dikke wolken, als het ware de kruiken van de hemel (Jb 38:3737Wie kan de wolken met wijsheid tellen?
En wie kan de kruiken van de hemel neerleggen,
)
. Het is Zijn manier om regen te geven op aarde waar Hij wil (vgl. Jr 10:1313Als Hij Zijn stem laat klinken, [dan] is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
; Ps 104:33Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren,
maakt van de wolken Zijn wagen,
wandelt op de vleugels van de wind.
)
.

Boven de wolken is Gods troon (vers 99Hij bedekt de aanblik van [Zijn] troon;
Hij spreidt Zijn wolk erover uit.
; vgl. Ps 97:22Wolken en donkerheid zijn rondom Hem,
gerechtigheid en recht zijn het fundament van Zijn troon.
)
. Dit is uiteraard zinnebeeldig bedoeld, want ook zonder wolken is de troon van God onzichtbaar. De troon is het centrum van waaruit de schepping wordt geregeerd (vgl. Jb 1). De mens is met al zijn kennis en bekwaamheid niet in staat Hem te ontdekken. Hij sluit God trouwens ook uit in zijn onderzoek naar de oorsprong en voortgang van het heelal. Het is hem “moedwillig … onbekend” (2Pt 3:55Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het Woord van God [de] hemelen van oudsher waren en een aarde bestaande uit water en door water,). Daardoor is hij tot de dwaasheid van de evolutietheorie vervallen.

God bestuurt niet alleen het water boven het aardoppervlak, maar ook het water op het aardoppervlak (vers 1010Hij heeft een begrenzing afgetekend over het wateroppervlak,
tot aan de grens tussen licht en duisternis.
)
. Het water boven de aarde wordt door God vastgehouden in wolken. Het water op aarde wordt door God vastgehouden binnen door Hem vastgestelde grenzen (Ps 104:99U hebt een grens gesteld, die ze niet zullen overgaan,
ze zullen de aarde nooit meer bedekken.
; Jr 5:22b22Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,
of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?
Ik, Die het zand gemaakt heb tot een grens voor de zee,
een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.
Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen [uitrichten],
al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.
)
.

Ook in een andere zin heeft God een grens afgetekend over het wateroppervlak. Die grens is de horizon. Dat worden we ons bewust als we aan de oever van een oceaan staan. Als we in de verte kijken, zien we de horizon. Verder kunnen we niet kijken. Daar bevindt zich de grens tussen de lichte hemel en de donkere zee, de grens tussen het water in de wolkenhemel en het water in de zee.

Ook de indrukwekkende, massieve, onwankelbare bergen, die hoog boven het landschap uitrijzen en de hemel raken, staan onder Zijn gezag (vers 1111De pilaren van de hemel sidderen
en zijn verbijsterd vanwege Zijn bestraffing.
)
. Ze worden hier poëtisch “de pilaren van de hemel” genoemd, alsof de hemel erop rust. Maar als Hij ze bestraft, waarbij we aan een aardbeving kunnen denken, sidderen zij (Ex 19:1818De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.). Van al dat imposante blijft niets over. Alleen Zijn majesteit boven alles is blijvend.

Dan is daar ook nog Zijn kracht in de wind waarmee Hij de zee opzweept (vers 1212Door Zijn kracht heeft Hij de zee opgezweept,
en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab neergeslagen.
; Ps 107:2525Wanneer Hij spreekt,
doet Hij een stormwind opsteken,
die haar golven hoog opheft.
; Js 51:1515Want Ik ben de HEERE, uw God,
Die de zee opzweept, zodat zijn golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
; Jr 31:3535Zo zegt de HEERE,
Die de zon tot een licht geeft overdag
en de vaste orde van maan en sterren
tot een licht in de nacht,
Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
. Met hetzelfde gezag beteugelt Hij ook de wind en “brengt de storm tot stilte” (Ps 107:2929Hij brengt de storm tot stilte,
zodat hun golven zwijgen.
)
. Wat hier aan God wordt toegeschreven, zien we in de evangeliën de Heer Jezus doen (Mt 8:2626En Hij zei tot hen: Waarom bent u angstig, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en er ontstond een grote stilte.; Mk 4:3939En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte.), een van de vele bewijzen dat de Heer Jezus God is.

God is niet alleen groot in Zijn almacht en majesteit, maar ook in Zijn schoonheid (vers 1313Door Zijn Geest [kreeg] de hemel schoonheid;
Zijn hand heeft de snelle slang doorboord.
)
. De Geest van God geeft die schoonheid aan de hemel. We zien de schoonheid van de lucht, de wolken, de hemellichamen. David is er diep van onder de indruk: “Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt” (Ps 8:44Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
)
. God schept, controleert en bevrijdt (Js 27:11Op die dag zal de HEERE vergelding doen
met Zijn hard, groot en sterk zwaard
aan de Leviathan, de snelle slang,
ja, de Leviathan, de kronkelende slang;
Hij zal het monster dat in de zee is, doden.
; Op 20:22En hij greep de draak, de oude slang, dat is [de] duivel en de satan, en bond hem duizend jaren;)
.

Die schoonheid is door “de snelle (eigenlijk 'snel vluchtende') slang”, de duivel (Op 12:99En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.), verloren gegaan toen hij de zonde in de wereld bracht. Maar God is in Christus de Overwinnaar over de duivel. Hij zal het oppervlak van het aardrijk vernieuwen (Ps 104:3030Zendt U Uw Geest uit, [dan] worden zij geschapen
en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem.
)
en de schepping in zijn oorspronkelijke schoonheid herstellen. Dan zal de duivel gebonden zijn en zal de vergankelijkheid van de schepping zijn weggenomen (Rm 8:2121in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.).


Er is nog veel meer

14Zie, dit zijn [nog maar] de uiteinden van Zijn wegen;
wat hebben wij [slechts] een fluisterend woord van Hem gehoord!
Wie zou dan de donder van Zijn kracht kunnen begrijpen?

Na alles wat over de hemel en de aarde is gezegd, moet ook worden gezegd dat die maar een gedeelte van Zijn wegen zijn. Het is om zo te zeggen slechts de heerlijkheid van de zoom van Zijn kleding (Js 6:11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.). In de schepping worden alleen “Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid” gezien (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,). Het zijn de grenzen van Gods macht die een mens kan zien. Verder kan hij niet kijken. De werkelijkheid is zoveel groter dan een mens kan bevatten, laat staan die beschrijven. Om meer te kunnen zien heeft de mens de openbaring van de Geest nodig.

De taal die God in de schepping spreekt, is duidelijk en overweldigend (Ps 19). Het zijn beeldende woorden. Toch zegt het maar zo weinig in vergelijking met de volheid die in Hem is. In vergelijking met Wie God werkelijk is, zijn het slechts fluisterende woorden. Als deze “uiteinden van Zijn wegen” ons slechts een glimp van Zijn oneindig kracht tonen, hoe zou dan iemand “de donder van Zijn kracht” kunnen begrijpen? Hier bedoelt Job de volle ontplooiing van de kracht van God.

De mens is niet in staat Gods kracht te begrijpen. Wie komt niet onder de indruk van een naderende onweersbui met oorverdovende donderslagen en verblindende lichtflitsen? Maar wat begrijpen we eigenlijk van de kracht van God Die dit bestuurt? Als God Zijn volle kracht zou tonen, zou de mens weggeblazen, weggevaagd, verpletterd en verteerd worden.

De nieuwtestamentische gelovige is wel in staat om meer van God te zien dan alleen Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid. Hij heeft de Heilige Geest ontvangen. Door de Geest is hij in staat het innerlijk van God te leren kennen, “want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God” (1Ko 2:1010Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.). Kinderen van God kunnen Gods heerlijkheid in Christus aanschouwen, “een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader, vol van genade en waarheid” (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.).


Lees verder